Kinderangsten (13)

Een aantal therapieën gaat er vanuit dat angsten vroeger ontstaan zijn en dat de behandeling begint bij het ontrafelen van je levensgeschiedenis.

Soms kan dat inderdaad helpen. Aan de andere kant valt vaak nauwelijks te achterhalen waar een bepaalde angst vandaan komt. Hoe weet je nu waarom je bang bent geworden voor spinnen?

Over die angst voor spinnen doen de wildste verhalen de ronde. Zoals dat de harige poten van de spin doen denken aan de harige benen van vreemde mannen. Daarom zouden vrouwen banger zijn voor spinnen dan mannen. 

Stapsgewijze gewenning

De gedragstherapie zegt: ‘niet praten maar doen’. Als je bang bent voor spinnen gaan we niet wroeten in je verleden, we gaan aan de slag. Dat kun je stapsgewijs doen, bijvoorbeeld: eerst een foto van een klein spinnetje, dan een grotere spin, dan een dia, vervolgens een dode spin in een glazen doosje en uiteindelijk…. de confrontatie met een levende spin.

Flooding

De andere manier is dat je in één klap geconfronteerd wordt met het object waar je bang voor bent (dit wordt flooding genoemd). Het idee achter deze flooding is dat je ervaart dat je zelfs een heel enge situatie kunt overleven.

Stel dat je watervrees hebt, de badmeester gooit je in één keer kopje onder, je komt vervolgens weer boven, dan weet je dus: deze angst kan ik hanteren, ik hoef er niet meer bang voor te zijn.

Trauma

Bij kinderen, maar ook bij mensen met een verstandelijke handicap of een psychiatrische stoornis is flooding zelden een effectieve methode, omdat ze niet kunnen overzien wat hen overkomt. Ze hebben er geen enkele grip op. De angst neemt dan dus juist nog meer toe. De gebeurtenis wordt een traumatische ervaring.

Kinderangsten (12)

Op 28 april verscheen het laatste blog in deze serie, maar ik was er nog niet klaar mee. Nu volgen de drie laatste blogs. Dan ben ik er nog steeds niet klaar mee. Maar het moet een keer afgelopen zijn...

Een belangrijk aspect van de behandeling van angsten is dat je leert wat je kunt doen in een bepaalde situatie.

Zoals al eerder genoemd:  angstgevoelige mensen vullen een groter deel van hun hersencapaciteit met angsten, waardoor er minder ruimte over blijft om ander gedrag te laten zien. Door te oefenen wat je in een bepaalde situatie wél zou kunnen doen kun je beter je angsten hanteren.

In feite is dat een heel normale manier van omgang met angsten in de opvoeding van kinderen. Door te oefenen ervaren ze dat het toch niet zo erg is als ze dachten. Nabijheid van een ‘object’ dat veiligheid biedt leert kinderen sneller om over de angst heen te komen (bijvoorbeeld de nabijheid van pappa of mamma in de buurt of het bij zich hebben van een knuffel.

Opeens angstig worden

In de ontwikkeling van kinderen zie je nogal eens dat ze ‘opeens’ angstig worden van nieuwe dingen. We denken dan gemakkelijk dat dat met een traumatische ervaring te maken heeft. Maar dat is vaak helemaal niet zo. In de loop van hun ontwikkeling gaan kinderen andere dingen zien. Waar ze bijvoorbeeld eerst geen gevaar zagen, zien ze dat nu wél.

Een voorbeeld is het onderzoek van de doorzichtige glasplaat. Baby’s kruipen zonder problemen over een doorzichtige glasplaat. Maar als ze een peuter zijn van één jaar oud doen ze dat niet, omdat ze diepte hebben leren zien. Nu worden ze juist bang van die glasplaat.

Baby’s lachten vriendelijk tegen iedereen die aardig tegen heb doet. Maar als ze een maand of negen zijn wijzen ze vreemden af. Ze hebben het verschil leren zien tussen hun mamma en de ‘vreemde’ buurvrouw.

Ik herinner me nog als kind hoe prachtig één van de kinderen in huis de vuilnisauto vond. Zo’n auto waar van alles in gekieperd werd had iets magisch. De auto stond dan voor ons huis even stil en ‘kieperde’ (de lading werd daardoor naar voren geschoven). Tot mijn grote verbazing was die interesse er opeens af. De paniek sloeg toe als de vuilnisauto kieperde. Kennelijk was er een andere en nieuwe waarneming ontstaan, bijvoorbeeld de angst dat die auto ook om zou kunnen vallen.

Kinderangsten (11)

Angstgevoeligheid

Er bestaat een groot verschil in gevoeligheid voor angsten tussen mensen.

De angstgevoeligheid staat in nauw verband met de prikkelgevoeligheid. Mensen met een ‘gevoelig’ zenuwstelsel zijn eerder angstig. Er komen teveel prikkels op hen af, waardoor ze het gevoel hebben dat ze de controle verliezen. Kinderen die sneller angstig zijn zijn dus geen aanstellers. Vermoedelijk reageren ze sterker op wat er om hen heen gebeurt.

Voorbeelden van reacties bij volwassenen die verband houden met angstgevoeligheid:

  1. Als anderen iets op mij aan te merken hebben ben ik snel van slag
  2. Ik krijg gauw hartkloppingen of een versnelde hartslag
  3. Ik voel me vaak rusteloos en ik weet toch eigenlijk niet wat ik wil
  4. Ik maak me vaak zorgen over mijn gezondheid
  5. Ik heb vaak last van geluiden
  6. In gezelschap van anderen ben ik vaak teruggetrokken en stil
  7. Ik pieker vaak over dingen die ik verkeerd gezegd zou kunnen hebben
  8. Tegen onbekende situaties zie ik vreselijk op
  9. Ik heb vaak last van schuldgevoelens
  10. Beslissingen stel ik vaak uit

 Een deel van de bovengenoemde angsten houdt verband met sociale situaties. Veel mensen voelen zich ongemakkelijk in het sociale verkeer. Ze zijn liever in de buurt van enkele mensen die ze goed kennen.

Er bestaan tegenwoordig allerlei vaardigheidstrainingen om die angsten deels te overwinnen. Toch moet het effect van die trainingen niet overschat worden. Na zo’n training is iemand die altijd verlegen was heus geen ‘feestbeest’. Dat moet je ook niet willen.

Bovendien blijkt dat mensen in de oefensituatie uiteindelijk vaak goed presteren, maar dat ze in nieuwe situaties opnieuw onzeker kunnen zijn.

Het nadeel van het louter trainen is mijns inziens dat de vaardigheden wel geoefend worden, maar dat het zelfbeeld niet vanzelf positiever wordt. En dat zelfbeeld, het gevoel van eigenwaarde, is juist de accu die je nodig hebt om verder te kunnen.

Therapie voor Yoran

Yoran kan slecht tegen lawaai op de groep. Als er veel geluiden zijn raakt hij gespannen. Het gevolg is dat er regelmatig een tafel om gaat of dat er een stoel door de ruimte vliegt. In de training oefenen we wat je kunt doen als er veel lawaai op de woning is. Ik zet de radio hard aan en word daarna boos en gooi een kopje tegen de muur.

Een paar maanden later wordt de training afgesloten. Yoran heeft een aantal malen prima toegepast wat hij zou kunnen doen als er teveel geluid is. Het mooie is dat hij de oplossingen zelf bedacht heeft. Bij de afsluiting zegt hij tegen mij: “En je gooit ook niet meer met kopjes. Dat heb je van mij geleerd!” Yoran is niet alleen sterker geworden doordat hij nu zelf oplossingen kan verzinnen, zijn gevoel voor eigenwaarde is ook enorm gegroeid. Dat laatste aspect maakt dat de effecten van de training ook op langere termijn zichtbaar zijn gebleven.

Aanleren alternatief gedrag

Een belangrijk aspect van de behandeling van angsten is dat je leert wat je kunt doen in een bepaalde situatie. Zoals al elders gemeld: angstgevoelige mensen vullen een groter deel van hun hersencapaciteit met angsten, waardoor er minder ruimte over blijft om ander gedrag te laten zien. Door te oefenen wat je in een bepaalde situatie wél zou kunnen doen kun je beter je angsten hanteren.

Eigen invloed ervaren

Bij de angst voor de tandarts speelt het gevoel van controleverlies een belangrijke rol. Als de tandarts een mogelijkheid biedt om de behandeling even te stoppen (een noodrem aan de stoel) vermindert dat de angst. In de praktijk hoeft zo’n noodrem niet vaak gebruikt te worden, het idee dat je even kunt stoppen is al een richtinggevend alternatief.

Kinderangsten (10)

Vermijding

Je moet naar de tandarts. Je durft de stap niet te nemen. “Gelukkig” heb je een koutje gevat. Dat is voldoende reden om de tandarts af te bellen. Eerst ben je opgelucht. Daarna neemt de spanning toe. Je moet immers een nieuwe afspraak maken? Dat stel je uit, want je ziet er tegenop.

Uiteindelijk bel je op. Het antwoordapparaat meldt dat de tandarts de komende twee weken met vakantie is. Opnieuw ben je opgelucht. Daar ben je voorlopig vanaf.

Na ruim twee weken begint de spanning weer te knagen. Je ziet nu nóg meer tegen de afspraak op. Niet alleen tegen de afspraak met de tandarts, ook tegen het máken van die afspraak.

Bovendien word je ook nog eens bang dat de tandarts een opmerking zal maken dat je zo’n tijd niet geweest bent. Zo stapelen allerlei angsten zich op. Het vermijden van de afspraak maakt –na een zeer korte opluchting- de angst alleen maar groter.

(zie ook de blogs over oorzaken van uitstelgedrag). 

Gevoelig, maar ook doelbewust

In besprekingen vergelijk ik het hanteren van angsten door opvoeders vaak met judo. Je gaat als opvoeder even mee om daarna bij te buigen. Juist door het delen van angsten creëer je een brug, waardoor gedeelde smart halve smart wordt.

Een vorm van het delen van de angst is het verwoorden van wat je aan het kind ziet. “Ik zie dat je bang bent. Dat begrijp ik best……”  Soms speel je ook even mee en jaag je die rare kerel even weg uit de tuin. Dat wil echter niet zeggen dat je in de angst van het kind op moet gaan. De ouder die mee bang wordt versterkt de angst van het kind.

“Een sensitieve, maar tevens eisen stellende opvoedingshouding” (M.M.W. Oosterhof-van der Pol) is de meest doeltreffende manier om angsten de baas te worden. Denk maar eens aan de bemanning van een vliegtuig. Veel passagiers zijn bang, maar als de bemanning rust uitstraalt is de angst aanmerkelijk minder. Als de passagiers merken dat de bemanning in paniek raakt neemt ook bij hen de angst enorm toe.

Opvoeder als houvast

Opmerkelijk is overigens dat uit een onderzoek onder tandartsen komt naar voren dat patiënten het meest bang worden als de tandarts zelf enorm tegen de behandeling op ziet. Een duidelijke benadering waarbij de tandarts zelf de regie in handen heeft werkt het meest angstreducerend voor de patiënt.

Ik zit in een vliegtuig. Het is erg onrustig door turbulentie. Plotseling zie ik een flits en er klinkt er een harde knal. Het eerste wat ik doe is naar de stewardess kijken. Ze schrikt duidelijk. Ik denk: ‘dit was dus echt heftig’. 

Kinderen hebben de neiging om eerst naar de opvoeder te kijken als er iets spannends gebeurt. Ze lezen angst of vertrouwen af aan de ogen van de moeder (of vader). Een rustige houding van de opvoeder (‘het komt allemaal goed’) leidt tot minder angst bij het kind.

Kinderangsten (9)

Angst is dus nodig en nuttig. Niemand kan functioneren zonder angst. Als je niet een beetje bang bent ga je je roekeloos gedragen. Angst kan een prikkel zijn om toch maar even extra alert te zijn of wat extra inspanning te leveren.

Maar: als de angst je hele leven gaat beheersen wordt het pathologisch, ziekmakend. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een fobie: je leven wordt beheerst door een bepaalde angst die voortdurend aanwezig is. Het is géén probleem als je bang bent voor spinnen, want je denkt er in het dagelijks leven niet aan. En angst voor krokodillen kan al helemaal weinig kwaad in Nederland.

Maar: als je iedere dag overal rondkijkt of er niet een spin zit wordt je leven belemmerd door de angst voor spinnen. Dan spreken we dus van een fobie.

Neurotische angst en morele angst vragen soms ook om behandeling. Als alle  energie gaat zitten in de angst dat je het niet goed doet wordt je leven onplezierig. Je haalt geen diploma omdat je geen energie hebt om te leren (Erikson spreekt van ‘waden door de stroop’).

De behandeling van meer concrete situaties gebeurt vaak met gedragstherapie, de dieperliggende spanningen worden vaak behandeld met psychotherapie in combinatie met medicijnen.

Bij psychiatrische ziektebeelden zien we zeer ernstige vormen van angst. Dit is bijvoorbeeld het geval bij psychosen en bij dementie. Het lijden is dan vaak zeer acuut. Men komt er steeds meer achter dat de kleur van de psychose vaak verband houdt met het type angst dat vroeger bepalend was tijdens het kinderleven (bijv. iemand met achtervolgingswaan was vroeger bang dat hij niet gezien en dus vergeten werd).

Angst hoort ook bij de normale ontwikkeling van kinderen. Iedere fase binnen die ontwikkeling kent zijn eigen angsten. Maar soms bepaalt ook de angst teveel het leven van kinderen en is er behandeling nodig.

Kun je angsten dan behandelen? Jazeker! Maar niet altijd en ook niet voor 100%. Daarnaast vind ik het wél belangrijk dat je ook in de gaten houdt dat er altijd verschillen in angstgevoeligheid blijven.

Opvoedingsfouten in relatie tot angsten

– Soms hebben ouders de neiging om de angsten van het kind af te doen als onzin. Daarmee laat je het kind alleen met zijn angsten. Het durft zelfs niet meer te zeggen dat het bang is.

– Andere ouders worden boos om de angsten van het kind. Het kind moet zich maar flink gedragen en zich niet aanstellen. Boos worden verhoogt de spanning bij het kind en versterkt de angst.

– Er zijn ook ouders die –vaak vanwege eigen angsten- de angst van het kind bagatelliseren. De meest bekende vorm is de reactie van ouders op een prik. “Doet niet zeer”. Maar een prik doet wél zeer! Ook een uitspraak als ‘de hond doet niks’ zit in deze hoek. Daarmee lijkt de opvoeder ook zijn eigen angst te bezweren. Het kind voelt deze camouflagetactiek vaak haarscherp aan en wordt helemaal niet rustiger door de bezwerende toon van de ouder.

– Sommige ouders confronteren het kind in één klap met het angstige object. Het kind durft bijvoorbeeld niet in het water en wordt door zijn vader in het diepe gegooid. Dit is bij kinderen in 99% van de gevallen geen goede methode. Voor een kind is zo’n situatie oncontroleerbaar en daardoor zeer beangstigend.

– Er zijn ook ouders die teveel mee gaan met de angst van het kind. Ze durven niet door te zetten uit angst dat het kind een trauma oploopt. Daarmee raken ze de regie over de opvoeding kwijt en stimuleren ze in feite vermijdingsgedrag. En juist dat vermijden is één van de belangrijkste bronnen van angst.

 

Kinderangsten (8)

DE INVLOED VAN OUDERS

Volgens een aantal onderzoekers worden angsten vooral bepaald door de ouders. Als je moeder bang was voor onweer word jij dat ook.

In bepaalde gebieden zien we ook specifieke angsten, die van generatie op generatie worden doorgegeven (bijvoorbeeld de angst voor storm in vissersdorpen).

Toch is het idee dat de angst vooral en zelfs bijna alleen door de ouders wordt doorgegeven mijns inziens een te ongenuanceerde visie. Het is wél waar dat ouders medebepalend zijn voor de angsten van hun kinderen. Angstige ouders hebben vaak ook angstiger kinderen.

Maar zelfs dan kun je de ‘kip-of-ei’ vraag stellen. Zijn die ouders misschien ook angstiger omdat ze zelf in aanleg angstig waren en heeft het kind die angstgevoeligheid in aanleg meegekregen? Er zijn ook ouders die erg bang zijn voor bijvoorbeeld honden of onweer, terwijl hun kinderen dat niet zijn.

Laten we het erop houden dat de angst van ouders soms door het kind wordt overgenomen.

Een apart verhaal vormt de neurotische angst. Daarvan is wél aangetoond dat ouders een forse invloed hebben. Als ze eisen stellen waar een kind niet aan kan voldoen maakt dat hem zeer faalangstig.

  1. REELE ANGST, NEUROTISCHE ANGST, MORELE ANGST

Dit is een klassieke indeling van angsten, gebaseerd op Sigmund Freud.

  1. Reële angst kun je aantonen. Het kind heeft zich gebrand aan het strijkijzer en kijkt de volgende keer met angstige ogen naar dat strijkijzer. Deze angst is nuttig, omdat er ongelukken mee worden voorkomen
  2. Neurotische angst is de angst dat je je driften niet kunt beheersen of niet aan de eisen kunt voldoen. Je bent bijvoorbeeld bang dat je je agressie niet tegen kunt houden. Die angst vertaalt zich vaak in allerlei dwangmatigheden.
  3. Morele angst houdt in dat je bang bent dat je in strijd zult handelen met je geweten. Kleuters kunnen erg streng voor zichzelf zijn, om te voorkomen dat ze een fout zullen maken. Dat is een voorloper van de morele angst bij volwassenen. Iemand die alleen maar loopt te denken aan ‘Ik mag niet’ of aan ‘ik moet’ wordt mogelijk belast door deze morele angst.

Kinderangsten (7)

Iedere ouder kan er over meepraten: het ene kind is veel angstiger dan het andere kind. Erzijn stoere peuters die weinig huilen en nergens bang voor lijken te zijn. Maar er zijn leeftijdgenoten die juist overal bang voor zijn. Ze hebben er weinig vertrouwen in dat het goed komt en worden heel snel overspoeld door angst.

Voor een deel hebben deze verschillen te maken met de hechting. Zo komen vermijdend gehechte kinderen vaak ‘stoer’ over. Ze doen nét of ze alles aan kunnen. Maar wat je niet ziet is de binnenkant: meer stress en een verhoogde hartslag.

Dienstkeuring

Toen ik 19 jaar was werd ik – zoals toen nog gebruikelijk was – opgeroepen om gekeurd te worden voor de militaire dienst. Een onderdeel van deze keuring betrof het georganiseerde vampirisme: er moest bloed worden afgenomen. Tegelijk met mij waren er een paar Helderse vissers aan de beurt: stoere mannen die een orkaan konden doorstaan. Een prikje stelde dus helemaal niks voor. Tot mijn verbazing gingen twee van deze mannen frontaal tegen de vlakte, terwijl ik als angsthaas overeind bleef. Oftewel: wat je hoort of ziet is niet de angstige binnenkant.

Aangeboren verschillen

Er bestaan ‘aangeboren’ duidelijke onderlinge verschillen tussen kinderen in angstgevoeligheid. Catell heeft hier onderzoek naar gedaan. Steeds duidelijker wordt dat dit te maken heeft met de prikkelbaarheid van het autonome zenuwstelsel. Daarbij moet ook weer worden meegenomen dat stress tijdens de zwangerschap van invloed is op datzelfde autonome zenuwstelsel.

Gevoelige zintuigen

Kinderen die gevoeliger zijn voor zintuiglijke ervaringen (bijvoorbeeld voor geluiden) zijn ook eerder angstig. Denk maar eens aan de vele geluiden om je heen. Als je die geluiden niet kunt plaatsen roept dat vanzelf al angst op. Een deel van de extreme angsten bij kinderen met autisme vindt zijn wortels in hun prikkelgevoeligheid.

Temperament

Uit temperamentsonderzoek is gebleken dat kinderen met een zgn. moeilijk temperament eerder angstig zijn. Deze kinderen hebben vaak grote moeite met logeren, met nieuw voedsel, met veranderingen. Het is voor hun ouders (of andere opvoeders) moeilijker om pasvorm voor de opvoeding te vinden.

Als deze kinderen uit hun evenwicht zijn herstellen ze zich moeizamer. De angst blijft langer hangen omdat ze moeilijker zijn te kalmeren. Ze laten zich niet snel gerust stellen. Dus blijven ze ook lang bezig met datgene wat hen angstig zou kunnen maken.