Prestaties belonen of gezien worden?

Als je de boeken van Jesper Juul leest zou je daar als ouder/opvoeder onzeker van kunnen worden. "Nu heb ik geleerd om mijn zoon te belonen voor zijn prestaties, is het wéér niet goed!"

Presteren om gezien te worden?

Jesper Juul is wel kritisch over onze westerse samenleving en ook over het schoolsysteem. Hij meent dat we veel te veel het accent leggen bij het moeten presteren. Je moet op school scoren om gezien te worden. En als het op school niet lukt moet je bijvoorbeeld opvallen in de sport. Of door in een playback-show op te treden als mini-volwassene. Dat streven naar prestaties gaat – aldus Jesper Juul – ten koste van het wezenlijke contact, van het ‘gezien worden’. Maar tegelijkertijd – en de mensen die workshops van hem hebben meegemaakt weten dat ook – is hij vooral ‘steunend’ naar ouders toe.

In de westerse samenleving ontwikkelen kinderen meer vertrouwen in hun kunnen dan vroeger, maar niet in zichzelf. Om het in de termen van mijn leermeester Jacques Heijkoop te zeggen: ze kunnen veel, maar de vraag is: kunnen ze het ook áán? Aan de basis van mijn werk is de afgelopen decennia die vraag steeds meer centraal komen te staan: de disharmonie tussen kunnen en aankunnen. Hoe meer die beide aspecten uit elkaar gaan lopen, des te groter is de kans op psychische problemen en gedragsproblemen.

Lars maakt een tekening

Een voorbeeld uit het boek ‘Uw capabele kind’ door Jesper Juul. Lars zit te wachten totdat zijn moeder thuis komt. Zijn vader zegt: “Ga maar een tekening voor mamma maken.” Mamma heeft een drukke baan en komt veel later thuis dan verwacht. Ondertussen heeft Lars wel zes tekeningen voor zijn moeder gemaakt. Als de deur open gaat rent hij naar haar toe en laat haar zijn mooiste tekening zien.

Stel je voor dat de moeder van Lars zou zeggen: “Lars, je bent bijna vier jaar oud, weet je nu nóg niet hoe je een huis moet tekenen?” Of als ze zou zeggen: “Dat kan veel beter.” Dan zouden de pedagogische rapen bij veel ouders gaar zijn. Die pedagogiek hebben we ook in het onderwijs grotendeels achter ons gelaten. We zijn nu vooral van het belonen. Hoe meer je de prestaties van het kind beloont, des te beter de pedagogische socore.

Dus nu het tweede bedrijf: De moeder van Lars pakt de tekening en zegt: “Wat kun jíj goed tekenen!” Dat is de reactie die past in de moderne westerse samenleving.

Jesper Juul: “De lof van moeder is goed bedoeld. Maar wat er toch mist is het contact. Lars rent niet naar zijn moeder omdat hij een beoordeling van zijn prestaties wil horen. Het is een cadeautje voor zijn moeder omdat hij van haar houdt en haar heeft gemist. Lars geeft zichzelf, hij heeft die tekening met zijn hele hart en lijf en verstand voor zijn moeder gemaakt. Wat hij terugkrijgt is een beoordeling van zijn tekening.”

Stel je voor dat ik een vroegere vriend tegen zou komen. Hij nodigt me uit om bij hem te eten. Na afloop zegt hij: "Het was gezellig om jou weer eens uitgebreid gesproken te hebben." En jij zou zeggen: "Ja, het was fijn om te kunnen constateren dat je veel beter hebt leren koken." Dat is wel een compliment, maar iedereen beseft dat er toch kortsluiting zit in de communicatie. 

Mag de moeder van Lars dan niets zeggen over die tekening? Natuurlijk wel. Maar het gaat er om dat in de context van haar antwoord niet alleen een beoordeling ligt, maar dat je ook de relatie terug hoort. Eigenlijk maakt het niet zoveel uit wat ze precies zegt, als je maar een persoonlijke reactie is die ook weergeeft dat Lars en zij bij elkaar horen.

Voorbeelden zijn: “Dankjewel Lars, dat vind ik mooi, daar ben ik blij mee!” “Wat heb jij mooi gekleurd, daar is mamma blij mee, dankjewel. Zal mamma jouw tekening ophangen. Waar gaan we hem ophangen?” “Dag lieverd, ik heb je gemist, en nu krijg ik een tekening van jou.”

Ook in deze antwoorden zit wel een stuk positieve waardering, maar het is geen beoordeling.

Onze kleindochter T van vijf jaar stapte op de fiets voordat ik klaar was om met haar mee te fietsen. Even verderop reed ze tegen de stoeprand en viel. Ik kan dan reageren met "Dat krijg je er van als je niet op opa wacht!" Die reactie kan voortkomen uit schrik en bedoeld zijn als waarschuwing. Maar waar het op dat moment om gaat is dat zo'n meisje even getroost moet worden. Ze is zelf al genoeg geschrokken. Pas daarna - als de rust hersteld is - kun je vragen of ze de volgende keer even wil wachten op opa. Een eerste reactie uit schrik, angst of boosheid is begrijpelijk, maar in relationeel opzicht vaak niet de goede reactie. 

De glijbaan van Bart

In het voorbeeld van Bart (blog van 20 juni 2020) gaat het ook niet om goed of fout. Natuurlijk mag mamma bezorgd zijn dat Bart op de hoge glijbaan geklommen is. Natuurlijk mag pappa trots zijn op zijn zoon die dat zomaar durft. Maar die reacties gaan niet in op de vraag die Bart stelt: “Hebben jullie mij gezien. Is het hier wel veilig, zo in mijn eentje?”

Dus mamma kan zeggen: “Wat zit je hoog Bart, mamma komt even naar je toe om je te helpen.” Of pappa: “Ik zie je wel Bart. Je bent nu erg hoog, groter dan pappa. Pappa komt even naar de glijbaan toe.”

Bij de veilige hechting draait alles om sensitiviteit en om responsiviteit. Sensitiviteit houdt in dat je gevoelig bent voor de emotionele signalen van het kind. Responsiviteit betekent dat je een antwoord hebt op het gedrag van het kind.

Een peuter van drie wil het veilige lijntje met zijn ouders vasthouden en wil bij gevaar gezien worden. Hij vraagt ook om veiligheid en begrenzing: in dit geval om ouders die (toch) in actie komen. Maar datzelfde geldt ook voor pubers. Ook daar heeft Jesper Juul een boek over geschreven: 'Gezinsleven.'

Eigenwaarde en zelfvertrouwen

De driejarige Bart klimt op een onbewaakt ogenblik de trap van de hoge glijbaan op. Als hij boven aan staat roept hij naar beneden. "Kijk pappa, kijk mamma!" Wat zal de reactie van zijn ouders zijn? 

Dat voorbeeld gebruik ik wel eens in cursussen. Meestal zeggen de cursisten dat de reactie van vaders en moeders verschillend zal zijn. De moeders zeggen: “Pas op, straks val je!” De vaders zeggen: “Wat ben jij groot!”

De onlangs overleden Deense gezinstherapeut Jesper Juul vraagt zich af: “Wat was de vraag van Bart?” Bart weet ook wel dat het spannend is op de trap en dat het gevaarlijk kan zijn. Hij kan inmiddels voldoende diepte zien om te weten dat hij nu toch wel erg hoog geklommen is. Dat wijzen op het gevaar is meer een bezweringsformule voor een geschrokken moeder dan een aanwijzing voor Bart.

En dan zijn vader… Hij beloont Bart voor zijn stoere gedrag. En belonen is beter dan straffen, hebben pedagogen ons decennia lang voor gehouden. De vader van Bart zou dus beter voldoen aan het pedagogisch ideaalbeeld. Hoe meer je je kind beloont, des te meer zal het presteren.

Wat was de vraag van Bart? Wilde hij weten of het gevaarlijk was? Wilde hij beloond worden voor zijn stoere gedrag? Volgens Jesper Juul stelt Bart een heel andere vraag. Hij wil weten of hij gezien wordt? Zien jullie mij nog wel?

In de pedagogiek bestaat er een aardige vuistregel. “De veilige afstand aan meters is gelijk aan het aantal jaren in leeftijd.” Bart van drie jaar voelt zich veilig binnen de afstand van drie meter van zijn ouders. Maar op die hoge glijbaan is hij buiten die cirkel van drie meter terecht gekomen. En dus zoekt hij extra bevestiging: houden jullie mij nog wel in de gaten? Want ik heb jullie nodig om me veilig te voelen…

Volgens Jesper Juul is de hedendaagse pedagogiek veel te veel gericht op het belonen van prestaties. Je mag er zijn als je presteert. Maar daarmee wordt de pedagogiek gatenkaas.

Juul maakt in dit verband onderscheid tussen eigenwaarde en zelfvertrouwen. Alle menselijke groei begint met het besef (al dan niet bewust) dat je er mag zijn. Je hoeft niets te presteren. Denk maar aan de ouders die bij de wieg van hun baby staan. De baby ligt te slapen. Toch verschijnt er een glimlach op het gezicht van de ouders. Het is goed zo, je mag er zijn… Dat is eigenwaarde.

De volgende stap is die van het zelfvertrouwen. Je kunt iets. Maar zelfvertrouwen gedijt niet als je er niet onvoorwaardelijk mag zijn. Eigenwaarde gaat vooraf aan zelfvertrouwen. 

Steunzoekend opvoeden (2)

Jij moet mij aardig vinden

De Deense gezinstherapeut Jesper Juul heeft in al zijn boeken aandacht gevraagd voor het thema van de steunzoekende opvoeder.

Juul verklaart een deel van de gedragsproblemen van kinderen en interactieproblemen tussen ouders en kinderen uit de behoefte van ouders om door hun kinderen gewaardeerd te worden. Dat zien we bijvoorbeeld regelmatig bij moeders met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Ze leggen een aanzienlijke emotionele hypotheek op hun kinderen. Deze emotionele afhankelijkheid is ook één van de bronnen van kindermishandeling. Dwars gedrag wordt door deze ouders als krenking ervaren. En krenking werkt als een rode lap op de emotionele stier.

Professionele zorg

Ook in de professionele zorg is deze afhankelijkheid een dagelijks voorkomend thema. De zorg trekt mensen aan die graag willen zorgen. De vraag is: waarom wil je graag zorgen? Is dat omdat je zelf aardig gevonden wilt worden, omdat je graag waardering wilt hebben van de mensen voor wie je wilt zorgen?

Laat ik duidelijk zijn: ieder mens heeft waardering nodig. Maar ook in de professionele zorg leg je op cliënten een emotionele hypotheek als jouw welzijn gevoed moet worden door de cliënten. “Als Myrthe naar mij gelachen heeft heb ik een goede dienst gehad…” Maar wat is dan voor jou het gevolg als Myrthe de hele dag koppig, dwars, eigenwijs of verdrietig was?

Omgeving legt de lat hoog

Soms wordt deze manier van werken ook in de hand gewerkt door ouders (of ook door behandelaars of leidinggevenden) die van begeleiders verwachten dat ze resultaat behandelen met hun cliënten. Je bent pas een goede begeleider als je… (in je eentje met Jeffrey kunt wandelen, Mathilde hebt geleerd om zichzelf aan te kleden, Morris hebt geleerd om vijf woorden te zeggen enz…).

Bas-regel

In mijn werk hanteer ik een regel die ik de Bas-regel ben gaan noemen. Het gaat er niet om wat je bereikt hebt met je cliënt. Het gaat er om of je gedaan hebt wat je had moeten doen.

De zorg is veel te vaak resultaatgericht. We zijn pas een goede begeleider of een goede behandelaar als er iets gelukt is. We moeten doelen zien te halen. Daarmee maken we ons welbevinden afhankelijk van het gedrag van de cliënten. Hoe meer we dat doen, des te meer gaan we lijken op de cliënt die de hele dag vraagt of hij wel lief is en of hij het wel goed doet. Deze steunzoekende manier van begeleiding maakt én begeleiders én cliënten kwetsbaar en afhankelijk.

Het werk langer volhouden

Werken vanuit de relatie heeft altijd te maken met wederzijdse afhankelijkheid. Maar als we voor ons welbevinden afhankelijk zijn van de goedkeuring van anderen leidt die afhankelijkheid niet tot groei, maar tot stagnatie. Zo’n proces vreet energie en vormt zelfs één van de redenen waarom mensen burn-out kunnen raken. Onze psychische energie kunnen we beter op een positieve manier  inzetten. Dat levert zelfs geleidelijk energie op om ons werk langer vol te kunnen houden.

Zin of behoefte?

Het kind wilde een speciaal toetje uit de supermarkt.

De moeder had besloten dat er gewoon vruchtenyoghurt zou worden gegeten. Ook al luxe, maar nog redelijk gewoon.

Het kind bleek vasthoudend. Hoe zou de moeder dit oplossen?

“Nee, we weten yoghurt met lekkere aardbeien. Zondag eten we weer jouw toetje”.

De kleuter gaf zich niet gewonnen. Eerst schreeuwen, daarna spugen en tenslotte kreeg de moeder een schop tegen haar scheenbeen.

De klanten in de winkel keken nogal op van deze terroriserende kleuter. Maar de moeder hield voet bij stuk. Toen ze de schop kreeg liep ze weg. De kleuter keek haar even beduusd na en rende toen achter zijn moeder aan. Hoe het verder af liep heb ik niet gevolgd.

Veel ouders zijn geneigd om op zo’n moment uiteindelijk toe te geven. Ze schamen zich voor de omgeving. Of ze willen het leuk houden. Maar opvoeding is niet per definitie leuk.

Juist als je alles leuk wilt houden zadel je het kind met een enorme ballast op. Het kind zal zich steeds egocentrischer gedragen. En de ouders moeten steeds meer toegeven. Deze kinderen worden prinsessen op de erwt of prinsen op de troon. Eén van de bronnen van hedendaags narcisme.

Gezinsleven scan 3Al eerder heb ik het zeer zinvolle onderscheid beschreven dat Jesper Juul noemt. Het kind heeft zin in een lekker toetje. Helaas denken veel opvoeders dan meteen ook dat het kind daar behoefte aan heeft en dat ze hun kind dus iets belangrijks onthouden als ze ‘nee’ zeggen.

Jesper Juul schrijft dat ‘zin’ en ‘behoefte’ heel verschillende dingen zijn. Je kunt inderdaad zin hebben in een lekker toetje.

Maar waar heeft het kind behoefte aan? Dat is een heel andere vraag. Niet aan lekkere toetjes. Wel aan een moeder die met hem communiceert, naar hem luistert en soms juist (paradox!) niet doet waar hij zin in heeft…

Ouderlijke overwaardering

Iedereen kent ze wel: de ouders die vinden dat hún kind het allerbeste is. Het is krenkend voor ouders met een kind met een handicap, zoals mijn vader ooit in een column schreef. “Na iedere verjaarsvisite ga ik weer gedeprimeerd naar huis” had een moeder hem verteld.

Maar daarnaast is de vraag: welk beeld hebben ouders eigenlijk van hun kinderen. Is het realistisch of zitten ze er behoorlijk naast? Eddie Brummelman en collega’s (aan de Universiteit van Utrecht) deden onderzoek naar ‘ouderlijke overwaardering’.

Gefingeerd

Een aardige vondst van Brummelman was dat hij aan ouders o.a. een gefingeerde boektitel voorlegde met als vraag of hun kinderen dat boek kenden. Overwaarderende ouders gaven regelmatig aan dat hun kind het boek kende. Maar ja, het boek bestaat dus niet. Daarmee vielen de ouders qua overwaardering ‘door de mand’.

Hoogbegaafd

Dezelfde ouders claimen dat hun kind kennis van allerlei zaken heeft, en dat het soms gaat om zaken waar het kind onmogelijk kennis van kán hebben. Ouders vullen dus voor hun kind in en claimen dat het kind dat allemaal weet.

Het is niet verbazingwekkend dat dezelfde ouders ook claimen dat hun kind een zeer hoog IQ heeft. Dat kan natuurlijk waar zijn, maar de ouders hebben ook de neiging om dit IQ verder te overschatten en het er overal over te hebben. Het begrip ‘hoogbegaafdheid’ ligt hen bij wijze van spreken op het puntje van hun tong.

Ik vermoed dat als de prestaties van het kind tegen vallen deze ouders eerst zullen denken dat het aan de school ligt die geen passend onderwijs biedt. Want een kenmerk van overwaarderende ouders is dat ze hun kind zeer speciaal vinden. Het heeft dus ook een zeer speciale benadering nodig. Brummelman heeft de indruk dat er bij ouders die hun kind sterk overschatten vaak sprake is van narcistische trekken. Deze ouders willen graag beter zijn dan andere ouders. Door hun kinderen te overwaarderen plaatsen ze zichzelf indirect op een voetstuk. De vragenlijst die Brummelman heeft ontwikkeld heet de Parental Overvaluation Scale.

Complimenten

Hoe werken complimenten? Daar gaat een ander deel van het onderzoek van Eddie Brummelman over. John McGee noemt het geven van complimenten ‘kapitalisme van de ziel’: je maakt een kind van jou afhankelijk. Jacques Heijkoop is zeer beducht voor allerlei beloningssystemen. En Jesper Juul zegt dat het geven van complimenten de eigenwaarde van het kind schaadt.

Drie bevlogen opvoedkundig denkers die alle drie hun bedenkingen hebben tegen het geven van complimenten. Maar wat bedoelen ze daar nu eigenlijk mee? Mag je een kind geen complimenten geven? Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Kinderen hebben stimulerende opmerkingen nodig.

Wat deze denkers bedoelen is dat in de manier waarop de westerse wereld over belonen denkt (en complimenten geven is daar een onderdeel van), een valkuil in zit. De valkuil van het kapitalisme van de ziel. Mooier dan John McGee kan ik het niet verwoorden. En het zou me niet verbazen dat overwaarderende ouders meer geneigd zijn tot het geven van complimenten. En inderdaad: het onderzoek van Brummelman geeft aan dat overwaarderende ouders veel vaker complimenten geven aan hun kinderen, dan andere ouders (Brummelman komt tot 62%). Als je dat gegeven koppelt aan een eerdere stellingname dat ouders die overwaarderen zichzelf indirect op een voetstuk plaatsen, dan zou je als conclusie kunnen trekken: deze ouders complimenteren omdat ze zélf zo graag zien dat hun kind goed presteert.

Maar dat is toch niet gek? Iedere ouder geniet er toch van als zijn kind ‘presteert’? Nee, dat is niet vreemd. En toch komt hier de pedagogische wijsheid van Jesper Juul naar voren: je voedt dan wel het zelfvertrouwen van het kind, maar niet zijn eigenwaarde. Zelfvertrouwen heeft te maken met dat je iets kúnt. En in dit verband leun je dan heel erg op je ouders: die zitten op de tribune. Het is pedagogische gatenkaas. Het is veel belangrijker voor een kind dat het er onvoorwaardelijk mag zijn (dus ook als je niet presteert).

Werken complimenten altijd goed?

Opmerkelijk is dat uitgerekend de kinderen met een lage zelfwaardering niet goed reageren op een deel van de complimenten die ouders geven. Interessant is daarmee dat datgene wat Jesper Juul al betoogde nu een wetenschappelijke onderbouwing krijgt.

Complimenten kunnen goed zijn, maar het hangt heel erg van de context af en van de manier waarop je complimenten geeft. Diezelfde complimenten kunnen faalangstige kinderen juist meer afhankelijk van goedkeuring maken. Brummelman adviseert om kinderen op het gedrag een compliment te geven. Dus niet: ‘wat ben jij goed’, maar ‘ik vind dat je een mooie tekening hebt gemaakt’, ‘ik vind dat je je speelgoed netjes hebt opgeruimd’.

Brummelman: “Als kinderen een compliment krijgen voor hoe goed ze zijn kunnen ze het gevoel krijgen dat hun zelfwaarde afhangt van hun prestaties. Als ze de volgende keer minder goed presteren zullen ze dat koppelen aan hun zelfwaarde: zie je wel, ik stel niet veel voor.”

Alleen als mijn kind zich goed gedraagt ben ik een goede opvoeder

Kan een peuter een nee begrijpen?

Nee, dat kan een peuter niet. Maar een nee hoort bij het leven.

Maar als die peuter dan uit zijn dak gaat? Dat hoort bij een peuter. Hij kan zichzelf nog niet voldoende begrenzen. Wél is uit allerlei onderzoek duidelijk dat het bijsturen van dit gedrag essentiëel is voor de gezonde latere sociaal-emotionele ontwikkeling. Maar dat bijsturen gaat niet vanzelf.

Voor ouders is het vaak moeilijk om de teleurstelling en de tranen van kinderen te verduren. Maar dat weegt uiteindelijk niet op tegen de winst: een kind dat ervaart dat een nee er ook bij hoort en niet verzacht hoeft te worden.

Want die kleuter die nu nog een nee hoort zeggen op de vraag of hij een snoepje mag zal straks ook zélf nee moeten zeggen: tegen alcohol, drugs, pornografie, opdringerige volwassenen of extreme vriendjes.

Jesper JuulWat is het probleem bij veel ouders? Ze krijgen een slecht geweten als ze nee zeggen en dat nee wordt niet geaccepteerd door het kind. Ze bedoelen het toch zo goed? De ouder zegt daarmee allerlei dingen tegelijk. Hij zegt: “Ik zeg nee, maar ik wil eigenlijk ja zeggen, want ik wil jou geen pijn doen, dus wees alsjeblieft lief en accepteer mijn nee, want ik bedoel het goed”.

Is er ook maar één kind dat met zo’n complexe boodschap om kan gaan? Het antwoord dat kinderen op deze ambivalente boodschap (vergelijk de double bind in de klassieke psychiatrie) hebben is: hier begrijp ik niets meer van, er rest me niets anders dan dwars te worden, want dan wordt jullie boodschap tenminste weer duidelijk….

Veel ouders voelen zich in feite afhankelijk van de acceptatie van en door hun kind. Een lief kind betekent dat je het als ouder goed doet, een dwars kind betekent dat je als ouder niet goed genoeg bent. Eigenlijk plaats je je daarmee als opvoeder in de kind-positie. 

Maar ook in de hulpverlening doen zich deze processen voor. Voor een eisende moeder ga je als begeleider steeds harder lopen, voor een eisende manager ga je als orthopedagoog steeds meer je best doen. Met als onderliggend gevoel: pas als ik iedereen tevreden kan stellen ben ik goed als hulpverlener.

Het antwoord van Jesper Juul: “Dat vind ik! Wat vind jij?” De peuter gaat nog vaak uit zijn plaat. Van de kleuter mag je wat meer emotioneel remvermogen verwachten. Bij de kleuter laat je de verantwoordelijkheid die die kleuter aan kan. Dat is wat anders dan alles maar laten gebeuren. Want een kleuter die zijn agressie niet leert af te remmen zal daar in zijn latere leven grote nadelen van ondervinden. Maar denk niet dat het kind jou niet accepteert als het uit zijn dak gaat. Leg geen loodzware emotionele hypotheek op het gedrag van je kind. 

Het geldt ook voor professionele relaties. Jij bent verantwoordelijk voor de taken die bij jouw vak horen. Die moeder of die manager kunnen van jou verwachten dat je veel harder loopt en alle problemen uit de wereld helpt. Ze kunnen teleurgesteld reageren als je dat niet doet. Maar jij bent niet verantwoordelijk voor hun emoties.

Je moet gewoon doen wat jouw beroepscode en beroepsethiek j0u voorschrijven….

(De situatie van de teleurgestelde kleuter werd ontleend aan Jesper Juul: Gezinsleven).

Mag ik er zijn?

Ada vertelde dat ze uit een positief en warm gezin komt.

Ze had als oudste dochter een uitstekende band met haar vader.

En toch ‘knakte’ ze toen ze een jaar of dertig was. Ze had het gevoel dat ze het allemaal goed moest doen. Ze moest – van zichzelf – altijd zorgen voor anderen, maar ze had het gevoel dat ze daar toch in tekort schoot.

Er zijn veel mensen die denken dat je (als je dit soort gedachten hebt) onvoldoende zorg en warmte van je ouders hebt gekregen. Maar dat was niet geval bij Ada. Wat was er dan wél aan de hand?

Je kunt (lang) niet alle eigenschappen van kinderen verklaren uit de opvoeding. Er heeft ook een stukje kwetsbaarheid van Ada in gezeten. Een bepaalde manier waarop ze ervaringen heeft opgeslagen in haar ‘zelfbeeld’. Dat kan met haar temperament (aangeboren) te maken hebben.

Maar Ada vertelde ook nog iets anders. Haar vader had haar steeds complimenten gegeven. En juist dát – goed bedoeld door een trotse vader – kan ook een valkuil geweest!

Maar  hoe kan dat dan? We leren tegenwoordig toch dat het allemaal draait om het positief bekrachtigen van gewenst gedrag? Ja én nee. Want belonen kan ook een emotionele en psychologische valkuil zijn.

Hier komen verschillende van mijn ‘levende pedagogische voorbeelden’ om de hoek zeilen (of fietsen). Wim ter Horst, John McGee, Jacques Heijkoop, Jesper Juul. Allemaal zeggen ze dat belonen gevaarlijke kanten heeft. Tenminste: belonen alléén.  

John McGee heeft het zelfs over kapitalisme van de ziel. En Jesper Juul maakt het cruciale onderscheid tussen eigenwaarde en zelfvertrouwen. Eigenwaarde wil zeggen dat je er onvoorwaardelijk mag zijn. En zelfvertrouwen wil zeggen dat je iets kúnt. Als je meer accenten legt bij goed zijn, goed doen en iets goed kunnen leg je de emotionele lat te hoog. Het leidt dat gemakkelijk  tot krampachtigheid, tot dwang, tot móéten. Dat is een vorm van emotionele verslaving waarbij je wel móét falen.

Alle emotionele ontwikkeling begint met het er onvoorwaardelijk mogen zijn. Pas daarna komt de volgende stap: dat je iets kunt. In de opvoeding zijn beide onderdelen niet los verkrijgbaar. Maar de eigenwaarde vormt wel het fundament  voor het zelfvertrouwen. Eerst mag je er zijn en pas dan leer je ook iets te kunnen.

Zin of behoefte?

Het is een onderscheid dat ik ook al op mijn oude weblog beschreef: het verschil tussen zin en behoefte.

Maar dat oude weblog (www.henk50.weblog.nl) is nog deels onbruikbaar, daar kan ik nog niet echt naar verwijzen.

Het thema duikt iedere keer weer op in gesprekken. Daarom noem ik het hier weer een keer: het verschil tussen zin en behoefte.

Marieke wil een ijsje. Pappa zegt dat dat nu niet kan, want over een half uur wordt er gegeten. Het gesprek tussen vader en peuterdochter loopt helemaal uit de hand. Vader is ten einde raad omdat hij zijn dochter niet kan overtuigen. En Marieke ligt gillend op de grond omdat… Ja, waarom eigenlijk?

Daar heeft gezinstherapeut Jesper Juul wel een antwoord op. Haar vader heeft haar in een onmogelijke positie gemanouvreerd. Haar vader vraagt aan haar om te stoppen met vragen om ijs, want anders heeft hij het gevoel dat hij niet een goede vader is. Daarmee legt hij een zware emotionele hypotheek op de smalle schouders van zijn dochter. In feite is de vader het kind geworden en vraagt hij van zijn dochter om zich volwassen te gedragen.

Wat de vader in feite niet in de gaten heeft is, volgens Jesper Juul, het verschil tussen zin en behoefte. Marieke heeft zin in een ijsje. En kinderen willen graag hun zin hebben, dus gaat Marieke vasthoudend dóór met het vragen om een ijsje. Dat heeft ze overigens ook niet van een vreemde…

Maar als je nu eens die zin buiten haakjes zou zetten en je zou afvragen wat de behoefte is van Marieke? Bij behoeften gaat het om dingen die er werkelijk toe doen: de emotionele basis van het leven. Marieke heeft zin in een ijsje, maar ze heeft behoefte aan een vader die duidelijk, zonder emotionele lading, grenzen durft te stellen.

Als ze geen ijsje krijgt is dat geen ramp. Ze krijgt alleen haar zin niet. Maar haar behoefte aan een luisterend én begrenzend oor van haar vader, dat is veel fundamenteler voor het emotionele welzijn van Marieke.

Pubers opvoeden, kan dat?

Tijdens lezingen over opvoeding (dat doe ik trouwens zelden meer sinds hier in huis geen kinderen meer fysiek aanwezig zijn & aan een Poes valt nu eenmaal niets op te voeden…) zeg ik altijd: “Met twaalf jaar gaan je kinderen de deur uit.”

Met andere woorden: wie daarna nog een stevig potje wil gaan opvoeden is te laat. De opvoeding is ‘klaar’ als kinderen twaalf jaar oud zijn. De emotionele basis voor kinderen is al klaar als kinderen drie jaar oud zijn.

Van de Deense gezinstherapeut Jesper Juul citeer ik regelmatig uit zijn boeken over opvoeding. Maar hij heeft zich nu ook gewaagd aan de opvoeding van pubers.

Juul: “Als kinderen twaalf jaar oud zijn, zijn ze te oud om ze nog op te voeden. Dat vertellen ze ons ook, maar wij horen dat meestal niet.”

Dat wil niet zeggen dat ouders niet belangrijk zijn voor pubers. Alleen de rollen zijn anders geworden: ouders zijn volgens Juul sparringpartner geworden.

Over de vraag hoe dat er uit ziet gaan maar liefst 150 van de 200 bladzijden die het boek telt. Daarin geeft Juul antwoord op brieven van bezorgde ouders en daarin worden ook therapie sessies beschreven die hij met hele gezinnen voerde. Een veel voorkomend ‘probleem’ is daarbij de door de ouders ervaren ‘luiheid’ van het kind (niets opruimen, niet leren op school) en het gebruik van drank of het zich niet houden aan regels.

Het gaat Juul bij pubers om de dialoog (dat is nog wel wat anders dan een onderhandelingscultuur). Communicatie betekent letterlijk: iets samen delen.

Of Juul op alle punten gelijk heeft? Ik ga nog wel een paar kritische vragen stellen (ik moet het boek nog recenseren). Maar dat de puberteit om een andere rol van ouders vraagt, dat ben ik helemaal met Jesper Juul eens.

Jesper Juul: Pubers opvoeden, kan dat? Uitgeverij Forte, 192 blz., E 17,95