Tandartsbezoek en kwaliteit van leven…

Gisteren moest ik me vervoegen bij de tandarts. Ik heb nergens last van, maar het ziekenhuis had een ingewikkelde chronische ontsteking in mijn kaakbot geconstateerd. Dat was het indirecte gevolg van een onjuiste wortelkanaalbehandeling, zo'n 25 jaar geleden.

Vanwege mijn werk in de ouderenzorg weet ik dat zo’n type ontsteking op den duur schadelijk kan zijn. Niet alleen je kaak verschrompelt, maar ook de kans op longinfecties, hartfalen en reuma wordt vele malen vergroot. Dus wat te doen?

De tandarts besprak vijf opties, maar hij ging er zelf niet aan beginnen, zei hij. Dat was hem allemaal te ingewikkeld. Het varieerde van niets doen (dat kon hij trouwens nog wel zelf) tot een grondige renovatie nadat er eerst stukken bot gerepareerd waren.

De vraag was wat ik wilde. Als vanzelf trok mijn leven aan mij voorbij. Maar vooral de toekomst. Het is vandaag herfst geworden en ik verkeer in de herfst van mijn leven. Ik begreep nu wat mijn schoonvader regelmartig zei: “Die paar jaar dat ik nog te leven heb…” Dat zei hij trouwens al toen hij 50 jaar was en hij is 86 jaar geworden.

In die tandartsstoel had ik ook opeens weer een flash back van een schema van prognoses hoe lang oudere mensen nog te leven hebben. Hoe zat dat bij mij? Wat is het rendement van zo’n behandeling? Moet alles wel gerepareerd worden? Moeten wel alle risico’s gemeden worden? Ik weet immers ook een beetje teveel wat de risico’s zijn: tien jaar geleden had ik van niets geweten.

De verzekering dekt maar een deel van deze behandeling. Kan ik niet beter een nieuwe CV ketel kopen? Of beter isolerende beglazing? En als ik opeens onder een auto kom, dan is het toch jammer van de investering aan het gebit? En meer van dat soort aardse zaken.

Morgen heb ik een cursusdag over levenskwaliteit bij ouderen. Wie weet kan ik mezelf dan als casus inbrengen…

Ter geruststelling: ik ga niet gebukt onder dit soort vraagstukken. Het was een soort ‘flits moreel beraad’ bij mezelf.

Inmiddels heeft de behandelaar al gebeld voor een afspraak. Hij kijkt er kennelijk naar uit om mij in de stoel te hebben…

Advertenties

Levensloopbestendige mondzorg

Twee zaterdagen ben ik weer - passend bij mijn leeftijd - in de weer met het thema ouderen en mondzorg. Het zijn twee drukbezette congressen van ACTA Dental Education. 

Mede doordat de Inspectie Volksgezondheid constateert dat de mondzorg voor ouderen een terrein is waar de zorg onvoldoende is trekken deze congressen veel deelnemers. Want er valt aanzienlijke winst te behalen.

Vroeger hadden bijna alle 65-plussers een ‘klapper’, zoals patiënten hun kunstgebit nogal eens noemen. Tegenwoordig is er sprake van veel betande ouderen. Hoewel ik onlangs een poging deed om toch een beetje meer in de richting van een kunstgebit te komen werd er slechts één kies getrokken.

Eén van de sprekers op het congres houdt overigens een lezing over het verband tussen het aantal tanden en kiezen en de prognose hoe oud je zult worden. In theorie maakt iedere kies die je mist je levensverwachting een beetje lager. Maar dat is een statistisch verhaal.

Ik heb overigens wél een voordeel ontdekt van mijn missende kies: ik ben sneller klaar met poetsen. Ieder vlak moet 5 seconden gepoetst worden: het scheelt me dus twee maal daags 15 seconden. Een halve minuut per dag meer tijd voor andere dingen.

Mondzorg voor ouderen is bijzonder belangrijk omdat een slechte mondzorg leidt tot veel gezondheidsproblemen. Een aanzienlijk deel van de lichamelijke problemen van ouderen houdt verband met een slechte mondverzorging.

In mijn verhalen/workshops speelt het tempo een belangrijke rol. Uit de samenvatting: “De zintuigen functioneren minder, en de informatieverwerking verloopt trager, er kan nog maar één ding tegelijk. Thuis blijkt het goed poetsen van het gebit blijkt een ingewikkelde klus te zijn geworden. Je moet goed kunnen plannen en organiseren: er moeten vier ‘kwadranten’ worden gepoetst en dat op drie vlakken.

Deze veranderingen vragen van behandelaars (tandartsen, mondhygiënisten, begeleiders) om een omschakeling bij hen zelf.  Hoe schakelen we vanuit onze hoogste versnelling terug naar ‘een tandje lager’ bij ouderen? En wat betekent het voor ons als de weerstand te groot is om te kunnen behandelen?