Kauwen: het nieuwe lopen

Vorige week was ik ingezetene op een congres over ouderenzorg. Daar sprak ook Professor Erik Johan Anton Scherder. Hij is bekend van radio en televisie. Omdat hij zo vaak wordt uitgenodigd heeft hij weinig nieuws meer in te brengen.

Professor Erik Scherder valt namelijk steeds in herhaling. Dat krijg je als je steeds weer wordt uitgenodigd om hetzelfde te vertellen. Toch geef ik nog wat van zijn verhaal door aan de arglistige lezertjes van dit blog. En als je goed kijkt, luistert en leest komen er ook steeds nieuwe dimensies bij in zijn verhalen. Het is dus niet alleen herkauwen wat de Scherderklok slaat.

Het congres ging over het belang van goed kauwen. Kauwen blijkt namelijk een gunstig effect te hebben op de hersenen. Ik ben opgevoed met het idee dat de aanschaf van Bazooka kauwgom (á 5 cent per pakje) niet passend was. Dat was voor voetbalfans en Amerikanen, maar niet voor Henk 50. 

Maar professor Scherder liet aan de hand van grafieken zien hoe goed het (her)kauwen is voor het menselijk brein. Je hoeft helemaal niet meer te joggen: je gaat gewoon stevig op een kauwgompje zitten kauwen. En ziedaar: de witte stof in je hersenen wordt opeens enorm geactiveerd. Kauwen leidt tot een betere doorbloeding van de vaten en daarmee tot een grotere cardiovasculaire respons. De hartslag gaat er (gezond) door omhoog. Maar omdat alleen kauwen toch ook weer te eenzijdig is raad ik je aan om die kauwgom dan in een naburig dorp te kopen en daar naar toe te lopen.

Die witte stof, daar gaat het om. Die gaat vanaf je dertigste in kwaliteit achteruit. Zo sprak ik onlangs een man van 35 jaar en ik dacht: wat is hij veranderd in zijn denken. En dat niet in positieve zin. Hij heeft een zittend beroep, gaat met de auto naar zijn werk en nuttigt geen kauwgom. Dat is vragen om moeilijkheden.

De werkelijke daling van de kwaliteit van de witte stof vindt plaats na je zeventigste jaar. Dus er staat mij binnenkort heel wat cognitieve ellende te wachten: ik kan het allemaal niet meer begrijpen. SBS 6 zou zeggen: “Henk 50 kan het niet meer bevatten.” Het jaar na mij is professor Scherder aan de beurt: hij is een jaar jonger dan ik.

Er is tal van onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de mondzorg en de verdere gezondheid. Een vuistregel die soms wordt gehanteerd is dat iedere tand of kies die je mist je een jaar aan levensverwachting kost. Ik mis vier verstandskiezen en één andere kies: dus daar gaan vijf levensjaren aan pensioen.

Maar zo eenvoudig zit het natuurlijk allemaal niet. Het verliezen van veel tanden en kiezen is vaak ook gerelateerd aan andere factoren op het gebied van de (on)gezondheid.

Wat uit de onderzoeken van Erik Scherder en collega’s wél naar voren komt is dat het belang van goed kauwen niet moet worden onderschat. En om goed te kunnen kauwen heb je een gebit nodig. Gemalen voedsel in een verpleeghuis leidt tot een snellere achteruitgang in het totale functioneren.

Wat heb je verder nodig voor het stimuleren van de doorbloeding en voor de daarmee samenhangende kwaliteit van de witte stof?

  1. Voldoende uitdaging
  2. Nieuwe uitdaging
  3. Wat je doet moet moeite en energie kosten
Ook al ben je met pensioen, maak het jezelf niet te gemakkelijk. Los sudoku's op, begin een studie kunstgeschiedenis, kauw een hele winterwortel aan gort of trap tegen de wind in zonder trapondersteunig naar zee.

Kiezen voor tanden

Hoe ziet de dag voor een pensionado er uit? Nou, dat pensioen lukt me nog niet helemaal. Wat wél lukt is om de dag rustiger op te starten met een krantje en een croissantje.

Je kunt ergens je tanden in zetten. Daar kun je zelfs voor kiezen. De meeste klussen waar ik op dit moment mee te maken heb gaan over de mondzorg. Deze week begon met een bezoek aan de endodontoloog. Daar lag ik zelf in de stoel. Een endodontoloog is een wortelkanaaldeskundige. Dat klinkt eng, maar ook zonder verdoving heb ik niets gevoeld. Je ligt alleen soms wel twee uur in de stoel. Maar deze keer was ik snel klaar. Daarna hebben we nog even geboomd over de mondzorg voor ouderen.

Deze maand moet ik een reader schrijven over (mondzorg) en ouderen. De opdracht van dinsdag was: hoe vertaal ik de fasen van dementering in kwaliteit van mondzorg? Hoeveel ondersteuning hebben mensen daarbij nodig? Dat was een pittige klus. Maar in het kader van het gebit is het je ergens in vast willen bijten geen slechte zaak.

Ben ik klaar met die opdracht, dan moet ik aan de slag met een casusboek over mondzorg voor gehandicapten. Een aantal tandartsen heeft daar een crowdfunding-actie voor gehouden. Dat geld is binnen. Nu móét ik dus wel aan de slag. Deze week moesten er ook afspraken met de uitgever worden gemaakt. Het wordt het jubileumboek van de beroepsgroep van tandartsen in de bijzondere tandheelkunde.

Daarnaast waren er deze week een bijeenkomst over ‘autismevriendelijke mondzorg’, en moest ik een cursus geven over de behandeling van mensen bij autisme bij de mondhygiënist.

Ondertussen is de folder over autismevriendelijke mondzorg eindelijk persklaar, hij wordt vrijdag gedrukt. Weer een gezamenlijk project afgevinkt.

Nee, het werk is niet meer zoals vroeger. Ik hoef niet iedere dag vroeg op. Dat is het voordeel van pensionado zijn. De tijden zijn veel meer flexibel. Ook word ik niet meer achtervolgd door procedures en protocollen.

Op mijn vak ben ik – anders dan dokter Jansma – helemaal niet uitgekeken. Vanmiddag kan ik weer aan de bak: supervisie voor tandartsen in opleiding.

Volgende week mag ik zélf bij de tandarts in de stoel. Kijken of hij me autismevriendelijk en ouderenproof bejegent...

LVB en poetsen

De afkorting LVB betekent Lichte Verstandelijke Beperking. Het hangt er vanaf welke statistische grens je hanteert, maar volgens een aantal onderzoekers zijn er 1½ miljoen mensen met een Lichte Verstandelijke Beperking in Nederland.

Het is een onzichtbare handicap. Veel mensen met een lichte verstandelijke beperking zijn ‘streetwise’. Ze kunnen de oren van je hoofd praten. Het probleem is dat ze in onze steeds complexere samenleving toch de weg niet kunnen vinden en zeker niet de digitale snelweg. Berichten van de overheid worden totaal niet begrepen, de kleine lettertjes worden niet gelezen, de schulden lopen gemakkelijk op.

Voor tandartsen en mondhygiënisten zijn mensen met een lichte verstandelijke beperking een ingewikkelde doelgroep. Ze zeggen alles te begrijpen en toch is de mondverzorging vaak zwaar onvoldoende. Maar wat vinden ze er zelf van?

Vorige week ondervroeg ik twee groepen van mensen met een lichte verstandelijke beperking over hun mondverzorging. Het bleken ideale patiënten.

Hoe belangrijk vind je het dat je goed je mond verzorgt? Op een schaal van nul tot tien? Een tien natuurlijk…

Hoe vaak poets je op een dag? Liefst drie keer, soms sla ik een keer over, dan is het twee keer. Maar hoe lang dan? Nou, minstens vier minuten.

Hoe vaak eet je tussendoor? “Nou” zei iemand, “ik mag maar zeven eet-en drinkmomenten op een dag, dus ik neem maar vier keer tussen het eten door iets. En de tandarts zei dat ik beter een hele zak snoep in één keer op kon eten dan in kleine stapjes, want dan rust mijn mond niet uit.”

En waarom poets je je mond zo goed? “Anders ga je stinken uit je mond en dat wil je niet dat iemand anders vindt dat je stinkt. En dan kan je ook niet zoenen.” Het was opvallend dat niemand het over gaatjes had…

Eén man had trouwens nog een interessante vondst. Hij at na het eten van uien en knoflook een paar happen tandpasta en slikte die door, dan kwam de pepermuntsmaak in je maag en dan stonk je ook niet meer uit je mond...

Preken helpt niet!

In mijn werk ben ik regelmatig betrokken bij de mondzorg bij mensen met een lichte verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid. Met het eten en drinken, maar ook met het poetsen, is het bij deze groep mensen (zo'n twee miljoen Nederlanders) vaak niet best gesteld. En een bezoek aan de tandarts wordt liever ook overgeslagen, tenzij de pijn te heftig is.

Opmerking tussendoor: ik heb het over ‘de mensen met een lichte verstandelijke beperking’ of over ‘ze’, maar het gaat hierbij natuurlijk ook om een heterogene groep, met toch wel vaak een aantal gemeenschappelijke kenmerken.

Hoe motiveer je mensen met een lichte verstandelijke beperking om beter te poetsen? Je kunt ze een folder aanbieden. Je hebt dan op de praktijk een folder minder, maar die folder wordt heus niet gelezen. Dat heeft dus geen zin.

Je kunt ze ook waarschuwen dat niet goed poetsen heel ongezond is en dat ‘ze’ over tien jaar een kunstgebit hebben. Ook die waarschuwing heeft geen enkele zin. Over tien jaar is pas over tien jaar. Bovendien hadden hun ouders op hun 18e ook al een ‘klapper’. Dan ben je van alle gezeur af. Als je dan uit gaat leggen dat een kunstgebit ook tal van nadelen heeft horen ze die boodschap welwillend aan, maar hij gaat wel het ene oor in en het andere oor uit. Ook het dreigen met tal van enge ziektes heeft geen enkele zin.

En die eet-en drinkgewoonten? Is het wel zo verstandig om een fles cola naast je bed te hebben staan? Jawel, want als ik ’s nachts dorst heb moet ik wat drinken! Is gewoon water dan niet goed genoeg? Nee, want dat smaakt nergens naar.

Ik doe het toch nooit goed!

Als behandelaar wil je graag dat je patiënten zo gezond mogelijk leven, maar het ingewikkelde is dat die boodschap zelden goed over komt. Naar mijn idee komt dat omdat mensen met een lichte verstandelijke beperking al hun hele leven hebben gehoord dat ze het niet goed doen. Voor mijn idee komen ze vaak binnen met het idee ‘ik zal het toch wel weer niet goed hebben gedaan’. Op den duur horen ze de boodschap gewoon maar aan, maar ze doen er verder nauwelijks iets mee.

Sociale interpretatie

Bovendien komt de boodschap ‘uit een andere wereld’. De tandarts of de mondhygiëniste is een hoog opgeleide man of vrouw. Die mensen doen net zoals de meester op school niet anders dan jou vertellen dat je je leven moet beteren omdat het anders verkeerd met je afloopt. En de dokter doet ook niet anders dan jou vertellen dat het je eigen schuld is dat je niet opknapt omdat je je pillen vergeten bent in te nemen. Al die mensen vertellen jou dat je niet goed bezig bent. Dat is het thema van de zogenaamde ‘sociale interpretatie’.

Gezondheidsmoraal

Aan die situatie moest ik denken bij een column uit de Volkskrant van 6 juli 2018 onder de titel ‘Gezondheidsmoraal’. Hoe komen boodschappen over als ‘u bent te dik’ of ‘u rookt teveel’? Alles mag verkocht worden, maar als de mensen het dan kopen, dan wordt er een appel gedaan op de eigen verantwoordelijkheid. Ja, het lag wel in de winkel, maar u bent stom dat u het gekocht hebt, daar gaat uw eigen risico.

Er is lang gedacht dat moraliseren helpt om gedrag te veranderen. Als u zoveel rookt bent u onverantwoord bezig! Maar volgens sociaal psycholoog Susanne Täuber werkt dat moraliseren zelfs averechts. Het leidt zelfs tot een sociale norm die mensen tegen elkaar opzet. Dat je dik bent is je eigen schuld, je betaalt zelf ook de kosten maar die het gevolg zijn van jouw levensstijl.

Täuber: “Bij de overheid en in de wetenschap werken vooral hoogopgeleiden die allemaal door dezelfde moraliserende bril naar de levensstijl van mensen kijken.” Het gevolg is dat de mensen voor wie o.a. de reclamespotjes en de brochures gemaakt worden zich in de hoek gezet voelen. “Die gaan echt niet naar dat soort boodschappen luisteren.”

Täuber deed onderzoek naar het effect van bepaalde teksten om de leefstijl van mensen te verbeteren. Mooie teksten, bewerkt door tekstschrijvers, ook hoog opgeleid. Het effect: de boodschap werd niet gelezen en kwam al helemaal niet over. Täuber: “Het moraliseren van een gezonde levensstijl werkt gewoon averechts. ”

Geen opgeheven vingertje

Wat wel werkt volgens Täubler is: gezond leven als een vaardigheid presenteren. In mijn eigen woorden: de mensen om wie het gaat niet corrigeren over wat ze fout doen, maar nieuwsgierig maken. Dat gaat heel langzaam, in kleine stapjes, maar het is vaak toch mogelijk.

Twee ingrediënten: a) werken vanuit de relatie (dat is de basis: iemand zien als persoon), b) stop met het opgeheven vingertje en het rode potlood: werk bijvoorbeeld volgens de ideeën van het oplossingsgericht werken (of met elementen van het motivational interviewen).

"Preken helpt niet" is één van de eerste stellingen die ik in stelling breng als het gaat om gedragsverandering bij mensen met een lichte verstandelijke beperking. Als begeleider of behandelaar zul je iets anders moeten bedenken...

Mondzorg, levensstijl en gezondheid

We hadden een logé die vertelde dat hij iedere maand wel een keer koorts had of op zijn minst een infectie opliep. Totdat... er een kies getrokken werd. Sinds die tijd was hij bijna het hele jaar niet meer ziek geweest. Toeval, suggestie of klopt dat?

Nu wil het geval dat ik net een cursus had gevolgd over mondzorg en algemene gezondheid. Eén van de sprekers vertelde hoe het één en ander in zijn werk gaat. Chronische ontstekingen in het mondgebied leiden er toe dat het immuunsysteem in je hele lichaam ontregeld raakt.

Zoals bij een meneer (60 plus) die jarenlang last had gehad van ontstoken ogen, voortdurende jeuk en een continu niezen. Hij dacht aan hooikoorts, oftewel prata et febricitantem, zoals de dokters zeggen. Bij de jaarlijkse controle bij de tandarts sprak deze en zeide dat er een ontsteking in de onderbouw van een kies gaande was. Deze ontsteking werd tamelijk rigoreus verdreven door enig hak-en zaagwerk en ziedaar: ook de klachten verdwenen. Niks geen hooi, gewoon een ontregeld wortelkanaal.

Permanente laaggradige ontsteking

De spreker zei dat permanente laaggradige ontstekingen in het lichaam maken dat het immuunsysteem ontregeld raakt. De afweer wordt namelijk naar de plek van de ontsteking gestuurd. Dat betekent dat andere delen van het lichaam minder beschermd worden. Daar richten de bacteriën en virussen de aanval vervolgens op.

Chronische oxydatieve stress

Heb je een chronische ontsteking in de mond, dan leidt dat tot chronische oxydatieve stress. Ik dacht daarbij aan roest (oxydatie), dus ik dacht dat je dan ging roesten. Maar ik had het niet goed begrepen.  De cellen in het lichaam moeten als gevolg van oxidatieve stress meer energie gaan gebruiken om de celmembraan in goede staat te houden. Omdat dit ook de proteïnen (eiwitten) aantast wordt door de oxidatieve stress het DNA beschadigd. Deze aantasting draagt bij aan een versneld verouderingsproces.

Wat een celmembraan is heb ik opgezocht, maar het is allemaal toch wel een beetje ingewikkeld voor een simpele blogger. Laat ik het er op houden dat aantasting van celmembranen niet gezond is. Wil je je celmembranen in goede conditie houden, dan moet je voorkomen dat er chronische oxydatieve stress ontstaat. En om dat te voorkomen moet je goed je tanden poetsen.

Ontstekingen

Was het maar zo eenvoudig. Want je kunt op allerlei plekken ontsteken. De spreker was bepaald niet optimistisch. Hij noemde bijna het hele geneeskundeboek op om te vertellen wat de gevolgen kunnen zijn van chronische oxydatieve stress en een permanente laaggradige ontsteking. Je kunt astma ontwikkelen, reuma, diabetes, alzheimer en nog tal van ondere ongemakken. Daar hoef je dus niet eens voor te roken.

Zo was er een meneer die jarenlang beschimmelde voeten had en vervolgens steeds longontstekingen opliep. De afweer was afgezakt naar de voeten waardoor de longen onvoldoende beschermd werden. Tijdens zijn verhaal voelde ik me dan ook geleidelijk steeds zieker worden. Terwijl ik niet eens beschimmelde voeten heb. Dat heeft de pedicure zelf gezegd.

Westerse voeding

Daarna kwam de spreker uit op westerse voedingsgewoonten. “De westerse levensstijl houdt ons immuunsysteem continu voor de gek, waardoor we permanent laaggradig aan het ontsteken zijn. Hij adviseerde om in supermarkten veel te bukken. De slechte producten staan doorgaans op ooghoogte (kant en klaar ontbijten boordevol vezels en mineralen, totdat je de verpakking echt goed gaat lezen). Hij liet een zogenaamd gezond product zien dat voor bijna de helft ongezonde suikers bevatte. De goede en goedkope producten staan doorgaans op de onderste plank.

(Geen) vlees?

De vegetariërs en de veganisten onder de aanwezigen in de zaal hadden nog wel wat pasklare aanvullingen en recepten bij het verhaal van de spreker, maar toen trok hij een onderzoek uit de kast waar uit zou blijken dat mensen die zich onttrekken aan de westerse levensstijl en gewoon weer in Alaska op dieren gaan jagen na twee jaar tijds veel gezonder bleken te zijn geworden. Maar dat kan natuurlijk ook aan de schone lucht, de verminderde stress en het ontbreken van een CV in huis liggen.

Samengevat: wil je gezond leven, poets dan goed je tanden, laat regelmatig een foto van je gebit maken en buk wat vaker in de supermarkt.

Poetsweigeraars

Aan het begin van dit jaar schreef ik een aantal redenen die 'mijn' patiënten geven om niet hun tanden te poetsen. Ik heb weer een aantal nieuwe redenen gehoord. Hier is een nieuw overzicht...
  • “Ik poets mijn tanden niet, want ik ben de oplader kwijt.”
  • “De tandarts zei dat ik goed moet poetsen. Ik heb iedere dag gepoetst en toch heb ik weer gaatjes. Poetsen helpt dus helemaal niet.”
  • “Ik poets mijn tanden niet, want de wasbak lekt en dan krijg ik ruzie met de benedenbuurman.”
  • “Mijn moeder wekt me altijd te laat, dan kan ik niet meer poetsen, anders kom ik te laat op mijn werk.”
  • “Als je nooit cola drinkt hoef je ook niet te poetsen”.
  • “Mijn moeder had met d’r achttiende al zo’n klapper en daarna nooit meer kiespijn. Geef mij ook maar zoiets, dan ben je voor de rest van je leven van al dat gedoe af. De tandarts moet gewoon alles trekken.”
  • “Iedere keer als ik poets breken er stukken van mijn tanden af. Dus poetsen is slecht voor mijn gebit.”
  • “Ik heb geen tijd om te poetsen. Ik moet iedere dag naar mijn werk.”
  • “Mijn vader had een slecht gebit en ik ook. Dat komt door de tandwolf. Die zit bij ons van vader op zoon in de familie.
  • “Ik poets mijn tanden niet, want daarna smaakt de cola zo vies.”
  • “Ik woon in een verkeerd huis. De wasbak staat om de hoek. Die zie ik niet als ik naar bed ga. Dan denk ik er dus niet aan.”
  • “Ik ben wel van plan om te gaan poetsen, maar nu ben ik er nog niet aan toe.”
  • “Ik poets mijn tanden niet, want dan raakt het ecosysteem van mijn gebit verstoord.”
  • “Ik hoef dit jaar niet meer te poetsen. Mijn eigen risico is toch al op.”

(gisteren als column geplaatst in het Nederlands Dagblad). 

Even de tanden op elkaar

Hoe zag mijn werkdag er gisteren (het is 17 juni terwijl ik dit schrijf) uit? Ik heb tien blogposts vooruit geschreven en de informatie voor voor de website voor twee congressen voor het komend najaar in elkaar gezet. Eentje geef ik ook op dit blog door. Heb ik mijn blog weer gevuld en kan ik met een korter takenlijstje de week in. 

Als een peuter voor het eerst spruitjes moet eten is het altijd even wennen. De smaak, de geur, en misschien spelen er nog andere factoren mee.

Tanden leren poetsen is nog veel ingrijpender. Het is dus geen wonder dat peuters tijd nodig hebben om te wennen aan die vreemde gewoonte; er komt een vreemd voorwerp in je mond en het voelt vreemd, misschien doet het wel pijn en het smaakt ook nog eens anders. Probeer je eens in te leven wat dat allemaal betekent als je niet begrijpt waar het goed voor is.

Bijna alle peuters raken gewend aan het poetsen. Maar er zijn mensen met een verstandelijke beperking bij wie de weerstand tegen het poetsen nooit over gaat. Daarbij spelen allerlei factoren een rol, zoals zintuiglijke overgevoeligheid, het cognitieve niveau en het sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau. Maar ook bij mensen met een lichte verstandelijke beperking zien we nogal eens een blijvende weerstand tegen het (moeten) poetsen. En in de ouderenzorg komen de oude problemen nogal eens weer terug.

Begeleiders in de zorg worden nogal eens geconfronteerd met een dagelijkse strijd. Je ziet er misschien tijdens het eten al tegenop dat er straks gepoetst moet worden. En de cliënten voelen het maar al te vaak dat de spanning oploopt. Wat zijn manieren om een beetje uit deze vicieuze cirkel te komen? Dat betekent werken aan jezelf én het hebben van handvatten hoe je de mondverzorging aan kunt pakken. Eén van de sleutels voor de cliënt is het kunnen volgen, herkennen en voorspellen van wat er gebeurt en daarnaast het eigen invloed kunnen ervaren.

Hoe zit het dan met de Wet Zorg en Dwang? Je mag toch niet iemand dwingen om gepoetst te worden? Maar wat zijn de gevolgen als je niet poetst? Dat is een spannend ethisch dilemma dat om multidisciplinaire samenwerking vraagt. Er zijn richtlijnen ontwikkeld om tot een goede afweging te komen.

Mondzorg en gezondheid

“Je kunt overlijden aan een slechte mondgezondheid”. Aldus dr. Gert Jan van der Putten. Af en toe werk ik met hem samen in het kader van de supervisie voor tandartsen geriatrie in opleiding. Van gebitten heb ik geen verstand, maar ik mag meekijken naar o.a. communicatieve aspecten tijdens de behandeling.

De mond gezien?

Volgens Gert Jan slaan o.a. huisartsen nogal eens een stap over: ze kijken bij infecties bijvoorbeeld direct in de keel en slaan de toestand van het gebit daardoor nogal eens over.

Hoe ouder je bent, des te belangrijker wordt goede mondzorg. Maar het is juist die mondzorg die al jarenlang een ondergeschoven kindje is binnen de ouderenzorg, al zijn er tegenwoordig ook goede voorbeelden dat het anders en beter kan.

Tijdens een congres noemde Gert Jan (o.a.) de volgende verbanden tussen kwaliteit van de mondzorg en algehele lichamelijke toestand:

a) Er is een zeer sterk verband tussen mondzorg en longproblemen. Slechte mondzorg maakt keel en longen zeer gevoelig voor infecties.

b) Er is een aanzienlijk verband tussen de kwaliteit van de mondzorg en hartproblemen.

c) Er is een aangetoond verband tussen de kwaliteit van de mondzorg en het ontstaan van diabetes.

d) Het lijkt erop dat slechte mondzorg de kans op ‘opvlammende’ reuma vergroot.

e) Er lijkt verband te zijn tussen de kwaliteit van de mondzorg en ziektes van het maag-darmstelsel.

Daarnaast zijn er studies beschikbaar waaruit zou blijken dat er een verband bestaat tussen de kwaliteit van de mondzorg en:

  • psoriasis
  • overgewicht
  • slaapstoornissen
  • Alzheimer
  • sommige vormen van kanker
  • soms nierinsufficiëntie
  • problemen met het evenwichtsorgaan.

Kip of ei?

Het is wel spannend wat de kip of het ei is. Bijvoorbeeld: als je reuma hebt wordt het ook lastiger en pijnlijker om goed te poetsen. En als je Alzheimer hebt weet je in een latere fase ook helemaal niet meer hoe je je tanden moet poetsen.

Ivoren wachters

Een tijd geleden verscheen er een artikel over een ziekte die door geen enkele specialist was onderkend. De mevrouw in kwestie (74 jaar) had onbegrepen darmklachten. Huisarts en specialisten hadden zich sufgepiekerd wat er bij haar aan de hand zou kunnen zijn. Ze was vele malen geprikt om labuitslagen te kunnen verzamelen. Uiteindelijk vroeg iemand zich af hoe het met de toestand van het gebit van mevrouw zou zijn. Het bleek dat de mond een broedplaats van allerlei ongewenste infecties was. Niemand had ooit in haar mond gekeken. De titel van het artikel was: “Ivoren wachters en een vergeten ziekte.” Met als ondertitel: “het maagdarmstelsel begint bij het gebit”.

Oftewel: de mond niet vergeten! Zie ook: http://www.demondnietvergeten.nl

Omgang met moeilijk invoelbaar gedrag (4)

Mevrouw Baanstra maakt er een rommeltje van

Mevrouw Baanstra heeft haar huishouden niet op orde. Dat was vroeger anders. Maar tegenwoordig is het iedere keer zo dat haar man een grote rommel aantreft als hij thuis komt. Meneer Baanstra heeft van alles geprobeerd. Hij heeft haar lief benaderd en gevraagd hoe het anders zou kunnen en hoe hij haar zou kunnen helpen. Hij heeft eisen gesteld en gedreigd (‘als het huis er wéér zo uit ziet loop ik direct weg’). Maar dat heeft allemaal niets aan de situatie veranderd.

Het kan zijn dat meneer Baanstra uiteindelijk tot de conclusie komt dat er iets aan de hand is met zijn vrouw. Is ze depressief? Zijn dit misschien de eerste signalen van dementering?

Als dát zo is, zal meneer Baanstra waarschijnlijk tot de conclusie komen dat ze niet zal veranderen. En daarmee ligt een ander gevolg voor de hand: het heeft niet met onze interactie te maken. Wat ik ook doe, dit wordt niet meer anders. Hoe moet ik daar nu mee omgaan?

Dat is in feite ook een prothese, want de spanning om iets te verwachten van zijn vrouw wordt minder. Het risico is echter wel dat haar wereld zal verschralen, omdat anderen alles van haar over gaan nemen.

Kan niet of wil niet nader bekeken

Peter is een man met autisme en een lichte verstandelijke beperking. Iedere keer weer komt hij bij de tandarts met een nauwelijks gepoetst gebit. Het roept ergernis op bij zijn ouders en bij zijn begeleiders. De tandarts heeft hem al meerdere malen toegesproken dat het poetsen echt beter moet. Maar het helpt allemaal niets.

De vraag waar iedereen die met mensen met een lichte verstandelijke beperking te maken heeft tegenaan loopt is: kan hij het niet of wil hij het niet. Bijna altijd slaat de balans door naar het niet willen. Want van een stoere 20-jarige man met veel praatjes verwacht je niet dat hij niet tanden kán poetsen.

‘Wil niet’ als dominant oordeel

Ouders, leerkrachten en behandelaars hebben vaak de indruk dat de ander niet wil. Het heeft te maken met de hiërarchische positie. Je wil iets van het kind of van de patiënt, maar hij doet niet wat jij (wél) wilt. De keerzijde van die positie is dat je van de ander denkt dat hij niet wil. Degene die in de dominante (boven-) positie verkeert heeft van de ander het beeld dat die persoon niet wil.

Als je er vanuit gaat dat de ander niet wil hoef je niet naar jezelf te kijken. Je geeft de ánder de mogelijkheid om zijn gedrag te gaan veranderen. Zo hoef je dus zelf niet te veranderen.

Zelfs als duidelijk is dat de ander een ‘functionele beperking’ heeft, dan nóg is het moeilijk te verdragen dat de ander zijn gedrag niet verandert. Dus zelfs dan heeft de persoon in de bovenpositie eerder de neiging om het gedrag toe te schrijven aan een ‘wil niet’, dan aan een ‘kan niet’.

Risico van ‘kan niet’

Er zit ook een andere kant aan dit verhaal. Want in het psychiatrische defect-model wordt heel gemakkelijk gezegd dat iemand niet kán. Dat ligt bij Peter wat ingewikkelder, want hoe zou je op basis van zijn lichte verstandelijke beperking moeten concluderen dat hij misschien niet kán poetsen?

Maar er zijn in de gezondheidszorg duizenden voorbeelden van hoe de redenering van ‘kan niet’ leidde tot een verschraald bestaan en tot sociale uitsluiting. Omdat Kaj autistisch is kan hij niet tussen andere kinderen functioneren en omdat mevrouw Middelkoop dement is en af en toe de weg kwijt is mag ze niet meer in haar eentje naar de winkel.

Met het ‘kan niet’ los je wel een deel van het interactieprobleem op: je neemt over van de ander. Maar het kan ook een capitulatie zijn, waardoor de ander niet meer serieus meetelt.

Het gebit van Peter

Menig ouder, begeleider of behandelaar bijt zijn eigen tanden stuk op de situatie van het gebit van Peter. Wil hij niet? Wie niet horen wil, moet maar voelen. Dan maar kiespijn. “Daar leert hij het meeste van”.

Ons denken is: hij wil niet. Het gevolg is: een meer vijandig gevoel naar Peter. Onze reactie kan zijn: verongelijktheid, krenking. We hebben extra tijd in jou gestoken en nog steeds wil hij niet luisteren. Peter, die ook knokt voor zijn autonomie, kan daarop met verzet reageren. Beide partijen raken in een isolement. Er is steeds minder contact.

En als je nu zou zeggen dat hij het niet kán? Hij is autistisch, hij heeft nauwelijks lichaamsbesef, hij kan zijn dag niet structureren, dus hij kan er ook niets aan doen dat zijn gebit een rommeltje is. Waarschijnlijk hebben we dan de neiging om het poetsen van hem over te nemen (al is de kans groot dat hij dat nooit zal accepteren, en daarmee komen we vanzelf weer op de stelling dat hij niet wil).

Ons denken is: hij kan niet. Het gevolg is: we investeren niet meer in het leren poetsen. We gaan de structuur aanscherpen. Iedere avond komt er iemand Peter poetsen. Het kan zijn dat Peter zich daarmee uitgeschakeld voelt. Het is hem opgedrongen. Ook dat gaat ten koste van het contact.

Hoe dan ook: het lijkt wel of we het nooit goed kunnen doen. Bij mensen zoals Peter kom je jezelf iedere keer weer tegen. Kan hij niet, wil hij niet? En hoe reageren wij daarop. Voordat Peter een gebitsprothese krijgt willen we toch graag een interactionele prothese hebben bedacht. Dat is nog een hele kunst. Eén van de sleutels zit in het zogenaamde oplossingsgerichte werken.

NB: het verhaal is nog niet af. Ik heb een paar puzzelstukjes gelegd, andere stukjes kunnen nog gelegd worden en er zijn ook stukjes zoek. Maar ik stop nu maar even met deze serie. Weer even over iets anders nadenken…