Hechting in vogelvlucht (10)

Chris was stoer. Hij huilde nooit, ook al deed hij zich nóg zo'n pijn. Hij zocht ook geen troost bij zijn vader of moeder. 

Aletha Solter heeft een boek geschreven over ‘de taal van het huilen’. Ze heeft twintig jaar onderzoek gedaan naar het huilen van baby’s en peuters. Toch is ze nog redelijk vrolijk gebleven.

Uit haar onderzoek kun je o.a. halen hoe belangrijk het is dat kinderen huilen. De opmerking dat jongens niet (mogen) huilen is helemaal strijdig met de wijze waarop Solter naar het huilen kijkt. Door het (kunnen) huilen raak je cortisol (het stress-hormoon) kwijt. Dat zit namelijk in het traanvocht.

Een oplossing zou kunnen zijn dat jongens collectief uien gaan snijden en op die manier via het traanvocht de stress kwijt raken. Maar zo zijn we helaas niet getrouwd. Als je uien snijdt komt er geen cortisol vrij, tenzij je in je vinger snijdt en het alsnog op een brullen zet. 

In de loop van de behandeling door Truus Bakker-van Zeil (‘inhaalstrategie’) van de verstoorde hechting bij Chris bleek dat zijn drukke gedrag minder druk werd. Hij kon zich langer concentreren, kon taken langer volhouden, werd minder beweeglijk (hij bewoog bij alles ‘van top tot teen’). Ook bleek hij meer in staat tot samenspel. Vóór de behandeling speelde hij vooral alleen en als andere kinderen in zijn spel invoegden werkte hij hen vooral tegen.

Opvallend is ook in de film dat hij veel meer de nabijheid van zijn moeder zocht. ‘Mamma, aan mij raken’ is een ontroerend fragment uit deze film. En in een spannende situatie in de Efteling gaat hij er niet op af (opzoeken waar je bang voor bent), maar hij wil bij zijn vader op de arm naar die enge figuur kijken.

Als je oppervlakkig naar Chris keek zou je kunnen denken dat hij een erg drukke peuter was bij wie mogelijk sprake was van ADHD. Maar als je naar zijn voorgeschiedenis kijkt is er iets anders wat het drukke gedrag veroorzaakte: een gebrek aan basis, onvoldoende hechting.

Hoe het verder is gegaan met Chris weet ik niet. Ik vermoed dat hij altijd een stevige actieve knul is gebleven. Maar wel met minder turbulentie en ook iemand die meer heeft geleerd om emoties samen te delen en daardoor met minder stress in zijn lijft. Want: 'gedeelde smart is halve smart'. 

Hechting in vogelvlucht (9)

Kinderen die angstig-vermijdend gehecht zijn zoeken weinig troost. Ze verbijten zich. Ze lossen het allemaal in hun eentje op.

Voor de buitenwereld zijn deze kinderen stoer’. Ze geven geen kik als ze zich pijn doen. Ze zullen ook niet gaan huilen.

Is dat nu zo erg? Psychologe Truus Bakker-van Zeil heeft een film gemaakt over Chris, een jongen die op de leeftijd van ruim een jaar geadopteerd is. Voor die tijd woonde hij in een Braziliaans kindertehuis met zo’n 600 kinderen.

Chris is een vrolijk en actief jongetje. Je ziet op het schoolplein hoe hij op zijn knieeën achter een wagentje aan getrokken wordt. Toch reageert hij niet op de pijn die dit moet doen.

Op een andere opname zit hij – samen met zijn zusje – in bad. Hij stoot ontzettend hard zijn hoofd. Veel kinderen zouden gaan huilen en hun mamma of pappa roepen. Dat doet Chris niet. Hij zit zich te verbijten, terwijl zijn zusje (dat voor hem in bad zit) niets door heeft. De scene duurt meer dan een minuut. Daarna zoekt Chris (die inmiddels vier jaar oud is) alsnog troost. Hoe doet hij dat? Door zijn zusje op de rug te gaan likken. Dat is een heel primitieve manier van het zoeken van troost.

Het oudere zusje van Chris is ook geadopteerd vanuit Brazilië. Zij ontwikkelt zich vanuit de optiek van de hechting veel meer ‘normaal’ dan Chris. Toen ze net uit Brazilië kwam bleek ze een tropische infectie te hebben, waardoor ze maandenlang ziek is geweest. Daardoor werd ze maandenlang verzorgd. Dat was een geluk bij een ongeluk. Chris heeft deze fase bij zijn adoptie-ouders niet meegemaakt. De eerste dag dat hij bij hen was bleek hij al op straat te lopen. Gewoon over de rand van de box geklommen en naar buiten gegaan.

In het verschil tussen Marina, het zusje van Chris, en Chris zélf zit ook de sleutel voor de behandeling van kinderen met hechtingsstoornissen zoals Truus Bakker – van Zeil deze heeft ontwikkeld. Ze zegt dat er moet worden nagegaan welke fase(n) in de sociaal-emotionele ontwikkeling het kind gemist heeft. Ze pleit ervoor om die fase alsnog in te halen.

Bij Chris betekende dat o.a. het geven van baby-massage. Dat bleek geen succes. Chris was inmiddels op een leeftijd waarbij hij zich schaamde tussen de andere blote baby’s. Dat zie je bij peuter-jongetjes aan het feit dat ze angstigvallig hun piemeltje verstoppen in de buurt van vreemden. Dat deed Chris ook. Geen manier om tot ontspanning te komen.

In de thuissituatie reageerde Chris echter goed op de baby-massage. Het opvallende was dat hij na afloop een half uur niet meer praatte, maar brabbelde. Tegelijkertijd kon hij een half uur lang rustig aan het spelen zijn. Dat was zonder die baby-massage onmogelijk. Hij rende steeds van de ene activiteit naar de andere activiteit. 

Temperament en hechting (2)

Als ouders weinig invloed ervaren bij de opvoeding kunnen ze ontmoedigd raken. Een kind dat niets leuk vindt, waar het altijd heel erg precies komt, dat kost pedagogische energie. Het is ook mogelijk dat je minder contact maakt dan met een kind dat jou steeds weer met een grote lach begroet en dat gemakkelijk tevreden is. 

Minder contact

Ouders van baby’s met een moeilijk temperament bleken in een onderzoek van Van den Boom minder oogcontact en lichamelijk contact met hun kinderen te maken. Ze waren minder betrokken bij hun kind en ze reageerden ook minder vaak en minder intens als de baby’s positief gedrag lieten zien (bijv. lachen, contact maken).

Waarschijnlijk hebben deze ouders zichzelf deels ‘afgesloten’, hebben ze als opvoeder geen zelfvertrouwen meer, het ontbreekt hen aan het perspectief dat ze invloed hebben op hun kind. Het zich afsluiten zou dan dus een vorm van emotionele zelfbescherming kunnen zijn.

Het is dan dus nodig dat ouders opnieuw leren ervaren dat ze de vaardigheden hebben om met hun kind om te gaan, zodat ouder en kind weer plezier in de interactie kunnen ontwikkelen.

Training

Van den Boom ontwikkelde een training voor ouders om te leren het contact met hun kind ‘dichterbij’ aan te gaan. Onderdelen van deze training waren:

  1. De signalen van het kind opmerken en daarop reageren. De belangrijkste onderdelen waren het imiteren van het gedrag van de baby en het nadoen van zijn geluiden. Voorbeelden: de vocalisaties van de baby imiteren met geluid en mimiek. Als je praat tegen je kind, doe dat langzaam, spreek de woorden langzaam uit en herhaal ze. Als je kind gaat staren betekent dit vaak dat het de communicatie niet heeft begrepen (we noemen dat ook wel ‘bevriezen’). Dan moet je een tijdje stil zijn, maar wel nabij blijven, om het kind de tijd en de ruimte te geven om het contact te herstellen. Deze manier van handelen leidt ertoe dat het tempo van de interactie verlaagd wordt, dat het kind de ruimte krijgt om de opvoeder te volgen en dat de opvoeder de tijd krijgt om de signalen van het kind beter te interpreteren.

2. Als een kind huilt, blijf dan (toch) zoeken naar vormen van contact. Deze kinderen lijken vaak contact af te wijzen, maar ze wijzen niet ieder contact af. Op welke wijze kun je –als je kind van slag is- toch een vorm van contact opbouwen (ter vergelijking: Aletha Solter: De taal van het huilen). Als je een bepaalde vorm van contact hebt opgebouwd, hou die vorm dan in stand. Veel kwetsbare kinderen raken van slag en gefrustreerd als ze het gedrag van hun moeder niet begrijpen, omdat haar manier van contactopbouw steeds weer verandert.

3. Probeer aan te sluiten op de positieve gedragingen van het kind, in plaats van dat je je als opvoeder helemaal focust op het als lastig ervaren gedrag. Onderzoek in welke omstandigheden je kind het minst gespannen/ het meest ontspannen is, ga na waarom dat in zo’n situatie zo is en probeer op die kennis je mogelijkheden voor contact verder uit te bouwen.

De training voor de ouders had als doel de ouders (opnieuw) te leren om het gedrag van hun kind te ‘lezen’ (sensitiviteit) en daarop te reageren (responsiviteit).

Opmerkelijk is dat de training van de ouders een beperkte tijd in beslag nam (om de 3 weken een dagdeel, 3 maal, dus in totaal verspreid over 9 weken). Zelfs jaren later bleken de ouders de vaardigheden uit de training nog toe te passen. Vooral het gevolg voor de kwaliteit van de hechting was zeer opmerkelijk. Een groot deel van de oorspronkelijk als kwetsbare baby’s benoemde kinderen bleek zich zeer positief te hebben ontwikkeld.

D.C. van den Boom: The influence of temperament and mothering on attachment and exploration. In: Child Development, 65, 1457 – 1477.

Gegevens ontleend aan: Danuta Bukatko en Marvin W. Daehler, Child Development, A thematic approach; hoofdstuk 11: Emotion.  Houghton Mifflin Company, 2001

Temperament en hechting (1)

Ooit schreef ik een boekje over  'Temperament bij kinderen'. Dat boekje kwam voort uit mijn verbazing over hoe kinderen van dezelfde ouders zich zó verschillend kunnen uiten in hun gedrag.

In het boekje beschreef ik een puberende jongen bij wie de kamer één grote bende was. Als hij naar school fietste was dat altijd op de nipper, terwijl er onderweg van alles uit zijn tas kon vallen. Hij fietste stoep op en stoep af en zijn fiets verkeerde in een permanente toestand van ontbinding. Aan tafel lag het eten aan het einde van de maaltijd tot op een halve meter rond zijn stoel.

Zijn zus had alles tot in de puntjes geregeld. Een nette kamer, altijd op tijd op school, alles keurig verzorgd, mes en vork keurig naast het bord.

Was dat nu het verschil tussen jongen en meisje? Maar als dat zo was, hoe kun je dan de verschillen tussen de tweeling Jacob en Ezau uit de Bijbel verklaren? De één zat het liefste bij zijn moeder in de keuken, de ander was een avonturier. En dat bij een tweeling!

Volgens mij hebben die verschillen te maken met het temperament. En net zoals een vingerafdruk uniek is, zo is ook het temperament uniek. Het is een aangeboren gedragsstijl die past bij dit kind. Karakter en persoonlijkheid ontwikkelen zich in de loop van de tijd, mede onder invloed van de opvoeding, maar met een temperament word je geboren.

Onderzoekers Alexander Thomas en Stella Chess maakten onderscheid tussen het moeilijke en het gemakkelijke temperament, met nog een variant daartussen. En om een lang verhaal kort te maken: het kost ouders van een kind met een moeilijk temperament veel meer moeite om een goede pasvorm voor de opvoeding te vinden bij het kind.

Kenmerken van dat moeilijke temperament zijn bijvoorbeeld het moeilijk wennen aan nieuwe situaties, een lage susbaarheid (moeilijk te kalmeren), een grote mate van vasthoudendheid en een meer negatieve kleur van de stemming.

Hechting is niet een proces dat alleen vanuit de ouders vorm krijgt. Hechting is een proces dat plaats vindt in de interactie tussen dit kind en deze ouders. Maar als een kind gemakkelijk is in de omgang valt ook de verwachten dat je eerder aansluiting vindt bij het kind; je bent sneller op elkaar ingespeeld.

Als een kind een moeilijk temperament heeft is die aansluiting lastiger. Je hebt misschien als opvoeder het gevoel dat je het nooit goed doet. En die bemoeilijkte aansluiting is van invloed op de kwaliteit van de hechting.

Uit onderzoek komt naar voren dat drie van de vier baby’s met een moeilijk temperament op tweejarige leeftijd onveilig gehecht is (Van den Boom en Hoeksma, 1994).

Dit wil niet zeggen dat het verband één op één is, het verklaart wél waaroom ouders met het ene kind gemakkelijker door één deur kunnen dan met het andere kind.

Dat is dan geen kwestie van pedagogische onbekwaamheid. Het ene kind vraagt meer van de ouders dan het andere kind. 

Hechting in vogelvlucht (7)

De peuter blijft achter bij een vreemde meneer/mevrouw in een vreemde ruimte. De moeder/vader verlaat de ruimte. Hoe reageert het kind?

Kinderen die veilig gehecht zijn willen hun moeder (m/v) terug, maar herstellen al snel en proberen iets anders te verzinnen, bijvoorbeeld met het speelgoed spelen.

Bij de onveilig gehechte kinderen zie je twee typen reacties:

a) Kinderen die helemaal terugvallen in hun gedrag: ze komen nergens meer toe. Het contact met de vreemde man/vrouw wordt afgewezen, ze komen niet tot spel, ze gaan zitten wiegen (zelfstimulerend gedrag).

b) Kinderen die niet of nauwelijks reageren op het vertrek van de moeder/vader. Ze doen net alsof er niets aan de hand is. Ze komen stevig en stoer over.

De vormen a en b zijn beiden vormen van onveilige hechting. Peuters moeten in principe even wennen in een vreemde situatie en met een vreemd persoon. Voor een kind dat daar niet op reageert zijn personen kennelijk inwisselbaar. Het maakt niet uit wie er is, zelfs niet in een vreemde ruimte. We noemen dat de angstig-vermijdende hechting.

Er zijn ook peuters die de draad niet meer op kunnen pakken: ze vallen letterlijk en soms ook figuurlijk stil. Bij die kinderen spreken we o.a. van de angstig-ambivalente hechting. Maar waarom dat zo heet zie je pas als de moeder/vader weer in de ruimte is. Dat is nog meer cruciaal bij de observatie dan het vertrek van de moeder/vader.

Tegenwoordig is er nog een derde vorm van onveilige hechting. Die heet de gedesorganiseerde hechting. Deze kinderen zijn onvoorspelbaar in hun reactie. Dit is de meest complexe vorm van onveilige hechting. Ik vermoed dat er een verband is met het (later) ontstaan van borderline-problematiek. 

Hechting in vogelvlucht (6)

Om de hechting te meten ontwikkelde psychologe Mary Ainsworth een proefsituatie waarbij gekeken wordt hoe de peuter in een vreemde situatie reageert op het vertrek en de terugkomst van de moeder. 

Dit onderzoek wordt dan ook de Strange Situation of Vreemde Situatie genoemd. De peuter komt met zijn moeder in een voor hem onbekende ruimte met een voor hem onbekend persoon. Daarna vertrekt de moeder. De vraag is wat de peuter nu gaat doen.

Ik heb nog een opname van bijna vijftig jaar geleden van één van mijn cliënten. Hij reageert niet of nauwelijks op het vertrek van zijn moeder. De behandelend psychiater (nog in witte jas) probeert contact met hem te maken, maar dat lukt niet. De cliënt (toen drie jaar oud) reageert ook niet op het speelgoed. Hij reageert evenmin op de terugkomst van zijn moeder. Met name dat laatste vond ik destijds het meest belangrijke aspect bij deze observatie. 

Bij het onderzoek naar de Vreemde Situatie let je dus vooral op de reacties van het kind bij vertrek van de moeder (je kunt ook de vader lezen, maar in veel onderzoek gaat het toch om de moeder). Wat echter cruciaal is, is wat de peuter doet als zijn moeder weer terug is in de ruimte.

Bij een gezonde hechting zie je dat de peuter reageert op het vertrek van zijn moeder. Hij vindt het vreemd, en zal haar misschien achterna willen lopen. Na een tijdje herstelt zich dat. De peuter is nog wel wat timide, maar hij gaat in op de uitnodiging van de behandelaar en vindt het speelgoed ook wel interessant. Met andere woorden: na een korte dip herstelt het kind zich weer.

Stel: de peuter gaat samen met de onderzoeker een toren bouwen en daarna komt zijn moeder weer binnen. Dan zal de peuter zijn moeder daar direct bij betrekken. Kijk eens mamma, wat ik gemaakt heb! Daarna gaat hij vrolijk verder met bouwen, samen met de onderzoeker, terwijl hij ondertussen een lijntje met zijn moeder onderhoudt.

Met andere woorden: bij een gezonde hechting mist het kind zijn moeder, maar hij valt niet stil. Na een korte periode van ongemak herstelt hij zich weer. Kinderen met een onveilige hechting komen niet tot herstel. Ze vallen helemaal stil. Of ze reageren helemaal niet op het vertrek van de moeder: ze gaan door alsof er niets aan de hand is. Dat zijn twee varianten op het thema onveilige hechting.

Bij de cliënt die ik aan het begin beschreef kon je overigens niet spreken van veilige of onveilige hechting. De jongen had een extreme vorm van klassiek autisme. Een paar maamden geleden raakte ik weer bij hem betrokken. Hij is inmiddels 50-plus en functioneert nog steeds - bij wijze van spreken - als een eiland tussen de andere mensen in zijn omgeving. Dat wil overigens niet zeggen dat hij geen contact maakt. Maar daarvoor moet je hem eerst goed leren ‘lezen’.  

Hechting in vogelvlucht (4)

Hoe komt het dat kinderen van ongeveer zeven maanden eenkennig worden? Daar spelen zowel de rijping van de hersenen als de ontwikkeling van de zintuigen een rol.

Rond de zeven maanden ontwikkelt de baby object-permanentie. Dat wil zeggen: ook dat wat je niet ziet bestaat tóch. Voor die leeftijd is mamma totaal van de aardbodem verdwenen als de baby haar niet ziet. Ze is er gewoon niet meer. Dus kan de baby ook niet huilen om haar terug te roepen.

Mamma is trouwens ook verdwenen als ze haar hoofd onder een lapje heeft verstopt. En het flesje is verdwenen als het achter een pak hagelslag is neergezet. ‘Wat je niet ziet bestaat niet’.

Vanaf zeven maanden ontwikkelt het kind het vermogen om te beseffen dat dat wat je niet ziet tóch bestaat. Dat komt omdat het nu een plaatje in zijn hoofd kan maken. Mamma is niet in de kamer, maar mamma is wel ergens.

Het tweede is dat een kind vanaf zeven maanden scherper gaat zien. Eerst lacht een kind tegen alles wat op het gezicht van een mens lijkt (dus ook tegen maskers), vooral als hij ondertussen een prettige stem hoort en zich tevreden voelt.

Vanaf ongeveer zeven maanden is de baby beter in staat om gedetailleerd te kijken. Opeens ziet hij dus verschillen tussen mensen. Mamma heeft een bril op en lang blond haar, de buurvrouw heeft geen bril en kort zwart haar. Vervolgens wordt dat wat er anders uitziet als de meest vertrouwde persoon ‘vreemd’ en soms ook beangstigend.

Het is deze combinatie van ontwikkelingen die de baby eenkennig maken. Er ontstaat een voorkeur voor het vertrouwde en een ‘afkeer’ voor diegene die minder vertrouwd is.

Deze fase is cruciaal voor de ontwikkeling van de hechting. Het betekent namelijk dat mensen niet meer inwisselbaar zijn. ‘Wij horen bij elkaar’.

Nu zal het ene kind meer eenkennig zijn dan het andere kind. Waarom dat zo is? Vroeger werd nogal eens gedacht dat dat kwam omdat het kind teveel bij de moeder was en te weinig andere mensen zag. Ik vind die verklaring te simpel.

Ik denk dat de eenkennigheid veel meer te maken heeft met het temperament van het kind. En vooral met het aspect van de prikkelgevoeligheid. Hoe scherper en meer gedetailleerd een kind waarneemt, des te groter de kans dat hij ook meer eenkennig zal zijn. 

Hechting in vogelvlucht (2)

Ik teken bij de cursus altijd een 'ui-model' als het gaat om het uitleggen van wat hechting is. 

De baby kan zich redelijk op zijn gemak voelen bij een groot aantal mensen (als men hem maar rust, veiligheid, warmte en voeding biedt). Een kind van ongeveer een jaar is vaak eenkennig, maar een paar vertrouwde mensen zijn veilig genoeg. En daarna wordt de wereld van mensen met wie het kind contact heeft weer groter.

Maar hoe zit het voor de geboorte, willen veel cursisten weten. Persoonlijk kan ik me daar niets van herinneren, al zaten mijn ouders in een verhuizing. Maar ze hebben gelijk: de eerste bouwstenen van de hechting liggen al vóór de geboorte. Maar dat onderwerp sla ik nu over. Ik begin op het moment dat de vader voor de baby zichtbaar wordt, dus vanaf de geboorte. 

Vóór de geboorte werken alle zintuigen al, behalve… de geur. De baby krijgt dus via de zintuigen al informatie over de buitenwereld binnen. Erg mooie geluiden zijn dat niet, het klinkt vooral als een bad dat al slurpend en heftig borrelend leegloopt. Baby’s reageren voor de geboorte ook al op muziek.

Opmerkelijk is dat juist de geur het eerste zintuig is waarmee de pasgeboren baby de moeder herkend. Baby's van twee dagen oud hebben al een voorkeur voor een lapje met de geur van de moeder. 

Een baby wordt overspoeld door indrukken. Het is één grote heksenketel aan prikkels. Hij weet niet waar hij kijken moet. Hoewel: vlak na de geboorte kijkt de baby op een afstand van 60 centimeter heel gericht naar de ogen van de moeder. Dar zit al een stukje van de hechting in. En die 60 centimeter is niet toevallig: dat is ongeveer de armlengte.

Dat is een volgend thema. Om de hechting te begrijpen moet je iets weten van de zintuigen. Mijn stelling is dat de zintuigen de voertuigen van de hechting zijn. Via de zintuigen leert het kind de vertrouwde mensen om zich heen kennen. Staat één van de zintuigen te scherp afgesteld of werkt één van de zintuigen niet, dan leidt tot altijd tot problemen in de ontwikkeling van de hechting.

Dat zien we vooral bij kinderen met een auditieve beperking. Vraag aan de cursisten is of ze kunnen bedenken waarom dat zo is. 

Bouwstenen van de hechting

Eén van de cursussen die het meeste van invloed op mijn denken is geweest werd gegeven door orthopedagoge mevrouw Truus Bakker - van Zeil. Zij ontwikkelde een 'inhaalstrategie voor hechting bij adoptiekinderen'. 

Centraal in de cursus stond Chris, een jongen die op de leeftijd van één jaar uit een Braziliaans kindertehuis naar Nederland was gekomen. Chris was een vrolijk en ondernemend jongetje, maar hij was ook ernstig ontremd. Samenspelen met andere kinderen kon hij niet. Hij vertoonde tal van kenmerken van hechtingsproblemen op jonge leeftijd. Dat zou je niet meteen zeggen, omdat hij zo vrolijk was en met iedereen contact maakte.

Eén van de stellingen van mevrouw Bakker was dat élk moment dat een kind geniet van de onvoorwaardelijke aanwezigheid van een volwassene een bouwsteentje vormt voor de hechting.

Dat was voor de cursisten (bijna allemaal werkzaam in de Jeugdzorg) een bijzondere ingang. Ze leerden juist om afstand te houden. Deze kinderen moest je niet nabij komen, want je was slechts een voorbijganger die tóch weer weg ging.

Mevrouw Bakker keerde het dus om. Nee, je moet deze kinderen niet bedelven onder jouw liefde. Daar kunnen ze niet mee omgaan. Dan draag je bij aan hun ontsporing. Maar je kunt er wel voor ze zijn. Iets met hen ondernemen, iets doen. Als je dat doet ervaren deze kinderen dat het goed is om met anderen te zijn. En dat is toch een stukje hechting.

Pas later realiseerde ik me dat de afstand die ook ik wel bij mezelf inbouwde te maken had met mijn eigen angst voor verlating. Dat projecteerde ik op de kinderen. Ze moesten niet de ervaring hebben dat ze verlaten werden. Dus moest je niet te dichtbij komen.

Mevrouw Bakker: "Zelfs al ben je maar één dag als stagiaire op de woning, die ene dag is al een bouwsteentje in de hechting voor een kind."

Splitting bij kinderen (1)

"De één is de heilige Sint Nicolaas, de ander is de zwarte Piet." Zo beschrijft klinisch psycholoog Luk Steemans het verschijnsel van het splitsen ('splitting') bij kinderen.

Dat hij Zwarte Piet beschrijft valt hem niet euvel te duiden, zijn artikel is al een aantal jaren oud. Bovendien is hij een Belg. Daar houden ze zich minder bezig met het thema racisme en Zwarte Piet.

Hoewel Zwarte Piet inmiddels taboe is ga ik het vandaag tóch ook over dit beeld hebben in het kader van een cursus die ik moet geven over omgaan met hechtings-problemen bij kinderen. Vijf kilometer van de Belgische grens, dus mocht ik belaagd worden door de zogenaamde fatsoensrakkers in Nederland, dan kan ik snel de grens over fietsen.

Zelfconstantie en objectconstantie

Kinderpsychiater M.S. Mahler heeft een halve eeuw geleden de vroege emotionele ontwikkeling van kinderen beschreven. Een deel van haar theorie is inmiddels achterhaald, maar andere termen hebben allerlei ontwikkelingen in de kinderpsychiatrie overleefd. Mahler introduceerde de begrippen separatie (loskomen van je moeder) en individuatie (een eigen persoon worden). Daar hangen twee andere begrippen mee samen.

Ergens tussen de één en drie jaar ontwikkelt een kind zowel de zelfconstantie als de objectconstantie. Die zelfconstantie maakt dat je een positief beeld van jezelf vast kunt houden, ook al krijg je af en toe straf. De objectconstantie houdt in dat je ook een positief beeld van de ander vast kunt houden. Ook al geeft die ander mij op dit moment straf, in zijn algemeenheid ben ik toch graag bij hem in de buurt. In principe is de ander te vertrouwen. Pappa is nu even boos, maar straks is het weer goed.

Het begrip van dat positieve zélf en van positieve mensen in je omgeving heb je nodig om een relatie aan te kunnen gaan. Je hebt dan altijd een ‘beeld’ bij je dat het jou mogelijk maakt om geleidelijk meer uitstel te verdragen. Je kunt beter teleurstellingen verdragen, je kunt je overgeven aan andere opvoeders (de oppas).

Splitting bij kinderen

Bij kinderen die wij als ‘gedragsgestoord’ beschouwen is dit vermogen niet voldoende ontwikkeld. Deze problemen hebben voor een groot deel met een verstoord proces van hechting te maken.

Volgens Luk Steemans proberen ook deze kinderen een positief beeld vast te houden. Ze zijn bang dat de negatieve ervaringen het zullen winnen van de positieve. Ze hebben onvoldoende vertrouwen dat het goed komt. Het mechanisme dat ze hiervoor zouden ontwikkelen is (dus) dat van het ‘splitten’: mensen die helemaal goed zijn en mensen die helemaal slecht zijn. Het beeld van de nuancering wordt niet vastgehouden.

Stel: je speelt met een kind en je moet daarna iets anders doen. Een kleuter die zich emotioneel goed heeft ontwikkeld houdt dat positieve beeld vast. Hij beseft dat pappa iets anders moet doen, maar houdt vast dat het leuk was, samen. De kleuter zal teleurgesteld zijn, maar niet woedend.

Een kleuter met onvoldoende ‘ik’ zal veel heftiger reageren. Hij voelt zich afgewezen. De reactie is: boosheid en woede. Het algehele gevoel: ik word totaal afgewezen. Ik heb dus verloren van een overmachtige vijand.

De angst zelf niet te deugen wordt geprojecteerd op de boze buitenwereld. De angst zichzelf als klein en nietig te ervaren wordt gecamoufleerd: ik ben de grootste, de sterkste, ik ben onaantastbaar. Eén van de gevolgen is dat deze kinderen op zoek gaan naar uitgerekend datgene waar ze bang voor zijn. Ze gaan in gevecht met de boze buitenwereld. “Kijk eens, hoe brutaal ik durf te zijn tegen Zwarte Piet!”

Gestagneerde ontwikkeling bij volwassenen

Zwart-wit denken en projectie van het kwaad op de boze buitenwereld zijn gedragingen die passen bij een gestagneerd proces van separatie en individuatie. De emotionele ontwikkeling heeft tussen de 1 en 3 jaar aanzienlijke schade opgelopen.

Na de puberteit, als de persoonlijkheid zich uitkristalliseert, komt dat vooral tot uiting bij de ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Splitting is bij mensen met borderline één van de meest beruchte kenmerken. Er is geen ruimte voor nuancering, het denken is zwart-wit. De één is helemaal goed, de ander is helemaal fout.

De splitting kan twee kanten uit gaan: er kan een eindeloos beroep op mensen gedaan worden (de pastor, de hulpverlener, de persoon die vertrouwd wordt) wordt dag en nacht gebeld. Of het gaat juist de andere kant uit: het contact wordt radicaal verbroken.

Wat zit er achter het gedrag?

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het ogenschijnlijk onuitstaanbare gedrag liggen. De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.