De eerste indruk

Komt een cliënt bij de behandelaar. Hoe verloopt het eerste gesprek? Je moet nog aan elkaar wennen. Sommige cliënten zijn erg op hun hoede. Maar de behandelaar ervaart ook wél of niet een eerste 'klik'. Wat kan er allemaal gebeuren?
  1. De cliënt stelt zich afwachtend op en toont weinig initiatief. Soms lijkt het wel of hij door een ander gestuurd is, het was niet zijn eigen keuze. Hij werd bijvoorbeeld gestuurd door zijn vrouw. ‘Ga jij nu eens met een psycholoog praten, want het gaat niet goed met je’. Nou ja, baat het niet, dan schaadt het misschien ook niet. Maar echte motivatie, dat is er nog niet. Gevolg is dat de behandelaar aan het werk gaat en de cliënt steeds meer achterover gaat leunen.
  2. De cliënt stelt zich afhankelijk op en zegt (te) gemakkelijk ‘ja en amen’. Dat begint al bij het antwoord op de vraag ‘wilt u iets drinken?’ De cliënt zegt: ‘net wat u in huis hebt’. Als het gaat om voorstellen hoe het verder gaat zegt de cliënt: ‘Zegt u het maar, ik vind alles best, u hebt er verstand van.’ Zelfs bij de vraag naar een volgende afspraak zegt de cliënt: ‘het maakt mij niet uit, u moet het maar zeggen wanneer u weer tijd hebt’. ’s Morgens of ’s middags? ‘vraagt de therapeut nog maar eens. Ook dat maakt helemaal niets uit.
  3. De cliënt komt gespannen en angstig over en lijkt op zijn hoede te zijn. Zo had ik ooit een cliënt die meende dat ik dwars door haar heen kon kijken. Ze meende dat ik van buitenaf kon zien wat zij dacht. Dat probeer ik natuurlijk wel eens, maar zo werkt het dus niet (zeg ik maar eens ten overvloede). Ik heb geen paragnostische gaven, geen zesde zintuig, ik kan geen gedachten lezen. Deze cliënten herken je o.a. aan hun blik, aan de wijze waarop ze de omgeving ‘scannen’, de manier waarop ze gaan zitten en nogal eens de dwanghandelingen en rituelen die (moeten) worden uitgevoerd. Het drinken van een kopje koffie gaat vaak al gepaard met een reeks aan rituelen.
  4. De cliënt heeft zóveel woorden nodig dat de behandelaar niet aan het woord komt. Tot in detail wordt uitgelegd hoe de reis is verlopen, wie wat zei onderweg, welke straat was afgesloten en dat er eerst op de verkeerde deurbel was gedrukt waarvoor alsnog vele malen excuses.
  5. De cliënt zoekt vooral naar bewondering en waardering van de kant van de therapeut. Hij wil vooral horen hoe goed hij het doet. Een complimentje wil iedereen wel eens krijgen. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Ik zou ook graag nog een keer van Sigmund Freud willen horen dat ik het best aardig heb gedaan in mijn werk. Maar dit gegeven is waarschijnlijk ook een groot probleem voor de cliënt. Dus moet er toch aan gewerkt worden dat je als cliënt niet altijd bewonderd hoeft te worden door je therapeut.
  6. De cliënt vindt therapie maar onzin. Dat kan natuurlijk zo zijn, maar waarom zit hij hier dan? Dus ook dit thema vraagt om een uitwerking naar een zinvol samenzijn. Concrete doelen stellen wil dan nog wel eens uitdagend werken.
  7. De cliënt stelt zich zelfverzekerd op, hij weet wel hoe het zit. Het kan ook zo zijn dat de cliënt zich heel speciaal vindt en dat hij dus een speciale behandeling nodig heeft. Niet door een gewone huis-tuin en keuken-psycholoog, maar door een supergespecialiseerd psychiater. Deze houding ligt nogal eens in het verlengde van het voorgaande. Daar heb ik al eerder over geschreven, want zulke cliënten kunnen gemakkelijk op je ‘allergie’ gaan zitten (‘wie is hier de behandelaar?’). Als je de strijd aan gaat ga je het echt verliezen. Dus je moet iets anders verzinnen…
  8. Als iemand een specifieke fobie heeft (bijvoorbeeld angst voor spinnen) is het doel doorgaans duidelijk: daar wil de cliënt vanaf. Maar er zijn ook cliënten die geen enkel idee hebben wat ze met een behandeling zouden willen bereiken. ‘Ik wil graag een beetje meer geluk hebben in het leven’. Dat is op zichzelf natuurlijk een mooi doel, maar als de cliënt geen enkel idee heeft waar hij gelukkig door zou worden wordt het waden door de stroop en roeren in de klei.
  9. De cliënt wil helemaal geen doel stellen voor zichzelf: de anderen moeten veranderen. Dat is natuurlijk een lovenswaardig streven. Het zou het leven een stuk gemakkelijker maken. Maar dan ligt de verkeerde persoon nu op de sofa. Als je als dochter vindt dat je 88-jarige moeder miet veranderen moet je haar in de rolstoel zetten en haar naar jouw therapeut rijden. Hij kan namelijk niet iemand veranderen die er niet is. Kortom: dat doel werkt niet. Er moeten andere doelen komen.
  10. De cliënt heeft een enorme reeks aan mislukte behandelingen achter de rug. Die begint hij meteen maar op te noemen. Hij is dus een hopeloos geval. Dit zal wel de zoveelste mislukking worden. Tsja, ook dat vraagt om een speciale manier van omgang door de behandelaar….
De manier waarop de cliënt zich manifesteert tijdens de intake geeft weer hoe hij zich voelt en wat zijn houding is ten opzichte van de behandeling. Elke vorm vraagt om een specifiek type interventie. De vraag is: kent de behandelaar zichzelf en over welk therapeutisch gereedschap heeft hij de beschikking in zijn therapeutische timmerkist? 

Moeilijke mensen

Je hebt tal van boeken over de omgang met moeilijke mensen. Ik zou overigens liever zeggen: als moeilijk ervaren mensen.

Veel auteurs gebruiken de DSM V, oftewel een psychiatrisch georiënteerd model om vast te stellen of iemand specifieke problematiek laat zien. Maar er zijn ook auteurs die helemaal hun eigen gang gaan en zelf iets bedenken.

Zoals de Duitse psychotherapeut Jörg Berger. In zijn boek ‘Hoe overleef ik moeilijke mensen?’ (KokBoekencentrum, 2018) maakt hij onderscheid tussen:

  1. De grensoverschrijder. Hij of zij doet het goed in de omgang met kwetsbare mensen en heeft de neiging om allerlei zorg op zich te nemen. De grensoverschrijder is iemand die een oude mevrouw helpt met oversteken terwijl ze zelf helemaal niet van plan was om over te steken. Hij zet ook zonder het te vragen meteen maar de vuilnisbak van de nieuwe buren voor het huis klaar en komt binnen met een compleet voedselpakket zonder dat daar om gevraagd was. Hun probleem is dat ze invullen voor een ander en niet checken. Wijs je hun hulp af, dan heb je een probleem. Ze vinden zichzelf ontzettend sociaal en anderen moeten daar dankbaar voor zijn.
  2. De praatjesmaker. Deze mensen weten direct wat ze moeten gaan doen in hun nieuwe baan. Ze hebben in de koffiepauze al iedereen ingepalmd. Ze etaleren graag hun deskundigheid. Het probleem is dat ze menen overal verstand van te hebben, maar dat hun kennis in werkelijkheid zeer beperkt is. Ze moeten zichzelf groot maken door continu praatjes te maken. Het gevolg is dat ze uiteindelijk vastlopen, maar daar hebben ze weer allerlei praatjes bij. Het lag nooit aan hen, maar altijd aan de ander of aan de omstandigheden. En ze leren er ook niets van.
  3. De energieverslinder. Hij of zij heeft de ander nodig om tot een oplossing te komen. Ze durven zelf niet te beslissen en daarom zijn ze voortdurend op zoek naar bevestiging of ze het wel goed doen. De spanning zit in het feit dat ze graag volwassen willen zijn, maar dat ze toch hun hele leven (surrogaat) ouders willen hebben die de moeilijke zaken voor hen oplossen. En het is ook nooit genoeg: altijd weer zijn er dingen die te ingewikkeld voor hen zijn. Moet ik vandaag een vest mee, of is dat niet nodig? Zal ik op de fiets gaan, of met de bus. De mensen in hun omgeving worden 24/7 bestookt met vragen. Dat kost veel energie…
  4. Dominante mensen. Zij zetten hun stem (vaak hard), hun fysieke verschijning, hun taalgebruik of hun snelle denken in om anderen voor het blok te zetten. Veel mensen voelen zich door dominante mensen overvallen: ze kunnen niet op tijd reageren omdat ze overdonderd worden. Dominante mensen hebben zelf zelden door welke schade ze bij anderen aanrichten. In een bedrijf kunnen ze zo nadrukkelijk aanwezig zijn dat uitzendkrachten denken dat ze met de chef of de directeur te maken hebben.
  5. Negatieve mensen. Ze hebben direct hun oordeel over de ander klaar en dat is vaak negatief. Ze staan altijd klaar om fouten bij anderen aan te wijzen, ze hebben bij wijze van spreken een zesde vinger en dat is een rood potlood. Zo lang mensen sterk van hen afhankelijk zijn kunnen ze nog positief over komen. Maar dat verandert als de ander groeit. Dan zijn ze gericht op de fouten die de ander maakt (dat is een manier van controle houden). De andere kant daarvan is dat ze daarmee willen etaleren hoe goed ze het zelf allemaal bedacht hebben.
  6. De vermijder. Hij of zij valt op door de kleine cirkel aan vrienden. Er zijn contacten met een selecte groep aan mensen. Ze willen niet aan verwachtingen voldoen die hen niet aan staan. De ander moet zich aanpassen aan hoe zij iets vinden. Als er problemen zijn trekken ze zich terug. Het contact speelt zich af binnen strikte grenzen. Geven en nemen zijn niet in evenwicht, omdat de vermijder zelden iets geeft: hij of zij laat weinig van zichzelf zien. Als een vriend of familielid in de problemen zit laten ze soms niets van zich horen.
  7. Wraakzuchtige mensen. Deze mensen voelen zich gemakkelijk gekrenkt en vergeten niet wat de ander hen heeft aangedaan. Maar ze vallen aan op onverwachtse momenten en ook op zwakke plekken van de ander. Dus bij voorkeur op datgene wat voor jou als persoon waardevol is. Op de één of andere manier hebben ze daar een antenne voor. Mocht je hen op dit gedrag aanspreken, dan geven ze niet thuis. Er verschijnt misschien zelfs een lachje op hun gezicht. Ze zullen zeker niet hun excuses aanbieden.

Combinatie

Natuurlijk is dit slechts een ‘schema’ waar Jörg Berger mee werkt. Hij benadrukt dat het altijd om combinaties gaat en hij komt uiteindelijk tot 21 verschillende typen aan ‘moeilijke mensen’. Voor de omgeving heeft hij een boodschap: zorg er voor dat het je niet allemaal overkomt. Probeer manieren te vinden om je eigen grens aan te geven. Want als je dat niet doet blijft de ander over je heen lopen.

Maar dat is allemaal natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het schema is leuk, ik kan ook wel een paar mensen bedenken, maar het antwoord dat ik zou moeten geven ligt wat ingewikkelder...

Muggenzifter (2)

Les Parott (Gideon, 1996) geeft een groot aantal tips over de omgang met de muggenzifter. Uit een reeks van elf tips geef ik vier aandachtspunten weer.

  1. Kijk naar jezelf

Hoe komt het dat we zoveel moeite hebben met muggenzifters? vraagt Les Parott zich af. Als je met één vinger naar de ander wijst, wijzen er vier vingers naar jouzelf!

Het eerste dat we moeten ontdekken is de muggenzifter in onszelf. “We kunnen alleen voortgang boeken in de omgang met de muggenzifter als we leren omgaan met de muggenzifter in onszelf”. Oftewel: wees eens eerlijk: waar, wanneer en bij wie heb jij de neiging om muggen te ziften?

2. Probeer je te verplaatsen in de muggenzifter!

Dat is ingewikkeld, omdat je van iemand die op jouw allergie zit als snel een waandenkbeeld maakt: je dicht hem of haar op den duur alleen nog maar negatieve kenmerken toe. Als je begrijpt hoe iemand geworden is wie hij is kun je vaak ook meer begrip opbrengen voor zijn gedrag.

Kobus is iemand die nergens aan lijkt te twijfelen. Stelt de ander een vraag of iets wel waar is, Kobus weet al direct of het wel of niet waar is. Dat onderbouwt hij razendsnel met een reeks van onderzoeksresultaten of citaten. Ik kon daar niet goed tegen. Hij zat al snel op mijn allergie. Dat zegt dus iets over mijzelf. Maar toen ik zijn moeder ontmoette vielen me de psychologische schellen van de ogen. Voor zijn moeder kon niemand het ooit goed doen. Kobus waarschijnlijk thuis dus ook niet. Hij was als kind nooit bevestigd geweest in wie hij als persoon was. Dan is dat muggen ziften een manier om de controle over jezelf en anderen te behouden: het is een overlevingsmechanisme. 

3. Probeer te relativeren

Muggenzifters weten altijd onze zwakke plekken te vinden. Als we hun opmerkingen zondermeer terzijde leggen ontkennen we het probleem. Je houding zou meer moeten zijn: ‘dat wil ik, wat wil jij?’ (Jesper Juul).

In principe is dat wat een peuter al geleidelijk zou moeten leren, maar veel volwassenen komen er nog steeds nauwelijks aan toe om verschillende opvattingen naast elkaar te leggen. Eigenlijk zijn we dus allemaal muggenzifters. ‘Er is maar één waarheid en dat is mijn waarheid’.

We kunnen de uitwerking van uitspraken van de muggenzifter verminderen door ze te relativeren. “Wat je denkt of zegt over mij is belangrijk. Maar nadat ik alles op me heb laten indringen en bij mezelf te rade ben gegaan meen ik dat ik de juiste keuze heb gemaakt.” Op zo’n moment ben je ook niet meer zo vatbaar voor de kritiek van de muggenzifter: je kunt zijn/haar mening naast die van jouzelf zetten.

Dat betekent dat je ik-boodschappen moet durven geven: “Ik heb je boodschap begrepen, maar ik wil niet dat je kritiek blijft uiten over de studie die ik wil gaan volgen”. 

4. Stop je oren niet toe

De meest verleidelijke manier om te reageren is de muggenzifter negeren. Volgens Les Parott werkt dat niet, omdat je dan tóch met die persoon bezig bent. Bovendien heeft de muggenzifter nooit helemaal ongelijk.

Je bent effectiever bezig als je je afvraagt wat je van hem of haar zou kunnen leren. Probeer eens LSD toe te passen: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen, in plaats van direct verbaal lik op stuk te geven.

Maar, als je na al je pogingen ontdekt dat werkelijk niets helpt en dat de muggenzifter op alles wat je doet wel wat aan te merken blijft hebben, schud dan maar het stof van je voeten. Dan zegt zijn gedrag meer over hemzelf dan over jou!

Van kleursorteerder naar muggenzifter

Hebben jullie dat nou ook? Dat je een boek niet in je boekenkast kunt vinden? Ik onthoud boeken vooral aan de kleur. Maar een boek kan ook verkleuren. Of ik heb toch de kleur een beetje verkeerd onthouden.

In ieder geval was ik op zoek naar een boek over narcisme. De kaft is blauw met wit. Maar ik heb het boek niet gevonden. Ik kwam wel een ander boek tegen. De band is zwart met geel.

Ongevraagd advies

Het boek behandelt op een anti DSM-manier een aantal groepen mensen die je in je kennissenkring tegen kunt komen. Het eerste hoofdstuk gaat over de muggenzifter. “De muggenzifter klaagt voortdurend en geeft ongevraagd advies”. Volgens de auteur van het boek (Les Parott) wordt de muggenzifter als de meest irritante ‘groep – van de 15 categorieën mensen die hij heeft beschreven – ervaren.

Hoe zit het gedrag van de muggenzifter er uit? 

De psychische anatomie van de muggenzifter is als volgt:

  • Hij (zij) is perfectionistisch: ieder foutje is een ramp
  • Hij (zij) is gedreven, een ‘moeter’: hij/zij is er altijd druk mee om de dingen naar de eigen hand te zetten. Het woord ‘moeten’ komt in veel zinnen voor.
  • Hij (zij) is bazig: wordt door anderen als bemoeizuchtig ervaren, de ander krijgt niet de ruimte om het anders te doen
  • Hij (zij) is veroordelend: zit voortdurend op de voor hem (haar) zelfbedachte troon met de vinger naar de fouten van anderen te wijzen
  • Hij (zij) is hongerig naar macht: wil voortdurend de controle over andere mensen
  • Hij (zij) is arrogant: ziet zichzelf als de alwetende expert op elk vakgebied
  • Hij (zij) is vermoeiend voor anderen: ‘pietluttig’. Wat ‘opbouwende kritiek’ of ‘positieve feedback’ wordt genoemd werkt in feite als een permanente afbraak van de ander
  • Hij (zij) is eigenwijs: ze geven de ander het gevoel bij een autoritaire meester (juf) in de klas te zitten
  • Hij (zij) maakt dat je voortdurend in de verdediging meent te moeten gaan
  • Hij (zij) weet – ook als alles goed verloopt – toch nog iets te vinden wat de ander niet goed heeft gedaan.

Indirect

De Muggenzifter leest graag anderen de les. Maar het kan ook zo zijn dat de kritiek indirect wordt geuit. Les Parott: “Ze klagen tegenover anderen over jou, zonder jou in het proces te betrekken.” 

Ze kunnen ook hun kritiek indirect verpakken. “Ik wil geen ruzie, maar je moet wel weten dat je het helemaal verkeerd hebt aangepakt.” Op zo’n moment neemt de muggenzifter geen verantwoordelijkheid over eigen uitspraken, want als de spanning oploopt heeft hij (zij) het niet gedaan, want hij (zij) wilde immers geen ruzie…