Fleur botst met haar ouders

Men neme: een meegaand meisje van veertien jaar oud. Maar opeens wordt ze erg dwars. Er is niets meer goed of het deugt niet. Wat is er aan de hand?

Ja, dat weet ik ook niet. Het kan zijn dat er iets (voor haar) traumatisch is gebeurd. Het kan ook zo zijn dat er iets medisch aan de hand is. Of dat ze bijvoorbeeld opeens drugs is gaan gebruiken. Drugs doen rare dingen met je (‘begin er nooit aan’ sprak opa).

Maar stel dat er in al die opzichten niets te vinden is, wat kan er dan aan de hand zijn? Kan het iets met de puberteit te maken hebben?

Volgens antropologe Margareth Mead is de puberteit een typisch westers verschijnsel. Op Samoa, waar ze veel onderzoek heeft gedaan, kwam volgens haar deze 'Sturm und Drang-periode' nauwelijks voor. Of dat nu nóg zo is weet ik niet. Ik ben nooit op Samoa geweest. Het is te ver fietsen.

Laten we het meisje Fleur noemen. Ze is in sociaal-emotioneel opzicht in ontwikkeling. Maar dat maakt het er voor haar en voor haar omgeving niet gemakkelijker op. Zelfs een meegaand kind kan opeens een lastige puber zijn. Dat krijg je als je volop op zoek bent naar wie je zelf bent en wat je relatie tot de ander is.

Aan de ene kant wordt die puber meer een eigen ‘ik’. Maar als je meer dingen zelf kunt en wilt word je ook banger dat je de ander kwijt raakt (dat zien we al bij peuters die overdag denken zonder mamma kan te kunnen maar ’s nachts niet durven te gaan slapen, want mamma moet in de buurt blijven).

Aan de andere kant ervaart Fleur de zorg van anderen ook als een bedreiging voor haar autonomie. ‘Waar bemoeien ze zich mee?’ Ze wil de ander dichtbij hebben én de ander moet zich niet met haar bemoeien.

Als puber wil Fleur zelf bepalen hoe laat ze thuis komt, maar ze wil ook graag dat mamma haar brood klaar maakt voor op school.  

Pubers kunnen erg zwart-wit denken (ambitendentie): de één doet het goed en de ander doet het niet goed. Dit past binnen het ontwikkelingspatroon van iemand die volop bezig is met het bevechten van de eigen autonomie: groot willen zijn en klein willen zijn. Oftewel: ‘kom eens wat dichter bij mij uit de buurt’.

Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt

Maar dan die felle en ongenuanceerde boosheid… Die richt zich in de eerste plaats op de belangrijkste opvoeders (BA). Het kan ook leiden tot ‘uitspelen’ van ouders tegen elkaar. De één wordt op een voetstuk gezet (die doet het goed) en de ander doet het fout (opnieuw: ambitendentie). In de theorie wordt dat splitting genoemd.

Als dat binnen teams gebeurt kun je soms als gevolg zien dat er conflicten ontstaan binnen het team en dat een heel team ‘gespleten’ wordt. De één is de goede groepsleider en de ander(en) zit(ten) fout. 

Maar de kern van het probleem zit bij de persoon zelf die bezig is met (meestal onbewust) splitten: met de zoektocht naar wie je zelf bent omdat je moet leren de ander los te laten.

"Ik zoek wanhopig naar een voorbeeld, want ik weet nog niet genoeg van mezelf. Maar als ik een voorbeeld nodig heb raak ik ook weer mezelf kwijt."

Teveel of te weinig ego (3)

Het gevoel van meerderwaardigheid (in de volksmond: een te groot ego) en van minderwaardigheid (een te klein ego) is in wezen hetzelfde, schrijft Keller in: Bevrijd van jezelf, Van Wijnen). Het gaat in beide gevallen om een ego dat is gevuld met leegte. Dat doet pijn.

    Het voorgaande betekent dus dat het ego van Madonna (zie vorig blog) nooit tevreden kan zijn. Het is nooit goed genoeg, want dat is de middelmaat. Ze vindt nooit voldoening omdat haar ego onverzadigbaar is. En dat betekent in feite dat het niet gevuld is. Het is leeg, het trekt alle aandacht, het is kwetsbaar en het doet altijd pijn.

     In 1 Corinthe 4 (vers 3) schrijft de apostel Paulus dat het hem niet uitmaakt hoe de Corinthiërs over hem denken (letterlijk: uitspraak doen). “Hoe u of een menselijke instelling over mij oordeelt interesseert me niet en hoe ik over mezelf oordeel telt evenmin.”

    Gelovigen worden vaak weggezet als mensen die negatief denken over zichzelf en die gemakkelijk oordelen over de ander. Paulus zegt dus heel iets anders. Zijn identiteit is niet afhankelijk van wat mensen van hem denken. Hij hoeft zich niet te vergelijken met anderen. Maar hij gaat nog een stap verder: het maakt ook niet uit wat hij van zichzelf denkt.

   De hedendaagse psychologie gaat er – aldus Keller – vanuit dat je vooral jezelf moet bewijzen door te geloven in jezelf. Maar dat is, aldus de uitleg van Keller, opnieuw een valkuil. Want dan probeer je te voldoen aan je eigen verwachtingen. Paulus slaat zichzelf niet op de borst, hij ziet zichzelf niet als dé belangrijke verkondiger van het Evangelie. Hij weet dat hij fouten kan maken. Je zou kunnen zeggen: hij stelt zich nederig op. Maar dat woord past ook weer niet.

Tim Keller haalt C.S. Lewis aan: “Als je iemand tegenkomt die steeds van zichzelf zegt dat hij zich kwetsbaar en nederig opstelt weet je dat die persoon dat juist niet is. Iemand die steeds zegt dat hij niets voorstelt is in feite juist vol van zichzelf (in: Onversneden Christendom, Kok, Kampen, 2004). Een echt nederig persoon valt niet op door zijn nederigheid. Een nederig persoon valt op als degene die zo onbevangen naar ons toe is.” Keller: “Het wezen van Bijbelse nederigheid is niet dat we hoger of lager ván onszelf denken, maar dat we minder áán onszelf denken.”  

Nederigheid betekent niet dat we lager van onszelf denken, maar dat we minder aan onszelf denken

      Dat geeft, aldus Keller, veel psychologische ruimte om ons open te stellen naar anderen. Je wordt niet als een wesp gestoken door een kritische opmerking, maar je duikt ook niet in elkaar als je een compliment krijgt. Je hoeft niet zoals Narcissus voortdurend in de spiegel te kijken om jezelf te bewonderen, je hoeft ook niet de spiegel te vermijden omdat je elke keer weer van je eigen beeld schrikt.

Je hoeft jezelf niet te verwijten dat je minder presteert dan je collega, maar je bent blij voor hem dat hij zo’n waardevolle plek heeft binnen de organisatie. Je hoeft niet de ander te helpen omdat je jezelf anders zo leeg voelt. Je kunt net zo genieten van de blijdschap van de buurman met wie je het af en toe moeilijk hebt als van een mooie zonsopkomst. Dan kan allemaal als je minder aan jezelf denkt en stopt met het voortdurend vergelijken van jezelf met de ander.

     Wie een indrukwekkende film wil zien met als thema’s oordeel en kunnen loslaten zou eens naar The Shack kunnen kijken. Eigenlijk moet je de film meerdere malen zien, omdat er zoveel verschillende lagen in zitten. Gebaseerd op het boek van William Paul Young: De Uitnodiging (Uitgeverij Kok).

Identificatie en egostructuring (2)

Een kleuter is nog geen geheel. Zijn 'ik' bestaat uit stukjes. Je kunt zeggen: de fundamenten van de persoon liggen er al, de stenen zijn ook al aangekomen, maar nu moeten ze hun plaats nog krijgen. Het ik (ego) is er dus al wel, maar het is nog te fragmentarisch.

Wat gebeurt er als de stenen niet op hun plek komen? Als kinderen om de één of andere reden (vaak een interactie tussen allerlei factoren) hun identiteit in deze periode niet goed kunnen ontwikkelen?

We spreken dan van een gestagneerde (of bij ernstiger vormen: een geblokkeerde) sociaal-emotionele ontwikkeling. In sociaal-emotioneel opzicht blijft zo’n persoon dan de kwetsbaarheid of beperktheid van een kleuter houden. Terwijl de rest van de ontwikkeling verder gaat blijven sommige mensen sociaal-emotioneel in deze fase steken. Door de intelligentie wordt dat vaak gecamoufleerd, maar met name in perioden van stress komen de zwakke plekken boveb.

Neem mevrouw Eringa. Ze lijkt heel zelfstandig. Ze heeft over alles en iedereen haar woordje klaar. Ze weet precies hoe de wereld in elkaar zit. Ze meent goed te kunnen relativeren. Maar als iemand te dicht bij haar emoties komt 'ontploft' ze. Nog nét niet letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk. Ze scheldt een ander de huid vol, ze smijt met spullen, ze verscheurt papieren.

Mensen die haar kennen verbazen zich er regelmatig over. Hoe kan die ogenschijnlijk wijze vrouw soms zó de controle over zichzelf verliezen? Wat is er met mevrouw Eringa aan de hand?

Wat je ziet zijn de gevolgen van een zwakke sociaal-emotionele basis. Er is sprake van veel aangeleerd gedrag, waardoor mevrouw Eringa het onder normale omstandigheden redelijk redt. Maar bij stress komt de kwetsbaarheid en het wisselvallige gedrag van een kleuter boven. Dan functioneert ze bij wijze van spreken opeens als een volwassen kleuter.

Het is dus mogelijk dat iemand een emotionele basiskleur heeft zoals deze past bij een kleuter. Maar omdat het denken verder is gegaan lijkt het of de persoon veel verder is ontwikkeld. Echter: bij stress komt die emotionele basiskleur tevoorschijn. De persoon laat dan de kwetsbaarheid van een kleuter zien.

Ontwikkeling en verstoring van het ik (5)

Peuters en kleuters hebben naar verhouding nog weinig rem in hun gedrag. De zelfregulatie is nog onvoldoende. Geef een jonge kleuter een doos met lekkers en er wordt niet gespaard: het wordt allemaal opgegeten. Mensen met een verstoorde ik-ontwikkeling weten ook vaak de rem niet te vinden op hun gedrag.

7. Impulsiviteit: dit kenmerk hangt samen met het voorgaande. Maar bij de zelfregulatie gaat het om het vermogen om bij te kunnen sturen. Hier ligt het accent iets anders. Er wordt niet eens bijgestuurd. Het doen gaat voor het denken. Een mailtje wordt al verstuurd voordat er over nagedacht is. Een aanbieding wordt al aangeschaft voordat er gekeken is of het product wel nodig is.
Precies zoals je vaak bij kleuters ziet. Het vermogen tot afremmen, bijsturen, plannen en ordenen is nog maar zeer gedeeltelijk ontwikkeld. Zie hiervoor ook de blogs over de executieve functies. 

8. Fantastie en werkelijkheid lopen door elkaar heen. Dit is één van de meest intrigerende aspecten van de gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling in de kleutertijd. Peuters en kleuters kunnen fantasie en werkelijkheid moeilijk scheiden. Daardoor gaan ze geloven in hun eigen fantasieën.
Maar dat zie je niet alleen bij peuters en kleuters, maar ook bij pubers en volwassenen. Ze kunnen een verhaal zó vertellen, zó in hun eigen verhaal geloven, dat je er als omgeving ook in gaat geloven.

Bij deze fase in de ontwikkeling zie je veel dat er voor de ander wordt ingevuld hoe hij of zij zal denken. Door het gebrek aan vermogen tot samenwerking wordt onvoldoende gecheckt bij de ander.

Samengevat: te weinig vragen aan de ander en daardoor teveel invullen voor de ander. Te weinig realiteitstoetsing en daardoor gaan geloven in de eigen gedachten.

Ontwikkeling en verstoring van het ‘ik’ (2)

Tussen drie en zeven jaar zijn de contouren van het huis van de persoon al duidelijk, maar het moet nog verder worden uitgebouwd. De fundering is aanwezig, de betonnen zijkanten staan er al, maar het huis is nog niet bewoonbaar voor de toekomst. Ramen en deuren zijn er niet, er moet nog van alles gemetseld worden, het dak moet er nog op.

Dit is de eerste indentificatiefase. Je ziet al wat voor ‘persoon’ het kind gaat worden, maar alles moet nog wel zijn plek krijgen. Er wordt ook wel gezegd: het kleine ‘ikje’ is al wel aanwezig, maar het is nog te fragmentarisch om echt een persoon te zijn. Peuters en kleuters zijn wispelturig, ze kunnen zomaar veranderen van idee, van eigenschappen, van voorkeuren. Ze hebben nog geen goed beeld van zichzelf en van de ander.

Wat gebeurt er als de stenen niet op hun plek komen? Als kinderen om de één of andere reden (vaak een interactie tussen allerlei factoren) hun identiteit in deze periode niet goed kunnen ontwikkelen?

Gestagneerd of geblokkeerd

We spreken dan van een gestagneerde (of bij ernstiger vormen: een geblokkeerde) sociaal-emotionele ontwikkeling.

Bij een gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling ontstaat een disharmonisch profiel. Delen van de ontwikkeling gaan gewoon door. In het dagelijks functioneren (bijvoorbeeld binnen de structuur van het werk) kan iemand prima zijn of haar draai vinden. Maar bij ernstige stress of langdurige overbelasting valt iemand terug op het vroege sociaal-emotionele niveau van de kleuter.

Bij een geblokkeerde sociaal emotionele ontwikkeling is iemand over de hele lijn van het functioneren ‘geïnvalideerd’ geraakt. De ontwikkeling van de intelligentie kan nog wel verder gaan, maar het kind (of de volwassene) komt minder ver dan je vroeger gedacht zou hebben. Er ontwikkelen zich angststoornissen, er is een groot risico op verslavingen (vooral vanaf de puberteit) en ook het risico op een psychose neemt toe. Er kan ook sprake zijn van voortdurende – vaak onbegrepen – lichamelijke klachten.

De puberteit en de adolescentie zijn hierbij cruciale perioden. Kinderen worden nog 'gestut' door het gezin en de school, maar de puber die los wil komen van zijn ouders moet voor een deel zelf het emotionele wiel zien uit te vinden. En net zoals bij de peuter is dat voor de puber een zware klus.

Mevrouw Eringa

Neem mevrouw Eringa. Ze heeft een baan met vrij veel verantwoordelijkheid. De afgelopen jaren functioneerde ze daar goed in. Haar leidinggevende gaf haar de benodigde ruimte, maar ook structuur. Als het ingewikkeld werd kon ze altijd bij hem terecht. Ze is inmiddels twintig jaar getrouwd. Het echtpaar heeft geen kinderen. Financieel hebben ze alles goed op orde. Een degelijk stel in een degelijk huis. Maar als je wat beter kijkt, dan zie je dat het goed gaat bij de gratie van de structuur. Het moet allemaal gaan zoals mevrouw Eringa in heer hoofd heeft. Dat geldt voor de zaken op haar werk. Alle medewerkers moeten volgens haar lijnen werken. Een eigen idee hebben over de inrichting van het werk wordt niet gewaardeerd. Die medewerkers hebben al snel een probleem. Ze heeft dan ook meteen haar oordeel klaar. Dat zijn niet gemotiveerde medewerkers. Vooral bij stress wordt de wereld voor haar zwart-wit. Je hebt goede mensen én je hebt slechte mensen.

Peuters zijn nog niet goed in samenspel. Ze spelen vooral naast andere peuters. Kleuters kunnen (onder enig toezicht) beter samenspelen. Maar bij spanning en zonder begeleiding vallen ze terug op het willen controleren van het spel. Ze worden 'baasjes' die anderen willen controleren.

Er komt een nieuwe leidinggevende. Zoals veel nieuwe leidinggevenden moet ook deze vrouw ‘scoren’ op een aantal veranderingen. Dat kan zinvol zijn, het kan ook vooral poeha zijn. Maar in ieder geval gaat het mis bij mevrouw Eringa. Ze heeft er al moeite mee dat ze onder een vrouw moet werken. Eigenlijk vindt ze dat zij die functie dan ook wel had kunnen krijgen. Het gaat nu op alle fronten mis. Mevrouw Eringa gaat steeds meer de werknemers controleren op hun werk. Ze moeten zich heel erg precies houden aan háár regels. Ze heeft meer nog dan voorheen over alles en iedereen haar woordje klaar. Ze weet precies hoe de wereld in elkaar zit.

Mevrouw Eringa was er altijd van overtuigd dat ze goed naar zichzelf kon kijken. Ze meende ook goed te kunnen relativeren. Maar van die vaardigheid blijkt niets meer over te zijn. Als iemand te dicht bij haar emoties komt ‘ontploft’ ze. Nog nét niet letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk. Ze scheldt een ander de huid vol, ze smijt met spullen, ze verscheurt papieren. Mensen die haar kennen verbazen zich er over. Hoe kan iemand met veel verantwoordelijkheid zó de controle over zichzelf verliezen? Wat is er met mevrouw Eringa aan de hand?

Wat je ziet zijn de gevolgen van een zwakke sociaal-emotionele basis. Er is sprake van veel aangeleerd gedrag, waardoor mevrouw Eringa het onder normale omstandigheden redelijk redt. Maar bij stress komt de kwetsbaarheid en het wisselvallige gedrag van een kleuter boven. Dan functioneert ze bij wijze van spreken opeens als een volwassen kleuter.

Wie is Sebastiaan? (6)

Zoals ik al eerder heb geschreven: als kinderen vastlopen en je probeert een oorzaak te vinden, dan moet het niet gaan om de schuldvraag.

Sommige kinderen zijn kwetsbaarder en angstiger dan andere kinderen. En hoe angstiger het kind is, des te moeilijker maakt het de stap naar een eigen ‘ik’.

Daarbij zie ik een verband tussen prikkelgevoeligheid en angsten. Hoe meer prikkels er binnen komen, des te angstiger zal het kind vaak zijn. Wie alles ziet en alles hoort heeft immers veel meer te verwerken?

Arnoud

Neem bijvoorbeeld Arnoud. Als baby was hij snel van slag. Hij schrok vaak van geluiden. Een volle kamer met visite kon hij al helemaal niet lang aan. Zijn moeder had al snel in de gaten dat het van tante naar tante verplaatst worden voor Arnoud veel te veel was. Bezoek moest gedoseerd worden.
Toen Arnoud acht maanden oud was werd hij – je zou kunnen zeggen: keurig volgens het boekje- erg eenkennig. Alleen zijn moeder slaagde er in om hem te troosten.

Zijn vader vertelde mij: “Toen Arnoud een peuter was lukte het me nog steeds niet om hem te troosten. Dat kon mijn vrouw alleen. Zij was ook de enige die hem zó in zijn bedje kon leggen dat hij ook snel kon slapen. Ik was daar meer dan een uur mee bezig. Ik kreeg wel eens het gevoel dat Arnoud mij niet vertrouwde….”

Die lijn bleef zich voortzetten, ook toen Arnoud een kleuter was. Daar waar andere kinderen ‘een hiërarchie van hechtingsfiguren’ opbouwen blééf Arnoud erg afhankelijk van zijn moeder…. Dat wordt ook wel een separatie-angststoornis genoemd.

Ontbreken van ordening

Het eigen ‘ik’ is nodig om de wereld te ordenen.

Wie onvoldoende ik heeft wordt overspoeld door prikkels van buiten. Je wordt dan voortdurend overspoeld door indrukken, waaronder het gedrag en de emoties van anderen. Er is te weinig onderscheid tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’. Lien-Claes noemt dit We-dentity (er is nog geen I-dentity). 

Maar wie weinig ik heeft opgebouwd kan ook zijn eigen wereld niet ordenen. Een kenmerk van zo’n persoon is de structuurloosheid. Het ordenen in tijd en ruimte wil maar niet lukken.

Ordenen van tijd

Bij Sebastiaan (van wie ik de beschrijving twee weken geleden begon) uit het gebrek aan ordening in de tijd zich in de grote moeite die hij heeft om afspraken te maken. Er is (aldus Erik Erikson) sprake van een vervaging van tijds-perspectief. Sebastiaan kan het erg druk hebben met een hele dag niets doen, omdat de tijd hem door de vingers glijdt.

Ordenen van ruimte

Bij Sebastiaan zie je ook een probleem in het ordenen van de ruimte. Het lukt hem bijvoorbeeld maar niet om zijn studeerkamer op orde te krijgen. Hij geeft zelf aan dat hij eigenlijk beter zou kunnen functioneren in een kleine ruimte. Daar kan weinig in, dus hoeft er ook minder te worden opgeruimd.

Prof. Dr. Anton Dosen noemt in dit verband de neiging van mensen om zich ‘te verstoppen’ in een kleine ruimte. Die ruimte is bij Sebastiaan het huis. Hij komt nauwelijks de deur nog uit.

Ordenen van denken en handelen

Het derde aspect dat samenhangt met het ontbreken van ordening is het onvermogen om richting te geven aan het eigen denken, voelen of handelen. Dat onvermogen lijkt op autisme, op ADD en op ADHD, maar als je het vanuit ontwikkelingsdynamisch standpunt bekijkt zou je ook aan een andere verklaring kunnen denken.

Sebastiaan heeft voortdurend het gevoel dat hij in een cirkel denkt. Hij slaagt er niet in om plannen te maken. Hij blijft voortdurend in zijn eigen piekers steken. En daar wordt hij zó ontzettend moe van….

Spanningsdriehoek (5)

Welke stappen moet je nemen om uit de gespannen basis van de spanningsdriehoek te kunnen stappen?

In de spanningsdriehoek volgt de reactie van de één op de actie van de ander. Men kijkt niet naar elkaars beweegredenen, naar de achterliggende motieven. Het is oog om oog en tand om tand. En voor mensen die wat meer verbaal zijn ingesteld: oordelen, poneren en argumenteren (OPA). 

Op die manier loopt de spanning alleen maar verder op. Je kunt elkaar niet meer bereiken.

1. Herkennen

De eerste stap om uit de impasse te komen is: herkennen dat je in een heilloos automatisme terecht bent gekomen.

“Als ik Frans zie gaan mijn haren al recht overeind staan” zegt Martin.

2. Erkennen

Martin is al een stap verder, hij ziet dat dit een heilloze weg is die aan beiden schade toebrengt:

“Dan is het kwaad eigenlijk al geschied, want ik kan dan mijn mond niet meer houden.”

3. Vertrouwen

J. Geurtz (In: Het einde van de opvoeding, 2004) noemt vertrouwen het opgeven van de drang tot het uitoefenen van controle over de ander. Dat betekent dat je niet meer wilt dat de ander zich zo voegt zoals jij zou willen wat de uitkomst is.

Marieke heeft er geen vertrouwen in dat haar broer goed de belangen behartigt van hun moeder. Ze wil precies alle stappen weten die hij onderneemt, van ieder telefoontje op de hoogte zijn. Zodra ze merkt dat ze iets heeft gemist zijn de rapen gaar. Ze vindt dat haar broer zijn werk niet goed doet.

Achter deze gedreven en krampachtige houding blijkt een sterke behoefte te zitten om over alles en iedereen de controle te hebben en vooral over haar moeder. Onder het mom van het verlenen van goede zorg gaat de behoefte aan controle schuil.

De reden waarom haar broer soms iets niet zegt ontgaat haar. Ze is niet in staat om het onderlinge proces te herkennen, evenmin in staat om te erkennen dat haar houding schadelijk is voor haar broer, haar moeder en haarzelf en ze kan daardoor ook niet tot vertrouwen komen.   

Intermezzo: controle over je ouders

In het autonomieproces tussen kinderen en hun ouders zie je nogal eens dat niet alleen ouders de controle willen houden over hun kinderen, maar dat kinderen ook de controle willen krijgen over hun ouders. De dochter wil perse haar moeder veranderen. Ze verwacht dus iedere keer dat haar moeder nu eindelijk eens een keer zal veranderen. Dat leidt iedere keer weer tot frustratie.

Peter van Straaten heeft een prachtig cartoon getekend over een 80-jarige vrouw die nog steeds probeert om haar inmiddels overleden moeder te veranderen. Zolang je zó vast zit in de drang tot controle over je moeder ben je niet vrij en ben je eigenlijk bezet gebied. Het betekent ook dat je geen vertrouwen hebt in je moeder, maar eigenlijk ook niet in jezelf.

Het bovenstaande voorbeeld vormt de kern van de transgenerationele problematiek: kinderen die niet in staat zijn ouders los te laten zijn ook niet goed in staat om hun kinderen los te laten. En die kinderen zullen op hun beurt vaak ook weer moeite hebben met het loslaten van hun ouders. En daarmee ook weer van hún kinderen.

4. Loslaten 

Inderdaad: het thema loslaten. Het komt in de Bijbel al voor. “Laat los en jij zult losgelaten worden.” (Lucas 6). Maar ook in 2016 beschouwen veel behandelaars dit onderwerp als één van de kernthema’s van de geestelijke gezondheid: stop met het willen controleren van de ander.

Naar ontspanning

Chiel Egberts (Ouders op hún plek, 2007) noemt – met een andere invalshoek – ook andere aspecten die kunnen gebeuren als mensen herkennen wat er aan de hand is en erkennen dat hun manier van handelen geen perspectief biedt.

  1. verstaan: begrijpen wat de ander beweegt
  2. verzachten: als je begrijpt wat de ander beweegt begrijp je ook dat de ander ook goede intenties heeft.
  3. verbinden: op het moment dat je ontdekt dat je beiden voor goede zorg staat werkt dat verbindend naar elkaar toe
  4. als je kunt verbinden, kun je ook verzoenen: ik heb fouten gemaakt, kunnen we elkaar weer met open armen ontvangen?
  5. transactie: een term uit de transactionele analyse: we luisteren naar elkaar en vullen niet in voor de ander (de volwassen-positie).

 

 

We-dentity en I-dentity (3)

(vervolg van 23 november 2014)

4. Een vierde kenmerk van kinderen in de fase van de We-dentity is dat ze nauwelijks lichaamsbesef hebben. Ze voelen wel pijn, maar ze hebben geen idee waar die pijn vandaan komt. Ook volwassenen mensen met een verstandelijke beperking en met weinig ik-ontwikkeling kunnen vaak niet goed de pijn in hun lichaam localiseren. Dat maakt medisch onderzoek bij deze mensen een vak apart. Artsen kunnen niet af gaan op wat de patiënt zegt, ze moeten hun kennis over mogelijke verklaringen maximaal inzetten.

Berend maakt een tekening van zichzelf. Hoewel hij een redelijke verstandelijke ontwikkeling heeft (ongeveer 8 jaar) valt bij de tekening op dat deze zeer primitief is. Hij heeft een koppoter getekend (zoals een peuter of jonge kleuter dat doet). Als je Berend vraagt om zijn voeten aan te wijzen wijst hij globaal in de richting van zijn knieën.

5. Een vijfde kenmerk van kinderen zonder I-dentity is dat er vaak sprake is van verstoorde sensomotorische ervaringen. Ze kunnen hypersensitief zijn (het lipje in het hemd kan leiden tot het verscheuren van alle kleding), maar ook hyposensitief (geen warmte en geen kou voelen, zichzelf hard slaan zonder er zelf op te reageren.

Dat geldt voor alle zintuigen, inclusief de vestibulaire gevoeligheid (het evenwicht) en de proprioceptieve gevoeligheid (het besef hoe je lichaam in elkaar steekt), zie Olga Bogdasina. Het komt ook voor dat mensen aan één deel van hun lichaam overgevoelig zijn en aan een ander deel van het lichaam ondergevoelig. Het kan zelfs voorkomen dat deze gevoeligheden wisselen, dat iemand op een bepaald moment overgevoelig is en op een ander moment ondergevoelig. Dit is het (vak)werk van mensen die zich met de sensomotoriek (SMI-onderzoek) bezig houden (bijv. logopedisten, fysiotherapeuten en ergotherapeuten).

6. Mensen zonder I-dentity zijn (vooral bij een sociaal-emotionele basiskleur van 6 tot 18 maanden) zeer gevoelig voor de emoties van belangrijke anderen in hun omgeving. Ik noem hen wel eens ‘de beste psychiaters van Nederland’. Op het moment dat er spanning is bij de begeleider merk je dat aan de onrust bij iemand die in sociaal-emotioneel opzicht geen I-dentity heeft opgebouwd. Hij valt bij wijze van spreken samen met de begeleider (symbiose: de We-dentity). Dat betekent dan ook dat hij bijna helemaal is overgeleverd aan hoe het met de begeleider gaat.

Martine werd begeleid volgens een strak programma, gebaseerd op een klassieke ‘autisme-aanpak’. Voor ‘de koffie’ moest ze puzzelen, na ‘de koffie’ werd er gewerkt met sensopathisch materiaal. Het bleek dat Martine steeds bij dezelfde begeleiders problemen gaf, bij de één was dat bij het puzzelen, bij de ander bij het vingerverven of kleien. Toen ik aan de begeleiders vroeg hoe ze deze activiteiten zélf vonden bleek dat er een begeleider was die puzzelen het toppunt van saaiheid vond en een ander vond sensopatisch materiaal maar ‘smerig’. Het bleek dat het gedrag van Martine een spiegel was van hoe beide begeleiders tegen deze activiteiten aankeken.

We-dentity en I-dentity (1)

Er wordt vaak gesproken over identiteit. Identiteit heeft alles te maken met het ontwikkelen van een eigen persoon. Het heeft te maken met ‘constant-zijn’. Mensen kunnen jou herkennen om wie je bent en om waar je voor staat. Je bent niet vandaag heel iemand anders dan gisteren.

De ene persoon heeft een veel sterkere identiteit dan de andere persoon. Maar om dat beter toe te lichten zou ik heel veel achtergrondinformatie toe moeten voegen. Dan gaat het over zelfbeelden, over karakter en persoonlijkheid. Daar zijn zelfs de zogenaamde ego-psychologen (zoals Erik Erikson) nog lang niet over uitgedacht.

Voordat je een eigen identiteit hebt ontwikkeld ben je nog geen persoon. Je hebt nog geen eigen ik. De ontwikkeling van het eigen ik ontstaat gedurende een reeks van jaren, met een accent tussen de 1½ jaar en 3 jaar. Vóór die tijd heeft het kind geen eigen ‘ik’ ontwikkeld. De baby en de jonge peuter vallen bij wijze van spreken samen met de moeder. Dat maakt de baby ook zeer gevoelig voor de stemming van de moeder. Daarom spreken Claes e.a. (2013) van We-dentity.

Daarna moet de jonge peuter dus een grote stap maken: de ontwikkeling naar een eigen ik. Ik ben twee en ik zeg nee. “Ik ben drie en ik wil de regie”. Als de ontwikkeling in die fase verstoord raakt heeft dat altijd gevolgen voor de groei van de persoonlijkheid. Een belangrijk deel van de persoonlijkheidsstoornissen op volwassen leeftijd vindt zijn wortels in een gebrekkige ik-ontwikkeling in de vroege jaren. Maar gelukkig: de peuter krijgt nog een herkansing: dat is in de puberteit. Een tweede fase waarin je je eigen ik kunt ontwikkelen.

Dementie

Op dit moment ben ik betrokken bij een vrouw die een snel proces van dementering mee maakt. Ze functioneert inmiddels voor een belangrijk deel in het derde stadium van dementie. De vraag die ik bij haar heb is: is ze nu ook haar identiteit kwijt? De mensen in haar omgeving zien haar als moeder, als tante, als vrouw die altijd actief bezig was, die op bezoek ging, en sommigen weten nog dat ze voor haar huwelijk secretaresse was.

Ik betrap mezelf er op dat ik bij de baby en bij de peuter geen moeite heb met het ontbreken van die identiteit. Die peuter is qua zorg helemaal afhankelijk zijn van ouders. Hij heeft nog geen eigen wil, kan nog niet plannen en organiseren.

Maar bij een persoon op leeftijd ligt dat toch anders. De zorg voor de oude mevrouw en de zorg voor de baby lijken veel op elkaar. Wel heeft de oude mevrouw zich naar mijn idee meer afgesloten van de omgeving dan een baby dat zou doen (ook al spreekt Margareth Mahler van de autistische fase).

Het doet me denken aan een verpleeghuis in Wenen waar ik op bezoek was. Daar zag ik bij een deur staan: Herr Diplom-Ingenieur Strasser. Meneer Strasser lag dag en nacht in foetus-houding op bed. Ik vroeg aan de verpleegkundige waarom iedereen met naam en zoveel mogelijk met beroep/ vroegere functie vermeld stond in het huis. Volgens de verpleegkundige had dat allemaal met respect voor de persoon te maken. Dat sprak me wel aan. En toch: als ik nadenk over het verschil tussen I-dentity en We-dentity, dan kom ik er niet uit…

Borderline Times (6) : zelfbeeld

Het vierde kriterium van een borderline-stoornis betreft het instabiele zelfbeeld. Je weet niet wie je bent. Daar hebben pubers last van, maar mensen met een borderline-stoornis zijn hun hele leven lang in verwarring over wie ze nu eigenlijk zijn of hadden willen zijn. Dat verklaart ook hun heftige emoties. Zo heftig reageren past bij pubers, maar niet meer bij volwassenen. Een troost kan in dat verband een uitspraak van Loesje zijn: De ware puberteit duurt je leven lang.

Over wat nu precies een zelfbeeld is kun je ook een heel boek schrijven. Diverse auteurs hebben dat gedaan. En ik heb diverse boeken over zelfbeelden in de kast staan. Maar daarmee is het voor mij niet allemaal persé helderder geworden. Dat kan natuurlijk ook aan mijn eigen zelfbeeld liggen.

Eén van de meest intrigerende voorbeelden die Dirk de Wachter noemt is het feit dat de recensent bepaalt wat goed is. Eén van de voorbeelden ontleent hij overigens op zijn beurt weer aan filosoof Alain de Botton. Als je in dát restaurant zalmcarpaccio gaat eten is het écht lekker. En dus stroomt het restaurant vol met mensen die allemaal vinden dat daar de zalmcarpaccio lekker is.

Een ander kenmerk dat wordt genoemd door De Wachter is dat je als persoon naar de achtergrond wordt gedrongen door een oppervlaktestructuur. Je bent niet meer wie je bent; je bent je brilmontuur, je merkkleding, je bijzondere kapsel, je auto, je huis.

Uiteindelijk draait het in onze individualistische maatschappij helemaal niet om het individu. Steeds meer word je een kloon van het beeld dat bestaat van de westerse maatschappij…

Een noot (los van De Wachter); dat is ook wat mij tegen staat in TV-programma’s zoals Idols. Mensen imiteren een ander en zijn nauwelijks meer zichzelf. Kinderen worden gemaakt tot kopieën van sterren op het TV-scherm. Hoe leren kinderen nog om zichzelf te zijn?