Worden mensen slimmer? (2)

Het leek zo optimistisch... Mensen worden steeds slimmer.... Maar uit de meest recente onderzoeken komt een andere trend. Mensen worden niet meer steeds slimmer. Althans in een aantal landen niet (meer).

Destijds baseerde de Nieuwzeelandse onderzoeker James Flynn zijn uitkomsten uit een pakket Nederlandse testresultaten over de afgelopen dertig jaar. Nederlandse mannen van 18 jaar bleken in ieder decennium weer een stukje slimmer te zijn geworden.

Een gevolg was dat de normering van de intelligentietesten moest worden aangepast. Je moet meer vragen goed beantwoorden om op het gemiddelde IQ van 100 uit te komen.

Wat is de reden dat mensen steeds beter scoren op intelligentietesten? Daar zijn enkele bijzondere voorbeeld van en ik geef er een variant op. De vraag luidt: “In iedere grote stad van de wereld is een zwarte beer. Tokyo is een grote stad. Is er in Tokyo een zwarte beer?” Het antwoord dat een eeuw geleden op zo’n vraag werd gegeven was: “Dat weet ik niet, dat moet je aan de mensen in Tokyo vragen.”

Nu geven kinderen een ander antwoord. Ze zeggen: “Als het waar is dat in elke grote stad een zwarte beer is en Tokyo is een grote stad, dan is er dus ook in Tokyo een zwarte beer.” Kinderen zijn dus meer geneigd om het antwoord te exploreren door de afzonderlijke gedeelten van de vraagstelling met elkaar te verbinden en op die manier tot een logisch antwoord te komen.

Dat kinderen nu tot dat type van oplossingen komen heeft voor een deel waarschijnlijk te maken met het feit dat het schoolsysteem minder vraagt om stampwerk en meer om (zelf na)denkwerk.

Het goede nieuws van dit bericht is dat de mensen van rond de dertig á veertig jaar zijn kunnen zeggen dat ze de meest intelligentie generatie zijn. Althans: als de uitslag van een IQ-test inderdaad goed de intelligentie meet...

Autisme en intelligentietest

Volgens Martine Delfos geven de gebruikelijke intelligentietesten geen goed beeld wat het werkelijke potentieel van de intelligentie is bij mensen met autisme.

Dat ben ik met haar eens. Trouwens: ook breder wordt de waarde van de uitkomst van de intelligentietest sterk overschat. Je kunt een bovengemiddeld IQ hebben en toch helemaal vastlopen in de samenleving.

Bovendien is de uitkomst van een intelligentietest helemaal niet zo objectief als wel gedacht wordt. Er zitten o.a. culturele verschillen in. Ook is inmiddels duidelijk geworden dat de moderne samenleving leidt tot een stijging van de uitkomsten van het IQ. Maar dat wil nog niet zeggen dat je intelligenter wordt. Je wordt alleen handiger in het oplossen van de vraagstukken binnen de intelligentietest.

Versnelling en vertraging

Delfos gaat uit van een versnelling van de ontwikkeling van mensen met autisme aan de ene kant (als het bijvoorbeeld gaat om het waarnemen van wat er in de omgeving gebeurt) en een vertraging op andere gebieden (o.a. op het sociaal-emotionele vlak). Een beetje vrij vertaald zou je kunnen zeggen dat jonge kinderen met autisme zó bezig zijn met wat ze waarnemen in de dingen om heb heen dat ze aan de mensen niet meer goed toekomen.

En als het om mensen gaat, dan vaak meer op de details van mensen dan op wat er allemaal in de relatiesfeer gebeurt. Bijvoorbeeld: het kijken naar de lipbewegingen van de moeder in plaats van het zoeken van contact.

Neiging tot precisie

Eén van de factoren die het IQ van mensen met autisme drukt is de snelheid waarmee je de test moet afronden. Mensen met autisme zijn bij een aantal onderdelen van de test veel trager. Dat komt niet omdat ze echt zo traag zijn, maar omdat ze te precies zijn.

Delfos draait het zelfs om: mensen met autisme zijn sneller en nauwkeuriger dan andere mensen. Het probleem is dat ze – als ze iets zien wat mogelijk niet klopt- dat probleem eerst in hun geest op willen lossen voordat ze verder kunnen. Maar de stopwatch van de testpsycholoog loopt door en het antwoord moet – als de tijd voortschrijdt – als fout worden gerekend. Dat drukt dus de uitkomst van de IQ test.

Specifieke interessen

Ook de specifieke interessen kunnen de uitkomst van de test drukken. Stel je voor dat iemand met autisme en met veel kennis van treinen wordt getest in een ruimte waar je de spoorlijn kunt horen. Dan zal hij worden afgeleid door het geluid van de trein omdat hij aan het luisteren is wat voor type trein er in aantocht is: een sprinter, een koploper, een dubbeldekker. Ondertussen is hij niet met de test bezig.

Faalangst

Een derde factor die Martine Delfos noemt is de faalangst die mensen met autisme vaak al van jongs af aan opbouwen. Als je bang bent dat je fouten maakt drukt dat je prestaties bij een intelligentietest. Je moet er eigenlijk onbevangen in durven stappen: we zien wel waar we uitkomen…

Al met al is de mening van Martine Delfos dat de intelligentie van mensen met autisme door de uitkomsten van intelligentietesten wordt onderschat. Ze zijn vaak intelligenter dan wat de uitkomst van de test zegt.

Twee soorten intelligentie (2)

 

In dit blog geef ik een twee voorbeelden van kennis die je vooral aanleert in een stimulerende omgeving en twee voorbeelden die te maken hebben met de intelligentie ‘die je in je hebt’. Uiteraard staat dat tweede deel onder druk als je niet oefent: het leren denken moet je bijhouden.

  1. Wat betekent een bepaald begrip? (“Crystallized” intelligentie, het ‘leerbare deel’) : vertellen wat een bepaald begrip betekent. Bijvoorbeeld: “wat is vermageren?” Toen Vanessa een antwoord op die vraag moest geven antwoordde ze associatief. Ze gaf geen definitie, maar ze paste de eerste gevoelswaarde toe. Ze is actief als vragen passen binnen haar eigen denkkader. Wat daar buiten ligt lijkt haar weinig te interesseren. Een vraag over alcohol wordt niet beantwoord, want ze drinkt niet.

2. Het leren toepassen van symbolen (“Fluid” intelligentie, heeft vooral te maken met de aangeboren intelligentie). Bijvoorbeeld: de persoon krijgt vier symbolen te zien, die moeten in een goede volgorde worden gelegd om een logisch verhaal te krijgen (bijv. een symbool met een klok op 10 uur en donker buiten, een plaatje van lichten in de kamer uit, een plaatje van uitkleden en een plaatje dat de persoon in bed ligt).

Vanessa blijkt een deel van deze test aardig te doen, maar naarmate de voorbeelden verder van haar belevingswereld af staan wordt het lastiger om door te gaan. De motivatie lijkt dat te verminderen. Worden de opdrachten abstract (bijvoorbeeld tekens die gekoppeld moeten worden aan bepaalde situaties), dan kost het haar veel moeite. De stap naar meer abstract denken (die ergens tussen de 7 en 11 jaar wordt ontwikkeld) is voor haar te ingewikkeld.

3. Begrijpen wat er gezegd wordt (‘aangeleerde’ intelligentie)

Hoe reageert Vanessa op het nieuws? Er zijn mensen die het nieuws helemaal niet volgen, dat is de buitenwereld. In veel gezinnen in achterstandswijken wordt het nieuws op radio en TV ‘weg gezapt’. Men is niet gewend om daar naar te luisteren. Kinderen die in zo’n omgeving opgroeien hebben dus ook een achterstand in kennis van de wereld. Ze kennen alle personen uit GTST, maar weten niet dat Mark Rutte premier van Nederland is.

Vanessa helpt zelf met het klaar maken van de test, de cd speler moet gebruikt worden. De uitleg wordt geconcentreerd gevolgd. Als de nieuwslezer iets over de politiek zegt antwoordt Vanessa dat ze daar niet mee bezig is en dus de antwoorden ook niet kan weten. Ze probeert ook niet te luisteren naar het bericht: het is politiek, daar denk je dus ook niet over na. Ook als ik vertel dat het een verzonnen verhaal is en dat ze geen kennis hoeft te hebben van de politiek vindt ze het niet nodig om te luisteren. De politiek is te ver weg te dus niet interessant.

4. Toepassen en koppelen van codes (‘aangeboren’ intelligentie)

Bij dit onderdeel moeten bijvoorbeeld stippen gekoppeld worden aan bepaalde abstracte figuren en vierkanten aan andere abstracte figuren. Vanessa haakt direct af. Ze ziet er het nut niet van in, want het stelt allemaal niks voor.

Als er gekeken wordt wat ze ingewikkeld vindt blijkt dat ze heel snel het overzicht kwijt is. Ze kan de structuur niet bedenken en heeft geen idee welke kant ze op moet. Als het materiaal meer gedoseerd wordt aangeboden, waarbij de ene helft (bijv stippen) los wordt gelegd van de andere helft (abstracte figuren) blijkt ze een eindje verder te komen. Opmerkelijk is dat ze geleidelijk beter ging presteren, naarmate ze er meer in kwam.

 Leunen op wat vertrouwd is

Vanessa heeft sterk de neiging om vanuit haar eigen denkkader te denken. Ze heeft een ingebouwd wantrouwen tegen alles wat buiten dat kader past. Ook bij een ander testonderdeel valt op dat ze waarneemt wat bij haar leefwereld past, de rest van de informatie wordt door haar gemist. Bij de testonderdelen die te maken hebben met aangeboren intelligentie blijkt ze een stukje verder te komen als je haar stimuleert en/of het geheel meer overzichtelijk maakt. Kennelijk kán ze het wel, maar het lijkt wel of ze ontmoedigd is geraakt (‘ik kan het toch niet’). In principe is er sprake van een hogere aangeboren intelligentie dan je op het eerste gezicht zou denken.

Onderstimulering

Het zal duidelijk zijn dat het begrijpen van betekenissen en het kunnen luisteren naar het nieuws voor een aanzienlijk deel te maken heeft met wat je van huis uit gewend bent. Vanessa kwam hier aanzienlijk lager uit dan uit de onderdelen die te maken hebben met ‘aangeboren intelligentie’.

De uiteindelijke conclusie is dan ook dat Vanessa qua intelligentie meer mogelijkheden heeft dan ze laat zien. Waarschijnlijk is dit een gevolg van onderstimulering in het verleden in combinatie met het gevoel dat ze het toch allemaal niet gaat snappen.

Wat de begeleiding betreft is er bij Vanessa door de begeleiders ingestoken op het stapsgewijs leren van nieuwe vaardigheden op basis van de principes van het ‘foutloos leren’. Daarnaast is de begeleiding meer afwachtend geworden (‘begeleiden met de handen op de rug’). Welke oplossingen kan Vanessa zelf in bepaalde situaties bedenken?

Twee soorten intelligentie

Je kunt in een stimulerende omgeving opgroeien, maar ook in een beperkende omgeving. Als je in een beperkende omgeving opgroeit ‘haal je er niet uit wat er in zit’. Wie in een stimulerende omgeving leeft krijgt veel meer kansen. Die persoon kan zijn talenten dus veel meer inzetten. Maar uiteindelijk zit er toch een plafond in de mogelijkheden.

Johan en Gerard hebben beiden downsyndroom. De ouders van Johan zijn hoog opgeleid. Ze hebben hun zoon enorm gestimuleerd. Op de basisschool werd zijn rugzakje volop benut. Johan functioneert tegenwoordig op het niveau van een matige verstandelijke beperking. Opvallend is zijn goede taalgebruik. Maar het is de vraag of hij de betekenis van de woorden die hij gebruikt ook zelf werkelijk snapt.

Gerard groeide op in een achterstandswijk. Hij werd door zijn ouders nauwelijks gestimuleerd. Hij kreeg wel aandacht en werd veel verwend. Zijn grote hobby was het eindeloos kijken naar TV-programma’s. Maar de ouders vonden het zielig als hij iets moest. En Gerard leek het zo allemaal prima te vinden. Gerard spreekt weinig en is nauwelijks actief. Hij functioneert op het niveau van een ernstige verstandelijke beperking.

Bij de “Fluid” intelligentie gaat het om de algemene intelligentie die vanaf de geboorte aanwezig is (de aanleg dus). De “Crystallized” intelligentie omvat dat deel van de intelligentie dat sterk wordt beïnvloed door cultuur en omgeving. Dit deel van de intelligentie is dus veel meer variabel. Door veel te leren en door training kunnen mensen groei in dit deel van de intelligentie meemaken.

In het verhaal van Johan en van Gerard is het antwoord op de vraag interessant of Gerard achteraf, met de juiste stimulering, nog vaardigheden bij kan leren. Zou hij – om het plat te zeggen – net zo hoog kunnen scoren op een test als Johan?

Testen is niet ‘mijn ding’. Ik ben wel bevoegd, maar niet bekwaam. Maar soms doe je wel eens iets omdat er een bepaalde urgentie is. Daarom testte ik Mia met een test die deze twee onderdelen van intelligentie meet.

Mia kwam uit een zwaar verwaarlozend milieu in een ‘volksbuurt’ in Amsterdam. Door haar ouders werd ze vaak van school weg gehouden. Mijn indruk is dat ze het allemaal wel gemakkelijk vindt. Ze is niet op zoek naar nieuwe uitdagingen.

Caspar is de zoon van twee juristen. Hij groeide op in het toen nog chique Buitenveldert. Als hij spreekt valt het hert formalistische taalgebruik op. In de omgeving vermoedt men dat Caspar ‘meer in zijn mars heeft. Maar is dat wel zo?

Intelligentie: aangeboren of aangeleerd?

Is intelligentie aangeboren?
Of is het vooral aangeleerd?

Over het antwoord op die vraag slaan psychologen elkaar al tientallen jaren bijna de hersens in. Niet helemaal, want dat zou teveel ten koste van hun eigen intelligentie gaan.

De afgelopen jaren zijn er testen op de markt gekomen die dat onderscheid een beetje in kaart brengen. Waarom functioneer je zoals je functioneert? De fluid intelligentie is aangeboren, dat is je potentieel. De crystallized intelligentie is datgene wat je vanuit je omgeving extra mee hebt gekregen.

Dat zag ik heel sterk toen ik zo’n test af nam bij een mevrouw die opgroeide in een kwetsbaar gezin in een achterstandswijk. Bij delen van de test die een beroep doen op haar inzicht doet ze het beter dan bij testen die een beroep doen op de toepassing van algemene kennis. Lezen en schrijven kan ze niet. Het Journaal kijkt ze niet. Als ik een stuk tekst laat horen uit het nieuws valt direct al haar aandacht weg. Haar verbale vocabulaire bestaat vooral uit teksten van André Hazes.

Ik nam deze test ook af bij een meneer die was opgegroeid in een ‘academisch milieu’. Bij hem zijn de resultaten precies omgekeerd. Hij had thuis veel geleerd. Hij kan lezen en schrijven. Hij volgt het Journaal. Dat heeft hem in zekere zin ook geholpen om te kunnen functioneren in de samenleving. Maar bij nieuwe opdrachten waarbij hij snel inzicht moet verwerven komt hij direct in de problemen.

De mevrouw redt zich redelijk in de samenleving. Maar dat is gewoon op basis van een soort ‘sociale gehaaidheid’. Ze heeft overal zijn woordje klaar. Daar zij Amsterdammers vaak goed in.

De meneer heeft een uitstekend taalgebruik en goede manieren. Als heer van stand gaat hij door de stad. Dat heeft hij niet van een vreemde. Hij komt er wel een eindje mee. Maar alleen in zijn eigen omgeving… In nieuwe situaties kan hij zijn kennis niet toepassen.

Waarschijnlijk heeft de mevrouw een in potentie hogere intelligentie dan de man. Maar intelligentie moet je ook oefenen. Daar is thuis nooit van gekomen. Dus functioneren ze beiden op het niveau van een verstandelijke beperking.