Theatrale kenmerken

Op verzoek toch nog iets meer theater. Dat is misschien een goede compensatie voor het feit dat de theaters gesloten zijn.

Ik schrijf dit blog opnieuw aan de hand van de kenmerken die Prof. Kuiper beschrijft. Hij noemt in verband met het ‘hysterische karakter’ drie kenmerken: infantiliteit, egocentriciteit en onechtheid.

Infantiliteit

Eerst gaat Prof. Kuiper in op het begrip infantiliteit. Daarmee bedoelt hij gedrag dat we bij kinderen normaal vinden, maar dat niet meer past bij de volwassene. Voorbeelden zijn: pruilen, kibbelen, verongelijkt doen, overgevoelig reageren, heftige reacties tonen op kleine verschillen van mening.

“Het is niet ongebruikelijk dat zo’n persoon zich na één opmerking gekwetst en gekrenkt terugtrekt in de slaapkamer en verongelijkt op bed blijft liggen. En dat terwijl het ‘geschil’ gemakkelijk in een kortdurend overleg had kunnen worden opgelost.”

Egocentriciteit

Ten tweede de egocentriciteit. Iemand met hysterische trekken kan de hele vakantie bederven omdat er op reis naar het vakantieadres een duif werd doorgereden. Er worden geen leuke dingen gedaan, want er heerst groot verdriet: de duif is dood. Maar diezelfde persoon vindt het ondertussen heel normaal dat de anderen daardoor geen prettige vakantie hebben.

Mensen met deze karaktertrekken hebben de neiging zichzelf als norm te stellen. Bij een volwassen houding hoort dat je de wereld vanuit de gezichtspunten van meerdere personen kunt bekijken, maar mensen met een theatrale persoonlijkheid stellen zichzelf als norm.

Onechtheid

Dit is een lastig onderwerp, want wat de één als onecht, als theater ziet, zal de ander helemaal niet zo beoordelen. Om het allemaal wat helderder te maken heeft Kuiper vanachter zijn notenhouten bureau drie soorten onechtheid bedacht. Maar als ik dat allemaal uit moet werken haken jullie af, dus dat sla ik maar over. We eten vanavond toch geen sla.

Jantje

Een interessant voorbeeld uit de kinderleeftijd is Jantje (zo heetten de kinderen nog in de tijd van P.C. Kuiper) die positieve aandacht van zijn ouders kan verwerven als hij lief is voor zijn zusje. Jantje mag met zijn tante mee naar de dierentuin en zegt later tegen zijn ouders: “Wat erg dat mijn lieve zusje al dat moois niet heeft gezien…”

Volgens Kuiper zit de spanning voor Jantje in het feit dat hij jaloers is op zijn zusje, maar dat hij dat gevoel weg moet stoppen en moet vervangen door een maximaal positieve uiting. Anders is hij immers niet lief in de ogen van zijn ouders. Hij kan zichzelf niet zijn, hij moet een rol spelen. Kuiper stelt dat je ouders altijd bij je zijn, ook al zijn ze allang overleden. Dat maakt dus dat deze onechte, theatrale houding ook kan blijven bestaan als je ouders er niet meer zijn.

Zelfdramatisering

In het verlengde van de onechtheid ligt de zelfdramatisering. Jantje begon er al mee. Hij leed, omdat zijn zusje al dat moois niet meemaakte. Hoe meer ellende, des te minder heeft de persoon last van onderliggende emoties, zoals het gevoel dat hij/zij er niet had mogen zijn of straf verdiende.

Het tweede aspect is de indruk die dit allemaal op anderen maakt. Hoe meer ellende, hoe meer ik door de ander gezien word. Kuiper zou tegenwoordig een prachtig bronnenbestand hebben als hij de sociale media zou lezen van mensen die het alleen nog maar hebben over de ellende die over hen is uitgestort.

Kuiper: “De gevoelens worden geëxhibitioneerd”. De boodschap daarachter is: Met al die speciale gevoelens en emoties, met alles wat ik allemaal meemaak, ga jij me toch niet afwijzen? Ik ben toch immers heel speciaal?”

Hysterie, simulatie en conversie

Was er bij Victoria sprake van simulatie of van een andere stoornis? We laten Prof. dr. P.C. Kuiper aan het woord. Hij schreef het boek Nieuwe Neurosenleer.

Professor Kuiper heeft veel geschreven over hysterie en over aan hysterie verwante neurosen. Het woord ‘hysterie’ is tegenwoordig binnen de psychiatrie in onbruik geraakt. Maar we weten allemaal wel wat er mee bedoeld wordt.

Het woord hysterie komt van ‘baarmoeder’. Het zou suggereren dat dit beeld typisch vrouwelijk is. Dat zou je wel kunnen denken als je de casuïstiek van Sigmund Freud bestudeert. Maar bedenk dan wel dat zijn cliënten louter de ‘upperclass’-dames waren uit het Victoriaanse Wenen. Eén van de culturele verworvenheden van deze dames was dat ze spontaan flauw konden vallen.

Tegenwoordig wordt dr.P.C. Kuiper nogal verguisd. Hij merkt het niet, want hij is overleden. Maar het is o.a. Kuiper geweest die er op heeft gewezen dat hysterie ook bij mannen voorkomt en veel vaker dan we denken.

Simulatie

Bij Victoria was duidelijk (dat kon een geoefend waarnemer ook wel zien aan haar lichaamstaal en met name aan de mimiek) dat er sprake was van simulatie. Ze was geoefend in het ter plekke verzinnen van een ingebeelde ziekte als ze haar doel niet kon behalen. Dat ze daarbij handig gebruik maakte van bekende medische termen kwam omdat ze dat van huis uit had meegekregen (haar moeder was verpleegkundige).

Conversie

Bij simulatie wordt een ziekte voorgewend. Maar er bestaat een ander, meer complex, psychologisch verschijnsel: de conversie. Dat is een echte functiestoornis die ontstaat als gevolg van een onderliggend psychologisch conflict.

Meneer de Vries heeft grote moeite met het gedrag van zijn zoon. De zoon is verstandelijk beperkt, maar weet op de één of andere manier precies de zwakke plekken te vinden in zijn omgeving. Dat roept regelmatig woede op bij de begeleiding, maar ook bij zijn vader. 'Als hij niet gehandicapt zou zijn zou ik hem gewoon een tik verkopen' zei de vader tijdens een bespreking. Een jaar later kreeg de vader last van verlammingsverschijnselen in zijn rechterarm. Er volgden tal van onderzoeken, maar er werd geen lichamelijke oorzaak gevonden. Daarna kreeg de vader psychologische hulp aangeboden. Daarbij kwam al snel het onderwerp 'woede' ter sprake. De vader vertelde hoe boos hij eigenlijk was op zijn zoon, maar dat hij niet boos mocht worden. Toen dit onderwerp enkele keren was besproken verdwenen de verlammingsverschijnselen uit zijn rechterarm. Die arm was bij wijze van spreken de arm die verlamd was geraakt omdat hij geen tik mocht geven. 

Een conversieverschijnsel is dus een onbewust proces. De vader had geen enkel idee dat zijn verlamde arm te maken kon hebben met zijn boosheid. Het was dus geen simulatie. Het was ook geen hypochondrisch verschijnsel. Dan ben je zó geobsedeerd door een lichamelijke klacht dat je alles wat er maar gebeurt verklaart vanuit die klacht.

Conversie is de uiting van een psychisch conflict in de vorm van een lichamelijke functiestoornis. Conversie komt meestal tot uiting als verstoring in de motoriek (een arm of een been die niet meer willen), maar kan ook te maken hebben met de zintuigen, zoals opeens iets niet meer kunnen zien of voelen). Aldus prof. P.C. Kuiper. 

De theatrale persoonlijkheid (2)

Vandaag nog iets meer theater. Deze keer uit een 'klassieker': het boek Nieuwe Neurosenleer van Prof. Dr. P.C. Kuiper.

Onhandig om een boek ‘Nieuwe Neurosenleer’ te noemen. Het is namelijk al best oud. De eerste druk dateert uit 1966. Ik heb de achtste – geheel herziene (dat verkoopt beter) – druk uit 1984.

Aan dat boek hangt nog een anekdote vast uit de serie Stichtelijke Gestichtsherinneringen. Een collega had het boek geleend en er in de kanttekening met potlood een kanttekening bij gezet. Die kanttekening ging over een toenmalig leidinggevende met een in zijn ogen nogal theatrale persoonlijkheid. De volgende die het boek wilde lenen was die leidinggevende. Ik heb gezegd dat ik het boek nog even nodig had, en ben hard aan het gommen geweest om die kanttekening volstrekt onzichtbaar te krijgen...

Prof. P.C. Kuiper was een typisch psycho-analytisch georiënteerd psychiater. Hij verklaart psychische problemen zoals welig bloeiende neurosen uit onopgeloste vroegere conflicten in bepaalde levensfasen. De theatrale persoonlijkheid zou zijn bron vinden in problemen die de peuter destijds heeft ervaren. Hij wilde centraal staan, maar toen kwam er een jonger zusje en ging alle aandacht die hij wenste verloren. Hem restte slechts een poging tot theatraal gedrag om daarmee zijn moeder weer aan zich te binden.

Kindgedrag bij een volwassene

Prof. Kuiper schrijft dat mensen met een theatrale persoonlijkheid gedragingen vertonen ‘die we bij het kind normaal vinden, maar die bij de volwassene onaangepast of zelfs ongepast zijn: pruilen, kibbelen, verongelijkt doen, overgevoelig reageren, heftige reacties vertonen op kleine frustraties. Het is niet ongewoon dat een theatraal persoon zich gekwetst en gekrenkt in de slaapkamer terugtrekt en verongelijkt in bed gaat liggen in een situatie die door gezonde mensen heel eenvoudig kan worden opgelost’. 

De ander is er voor mijn aandacht

Eén van de kenmerken van de theatrale persoonlijkheid is: de ander is een leverancier voor mijn bevredigingen. Bijvoorbeeld in het theater: de ander is er om voor mij te applaudisseren. Het zich werkelijk inleven in de ander wordt daarmee onmogelijk. De behoefte om zelf centraal te staan staat de empathie voor de ander in de weg.

De behoefte om zelf centraal te staan staat de empathie voor de ander in de weg.

Dode duif

Kuiper noemt als voorbeeld een moeder die onderweg naar een vakantieadres in Zuid-Frankrijk meemaakte dat er een duif werd doorgereden. De hele vakantie treurde ze om deze doodgereden duif. Ze had geen zin in gezelligheid, want iedereen moest toch zien hoe verdrietig ze was en dat er na de dood van een duif een lange rouwperiode moest volgen.

Haar dochters mochten dus ook niet vrolijk zijn, want hun moeder was intens verdrietig. Als ze lol hadden tijdens de vakantie namen ze de gevoelens van hun moeder dus niet serieus. In dat verhaal zie je – wat Kuiper noemt – regressieve infantiliteit: de peuter die helemaal centraal wil staan. Alle anderen moeten daarom wijken.

Het centrum van de eigen aandacht

Theatrale mensen bekijken de wereld alleen vanuit hun eigen perspectief. De wereld is zoals zij die beleven. Daarbij merken ze graag op hoe bijzonder het is dat zij iets op een bepaalde manier beleven. Het is voor hen een bedreiging als anderen een vergelijkbare ervaring hebben. Dat kan niet, want hún ervaring is authentiek en alleen zij hebben iets op hun eigen speciale manier ervaren. “Alleen ik weet hoe het voelt.”

Geen feiten maar gevoelens

Eén van de kenmerken van theatrale mensen is dat het hen niet gaat om de feiten, maar om de beleving. Het is bij wijze van spreken niet 15 graden, maar de temperatuur is: ‘ik heb het koud en ik heb het nog kouder dan jij het hebt’. 

De egocentriciteit gaat volgens Kuiper nog een stapje verder. Niet wat iemand ziet of beleeft staat centraal, maar het feit dat zij (hij) het beleeft. Het draait dus steeds allemaal om de persoon die centraal moet staan.

Wat de uitingen van de theratrale persoonlijkheid betreft is er overlap tussen narcisme (ik sta centraal en de ander is de leverancier voor mijn behoeften) en de borderline persoonlijkheid (de heftigheid en de wisseling van de emoties).

De theatrale persoonlijkheid (1)

De zogenaamde theatrale persoonlijkheid is een 'psychiatrisch beeld' dat sterk tot de verbeelding spreekt. 
In de DSM V wordt gesproken over de histrionische persoonlijkheid en vroeger sprak men van de hysterische persoonlijkheid. De naamsveranderingen geven al aan dat de bedenkers van de DSM zelf een beetje met dit beeld in hun maag zitten.

Vrouwen met psychische problemen

Het woord hysterie komt van het Griekse woord voor baarmoeder (‘hysteria’). Men dacht namelijk destijds dat dit beeld alleen bij vrouwen voor kwam. Op die manier beschreef Sigmund Freud ook zijn vrouwelijks patiënten. Dat waren allemaal chicque dames uit de Weense elite. Freud behandelde namelijk alleen maar particuliere patiënten. Verschil moet er zijn. de dames dronken thee met een pink omhoog en vielen bij een spannende gebeurtenis spontaan in katzwijm. Volgens Freud lagen er onder dit gedrag verdrongen psychische problemen. Dat was in die tijd een revolutionaire gedachte.

Hysterical Men

In mijn boekenkast stond jarenlang een publicatie met als titel: De hysterische neurose bij de man. Dat was een opzienbarend geschrift. Dat ik die publicatie kwijt ben is trouwens waarschijnlijk een vorm van verdringing.

Zo verklaart ook Mark S. Micale in Hysterical Men: The Hidden History of Male Nervous Illness het feit dat er eeuwen lang niet over een hysterisch beeld bij de man geschreven werd. De destijds uitsluitend mannelijke zenuwartsen wilden er gewoon niet aan dat ook mannen op een ‘hysterische manier’ gevloerd konden worden door psychische problemen.

Vrouwen én mannen

Tegenwoordig gaat men er vanuit dat de histrionische persoonlijkheid zowel vrouwen als mannen betreft, maar dat deze stoornis bij vrouwen en mannen een verschillende kleur krijgt. Bij vrouwen zou meer het onvermogen centraal staan (bijvoorbeeld het zeer heftig reageren op situaties die spanning oproepen).

Mannen zouden die kwetsbaarheid juist camoufleren door zich groots te gedragen. "Kijk mij eens, met mij is niks mis!" Maar, schrijft Marc America, "dat stoere gedrag is een voorgevel waar geen huis achter staat."

Paradijsvogel

Een voorbeeld is de Meneer de Paradijsvogel. Deze veertiger lijkt robuust in het leven te staan en is voor geen kleintje vervaard. Dat etaleert hij ook in zijn lichaamstaal. Vaak gaat hij op zijn racefiets door het dorp, uitgedost in een fietspak dat zó kleurrijk is dat een paradijsvogel er flets bij afsteekt. Het hoofddeksel zou een woeste zeepiraat niet misstaan. Aldus Marc America.

Bij de huisarts blijkt dat deze meneer een verwoed gevecht voert om zijn kwetsbare binnenkant te verhullen. Dat doet hij door alle aandacht op zijn buitenkant te richten. Maar naarmate hij ouder wordt, wordt zijn verschijning minder imponerend. Uiteindelijk zakt hij met zijn stoere buitenkant door het ijs. Hij komt in de ziektewet terecht en heeft langdurige psychiatrische hulp nodig.

Kleding en attributen vormen volgens Marc America voor mannen een belangrijk attribuut om de aandacht op zichzelf te vestigen. Tegenwoordig wordt die kleding vervangen door extreme piercings en tattoos. 

Scheepshoorn en tattoo

Wat de attributen betreft kun je ook denken aan de dreunende muziek die uit sommige gepimpte auto’s met bij voorkeur geblindeerde ramen komt, de scheepshoorn op het dak van de auto en de Hells Angels outfit op de motor. Gelukkig heb ik geen rijbewijs, dus ik kom niet in de verleiding om mee te doen…

En ja, die mannen die van top tot teen onder de tattoos en de piercings zitten... Het lijkt wel of er een mist rond de persoon moet worden opgetrokken. De buitenkant moet helemaal gepimpt worden omdat de binnenkant te kwetsbaar is. Ik denk er dan als ondertitel soms bij: "Binnenkort in dit theater..."

Hysterese (2)

Ik wilde wel eens meer weten over die hysterese. Waarom had ik dat nooit gehoord van mijn hooggeleerde professoren. Maar, zie daar, de term komt helemaal niet uit de psychologie. Het woord hysterese kwam ik bij mijn digitaal onderzoek bijna uitsluitend tegen in de natuurwetenschappen.

Bijvoorbeeld bij een thermostaat. Daalt de temperatuur naar 18 graden, dan slaat de verwarming aan. Als de thermostaat direct weer een signaal zou geven als de temperatuur 18,0001 graad is, zou hij continu aan en uit gaan. Daarom zit er speelruimte in, bijvoorbeeld: de verwarming slaat aan bij 18 graden en gaat weer uit bij 18,5 graden.

Psychologische bandbreedte

Als je er zo naar kijkt heeft hysterese te maken met een bepaalde bandbreedte. Vertaal je dat in psychologische termen, dan zie je dat er waarschijnlijk veiligheid wordt ervaren, zo lang je ergens binnen de grenzen van de vertrouwde bandbreedte verblijft. Kom je daar buiten, dan kost het veel moeite om je te handhaven. Dat verklaart dus ook waarom jongeren zich soms een tijdje afzetten tegen strakke (bijvoorbeeld) religieuze kaders en zich een paar jaar later weer helemaal ‘voegen’.

Autisme

Ik moest in dit verband ook denken aan stoornissen binnen het autistisch spectrum. Zou het kunnen zijn dat bij mensen met autisme de bandbreedte beperkt is en scherper staat afgesteld? Oftewel: mensen met autisme hebben meer behoefte aan een scherp begrensde afstelling. Zodra de thermometer 0,1 graad te laag aanwijst gaat de stresskachel aan, zodra de thermometer 0,1 graad te hoog is slaat alles weer uit. Het komt dus allemaal erg precies.

Als de binnenwereld maar ‘klopt’ volgens vaste principes wordt daar de veiligheid uit ervaren. De buitenwereld, waar dingen anders verlopen, wordt als onveilig ervaren. Die andere wereld wordt dus zoveel mogelijk vermeden, want daar slaat de gevoelsthermostaat op hol.

Mijn werk kost me veel energie, vertelt Fred. Ik kan maar halve dagen werken. Na afloop van zo'n werkdag ben ik helemaal uitgeput. Ik heb wéér zóveel onbekende geluiden gehoord en dingen gezien die zeer doen aan mijn ogen dat ik een paar uur nodig heb om bij te komen. Ik sluit me dan op in mijn eigen kamer en ga een stukje schrijven. Dat d0e ik altijd met de hand, met de hoofdletters in rood en de rest van de tekst in blauw. Daar begon ik mee toen ik leerde schrijven. Het geeft me nog steeds rust. Hoe méér de buitenwereld verandert, des te langer moet ik schrijven om weer mijn rust te kunnen vinden. Soms heb ik zóveel tijd nodig dat ik niet eens meer kan eten. Na het schrijven ga ik direct naar bed. 

Als mensen met autisme (zoals op mijn werk) in een beschermde omgeving wonen is het de taak van de begeleiding om hen te helpen bij de afstelling van de thermostaat. De begeleiding is de  monteur die zorgt dat er naast een voorspelbare omgeving ook een beetje speelruimte mogelijk blijft. En niet, zoals bij nogal wat klassieke autisme- benaderingen: de monteur die eigenlijk alleen nog maar scherper af wil stellen. Op den duur kunnen de cliënt én zijn begeleiders dan niet meer tegen veranderingen.

In dat verband verwijs ik o.a. boekje ‘Oplossingsgericht aan de slag met mensen met autisme’ (Mattelin en Volkert, 2014). Als je iemand met autisme  helpt om zijn eigen hulpbronnen aan te boren vergroot dat de bandbreedte. De thermostaat staat dan dus alsnog minder scherp afgesteld. Maar juist met de bedoeling dat dat helpt tegen voortdurende ontregelingen.

Hysterese (1)

Het woord 'hysterie' kende ik wel, al bestaat het niet meer in de nieuwe DSM 5. Vooral Prof. dr. P.C Kuiper heeft zich in zijn boek ‘Nieuwe Neurosenleer’ uitgebreid bezig gehouden met de hysterische trekken van de neurotische medemens. Maar liefst 40 bladzijden besteedt hij aan de ontwikkelingsdynamiek van het hysterische karakter.

Hoewel ik nooit Grieks heb gehad op school heb ik me laten vertellen dat het woord is afgeleid van het Griekse woord voor baarmoeder. Vroeger dacht men dat hysterie alleen bij vrouwen voor kwam.

Inmiddels weten we wel beter. Er zijn misschien wel net zoveel hysterische mannen. Daarom is die term natuurlijk afgeschaft in de DSM 5. Dat willen we allemaal niet weten...

Ook Prof. Dr. P.C. Kuiper had dat al ontdekt in de achtste geheel herziene eerste bijdruk van zijn boek ‘Nieuwe Neurosenleer’ dat inmiddels niet meer zo nieuw is (1984). Tien bladzijden worden besteed aan de ‘hysterische neurose bij de man’. “Fred komt van de boerderij. Het is een tengere jongen, lang en slank, met graciele handen, die er vaak erg bleek uitziet. Hij was moeders lieveling, kreeg veel aandacht en extra zorg, omdat hij zich vaak ziek voelde. Van het werk op de boerderij hield hij niet, zijn broers waren zoveel sterker. Later wil hij een beroep uitoefenen waarin hij mensen kan helpen die het moeilijk hebben. Hij is zelf ook tobberig van aard, dus hij begrijpt hen zo goed.” Zoiets leest toch als een roman? Ook al zou het allemaal wetenschappelijke gatenkaas zijn, je moet het toch een keer gelezen hebben…

Besloten gemeenschappen

Gisteren kwam ik in een artikel het woord ‘hysterese’ tegen. Het werd in verband gebracht met besloten gemeenschappen. Die kunnen beklemmend zijn, maar ook bescherming bieden. Je stapt uit die beklemming, maar eenmaal buiten ben je je houvast kwijt. Het kan dus zo zijn dat – zodra iemand zich buiten het veilige badwater van de eigen omgeving begeeft – het veel angst oproept. Dus zorgt die persoon er voor om zo snel mogelijk weer in een vertrouwde omgeving te zijn. Bij de Amish heet die fase ‘Rumspringen’: uit de band springen en vervolgens terugverlangen naar de oude zekerheden.

Zware preken

In dat verband werden in het artikel bijvoorbeeld de ‘oordeelspreken’ binnen bepaalde gemeenschappen genoemd. Het gaat er heftig aan toe. Je zou kunnen denken dat jongeren dat helemaal niet willen horen. Maar als je die preken maar lang genoeg hoort worden ze vanzelf vertrouwd. Ook als je krijgt te horen dat je verdoemd bent, dan nóg zijn ze vertrouwd. Dat verklaart (voor een deel) waarom mensen bij zo’n gemeenschap willen blijven horen.

Dat geldt trouwens uiteraard niet alleen ten aanzien van (sommige) religieuze gemeenschappen. Alle organisaties waar mensen emotioneel zeer afhankelijk van zijn geworden (vgl Goffman: Total Institutions) maken dat de stap naar vrijheid veel moeite kost. Het vertrouwde strakke regime biedt meer houvast dan een omgeving waarin je steeds je eigen keuzen moet maken.