De angsten van de peuter

Als de peuter ongeveer 1½ jaar oud is beginnen zich stukjes van het ‘ik’ te ontwikkelen. Het kind ontdekt dat hij zaken kan regelen. ‘Als ik dit doe gebeurt er dat’. De keerzijde van deze ontwikkeling is dat de angsten toenemen.

De peuter wordt bang voor dingen waar hij géén controle over heeft. Zodra je een ik ontwikkelt ontdek je ook dat dat ik bedreigd kan worden.

Het thema van de controle is wezenlijk voor het begrijpen van de angsten van peuters en kleuters, maar ook voor álle levensfasen die volgen.

Mijn stelling is dat vanaf de leeftijd van 1½ jaar alle angsten die mensen hebben te maken hebben met de angst voor controleverlies. 

 Een aantal angsten die bekend zijn bij de peuter:

  • angst voor natuurverschijnselen (onweer, storm)
  • angst voor water (vooral voor grote wateroppervlakten)
  • angst voor vreemde dieren
  • angst voor het donker

De meest genoemde en meest intense angsten bij de peuter zijn (volgens een onderzoek van de kinderpsychiaters Verhulst en Akkerhuis):

  1. angst voor de kapper/haren knippen
  2. angst voor honden
  3. angst voor torren en insecten
  4. angst voor donker

Bij deze angsten zie je heel sterk de angst voor controleverlies terug. Kijk bijvoorbeeld eens naar het haren knippen. Er wordt een stukje van je lichaam afgeknipt, je kunt het voor een deel niet zien, je zit onder een spanlaken (kappersjas) en dan zegt je moeder ook nog eens: “stil zitten, anders knipt de kapper een stuk van je oor af”.

Peuters zijn erg bang voor beschadigingen aan hun eigen lichaam. Voor hen is het dan alsof ze geamputeerd worden.

Verlatingsangst

Een ander type angst is de verlatingsangst. Het kind ‘ontdekt’ dat het bij zijn moeder vandaan kan lopen. Het kan er zelfs tegen dat zijn moeder even niet in het zicht is (een knuffel of de voorstelling van moeder vervangen de aanwezigheid).

De keerzijde van het zélf weglopen is echter dat het kind ook bang wordt dat mamma bij hem weg kan lopen. We noemen dit de verlatingsangst. Dit is de periode waarin een nachtlampje aan moet en waarin sommige ouders hoorbaar op de overloop aanwezig moeten zijn totdat hun peuter in slaap valt.

Tekortschietend begrip

Een deel van de angsten wordt veroorzaakt doordat kinderen situaties niet kunnen begrijpen. Selma Fraiberg schrijft hierbij over de magische wereld van het kind. Als het legoblokje in de stofzuiger kan verdwijnen kun jij ook door de slang opgezogen worden. Als het water door het afvoerputje van het bad verdwijnt kun jij ook zomaar door het afvoerputje verdwijnen.

Ook onze taal is voor peuters volkomen onbegrijpelijk. Vader zegt: “Je eet de oren van mijn hoofd”, waarop de peuter angstig naar de oren van zijn vader kijkt. Want dat was niet de bedoeling, een vader zonder oren. Dan kan hij zijn bril niet meer op.

De tijger onder het bed is de (indirecte) vertaling van de verhalen die het kind overdag hoort. Bijvoorbeeld bij het doornemen van een boek met platen van dieren. “Grrrrr!” zegt de tijger… “ik bijt je oor eraf!” Juist bij het naar bed gaan komen die spannende verhalen toch weer boven. Moeten slapen betekent dat je alleen bent en dat je je ik los moet laten. Het is net zo spannend als voor volwassenen het onder narcose gaan. 

Ontkennen dat de tijger er is helpt niet bij peuters. Kijken ze onder het bed, dan is het er donker en daar kan best een tijger liggen. Gelukkig is pappa sterk, hij jaagt de tijger weg en doet het raam goed dicht. Zo, nu kan de tijger niet meer binnen komen. Bij kleuters hoef je niet meer op deze manier te handelen: zij moeten leren dat die tijger er echt niet is. 

Van controle naar controlefreak (1)

Als de baby geboren wordt is het om hem heen chaos. Het is een kakofonie van geluiden, een overweldigende hoeveelheid aan licht, de armen, de benen en het hoofd vliegen alle kanten uit, en dan is er ook nog die aanraking. De baby wordt overspoeld door zintuiglijke indrukken waar hij geen enkele controle over heeft.

Elke maand leert de baby bij. Geleidelijk wordt de wereld wat meer voorspelbaar. Hoe rustiger en voorspelbaarder de ouders zijn, des te meer ervaart de baby houvast. Maar dan groeit er in de baby een eigen ‘ik’. Het is het begin van de eigen identiteit.

Peuters en controle

Die peuter ziet zichzelf als centrum van de wereld. Maar vanuit dat centrum wil hij ook de wereld beheersen. “Ik!” “Van mij!” De peuter wil alles onder controle houden. Niet alleen zijn eigen spullen, hij verzamelt ook spullen van anderen, gaat er desnoods bovenop zitten, controleert eventueel andere (concurrerende) peuters en hij wil ook dat zijn vader en moeder een verlengstuk van hemzelf zijn.

Vanaf de peutertijd, vanaf het ontstaan van het eigen ik, wil elk mens de boel onder controle houden. De keerzijde is de angst: als je de controle verliest is dat beangstigend. Niemand wil namelijk in een onvoorspelbare chaos leven. We houden zelf graag de touwtjes in handen.

Peuters zijn echte ‘controlfreaks’. Het is voor hen moeilijk om iets los te laten. Ze hebben nog niet voldoende overzicht en vaak ook niet voldoende vertrouwen opgebouwd.

Levensgebieden waarop die behoefte aan controle erg duidelijk is zijn bijvoorbeeld:

  • het eten (weigeren is een vorm van controle),
  • het slapen gaan (controle met allerlei rituelen),
  • de spanning tussen autonomie en geholpen worden
  • en het eindeloos herhalen van hetzelfde spel.

Controle houden

Controle willen houden is een normaal menselijk verschijnsel. Geen mens kan zonder controle over zijn eigen leven. Geen controle betekent afhankelijkheid en permanente chaos. We willen kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren en daar heb je controle voor nodig. Je moet eigen invloed kunnen ervaren (Jacques Heijkoop). Angst voor de tandarts heeft voor waarschijnlijk de helft te maken met het ervaren van controleverlies.

Samen in één huishouden

Alle mensen zijn dus bezig met controle. Dat je veel met controle bezig bent merk je vaak niet zo erg. Je ervaart het pas echt als je samen met een ander een huishouden gaat delen. De één heeft namelijk een ander systeem in zijn hoofd dan de ander. De één ergert zich aan het dopje dat ‘wéér’ niet op de tandpasta is gedaan, de ander ergert zich er aan dat er eerst zegeltjes geplakt moeten worden voordat er buiten koffie gedronken kan worden. En dat zijn nog de kleinste dingen waarover gekibbel kan ontstaan.

Behoefte aan controle is niet negatief. Het zit in de mens ingebakken en ieder mens heeft controle nodig over zijn omgeving. Bij regimes waar mensen gemarteld worden denkt men vaak eerst aan fysieke marteling, maar er bestaat daarnaast psychische marteling: het ontnemen van alle regie over het menselijk bestaan. Niemand heeft bezit, niemand weet hoe de dag verloopt, niemand krijgt een paar minuten voor zichzelf.

Als je naar individuele personen kijkt dat valt op dat de één meer behoefte heeft aan controle dan de ander. Wat maakt de één tot een 'punaisepoetser', terwijl de ander van alles over zijn kant kan laten gaan? ('we zien wel?')

Entomofobie (3)

Waarom zijn peuters bang voor insecten? De meest voor de hand liggende reden is dat ze bang zijn voor dingen, mensen en dieren die onvoorspelbaar zijn. Vanaf twee jaar draaien alle angsten om controleverlies.

Bij een trein weet je hoe hij rijdt: over het spoor. Als je dat eenmaal een paar keer hebt gezien weet je de route van de trein. Daarom zijn veel peuters gefascineerd door treinen. Het gaat hard en toch is het niet eng, want je weet wat er gebeurt.

Maar dat kun je niet van spinnen, torren en insecten zeggen. Ze zijn spoorloos. Je hebt geen idee waar ze neerstrijken. ’s Nachts staan de zenuwen van kinderen die wakker worden extra op scherp (het is immers donker). Ze kunnen zich dan van alles in gaan beelden (illusionaire vervalsingen).

Maar hoe voel jij je als er ’s nachts muggen door de kamer zoemen? Ook de meeste volwassenen worden extra alert. Waarom? Is zo’n mug dan gevaarlijk? Loop je in Nederland malaria op? Ben je bang dat je gestoken wordt? En dan, wat is het gevolg? Als we er over nadenken valt het met de schade die veroorzaakt wordt door een prik best mee. En toch gaan we een halve nacht op muggenjacht… (ik niet, ik word toch niet gestoken, dat laat ik aan Tineke over…).

Voor kinderen is het logisch dat ze bang zijn voor torren, spinnen en insecten. Als kinderen over die angst kunnen praten vertellen ze meestal dat die beesten er eng uit zien, dat het griezels zijn (hoewel je je af kunt vragen hoeveel kinderen echt goed naar insecten hebben gekeken). Er bestaat dus zoiets als een ingebouwde weerstand en dat is omdat die beestjes niet zo aaibaar zijn. Wat er eng uit ziet, dat vinden wel ook eng…

De proef op de som: een lieveheersbeestje is óók een insect. Hoeveel mensen zijn er bang voor een lieveheersbeestje? Zijn er kinderen die bang zijn voor het zevenpuntslieveheersbeestje? Dat wordt door de meeste kinderen als aaibaar beschouwd. En als gevolg van de onhandige motoriek van peuters wordt het ook nog wel eens geplet...

Entomofobie (2)

Bij peuters staat de angst voor insecten op de derde plaats, na de kapper en na de angst voor honden. Waar is de angst voor insecten op gebaseerd?

Volwassenen kunnen bang zijn voor een wesp, meestal vanwege de pijn, soms ook vanwege de kans op een allergische reactie. Hoewel die allergische reacties niet zo vaak voorkomen kun je toch spreken over een reële angst. Ik kreeg een keer hoge koorts aansluitend op een wespensteek, dus daarna was ik wel extra alert. Achteraf gezien was het geen allergische reactie. Bij de volgende steek was er behalve een wat dikke lip en een daarop volgend lichtelijk spraakgebrek was er verder niets aan de hand.

Er zijn in Nederland ongeveer 700 soorten spinnen (geen insecten, maar wel kriebelende sluipers).  En ook Ringo kan goed spinnen.

Je kunt niet zeggen dat een spin geen vlieg kwaad doet. Maar een spin is in Nederland een ongevaarlijk dier. Waarom zijn veel mensen dan toch zo bang voor spinnen?

Als je echt voor een klein dier bang zou moeten zijn, dan zou dat de teek moeten zijn. Teken zijn in Nederland veruit de gevaarlijkste kleine dieren. Maar over een tekenfobie heb ik in de literatuur nog niets gelezen…

Kennelijk onttrekt de angst voor spinnen en insecten zich aan ons rationele denken. Er lijkt iets anders aan de hand te zijn. Dat heeft mede te maken met het feit dat we (toch) extra alert zijn in de buurt van deze dieren. Ons zenuwstelsel stelt zich extra alert op, in zekere zin in de alarmfase. Dat maakt dat we ook kunnen bevriezen in die alarmfase. Dan is er een fobie geboren…

Nu even terug naar de peuter. Alle angsten bij de peuter hebben te maken met angst voor controleverlies. Bij de kapper heb je geen controle over de situatie, honden zijn onvoorspelbare dieren en torren en insecten kunnen overal opduiken. Je weet niet waar ze vandaan komen en je weet niet waar ze naar toe gaan.

In het verleden ben ik een paar keer betrokken geweest bij de behandeling van angst voor honden. Daarbij bleek bijna iedere keer de controle de cruciale factor te zijn. Als de hond achter een hek zat was bijna niemand bang. Als de hond aangelijnd was buiten het hek nam de angst wel toe, maar was doorgaans nog beheersbaar.

Maar als de hond los liep nam de angst enorm toe. Eén van mijn cliënten rende dan naar de dichtsbijzijnde boom en klom er dan als een haas in. En om hem er uit te krijgen: dat was een hele klus. Je kon hem ook niet roepen, want hij was doof...

Entomofobie (1)

Entomofobie is de angst voor insecten. De meest bekende vorm is de angst voor spinnen (arachnofobie). In de tweede plaats is er de angst voor wespen (sphexiofobie).

Maar er zijn ook mensen bang voor allerlei ander vliegend ongedierte.
Daar aan verwant bestaat ook nog de angst voor mieren (myrmecofobie). Mieren zijn geen insecten. De angst voor mieren kan wel dezelfde lading hebben.

———————————————-

“Daar heb je weer die mieren. Ze eten alles op!” zegt moeder Inge.

Jeffrey wordt opeens ontzettend bang. Als de mieren alles opeten kunnen ze jou ook opeten, mamma trouwens ook.

De angst van Jeffrey is een voorbeeld van angst die ontstaat door tekort schietend begrip. Jeffrey is nog niet in staat om abstracte taal te begrijpen, hij neemt de woorden van de taal van zijn moeder (te) letterlijk.

———————————————-

Flooding en stapsgewijze gewenning

De bekendste behandelmethoden om met deze angsten om te gaan komen uit de gedragstherapie. De ene is flooding, de andere is stapsgewijze gewenning.

In cursussen gebruik ik daarbij het voorbeeld van iemand die niet het (zwem-) bad in durft. Bij de flooding pak je iemand ‘bij kop en kont’ en jonast hem het water in. De bedoeling is dat iemand daarna ervaart dat hij dat zwembad toch kon overleven. De ervaring dat het dus erg mee viel zou het denken van die persoon dan kunnen veranderen. “Ik heb het overleefd. Ik kan het dus tóch aan…”

De tweede manier van behandeling is de stapsgewijze gewenning. Je gaat iedere keer een stapje verder. Je begint eventueel bij de kleedkamer, maar uiteindelijk kom je dan toch bij de rand van het zwembad en je laat iemand zijn grote teen in het water steken.

Tijdens mijn stage (in 1973) heb ik op die manier iemand met Downsyndroom begeleid. Hij is nooit verder gekomen dan de grote teen… (dat was eigenlijk best wel frustrerend…).

Dit zijn uiteraard twee tegenpolen van gedragsmatige behandelingen. Er zijn ook tussenvormen mogelijk.

Voor kinderen en voor mensen met een verstandelijke beperking vind ik de flooding geen goede manier van behandelen. Het leidt juist gemakkelijk tot trauma's. De stapsgewijze gewenning biedt meer mogelijkheden.

Het bedreigde ik

Waar komt het vandaan dat jonge kinderen opeens angstig worden voor iets waar ze eerder niet angstig voor waren? Vaak wordt gedacht aan een traumatische ervaring. Maar dat hoeft het volgens mij niet te zijn. Een verklaring kan ook het bedreigde 'ik' zijn.

Het ‘ik’ ontwikkelt zich geleidelijk en dan vooral in de periode tussen één en drie jaar. Dan is het ‘ik’ nog lang niet af, maar de contouren zijn zichtbaar. Het huis staat in de steigers, maar je ziet al goed hoe het er ongeveer uit gaat zien.

Om met een andere beeldspraak verder te gaan: voor de leeftijd van één jaar heeft een kind geen eigen ik. Het lijkt daarin als een eiland zonder dijken. Bij iedere vloed wordt het overspoeld. Maar het weet niet beter.

Tussen één en twee jaar wordt er een provisorische dijk gebouwd. Het kind bouwt ook zelf – in interactie met de ouders – aan die dijk. Er ontstaat geleidelijk meer dijk, dat wil zeggen: meer ik. Maar die dijk is kwetsbaar en naarmate het kind groter groeit beseft het ook meer van de eigen kwetsbaarheid: ik heb hier geen invloed op. En een storm wordt daardoor met angst en beven tegemoet gezien: houdt de dijk het wel?

Tussen twee en drie jaar is de dijk al een stukje steviger geworden. Het kind heeft meer eigen ‘ik’. Het hoeft dus minder bang te zijn dat de dijk het begeeft. Daarnaast helpt de taal het kind bij de dijkverzwaring. Als mamma zegt: “Mamma gaat nu even weg, maar als we gaan eten is mamma weer thuis” kan het kind dat bevatten. Het afscheid is minder beangstigend.

De plotseling opkomende angst heeft vaak te maken met een groeiend ik-besef. Eerst had het kind geen idee wat de stofzuiger deed, alleen het geluid riep soms akuut angst op. Maar nu ontdekt het kind dat die stofzuiger een groot monster is die van alles op kan zuigen. En dan kan hij dus ook ‘mij’ opzuigen.

Dat is dus de prijs die het kind betaalt voor het ontstaan van een eigen ‘ik’. De dijk is nog te kwetsbaar om zich te beschermen tegen dat grote gevaar. Maar het ik is al wel zo ver ontwikkeld dat het kind het gevaar kan herkennen.

Selma H. Fraiberg heeft de angst voor de stofzuiger en voor het wegspoelende water in het bad beschreven in 'De magische wereld van het kind' (34e druk, 2009).

Waar is de peuter bang voor?

De vraag komt regelmatig ter sprake in mijn cursussen. En meestal luidt het antwoord: óf angst om alleen gelaten te worden óf angst voor donker. Dat zijn geen verkeerde antwoorden. Maar kinderpsychiater Verhulst (Nijmegen) kwam tot een intrigerend rijtje van concrete kinderangsten.

Opmerkelijk is trouwens dat bijna alle mensen die angst houden voor het alleen gelaten worden. Dat laat ons kennelijk vanaf de peutertijd nooit meer los. Het is de prijs die we betalen voor onze hechting. Als we bij iemand gaan horen zijn we ook weer bang om verlaten te worden. Vooral bij oudere mensen is dit vaak weer een diep aanwezige angst.

Maar Verhulst deed onderzoek naar de concrete angsten van kinderen. Angsten die én regelmatig voor komen én bij peuters heel intens zijn. Het antwoord op die vraag wordt eigenlijk nooit geraden. De meeste kinderen zijn bang voor de tandarts (de helft van de volwassenen ook), maar een bezoek aan een pijnlijke tandarts komt (te) weinig voor om te ‘scoren’. Bovendien zijn peuters zelden bang voor de tandarts.

Volgens van kinderpsychiater Verhulst zijn de hoogst scorende angsten bij peuters:

1. Angst voor de kapper
2. Angst voor torren, spinnen en insecten
3. Angst voor loslopende honden.

Mijn stelling is dat vanaf de peutertijd alle angsten te maken hebben met controleverlies. Dat is ook weer een prijs die je betaalt voor je ontwikkeling. Als je eigen ik groter groeit word je bang om de controle te verliezen. En die angst speelt bij deze drie angsten een cruciale rol…

Je hebt geen controle over de kapper, die bovendien het stuk van je lijf afknipt. Torren, spinnen en insecten zijn onvoorspelbaar in hun gedrag. En van loslopende honden moet je maar afwachten welke kant ze uit komen...

Triggers voor een toename van de angst

Mijn stelling is dat vanaf twee jaar bijna alle angst in feite angst voor controle-verlies is.

Uit een onderzoek naar concrete angsten bij peuters  (door kinderpsychiater Verhulst) kwam naar voren dat de angst voor de kapper de meest genoemde angst is van de peuter. Als je je inbeeldt wat er tijdens het haren knippen met je gebeurt draait dat voor een groot deel om het verlies van eigen invloed en dus om controleverlies.

Ook de bekende kinderangst waar veel opvoeders mee te maken krijgen: de angst om te gaan slapen – draait om controleverlies. Je bent net bezig een eigen ik te ontwikkelen en dan moet je dat weer loslaten. Wat dat betreft is gaan slapen voor peuters net zo spannend als een narcose voor sommige volwassenen.

Het is voor opvoeders belangrijk dat ze zich realiseren dat boosheid en angst dicht tegen elkaar liggen. Gedrag dat door de opvoeder als een boze reactie wordt gezien kan heel goed angst zijn (‘ik begrijp het allemaal niet meer…).

Wat zijn (andere) triggers die maken dat mensen bang worden, en ook agressie kunnen vertonen? (Delfos, 2015)

  • Het gevoel dat je niet aan de verwachtingen kunt voldoen die je voor jezelf gesteld hebt (dit leidt tot perfectionisme)
  • Het idee dat je sociaal wordt afgewezen, dat je nergens bij hoort
  • Overspoeld worden door (zintuiglijke) indrukken (je wordt overweldigd door alles wat er om je heen gebeurt; je hoofd raakt vol)
  • Het idee dat anderen voortdurend kritiek op je hebben (‘ik doe het toch nooit goed’)
  • Gepest worden (wanneer gebeurt het weer?)
Volgens Martine Delfos leiden deze gevoelens tot een toename van dwangmatig gedrag: je wilt de hele wereld ordenen, alles moet kloppen. De stress die dat oplevert leidt op zijn beurt weer tot een grotere kans op agressie.

Angst en autisme (4)

Bij kinderen en jongeren in de USA is de angststoornis de meest genoemde psychische stoornis. De getallen lopen nogal uiteen: van 6% tot 20%. Dat komt doordat de angststoornis niet zo goed valt af te grenzen van andere stoornissen. Bovendien valt angst vaak samen met andere stoornissen, zoals een depressie.

Hoe zit het dan met kinderen en jongeren met autisme? Bonny van Steensel is gepromoveerd op dat onderzoek. Ze komt in Nederland op een percentage van 40%.

Onderzoek in de USA komt opnieuw op een grote spreiding uit: van 30% tot 80% van de kinderen en jongeren met autisme zou tevens een angststoornis hebben ontwikkeld. Ouders noemen dit bij de opvoeding één van de grootste problemen.

Naast, maar mede als gevolg van deze angsten treden ook andere problemen op, zoals problemen met de aandacht, oppositioneel gedrag en ook weer depressie.

De vormen waarin de angsten zich manifesteren zijn:

  1. De gegeneraliseerde angststoornis. Mensen met zo’n vorm van angst zijn met allerlei aspecten van het dagelijks leven bezorgd over wat of het allemaal wel goed komt en wat er zou kunnen gebeuren. Ze voelen zicht vaak gejaagd en rusteloos. Ze piekeren vaak en veel, hebben last van concentratieproblemen en slaapproblemen. Ook lichamelijke klachten komen voor, zoals spierspanning, zweten, misselijkheid, darmklachten, diarree of hoofdpijn komen bij hen vaker voor.
  2. Fobieën: angst voor specifieke voorwerpen, dieren, omstandigheden die het hele leven gaat beïnvloeden.
  3. Obsessief-compulsieve symptomen. De obsessie is dat je het idee in je hoofd hebt, de compulsie is dat je het vervolgens moet doen. Je bedenkt dat je aan de noodrem moet trekken in de trein en vervolgens krijg je die gedachte niet meer uit je hoofd, sta je van je plek op en trek je aan de rem. Tics vormen een variant op deze symptomen.
  4. Paniek: een heftige reactie op een bepaalde emotie. Die reactie is niet meer controleerbaar.
  5. Sociale angst: angst voor het contact met andere mensen, en vaak het meest hevig met groepen.
  6. Scheidingsangst en verlatingsangst: de angst om de meest vertrouwde mensen in je leven los te moeten laten.
  7. Symptomen die doen denken aan posttraumatische stress, bijvoorbeeld overmatige schrikreacties, wegrakingen, frequente hartkloppingen.

Angst en autisme (3)

Nog steeds eerst de normale ontwikkelingslijn van angsten bij kinderen. Het volgende deel van deze serie gaat het over kinderen met autisme.

Puberteit

  • Sociale angst: angst voor groepen, voor onbekenden
  • Sociale angst: de angst om er niet bij te horen, dat je buiten de groep valt.
  • Angst dat je niet voldoet aan de verwachtingen
  • Bang dat je er ‘vreemd’ uitziet, dat je uiterlijk niet voldoet aan de normen
  • Angst voor wat er in de toekomst met je zou kunnen gaan gebeuren, ook: dat je altijd alleen zult blijven
  • Bang voor verwondingen en ziekten
  • Angst voor rampen (oorlog, radio-activiteit, natuurrampen)
  • Angst voor gevaar, voor de dood.

De sociale angsten bij de puber vertalen zich nogal eens in het zich terugtrekken en het ontwikkelen van een eigen (schijn)wereld, zoals games. Anderen sluiten zich aan bij een hechte groep met radicale ideeën (daar horen ze er tenminste wél bij).

De andere angsten vertalen zich bijvoorbeeld in controlegedrag, zoals het obsessief bezig zijn met je lichaam.

Wat is een angststoornis?

Men spreekt van een angststoornis als de normale angsten, die passen bij de leeftijd, leiden tot zorg die het leven gaat beheersen, tot vermijding, tot een verhoogd lichamelijk stressniveau (inclusief slaapproblemen). Deze angst belemmert het dagelijkse functioneren aanzienlijk.

In de USA vormen angststoornissen de meest voorkomende vorm van psychische problematiek bij kinderen en jongeren.