Spiritueel narcisme

De dominee preekte gisteren over de neiging van mensen om zichzelf op allerlei manieren centraal te willen stellen. Dat gebeurde ook in de jonge kerken in het Nieuwe Testament. En het komt helaas nog steeds in de kerken maar al te vaak voor. Het herinnerde mij aan de term 'spriritueel narcisme' waar sociaal psychologe Roos Vonk ooit over schreef.

Dat spiritueel narcisme zie je bijvoorbeeld bij mensen die overal vertellen dat ze een bijzondere ervaring ‘in de Heer’ hebben gehad. Of omdat ze dankzij hún gebed genezen zijn. Ik las zelfs een (ouder) verhaal dat iemand beweerde dat dankzij het gebed in zijn kring het keerpunt in de Tweede Wereldoorlog was gekomen. Maar ook – veel gewoner – omdat ze op een bepaalde manier heel gelovig zijn. Ze doen dagelijks aan Bijbelstudie. Ze kennen bijzondere ervaringen. Ze worden op een heel speciale manier geleid.

In een artikel in Psychologie Magazine (februari 2016) noemde Roos Vonk dit spiritueel narcisme. Narcisme is een vorm van denken waarbij je jezelf centraal stelt.

Bij spiritueel narcisme stelt de persoon zichzelf centraal, terwijl dat gebeurt onder de dekmantel van het geloof. ‘Het heel speciale’ is precies één van de kernthema’s van het narcisme. Omdat je zo speciaal bent ben je dus ook een betere gelovige dan de ander. Die ander ‘ is zo ver nog niet’ klinkt het dan nogal eens. Een tweede kenmerk, dat ook bij narcisme in het algemeen past, is dat de ander, die nog niet zo ver is, daarmee dus ook fout zit. Niet zelden beginnen de mensen met dit soort ideeën ook ‘voor zichzelf’. Ze houden het niet uit in de ‘gewone kerk’, dat is niet speciaal genoeg. Dat narcisme vormt ook de voedingsbodem voor sekteleiders.

Kunsthistorica Mariëlle Hageman schreef in dit verband over haar zoektocht naar religieuze ervaring. Ze dacht zich in Nepal te kunnen onthechten aan de westerse wereld. Maar ook binnen het zo op het eerste gezicht nederige boedhisme ervoer ze dat deze religieuze omgeving een slangenkuil van jaloezie en intriges was. Mensen die dingen zien die anderen niet zien en dus betere gelovigen zijn. Wie zo verheven is mag hard oordelen over de ander. Dat past allemaal in het narcistische plaatje: het creëren van een voor mij perfecte geloofswereld waarin ik de beste geloofspapieren heb.

Roos Vonk noemt nog een gevolg van dit spiritueel narcisme. Wie zo ‘verheven’ is hoeft natuurlijk weinig narigheid te vrezen. Onprettige gevoelens worden vermeden. “Sinds ik geloof heb ik daar helemaal geen last meer van. Het doet me allemaal niks meer wat ze van me zeggen.” “Omdat ik voor God zo speciaal ben ben ik genezen van mijn ziekte.” Dat klinkt heel vroom, maar eigenlijk stel je jezelf centraal.

Geloof kan bergen verzetten. Maar geloof wordt spiritueel narcisme wanneer jij beweert dat je zo goed gelovig bent dat je het zelf bent die die bergen kan verzetten. En dat je daarom beter bent dan alle anderen.

De narcistische voorganger en de megakerk (9, slot)

In de jaren '30 was er een gevierd Gereformeerd predikant die overal waar hij kwam volle kerken trok. Er wordt tegenwoordig wel gesproken over kerkelijk comsumentisme, maar dat bestond dus ook al een eeuw geleden.

Over deze dominee is een verhaal opgetekend dat hij voor de dienst steeds via een luikje de kerkzaal in keek. Als de kerk nog niet vol was, was het nog geen tijd. Hij meende dat een kerk altijd vol moest zitten als hij er preekte. Dat was op zijn minst een kwestie van ijdelheid, en misschien was het ook wel een narcistische trek.

Vreemde adviezen

Terug naar het artikel van David R. Dunaetz, Hannah L. Jung, en Stephen S. Lambert. Het valt mij op dat ze met een aantal wonderlijke adviezen komen om de nadelige gevolgen van het optreden van narcistische voorgangers te in te dammen.

Zo doen ze de suggestie om door gemeenteleden op geanonimiseerde blogs te schrijven over het reilen en zeilen binnen de kerkelijke gemeente. Volgens de auteurs speuren narcisten regelmatig heel internet af om te kijken of ze ergens genoemd worden. Dat laatste is waarschijnlijk waar: hoe vaak word ik genoemd? Wat wordt er over mij geschreven. Maar de kant van de anonieme kritiek moeten we in de kerk echt niet op willen gaan.

De auteurs menen dat rechtstreekse kritiek op een narcistische voorganger bijna altijd leidt tot confrontaties. Een geanonimiseerd blog zou dan effectiever zijn. Als op zo’n geanonimiseerd blog af en toe wordt geschreven over hoe de voorganger met een bepaalde vorm van handelen de plank mis slaat zou dat corrigerend kunnen werken. Ik vraag me ten zeerste af of dat werkt. Maar die kant moeten we dus ook niet op (willen) gaan.

Er worden ook andere suggesties gedaan, zoals het nog meer benadrukken van de band tussen de voorganger en de gemeente in o.a. publicaties en op de website. “De gemeente van dominee MacGrey.” De voorganger zou dan meer op zijn tellen passen dat er geen gekke dingen gaan gebeuren. Nee, doe dat alsjeblieft juist niet! Bovendien: een kerk is nooit van een dominee, een kerk volgt Jezus!

Ds. Chapman vertrekt

Dan nog ds. Chapman. Naarmate de kritische geluiden toenamen zag hij zich steeds meer als een boodschapper van Jezus. Hij was degene die zich baseerde zich op de Bijbel. Als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Dan waren ze toch niet zo gelovig als ze zich voor deden. Hij meende zelfs dat deze ambtsdragers uit hun ambt gezet zouden moeten worden.

Ik weet niet of ds Chapman narcistisch is, maar in zijn gedrag zie je wel kenmerken die passen bij narcisme. Zoals in dit geval: degenen die kritiek hebben moeten verdwijnen en vervangen worden door medestanders. Alleen werkt het niet zo in de Gereformeerde kerken. De dominee bepaalt de samenstelling van de kerkenraad niet. De pogingen van ds. Chapman om er op aan te sturen dat er leden van de kerkenraad moesten worden vervangen liepen op niets uit.

Opvallend was tijdens deze gang van zaken dat Chapman zich steeds minder flexibel toonde. Hij hield steeds meer vast aan zijn eigen visie, alle inbreng vanuit de gemeente werd door hem afgewezen.

Je zou kunnen zeggen: het werd steeds meer theologie en steeds minder relatie. Het klonk allemaal zeer gedegen en onderbouwd. Maar wat is een preek als deze niet wordt gedragen door verbondenheid met de gemeente?

Ook het kinderwerk tijdens de kerkdienst werd door hem over genomen omdat hij er ontevreden over was. Het wonderlijke was dat zijn preken steeds meer vuur kregen. Maar het was de vraag of het alleen heilig vuur was.

De gemeente wilde een voorganger die lijnen uit kon zetten. Dat kon deze predikant heel goed. Waarschijnlijk had hij dat als manager in het bedrijfsleven ook al voortdurend gedaan. Maar een kerk is wat anders het het bedrijfsleven waar je mensen op non-actief kunt zetten. Wat Chapman niet bleek te kunnen was: samenwerken met anderen.

Binnen twee jaar liep de samenwerking met ds. Chapman vast. Ook een externe commissie bleek hier geen verandering in aan te kunnen brengen. Chapman wilde op alle punten zijn gelijk halen. Daarop werd er een proces van losmaking ingezet. Ook bij de kerkelijke procedure legde Chapman zich niet neer: hij stapte naar de rechter en eiste een enorme financiële schadevergoeding, een soort van gouden handdruk. Dat was vanwege smaad, gederfde levensvreugde en gemiste inkomsten voor de komende tien jaar. Die vergoeding kreeg hij niet toegewezen.

Na het vertrek van ds. Chapman kwam er weer rust in de kerk. Het was een situatie met alleen maar verliezers geweest. Maar gelukkig groeit de kerk weer. Een kerkelijke gemeente is voor geestelijke groei niet alleen van de predikant afhankelijk.

De narcistische voorganger en de megakerk (8)

Voor iemand met narcistische trekken kan het ambt van predikant aantrekkelijk zijn. Dat geldt zeker ook voor vroegere tijden, toen dit beroep in hoog aanzien stond. Letterlijk (de hoge preekstoel) en figuurlijk stond de predikant in hoog aanzien.

Bovendien: vanuit de kerk word je niet tegengesproken. Tegenspraak is lastig voor narcistische mensen. Welnu: tijdens de preek kun je gewoon je gang gaan. Je wordt nooit geïnterrumpeerd.

Je zou kunnen zeggen: als er geen gezonde tegenkrachten zijn vormt de preekstoel een prima plek om sluimerend narcisme zich verder te laten ontwikkelen.

Nog steeds krijgt de voorganger tijdens de preek geen (of zelden) weerwoord. Maar in het kerkelijke werk is dat tegenwoordig toch anders geworden. Veel gemeenteleden hebben een eigen mening over de inhoud van de preek, over de muziek, over de standpunten van de kerkenraad. Een keerzijde is dat gemeenteleden in toenemende mate gaan ‘shoppen’.

Een reactie van voorgangers (maar ook van een synode) kan zijn dat ze het belang van het ambt gaan onderstrepen. Die discussie is niet verkeerd, maar het is wel van belang om te kijken in welke omstandigheden dat gebeurt. Wat is de achterliggende gedachte om je eigen beroep ‘groter’ te maken?

Mensen in de kerk zijn net gewone mensen. Als ze de Bijbel kennen weten ze dat ook. Ze zijn geen haar beter dan andere mensen. Eén van de kenmerken van narcisme is dat je je eigen fouten niet toe kunt geven. En als je ze wel toegeeft doe je dat om verdere reputatieschade te voorkomen. Er is wel zicht op de fouten van de ander, maar weinig zicht op de eigen gebrokenheid. Het berouw zit dus aan de buitenkant, maar niet van binnen. Hoe dat precies zit kunnen buitenstaanders moeilijk beoordelen, dat is vooral aan de persoon zelf. Maar als het berouw inderdaad alleen aan de buitenkant zit maakt dat de kans op herhaling ook groot.

Nog een keer: het verhaal van theoloog Chapman

Hoe is het ondertussen met Joshua Chapman gegaan (derde en zesde blog)? Het contact tussen Chapman en de eerste kerkelijke gemeente (geen mega-kerk, maar een wijkgemeente in een grote stad) die contact met hem zocht was vastgelopen. Kerkenraad en gemeenteleden lieten zich niet meteen door hem op sleeptouw nemen.

Maar er was een andere kerk die wel mogelijkheden zag om met de (bijna) predikant in zee te gaan. Het was een kerkelijke gemeente met veel doeners. Een streek met harde werkers, vooral tuinders. De kerk was een verlengstuk van het werk: niet kletsen maar doen. Men hield van aanpakken. De kerkenraad vond dat Chapman precies in het profiel paste: stevig aanpakken en niet moeilijk doen. Dat hij al tijdens de kennismaking tal van taken naar zich toe had getrokken zag men eerder als een pré dan als een nadeel. Drie maanden later werd hij als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente. De pastorie was door de hardwerkende gemeenteleden in korte tijd helemaal verbouwd. Het gezin kon er zó in.

Ruzie met de organist

Binnen enkele maanden ontstonden de eerste scheuren in het contact. Chapman had een bepaalde visie op de manier waarop sommige liederen gezongen moesten worden. Hij meende dat hij meer verstand had van de muziek dan de organist en dat hij dus kon bepalen hoe bepaalde liederen begeleid moesten worden. Dat was de organist niet van plan. Het werd al snel een fors conflict. De organist zei uiteindelijk: “Dominee, als u het zo goed weet gaat u zélf op de orgelbank zitten, ik speel op mijn manier.” Beiden gaven niet toe. De organist trok zich terug en kwam niet meer in de kerk. Voor Chapman was deze gang van zaken niet zo ongewoon. Hij had op zijn werk meerdere reorganisaties meegemaakt. Daar waren ook altijd mensen bij vertrokken. Hij zag het vertrek van de organist ook als een soort reorganisatie. Nu er een dwarsligger verdwenen was kon het er alleen maar beter op worden in de kerk.

Botsing met de kerkenraad

Maar ook binnen de kerkenraad ontstond al snel een verschil van mening. Maandelijks werden standaard de preken besproken. Enkele leden van de kerkenraad stelden kritische vragen bij sommige uitspraken die de dominee had gedaan. Ze vroegen zich af waar hij zich op baseerde en of de dominee wel voldoende rekening hield met het levensverhaal van sommige gemeenteleden. Was het wel pastoraal om vanaf de preekstoel een hard oordeel te vellen zonder dat je weet welk verdriet er speelt? Van die opmerkingen was dominee Chapman niet gediend. Hij baseerde zich op de Bijbel en als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Misschien waren ze dan misschien toch niet zo gelovig als ze zich voor deden.

De afgelopen decennia is er meer aandacht gekomen voor pastorale psychologie in de opleiding van voorgangers. Ook wordt het steeds belangrijker geacht dat aanstaande predikanten supervisie volgen. Voordat je de gemeente in gaat moet je jezelf goed kennen. Als Chapman dat traject had gevolgd had je kunnen verwachten dat hij zich niet meteen zo zou hebben opgesteld. Wat was er aan de hand?