Hechtingsstoornis

Hoewel ik al 70-plusser ben sta ik nog bijna wekelijks voor de klas. Binnenkort moet ik weer twee dagen cursus geven over hechting. En elke keer leer ik zelf weer nieuwe dingen. Het houdt me dus van de straat.

Een thema dat mij vanaf mijn studie bezig heeft gehouden is dat van de hechting. Er zijn weinig pedagogische gebieden waar zóveel nieuwe kennis bij vergaard is als rond het ontwikkelen van een (on-) veilige hechting. Ik was al met een serie bezig over ‘hechting’. In dit blog een andere invalshoek: drie varianten op het thema ‘verstoorde hechting’.

Hechting vormt de basis van alle sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is bij wijze van spreken het fundament waarop de rest van het huis van de persoon gebouwd  moet worden. Als dat fundament niet stevig is heeft dat gevolgen voor de sociaal-emotionele ontwikkeling op latere leeftijd. En voor mijn idee zelfs voor de kleur van het ouder worden.  

Zoals pasgeboren dieren gericht zijn op overleven via de moeder, zo is ook het pasgeboren kind gericht op het overleven via de ouders. Omgekeerd zijn ouders erop gericht om hun kind te verzorgen. Die gerichtheid op elkaar vormt de basis voor de hechting.

Toch gaat het lang niet altijd goed. De aansluiting op elkaar wordt op de één of andere manier gemist. Dat kan vanaf het begin van de ontwikkeling gebeuren, het kan ook zo zijn dat ergens in de ontwikkeling de relatie verstoord raakt.

Boris en Zeanah (2005) maken onderscheid tussen drie verschillende vormen van hechtingsstoornis:

a) de reactieve hechtingsstoornis. Deze komt alleen voor onder extreme omstandigheden. Hierbij valt te denken aan ernstige mishandeling, ernstige verwaarlozing, frequent wisselende verzorgers in de eerste levensjaren.

Deze stoornis komt niet zoveel voor, omdat ieder kind van nature op zoek gaat naar iemand aan wie het zich kan hechten. Deze diagnose kan alleen gesteld worden als er aantoonbaar sprake is van ‘pathogene zorg’.

b) een verstoorde gehechtheidsrelatie. Het kind heeft wel een relatie met enkele personen aan wie het zich gehecht heeft, maar deze relatie is verstoord. De relatie is voor het kind een bron van spanning en angst. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als er bij de opvoeder sprake is van ernstige psychiatrische problematiek.

Deze verstoorde gehechtheid heb ik nogal eens gezien in één-ouder gezinnen waarbij bij de moeder sprake van was een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. De moeder was dan zó wisselend in haar gedrag (aantrekken en afstoten) en de boosheid kon zo heftig zijn dat het kind geen veiligheid meer kon ontlenen aan de aanwezigheid van de moeder.

c) een verbroken gehechtheidsrelatie. Deze vorm van hechtingsstoornis ontstaat als de belangrijkste hechtingsfiguur plotseling wegvalt (de meest extreme vorm is door overlijden, maar je kunt ook denken aan ziekte of aan adoptie, waarbij een kind van de eigen moeder weggehaald wordt.

Hoe het gedrag er na de verbreking van de relatie uit zal zien hangt o.a. af van:

– de leeftijd waarop de plotselinge scheiding plaats vindt

– de stress rondom deze gebeurtenis

– het temperament van het kind

– de beschikbaarheid van andere hechtingsfiguren

Boris en Zeanah ontwikkelden een schema waaruit je kunt afleiden welk gedrag bij kinderen wijst op veilige, danwel op onveilige hechting.  Dit schema kan ik later uitgebreider bespreken, als daar vraag naar is. 

Splitting bij kinderen (2)

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van - vaak aantrekken en afstoten - liggen. 

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Er zijn twee vormen van angstige (onveilige) hechting. De vorm die het meest voor komt is de angstig-ambivalente hechting (er zijn onderzoekers die menen dat ruim 20% van de kinderen angstig-ambivalent is gehecht). Kenmerkend is dat deze kinderen dicht in de buurt van de moeder (of een andere belangrijke hechtingspersoon) willen zijn, maar dat ze aan de andere kant die persoon ook afwijzen. Behoefte om in de buurt te zijn en boosheid om verlating liggen bij hen dicht bij elkaar. Het kind kan zijn moeder knuffelen en direct daarna een klap midden in het gezicht geven.

Affecthonger

Je ziet vaak dat deze kinderen vooral naar volwassenen trekken. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Overdracht

We hebben hier te maken met een situatie van overdracht, een psychologisch mechanisme waar iedere hulpverlener mee te maken heeft. Als je als begeleider iets voor kinderen wilt betekenen ontkom je niet aan dit appèl. Je behoefte is om een goede hulpverlener te zijn, om mensen te helpen. Daarvoor heb je immers dit vak gekozen?

Bovendien ben je bang dat het kind nóg een keer afwijzing ervaart. Gevolg: je gaat (te ver) op de vraag in die het kind stelt. Het kind strikt jou in je eigen behoefte om een goed hulpverlener te zijn. Zo raak je in elkaar verstrikt.

Uiteindelijk wordt het jou teveel en stap je gespannen uit de situatie. Pas dán zal het kind zich echt verlaten voelen. En dat was nu juist wat je had willen voorkomen. Bovendien help je het kind op deze manier niet verder in de grote opdracht: om van separatie naar individuatie te komen.

De andere kant

Maar als begeleider kun je ook in een andere valkuil stappen. Je hebt als begeleider geleerd om grenzen te stellen. Immers: deze kinderen zijn grenzeloos. Maar dan gebeurt er weer iets anders. Het kind staat niet centraal: jij zet jezelf centraal. Ik ben hier de baas en ik bepaal wat er gebeurt. Is het niet jouw behoefte om controle te houden die maakt dat je deze grenzen stelt?

Hoe minder je controle hebt, des te meer zul je naar sancties grijpen. Ook hierbij kan het gebeuren dat je een stap mist. Je merkt de behoeften van het kind niet op, omdat je de begrenzing centraal hebt gesteld. Kinderen hebben zeker grenzen nodig, maar ze moeten ook gezien worden.

Ik gebruik hier elke keer weer de metafoor van het kleine scheepje op de ruwe zee. De begeleider is de vuurtoren, die blijft op zijn plek, ook al wiebelen ook vuurtorens een beetje mee met de wind. Het kind is het scheepje op de ruwe zee dat bezig is te overleven. Die begeleider is in de storm toch een stuk houvast: 'die kant moet ik uit.'

Borderline en hechting (2)

De psychologen Nickell, Waudby en Trull wilden meer onderzoek doen naar de relatie tussen de onveilige en/of verstoorde hechting en borderline. Ze maakten daarbij gebruik van de gegevens van een steekproef van bijna 400 mensen. 

Een deel van het onderzoeksverslag in het Journal of Personality Disorders bevat de wetenschappelijke verantwoording en statistische onderbouwing van dit onderzoek. De resultaten tonen aan dat lichamelijke en/of geestelijke mishandeling en verwaarlozing onvoldoende verklaring bieden voor het ontstaan van borderline problematiek. Het ontstaan van borderline kun je dus niet zo eenduidig toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

Onveilige hechting

Echter: patronen die wijzen op onveilige hechtingsstijlen in het gezin laten een duidelijker verband zien met het ontstaan van een borderline persoonlijkheids-stoornis. Daarbij bestaat er correlatie tussen kenmerkende eigenschappen van mensen met borderline (problemen met intimiteit, spanning tussen autonomie en behoefte aan nabijheid) en problemen in de hechting. Bijvoorbeeld bij de angstig-ambivalente hechting: het kind wil nabijheid en wijst deze nabijheid ook af.

Omgaan met angst

Ook komt sterk naar voren dat er enerzijds sprake is van grote moeite met het beheersen van angst en anderzijds zijn relaties voor mensen met borderline complex: ze zoeken veiligheid in relaties, hopen daarin houvast te vinden, maar die afhankelijkheid is tegelijkertijd zeer beangstigend. Dat zou volgens de auteurs ook kenmerkend zijn geweest binnen het gezin: enerzijds klein moeten blijven (weinig autonomie) en aan de andere kant  bood dezelfde nabijheid ook geen veiligheid.

Rol van moeders

Opmerkelijk in dit onderzoek is dat aan de rol van de moeders in de gezinnen bij het ontstaan van borderline problematiek een duidelijk grotere rol wordt toegeschreven dan aan de vaders. Kenmerkende patronen bleken te zijn: minder sensitief (niet goed de behoeften van het kind in kaart hebben), minder zorg en aandacht en tegelijkertijd overbeschermend en wonderlijk genoeg daarnaast ook weer ‘toegeeflijk’ (‘je gaat je gang maar’).

Je zou kunnen samenvatten: weinig voorspelbaar. De ene keer zit je moeder er bovenop en de volgende keer heeft ze niet eens het idee wat er met je aan de hand is en word je ook niet gemist. De auteurs verklaren uit deze ambivalente houding het kenmerkende ‘splitting’ bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Uiteindelijk concluderen de auteurs dat de wijze waarop het kind zich in het gezin heeft kunnen hechten een betere verklaring biedt voor het ontwikkelen van een borderline persoonlijkheidsstoornis dan traumatische ervaringen die het kind op jonge leeftijd heeft ervaren.     

Ik voeg daar nog wel aan toe dat veilige hechting tevens maakt dat een kind beter in staat is om traumatische ervaringen te verwerken. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat bij een onveilige hechting ook de impact van trauma’s groter is. Er is bij het ontstaan van borderlineproblematiek sprake van een opeenstapeling van belastende factoren vanuit de jeugd.   

Een collega schreef mij in dit verband over 'stapeltjesverdriet'. Er is vaak niet één oorzaak aan te wijzen waarom iemand psychische problemen ontwikkelt: het gaat om een combinatie, waarbij tal van losse gebeurtenissen en omstandigheden samen de draaglast te zwaar maken.                                            

Borderline en hechting (1)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2).

Jarenlang heeft de gedachte overheerst dat borderline stoornissen verklaard moeten worden uit emotionele trauma’s die een kind heeft opgelopen op jonge leeftijd. Op zichzelf is dat niet zo vreemd, want een kind dat fysiek, geestelijk of seksueel misbruik ervaart zal de ouders als minder zorgzaam ervaren en op basis van die ervaringen ook afwijkende gedragspatronen gaan ontwikkelen. En dat is één van de overheersende kenmerken bij borderline-problematiek.

Toch vinden de auteurs deze focus op traumatische ervaringen te ‘smal’ om hierbij te denken aan ‘de’ verklaring voor borderline.

Andere verklaringen

De auteurs citeren verschillende onderzoeken waarbij alternatieve verklaringen naar voren komen. Enkele onderzoeken zijn gebaseerd op gestructureerde interviews met mensen die de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis hebben gekregen.

Opmerkelijk was de combinatie die één van de onderzoekers meldde: mensen met borderline vertellen aan de ene kant dat hun ouders onvoldoende zorg aan hen besteedden en anderzijds dat ze hun ouders juist als overbeschermend hebben ervaren.

Mijn interpretatie is dat ze mogelijk weinig betrokkenheid hebben ervaren, maar wel veel controle (regels). Of nog meer: als de ouder boos wordt leidt dit direct tot een overkill aan regels (eerst wordt het kind niet gezien, daarna corrigeert moeder het kind, het luistert niet en vervolgens moet het een week binnen blijven). 

Psychiatrie en borderline

Een ander onderzoek ging over de vraag of er verschillen gerapporteerd worden tussen vrouwen met borderline problematiek en vrouwen die vanwege andere psychiatrische problemen werden opgenomen in een instelling.

Het bleek dat vrouwen die vanwege andere diagnoses in psychiatrische instellingen verbleven vroeger thuis veel minder vaak te maken hadden gehad met afwijzing, met verbroken relaties, met verlating en met een chaotische gezinsstructuur dan vrouwen met de diagnose borderline.

Met andere woorden: ook kinderen uit redelijk harmonieuze gezinnen kunnen ernstige psychische problemen ontwikkelen, maar bij mensen met borderline lijkt wel vroeger duidelijker sprake te zijn geweest van verstoorde interacties binnen het gezin.

Hou me niet vast!

Dat is de titel van een bundel over werken met kinderen met een ernstig verstoorde hechting. Je wilt zo graag iets doen voor deze kinderen, zij willen ook graag iets van jou, maar het is allemaal zo ingewikkeld...

De titel geeft de tegenstelling aan. Kinderen die vastgehouden wi­llen worden en tegelijk in paniek raken als ze vast worden gehouden. Ik vat dat wel eens samen met: Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt.

En uiteraard geldt dat niet alleen voor kinderen, maar ook voor volwassenen met een onveilige hechting. Veel van deze patronen zijn bijvoorbeeld ook te herkennen bij mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis.

Psychotherapeut en orthopedagoog Dirk Broos geeft in het boek een aantal omgangsadviezen. Ik vat ze op mijn eigen manier samen:

1). Werk niet te nadrukkelijk vanuit de relatie. Houd afstand, maar wees wel betrokken.

2). Wees betrouwbaar, stabiel en voorspelbaar in je reacties.

3). Duidelijke structuren, grenzen en regels zijn nodig omdat deze kinderen zichzelf anders verliezen in chaos.

4). Doe zo min mogelijk een beroep op het geweten, het schuldgevoel of het empathisch vermogen van deze kinderen of jongeren.

5). Preventie werkt vaak beter dan achteraf straffen. Straffen wordt ervaren als verwerping van de persoon, terwijl nadrukkelijk belonen het gevoel geeft dat er hoge verwachtingen moeten worden waargemaakt.

6). Creëer een klimaat waarin de kinderen het gevoel hebben dat ze er mogen zijn, zonder de druk van het morele appél.

Ik zou er nog een aantal aandachtspunten aan toe kunnen voegen. Of dilemma’s aan kunnen geven. Maar voor vandaag is het wel weer even voldoende denkstof.

Hou me (niet) vast: Hulpverlening en hechtingsstoornis: Dirk Broos en Katrien van Dun, Garant, 2005. 

Kun je iemand gelukkig maken?

Misschien kennen jullie de opnames van Céline, destijds in de serie over de Kinderen van de Hondsberg.

Céline was een geadopteerd meisje dat eigenlijk op iedereen een appel deed om haar te helpen. Als begeleider wilde je zorgen dat ze alsnog – na alles wat ze als klein kind had moeten missen – de schade in zou kunnen halen. En een gewone en gezonde puber en later volwassene zou worden. Maar hoe meer er in Céline geïnvesteerd werd, hoe slechter het met haar leek te gaan. Dat leidde tot een groot afbreukrisico voor begeleiders.

In intervisie en supervisie komt dit onderwerp regelmatig ter sprake. Vooral als begeleiders emotioneel uitgeput raken van een cliënt. Dan wordt de kracht van de begeleiding hun zwakte. Je wilt iemand gelukkig maken, maar het werk breekt je ben de handen af.

Ook ouders willen niets liever dan dat hun kind gelukkig is. Maar wat moet je als je kind maanden of jaren achter elkaar lijdt aan zijn bestaan? Dat is vaak nóg zwaarder dan wanneer je zelf lijdt aan je bestaan.

Daar komt nog eens bij dat kwetsbare kinderen vaak precies aanvoelen hoe het met hun ouders gaat. Ze nemen dan ook nog eens het verdriet van hun ouders mee op hun schouders.

Let op: dit bedoel ik allerminst als een beschuldiging aan het adres van de ouders. Het is volkomen begrijpelijk dat je je als ouders zorgen maakt als het met je kind niet goed gaat.

Voor begeleiders geef ik wel eens een voorbeeld als: “Het regent bij Richard altijd. Maar soms sta je even samen onder een afdakje.” Met andere woorden: ga niet op zoek naar de zon. Zoek wel een beschut plekje op waar het leven even iets minder hard is. Even zo’n droog moment geeft jou de ruimte om anders adem te halen en de cliënt ook.

We kunnen niemand gelukkig maken. Als je denkt dat je dat wel kunt loop je uiteindelijk tegen jezelf aan. We kunnen wel proberen om de kwaliteit van bestaan te vergroten. Als dat lukt (ook al is het maar één minuut) hebben we al veel om blij mee te zijn...

Verstoorde hechting: 7 vormen

In de DSM IV wordt één type hechtingsstoornis beschreven: de reactieve hechtingsstoornis. Om van deze stoornis te kunnen spreken moet er op jonge leeftijd aantoonbaar sprake zijn geweest van een tekort. Daarbij kan gedacht worden aan het ontbreken van een vast hechtingsfiguur in de eerste levensjaren (bijvoorbeeld: kinderen die in een kindertehuis met veel wisselende begeleiders zijn opgegroeid).

Dit lijkt in de praktijk van zorg en opvoeding een te beperkte classificatie te zijn (aldus Rien Verdult). Als één op de drie kinderen onveilig is gehecht moet er (naast de beschreven reactieve hechtingsstoornis) veel vaker sprake zijn van problemen in de hechting. Die problemen hebben op hun beurt een grote impact op het gedrag van kinderen (gedragsstoornissen) en volwassenen (persoonlijkheidsstoornissen).

In dat verband is het onderzoek van Karl Heinz Brisch (Universiteit van München, boek: Treating Attachment Disorders, 2012) interessant. Brisch heeft zich vooral ingespannen om de hechting van jonge kinderen in complexe situaties beter op gang te helpen (bijvoorbeeld baby’s die maandenlang in de couveuse moeten verblijven, jonge kinderen die opgroeien in traumatiserende omstandigheden). Brisch maakt een bredere differentiatie bij zijn omschrijving van hechtingsstoornissen.

Zeven verschillende vormen

Brisch maakt onderscheid tussen verschillende typen hechtingsstoornissen. Qua gedrag beschrijft hij 7 verschillende verschijningsvormen:

 a). de volledige onthechting (ook wel bodemloosheid genoemd): het kind vertoont geen enkel teken dat wijst op enige mate van hechting aan personen. Het gedrag is zeer wisselend, fragmentarisch.

b). de ongedifferentieerde binding (allemansvriend): het kind doet tegenover iedereen even vriendelijk, maar lijkt daardoor geen onderscheid tussen personen te maken. Het loopt daardoor met iedereen ook even gemakkelijk mee. Het kind zoekt nabijheid en past zich aan aan de sfeer in de omgeving. Het lijkt soms op een kameleon.

c). de grenzenloze binding (symbiose): het kind staat geen afstand tot de hechtingsfiguur toe. Er ontstaat totale paniek als de betrokken persoon uit zicht verdwijnt (dit wordt in een ander verband ook wel de separatieangststoornis genoemd). Alleen in de nabijheid van (één exclusieve) hechtingspersoon zijn ze gerustgesteld. Bij deze kinderen overheersen angst en paniek.

d). de geremde binding (einzelgänger): het kind houdt van iedereen afstand, zoekt geen fysieke toenadering, bekijkt iedereen van een afstand. Het kind past zich gemakkelijk aan, lijkt weinig weerstand te vertonen, mits het maar ‘met rust gelaten wordt’. “Laat mij mijn eigen gang maar gaan” lijkt het kind te zeggen.

e). de agressieve binding: door het gevaar op te zoeken, door verbale of fysieke agressie probeert het kind (juist) nabijheid te bewerkstelligen. Net als bij groep c) overheerst de angst, maar de kleur is anders: niet ‘klampen’, maar ‘bijten’.

f). binding met rolomkering: het kind probeert voor de hechtingspersoon te zorgen. Door die zorg probeert het kind de persoon voorspelbaar te maken en rust te bewerkstelligen. Dit gedrag zien we nogal eens bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze kinderen lijken vroeg volwassen, maar ze zijn emotioneel kwetsbaar. Deze kwetsbaarheid blijkt vaak pas later, op volwassen leeftijd.

g). psychosomatische klachten: er zijn kinderen aan wie je de problemen in de hechting niet zozeer in het gedrag ziet, maar meer in de lichamelijke klachten. Deze klachten lijken een functie te hebben om daarmee de nabijheid van de hechtingsfiguur te bewerkstellingen. Een bekende klacht is bijvoorbeeld buikpijn, maar ook de angst om naar school te moeten, eetproblemen, onzindelijk blijven en slaapproblemen kunnen hier symptomen van zijn.

Het is uiteraard niet zo dat (als een kind dit gedrag laat zien) er per definitie sprake is van een hechtingsstoornis. Het is wel zo dat dit gedrag een aanwijzing kan zijn van een mogelijk verstoorde hechting.

Theory of Mind (4)

Pesten of…..

Hoe zit het nu met jonge peuters? Ouders zeggen wel eens: we kunnen ons kind wel achter het behang plakken. Maar heeft dat als lastig ervaren gedrag nu te maken met het bewust pesten van de ouders, of is er iets anders aan de hand?

Wanneer noemen we gedrag pesten? Dat is (pas) als je aanvoelt wat je de ander aan doet. Je weet dan bijvoorbeeld dat je de ander kwetst. Om dat te kunnen heb je een Theory of Mind nodig. Bij peuters is deze TOM nog onvoldoende ontwikkeld. Daarom kun je van peuters ook niet zeggen dat ze de opvoeder pesten. Het is geen pesten, maar testen: het zoeken van een antwoord op de vraag wie jij als opvoeder bent.

Jonge peuters kunnen in ontwikkelingspsychologisch opzicht ook nog niet koppig zijn. Om koppig te kunnen zijn heb je namelijk een eigen ‘ik’ nodig.

Met name in de Amerikaanse opvoedingsliteratuur wordt nogal eens genoemd dat de eigen wil van de peuter gebroken zou moeten worden. Behalve dat dit pedagogisch onverantwoord is, gaat het ook verder qua idee bij peuters niet op. De eigen wil die voortkomt uit een ik is namelijk nog niet aanwezig. Wél reageert het kind op onduidelijkheden in de omgeving, op stemmingswisselingen van de ouders en op zijn eigen gevoelens, waar het nog niet goed raad mee weet.

Als je je dat realiseert betekent het ook dat je anders in de situatie kunt staan. Het kind is er niet op uit om jou als opvoeder onderuit te halen. Het is niet bezig te pesten, maar het is testen: zoeken naar zekerheid vanuit de omgeving. Hoe stabieler de opvoeder voor het kind is, hoe beter dat uiteindelijk zal lukken.

Jonge peuters kunnen heel boos reageren op het woord ‘nee’. Dat is niet omdat ze hun zin willen doordrukken. Aan het ‘nee’ hangt voor hen een negatieve emotie. Daarnaast weten peuters na dat nee niet wat ze vervolgens wél kunnen doen. Het is erg belangrijk om als opvoeder een alternatief aan te bieden. Nee, Marieke, de televisie gaat niet aan, je gaat nu…

Een ander aspect dat je bij peuters ziet is dat ze zich direct aangesproken voelen, ook als de reactie van de opvoeder zich richt op een ander kind.

Mariska reageert boos op haar dochter Lisa, die haar eten uitspuugt. Haar broertje Tim begint te huilen. Het voelt voor hem dat zijn moeder boos op hém is.

Hechting en aanvoelen

Ook nog even een stukje kinderpsychiatrie.

Ik maak nu even geen onderscheid tussen allerlei varianten van hechtingsstoornissen, maar gooi alles voor de duidelijkheid op één hoop. Hechtingsproblemen bij kinderen hebben hun wortels in een onveilige gehechtheidsrelatie met de opvoeders.

Veel kinderen (met spreekt van ongeveer 35%) zijn niet veilig gehecht. Dit komt tot uiting in o.a. rusteloosheid, afleidbaarheid, prikkelbaar en agressief gedrag, problemen in relatie met leeftijdgenoten en moeite om nauwe contacten aan te gaan. Deze kinderen reageren vaak weinig invoelend op de behoeften van anderen. Door deze falende hechting kunnen ze onvoldoende van volwassenen ‘af kijken’ hoe je rekening houdt met anderen. Ze kunnen geen goed beeld vormen van het denken en voelen van andere mensen.

In moreel opzicht zou je met Kohlberg kunnen spreken van een onvoldoende belangstelling hebben kunnen ontwikkelen, én van het te weinig conflicten hebben ervaren. Deze kinderen hebben vaak onvoldoende kunnen oefenen met morele dilemma’s. Ze zijn experts als het gaat om aanvoelen, maar ze kunnen niet invoelen. Dat laatste hebben ze niet voldoende kunnen leren (zie ook de serie over het mentaliseren).

Aan de buitenkant gezien bestaat er overeenkomst tussen het sociale gedrag van kinderen met hechtingsproblemen en sommige kinderen met autisme spectrum stoornissen. Het belangrijkste verschil is dat kinderen met hechtingsproblemen in principe over een normaal vermogen tot sociale wederkerigheid en invoelende reactie op anderen beschikken.

Je zou dus kunnen zeggen dat ze deze vaardigheden alsnog aan kunnen leren. Wél is het zo dat er ontwikkelingstijd verloren is gegaan. Hoe later je iemand de achterstand in laat halen, hoe moeilijker het wordt.

Hechting en trauma (2)

Het vorige blog is uiteraard niet bedoeld om de ernst van een trauma te ontkennen. Voor zover mogelijk moet het behandeld worden. Met name voor enkelvoudige trauma’s is er tegenwoordig een zeer effectieve behandeling: EMDR. Maar het is ook belangrijk dat een trauma niet dé oorzaak is van alle problemen.

De gevolgen van negatieve ervaringen op jonge leeftijd verschillen aanzienlijk. Er zijn kinderen die weinig last lijken te hebben van wat ze vroeger hebben meegemaakt, terwijl anderen een volledige ‘psychiatrische invaliditeit’ oplopen: een ernstige persoonlijkheidsstoornis of zware posttraumatische klachten. Er wordt ook wel gesproken over een spectrum van psychische klachten.

Waarom verschillend?

De vraag is waarom mensen zo verschillend reageren op vergelijkbare traumatische ervaringen? Stel dat twee kinderen uit één gezin hetzelfde hebben meegemaakt. Waarom reageert het ene kind dan tóch anders dan het andere kind? Dat heeft te maken met individuele verschillen. Eén van die factoren is het temperament: de aangeboren gedragsstijl van het kind. Kinderen met een moeilijk temperament zijn gevoeliger voor wat hen overkomt dan kinderen met een gemakkelijk temperament.

Daarnaast (maar het valt ook wel samen met het temperament) spelen neurobiologische kenmerken een aanzienlijke rol. Bij het ene kind is de ‘emotionele bedrading’ anders afgesteld dan bij het andere kind. Dat is voor een aanzienlijk deel aangeboren, maar hier komen toch ook omgevingsfactoren om de hoek kijken.

Stress tijdens de zwangerschap is bijvoorbeeld van invloed op de manier waarop de neurobiologische eigenschappen van een kind worden gevormd. En daarmee is de cirkel weer deels rond: één van de belastende factoren voor de hechting is stress tijdens de zwangerschap of in de eerste drie levensjaren.

De laatste tijd komt daar in de literatuur een nieuwe factor bij: de veerkracht van kinderen wordt voor een aanzienlijk deel bepaald door de kwaliteit van de vroege hechting. Hoe beter de hechting, hoe groter de ‘stressverwerkende capaciteit’.

Therapie

Vorige week zei ik tijdens een training dat weerstand tegen een therapeut voor een deel te maken kan hebben met verstoorde hechting. “Hoe meer affectieve verwaarlozing en hechtingsproblemen, hoe problematischer de therapeutische relatie”. Dat geldt niet alleen voor behandelaars zoals artsen, psychologen en psychiaters (en zelfs tandartsen), maar ook voor dagelijks begeleiders.

Mensen die onveilig gehecht zijn hebben sterker dan anderen de neiging om controle te willen houden over anderen. Daarbij wordt er steeds naar een oorzaak van de ellende gezocht. De behoefte aan controle komt o.a. tot uiting in weerstand tegen de behandeling of begeleiding. Gaan zij niet mee in het patroon, dan hebben zij het gedaan.

Vooral als er sprake is van een gedesorganiseerde gehechtheid “is het vermogen om te reflecteren op het eigen mentale leven en op dat van anderen verstoord” (Fonagy en Target, 1997). In de meest extreme vorm zien we dat bij de mensen met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis.  

Om meer zicht te krijgen op de mate waarin zowel trauma’s als verstoorde hechting de behandeling complexer en weerbarstiger maken ontwikkelde Draijer een model voor tweedimensionale diagnostiek. Daarbij worden zowel de ernst van het trauma als de kwaliteit van de hechting in kaart gebracht. Op die manier kan er (beter) een inschatting gemaakt worden van de duur en de zwaarte van de behandeling.

 

 

 

Hechting: risico’s

A. Welke kinderen lopen een groter risico op onveilige hechting? (factoren bij het kind). In dit overzicht is geen volgorde aangeven van de ernst  van het risico. Bij mijn weten is daar geen onderzoek naar gedaan.

1. Kinderen met een verstandelijke beperking (hier heb ik al eerder over geschreven, komt later weer terug op dit blog)

2. Kinderen met een opvallende lichamelijke beperking

3. Kinderen met een auditieve beperking

4. Kinderen met een visuele beperking

5. Kinderen met tactiele overgevoeligheid (bijvoorbeeld niet aangeraakt willen worden)

6. Kinderen die te vroeg zijn geboren

7. Kinderen die lang in een couveuse moesten verblijven

8. Kinderen die op jonge leeftijd lang en vaak in het ziekenhuis moesten verblijven

9. Kinderen die onder ongunstige omstandigheden geadopteerd zijn

10. Kinderen met een moeilijk temperament

B. Bij welke ouders lopen kinderen een groter risico op onveilige hechting?

1. Ouders met een geschiedenis van onveilige hechting

2. Ouders die verwaarloosd of mishandeld werden

3. Ouders met een verstandelijke beperking

4. Ouders met psychische- en psychiatrische problematiek

5. Als het kind een ander kind moet vervangen

6. Als het kind ‘overgewenst’ is

7. Als het kind een relatie moet ‘redden’ (verzoenkind)

8. Tienermoeders

9. Ouders met relationele problemen of echtscheidingsproblematiek

10. Alleenstaande ouders

Voor de opvoeders die dit lezen: zijn er dan nog wel kinderen die zich veilig kunnen hechten? Ja: de meeste kinderen ontwikkelen een veilige basis. Wat hier genoemd wordt zijn de risicofactoren. Maar er zijn ook kinderen die in bovengenoemde omstandigheden opgroeien en die zich (toch) veilig kunnen hechten.

Van IJzendoorn, die veel onderzoek naar hechting heeft gedaan, merkt daarbij op dat de factoren bij de ouders zwaarder wegen dan de factoren bij het kind. Ouders kunnen de risicofactoren bij het kind deels compenseren door extra aandacht te besteden aan factoren die belang zijn voor de hechting.

Als ouders zelf veel risicofactoren met zich mee brengen vraagt dit bijsturen extra vaardigheden: je moet vooral jezelf kunnen bijsturen.