Lastige kwetsbaarheid (5)

Groot én klein zijn lijkt een centraal thema te zijn in het leven van mensen met emotionele problemen. Groot zijn roept angst op: je moet het zelf uit zoeken. Klein zijn maakt afhankelijk én het wordt niet gewaardeerd (‘kinderachtig’).  

“Deze mensen zitten vast in een gedachtepatroon dat geen middenweg kent tussen eenzame onafhankelijkheid en kinderlijke hulpeloosheid” (Les Parrot). De stoere buitenkant is het groot zijn en ook het willen controleren van de ander. Het klein zijn zit in de slachtofferrol. Er bestaan dus eigenlijk geen volwassen verhoudingen.

Groot én klein

Het psychologische spanningsveld van de peuter (groot moeten en klein willen zijn) kan zich voortzetten bij het groter worden: het wordt een gedragspatroon en daarmee een deel van de persoon. Bij volwassenen komt dit o.a. tot uiting in het zich snel  gekrenkt voelen (vooral in het contact met ‘leidinggevenden’).

Een peuter kan pruilen als de dingen niet gaan zoals hij dacht (“jullie houden niet van me”). Ook volwassenen kunnen ‘zielig’ doen. “Ik heb me zó ingezet en nou mag ik toch niet eens mijn eigen mening zeggen” zei iemand die werd aangesproken op zijn negatieve taalgebruik over collega’s.

Opvallend is dat deze mensen zich slachtoffer voelen, maar dat ze niet actief hulp durven te vragen. De ander moet maar zien dat ze hulp nodig hebben. Hulp maakt kwetsbaar en is dus bedreigend. Hun boodschap luidt: Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt (Weisfelt).

Hechting

Veel moeilijk te hanteren gedrag bij mensen komt voort uit een onveilige hechting: er is onvoldoende vertrouwen gegroeid (dit heeft vaak ook met gevoeligheid en temperament van het kind te maken). Adriaenssens: “Veilige hechting betekent dat je iemand kunt loslaten omdat je vertrouwt dat die persoon weer terugkomt. Voor angstige peuters is langdurig huilen vaak een efficiënt wapen geworden om te voorkomen dat de ouders weg gaan”. Bij volwassenen komt deze angst o.a. terug in de behoefte om mensen in de omgeving te willen controleren en in het claimen.

De verlatingsangst herhaalt zich vaak van generatie op generatie. Adriaenssens: “Het zijn niet alleen kinderen die moeten leren om met kwetsbaarheid om te gaan, ook volwassenen moeten dit leren.”  Daarbij spelen de eigen levenservaringen een grote rol. Bastiaans (die zich specialiseerde in oorlogstrauma’s): “Sommige mensen zijn door hun vroegere als traumatisch ervaren verlatings-ervaringen voorbeschikt om later, onder nieuwe moeilijke omstandigheden, opnieuw te reageren met patronen die met die eerdere verlating verbonden zijn”. Hij voegt toe dat de uitingen heel verschillend kunnen zijn: zoals het dwars liggen, depressief worden, claimen, ‘onecht’ (theatraal) gedrag.

Lichamelijke klachten

Eerder werden al lichamelijke klachten genoemd. Vooral bij kwetsbare mensen vormen die klachten ook de uiting van het emotionele functioneren. In de psychiatrie is een breed scala van ‘onbegrepen lichamelijke klachten’ bekend. Daarmee bedoelt men dat er niet direct een bekende lichamelijke oorzaak voor de klachten gevonden kan worden. “Mensen tobben zich soms daadwerkelijk ziek, ze worden écht ziek” (Ellis & Diekstra). En daarmee zitten we meteen in een dilemma: zijn al die onbegrepen klachten aanstellerij?  

Nee, zelfs als lichamelijke klachten een psychische oorzaak zouden hebben valt dat nog niet samen met  aanstellerij. Bovendien: of het nu lichamelijk of psychisch is, je voelt je echt ziek.

Splitting (1)

Elke hulpverlener kent het verschijnsel wel: de ene begeleider wordt op een voetstuk gezet, de ander deugt voor geen meter. En hoe goed je het ‘splitten’ ook kent, je komt ook altijd weer de valkuilen bij jezelf tegen. Want als je als behandelaar op een voetstuk wordt gezet, dan streelt dat je ego.

Per persoon en door de tijd

Splitting komt binnen het team voor: de één is erg goed, de ander moet direct ontslagen worden. Het verschijnsel kan zich ook door de tijd heen voordoen. Eerst ben je een topper en een half jaar later krijg je een klacht aan je broek(rok).

Als medewerker in de zorg moet je alert zijn als iemand jou op een voetstuk zet: de kans is bepaald niet denkbeeldig dat je er vervolgens heel hard afvalt. Hoe meer je op een voetstuk wordt gezet, des te groter zal de kans zijn dat je er af valt.

(Te) hard je best doen

Een andere valkuil is dat de complimenten verslavend werken. Je wilt de relatie immers goed houden. De (onderbewuste) boodschap van de cliënt is: ‘als jij altijd voor mij klaar staat ben jij de beste behandelaar die ik ooit heb gehad’. De manier waarop je op die boodschap reageert is dat je hard wilt werken om aan de verwachtingen te kunnen blijven voldoen. Doe je dat niet, dan val je inderdaad zómaar van je voetstuk.

Splitting en hechting

Naar mijn mening heeft splitting vaak te maken met hechting. Bij de zogenaamde angstig-ambivalente hechting spelen drie tendensen een rol:

  • De behoefte aan nabijheid,
  • De angst voor verlating en
  • De boosheid om de verlating.

Een andere vorm van verstoorde hechting die zich kan uiten in splitting is de zogenaamde gedesorganiseerde gehechtheid. Hierbij is vooral sprake van een onvoorspelbaar patroon van reacties. Je komt tien minuten te laat op de afspraak en er is niets aan de hand. De volgende keer kom je twee minuten te laat en het huis is te klein.

Casus Marjanne   
Marjanne woont op een woning met zes andere cliënten met een lichte verstandelijke beperking. Ze woont met vrij stevige begeleiding, omdat het steeds weer mis ging toen ze begeleid zelfstandig woonde. Marjanne is het helemaal niet eens met alle afspraken die (voor haar) gelden op de woning.  Opmerkelijk is dat ze zich in aanwezigheid van haar persoonlijk begeleider Sanne redelijk ‘aangepast’ gedraagt: er zijn opvallend weinig conflicten. Ze toont zich meegaand en soms zelfs opvallend coöperatief.  Bij begeleidster Dorien laat Marjanne heel ander gedrag zien. Er zijn continu botsingen. Ze is het niet eens met de afspraken, wil zich er absoluut niet aan houden en trekt zich vaak mokkend terug op haar kamer. Wat is er aan de hand?

Zwart-wit

Marjanne heeft in de loop van haar leven veel negatieve ervaringen gekend. Ze is gefrustreerd geraakt en door het leven getekend. Toch heeft ze nog steeds een ideaalbeeld van hoe anderen zouden kunnen of moeten zijn. Er is dus wel een stukje hechting op gang gekomen, maar het is ambivalent. Aan de ene kant is er dus het ideaalbeeld: dat is Sanne geworden. Ze wil Sanne koste wat het kost te vriend houden en het positieve beeld in stand houden.

Maar Marjanne heeft ook veel negatieve ervaringen meegemaakt. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat betekent o.a. dat ze ‘langzaam lerend’ was en daardoor anderen vaak niet goed kon volgen. Het tempo van haar ouders lag bijvoorbeeld te hoog: ze was hen vaak ‘kwijt’. Eén van de gevolgen is vaak een verstoorde hechting.

Dat is volgens de criteria van Boris en Zeanah (2005) bij Marjanne op jonge leeftijd ook al duidelijk geweest. Op volwassen leeftijd laat ze veel kenmerken van een borderline-persoonlijkheidsstoornis zien.

Zeven maal de hechtingsstoornis (2)

Kinderpsychiater Karl Heinz Brisch heeft zich vooral gespecialiseerd in het transgenerationeel trauma. De verwerking van eigen jeugdtrauma's ziet hij als een voorwaarde voor de ontwikkeling van een gezonde emotionele band tussen ouder en kind. 

Brisch heeft ook veel onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de kinderopvang in Duitsland. Hij is van mening dat er in de opleiding voor medewerkers in de kinderopvang vaak te weinig aandacht wordt besteed aan voorwaarden die de kwaliteit van de hechting tussen de medewerker en het kind kunnen verbeteren. Bij een goede kwaliteit van de kinderopvang kan een baby/peuter volgens hem ook een veilige band opbouwen met de medewerker in het kinderdagverblijf.

Onder geschikte omstandigheden kan een kind van zes maanden oud ook een veilige band opbouwen met een verzorger in het kinderdagverblijf.

De volgende vijf uitingsvormen van een verstoorde hechting die door Brisch worden genoemd zijn:

c). de grenzenloze binding (symbiose): het kind staat geen afstand tot de hechtingsfiguur toe. Er ontstaat totale paniek als de betrokken persoon uit zicht verdwijnt (dit wordt in een ander verband ook wel de separatieangststoornis genoemd). Alleen in de nabijheid van (één exclusieve) hechtingspersoon zijn ze gerustgesteld. Bij deze kinderen overheersen angst en paniek.

d). de geremde binding(einzelgänger): het kind houdt van iedereen afstand, zoekt geen fysieke toenadering, bekijkt iedereen van een afstand. Het kind past zich gemakkelijk aan, lijkt weinig weerstand te vertonen, mits het maar ‘met rust gelaten wordt’. “Laat mij mijn eigen gang maar gaan” lijkt het kind te zeggen.

e). de agressieve binding: door het gevaar op te zoeken, door verbale of fysieke agressie probeert het kind (juist) nabijheid te bewerkstelligen. Net als bij groep c) overheerst de angst, maar de kleur is anders: niet ‘klampen’, maar ‘bijten’.

f). binding met rolomkering: het kind probeert voor de hechtingspersoon te zorgen. Door die zorg probeert het kind de persoon voorspelbaar te maken en rust te bewerkstelligen. Dit gedrag zien we nogal eens bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze kinderen lijken vroeg volwassen, maar ze zijn emotioneel kwetsbaar. Deze kwetsbaarheid blijkt vaak pas later, op volwassen leeftijd.

g). psychosomatische klachten: er zijn kinderen aan wie je de problemen in de hechting niet zozeer in het gedrag ziet, maar meer in de lichamelijke klachten. Deze klachten lijken een functie te hebben om daarmee de nabijheid van de hechtingsfiguur te bewerkstellingen. Een bekende klacht is bijvoorbeeld buikpijn, maar ook de angst om naar school te moeten, eetproblemen, onzindelijk blijven en slaapproblemen kunnen hier symptomen van zijn.

Het is uiteraard niet zo dat (als een kind dit gedrag laat zien) er per definitie sprake is van een hechtingsstoornis. Het is wel zo dat dit gedrag een aanwijzing kan zijn van een mogelijk verstoorde hechting.

Mentaliseren kun je leren (11)

Tijdens hun ontwikkeling leren kinderen om te mentaliseren. Maar lang niet altijd. Een deel van de mensen is niet in staat om naar de eigen gevoelens te kijken, laat staan dat men in staat is om goed achter het gedrag van anderen te kunnen kijken.

Opvoeders die veilig gehecht zijn zijn meestal redelijk in staat om te mentaliseren. En als de kinderen veilig gehecht zijn groeit de wisselwerking min of meer vanzelf. De ouders laten zien en vertellen wat hen beweegt, de kinderen horen van de ouders hoe zij zich voelen en welk effect dat heeft op hún gedrag. Op die manier leren kinderen ook beter naar zichzelf te kijken en achter het gedrag van de ander te kijken.

Dekker-van der Sande en Sterkenburg: de theorie van het kunnen mentaliseren vult de gehechtheidstheorie aan. Opvoeders die kunnen mentaliseren geven woorden aan hun gevoelens, gedachten en wensen en ze helpen ook het kind om zijn gevoelens, wensen en gedachten in woorden om te zetten. Iermand die veilig gehecht is kan gemakkelijker mentaliseren, maar het leren mentaliseren bevordert ook weer de verdere groei van de veilige gehechtheid.

Dat alles kan geïllustreerd worden aan de hand van de cirkel van Cooper, Hoffman en Powell (2002), die ik al eerder op dit weblog beschreven heb.

De bovenste helft van de cirkel geeft aan dat opvoeders een stimulerende rol hebben: ze helpen het kind om de wereld te gaan verkennen.

De onderste helft van de cirkel geeft aan dat opvoeders een veilige basis bieden, een haven waar het kind tot rust kan komen.

Bijvoorbeeld: het kind ziet een leuk speeltoestel en wil er naar toe. De vader zegt: “toe maar, dat is een mooi ding, ga er maar naar toe!” Op die manier helpt hij het kind om de wereld groter te maken. Maar als het kind er bijna is struikelt het over een losse tegel. Dan is pappa weer in de buurt als een veilige haven. Hij zegt dat het wel even zeer deed en dat het wel even schrikken was. Hij troost het kind.

De emoties zijn verwoord en de accu van het kind is weer opgeladen. Daardoor gaat het opnieuw naar het speeltoestel toe. De schrik is niet dusdanig dat het kind zich afsluit, juist door de troost kan het weer verder.

Veilige hechting houdt in dat er een evenwicht bestaat tussen het er op uit gaan en het zoeken naar nieuwe ervaringen én het ervaren van veiligheid als de wereld te spannend is geworden.

 

De ontwikkeling en verstoring van het ‘ik’ (1)

De grootste psychologische opdracht voor kinderen is het ontwikkelen van een eigen 'ik'.

Dat merk je als opvoeder wanneer kinderen twee jaar zijn (‘ik ben twee en ik zeg nee’). Het is een lastige periode voor het kind zelf, maar ook voor de ouders. Het kind wil zelf bepalen, maar het wil ook nog klein kunnen zijn. Bij pubers herhaalt zich die fase nog een keer.

De basis van alle emotionele ontwikkeling ligt in de eerste drie jaar van het leven van kinderen. Dat zijn de fundamenten waarop de persoon gebouwd wordt.

Maar het ‘ik’ kristalliseert nog verder uit tussen de periode tussen drie en zeven jaar. Oftewel: ruim de kleuterperiode. Deze fase (3 tot 7 jaar) wordt wel de eerste identificatiefase genoemd.

De kleuter kan bijna alles
Kleuters hebben een goed ontwikkelde motoriek, beschikken over een goede sensorische integratie (samenwerking tussen de zintuigen), ze kunnen verbaal communiceren, ze kunnen goed waarnemen en het gevoelsleven is redelijk gedifferentieerd. Het zijn dus in zekere zin al kleine volwassenen.

De kleuter moet nog veel bijleren
Maar ze moeten nog heel wat bijleren. De losse fragmenten van het ik moeten structuur krijgen. Plannen en organiseren zijn zeker nog niet uitgekristalliseerd. Daar hebben kleuters volwassenen bij nodig. Ze moeten ervaren dat ze erkenning krijgen van die volwassenen. Die volwassenen moeten ook hun voorbeeld zijn: iemand op wie ze willen lijken.

Volgens Erik Erikson is die behoefte het sterkste richting de ouder van hetzelfde geslacht. De peuter (jongen) kan verliefd zijn op zijn moeder, maar de kleuter (jongen) wil vooral op zijn vader lijken en dingen met zijn vader doen.

Magisch denken
Kleuters denken nog sterk magisch. Ze trekken allerlei conclusies en verbanden zonder deze voldoende aan de realiteit te toetsen. Ze kunnen leven in een imaginaire wereld, een wereld die alleen in hun fantasie bestaat. Binnen die wereld voelen ze zich vaak ook almachtig.

Schone schijn
Er zijn kinderen die deze fase niet goed door komen. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat fantasie en werkelijkheid ook op latere leeftijd door elkaar blijven lopen. Aanvankelijk valt dat misschien helemaal niet zo op. De klasgenoten begrenzen zijn wereld en houden hem bij de les. Maar vooral vanaf de puberteit wordt de structuur minder en vervallen ze steeds meer in deze schijnwereld. “Keeping up appearances.”

Veel wensdenken, weinig realiteit

Dat is ook de wereld waarin dictators als Nicolas Ceaucescu, Erich Honnecker en Saddam Hussein leefden. Ze misten de erkenning die  een kleuter nodig heeft om groter te groeien. Dus zochten ze zelf wanhopig naar erkenning. Ze raakten de band met de realiteit kwijt. Ze meenden dat iedereen hen waardeerde en voelden zich almachtig.
Het is ook de wereld van de oplichters van Tros Opgelicht. Ook die mensen kunnen het niet laten om te fantaseren over hun kwaliteiten. En daarmee palmen ze bijna iedereen in.

Maar dichterbij huis is het de wereld van de mensen bij wie in hun verhalen ook fantasie en werkelijkheid steeds weer door elkaar loopt. Omdat ze in willen halen wat ze gemist hebben.

Droppie, Droffeltje en hechting

Hebben jullie dat ook? Dat je voor kinderen en/of kleinkinderen eigen namen verzint?

Kleindochter T was al heel snel ‘Droppie’. Toen een voor haar vreemde mevrouw vroeg hoe ze heette keek ze eerst verschrikt naar haar opa. Want direct contact, daar werd ze verlegen van. Maar toen flapte ze er uit: “Droppie!”

Kleindochter H was al heel snel “Droffeltje.” Ik weet ook niet hoe dat komt. Maar ik vind haar een echt Droffeltje.

En nu ik opa ben en mijn vak min of meer is uitgekristalliseerd zie ik opeens nog weer vanuit een ander perspectief tal van pedagogische gebeurtenissen. Niet dat ik orthopedagoog ben voor mijn kleinkinderen, maar het vak is wel een onderdeel van mijn ‘zijn’. Net zoals een huisarts toch weer bepaalde medische zaken zal zien bij zijn familie.

Afscheid

Het was een klus voor “Droffeltje” om afscheid te nemen van haar pappa en mamma. Met negen maanden ben je behoorlijk eenkennig. Gelukkig kende ze oma goed, want die past wekelijks op. Dus na het vetrek van de beide ouders was het nog een tijdje snikken en daarna was het leed geleden. Behalve toen ze moest slapen en toen ze weer wakker werd. Toen brak nog even het verdriet heftig door.

Oma als troost

Maar oma was nu de veilige basis. Zodra oma weg liep was het brullen geblazen. De eerste twee dagen kon opa daar niet veel aan doen. Als ze van slag was kon alleen oma haar troosten. Ook haar vertrouwde zus kon haar niet troosten. Dat is werk voor vaders en moeders of voor oma’s, maar nog niet voor kleuterende zussen.

Verder kon ze volop met opa spelletjes doen, gekke bekken trekken, geluiden nadoen, met de bal rollen. Opa kon ook hapjes geven en flessen. Dat was allemaal prima. Maar oma was houvast bij verdriet.

Hiërarchie van hechtingsfiguren

Wat hier gebeurde was een hiërarchie van hechtingsfiguren. Men gaat er vanuit dat jonge kinderen in principe drie tot vijf belangrijke hechtingsfiguren ‘aan kunnen’. Er staat er eentje bovenaan, maar als de tweede in de buurt is, is het ook goed. Als die twee er niet zijn hebben veel kinderen nóg wel iemand die hen goed kan troosten. En dan nog iemand. En nóg iemand. Dat zijn de sleutelfiguren voor de hechting.

De andere mensen zijn prima als eenkennige baby's lekker in hun vel zitten. Maar ze functioneren min of meer als decor. Als ze écht van slag zijn hebben ze behoefte aan een zeer beperkt aantal vaste vertrouwde personen.

Een onthechte relatie

Karin woonde de eerste jaren van haar leven bij haar biologische ouders. Toen ze vijf jaar oud was werd ze in een pleeggezin geplaatst. Toen ze veertien jaar oud was ging ze naar een ander pleeggezin.

Karin is inmiddels dertig jaar oud. Ze is zes jaar getrouwd met Ben. In de therapie beklaagt ze zich er over dat ze zo moeilijk contact met Ben krijgt. Hij is altijd bezig met zijn werk. En ’s avonds heeft hij weinig tijd voor haar. Over haar gevoelens hoeft ze al helemaal niet te beginnen.

Karin wil eigenlijk samen met haar man een relatietherapie volgen. Maar haar man vindt dat onzin. “In iedere relatie is wel eens wat” zegt hij. Nu zit ze in haar eentje bij de therapeut. Gaandeweg komt haar eigen jeugd ter sprake. En dan ontdekt Karin wat haar in Ben heeft aangetrokken. Hij had het nooit over zijn emoties, en dat gaf haar een veilig gevoel. Want ook zij had haar eigen gevoelens ver weg gestopt. Daar kon je het maar beter niet over hebben.

Karin zegt: “Ik heb me aangemeld voor therapie omdat ik met Ben niet over mijn gevoelens kan praten. Maar het voelt ook veilig dát ik het er niet over hoef te hebben. Pas nu snap ik ook waarom ik met Ben ben getrouwd.”

De relatie tussen Karin en Ben is een voorbeeld van een onthechte relatie. Beiden zijn niet goed in staat om emotionele verbinding aan te gaan. Karin heeft gekozen voor een relatie waarbij het elkaar op afstand houden als het meest veilig werd ervaren.

Ze ontdekt nu ook waarom ze veel moeite heeft met mensen die ‘dichtbij’ komen. Als iemand aan haar vraagt hoe het gaat geeft ze daar het liefst een ontwijkend antwoord op. Ze heeft het dan over haar werk, maar niet over haar gevoelens.

Ze ontdekt ook dat haar vriendinnen allemaal ‘doeners’ zijn. Ze zijn allemaal altijd bezig. Ze kunnen goed dingen organiseren. Samen met haar vriendinnen verzet ze een hoop werk. Mensen kijken tegen deze doeners op: ze staan altijd klaar voor anderen. Maar het moet allemaal niet te dichtbij komen.

Om te voelen wat ze werkelijk voelt is voor Karin erg ingewikkeld. Ze heeft zich gehecht aan haar opvoeders en ze moest hen weer loslaten. En dat twee keer in haar leven. Dat heeft haar getekend. Als ik mezelf teveel verbind doet het teveel pijn om weer losgelaten te blijven. Ik kan maar beter wat op afstand blijven...

Vasthouden en loslaten (slot)

Hoewel kinderen niet uit een ei komen (bij ons tenminste niet) kun je wat de opvoeding betreft een mooie parallel trekken met vogels die het nest moeten verlaten. We zagen in onze vakantie futen die zich lieten meedeinen op de rug van de moeder. Ze waren al wel uit het nest, maar ze bleven zich vastklampen. Totdat de moeder hen van de rug af gooide. Ze probeerden terug te komen, maar de moeder beet hen letterlijk toe dat ze zelf moesten zwemmen. In de visie van de hippievader (vorige blog) zouden de jongen daardoor gefrustreerd raken en misschien wel voor hun leven een futentrauma oplopen.

Opvoeden met brokken

Een goed genoeg moeder is in de visie van Winnicott niet de moeder die alles aanvoelt van en alles regelt voor het kind. Ze zorgt wél voor de continuïteit en ze is daarin beschikbaar. En… ze ziet haar kind vanaf het begin als een zelfstandig wezen (…). Die visie geldt niet alleen in de babytijd, maar ook later. In iedere ontwikkelingsfase van hun kind moeten ouders dit pedagogische wiel opnieuw uitvinden.

Als opvoeder maak je brokken, maar dat is dus niet zo erg. En al helemaal niet traumatisch, zoals sommige ouders denken. “We zullen ons er op betrappen dat we onze kinderen soms net zo slecht behandelen zoals we zelf werden behandeld.” Er bestaat teveel een ideaal van de onvoorwaardelijke ondubbelzinnige liefde en als we die maar uitvoeren zal het altijd goed gaan met ons kind…

En dan citeer ik maar weer eens Prof. Wim ter Horst: “Een kind is geen appeltaart. Het is dus niet zo dat je als je dit er in stopt er dat uitkomt.” Als aanvulling op Professor ter Horst meen ik ook te weten dat dat zelfs bij appeltaarten niet altijd tot hetzelfde resultaat komt. Volgens mijn moeder lag dat aan de gasdruk.

Niet te goed willen opvoeden

Viorst waarschuwt tegen teveel pedagogisch bewustzijn. Je kunt alle pedagogische boeken lezen over opvoeding, je kunt tal van cursussen volgen, vanwege je kinderen haal je diploma’s video-interactie, maar… “je zult toch weer ontdekken dat je tegenover je kind tekort zult schieten…” Iedere ouder kent het gevoel met een baby die niet wil slapen, met een peuter die de hele dag nee zegt en met een puber die niet vooruit te branden is. Je schiet een keer uit je slof en dat is geen ramp!

Aangeboren eigenschappen

Eén van de redenen waarom de opvoeding niet aansluit is het genetische aspect. Het temperament is net zo aangeboren als de kleur van de ogen. Dat moet je dus niet willen veranderen. En dan: Je kunt een rustige moeder zijn die graag alles voorspelbaar houdt. Maar hoe moet je dan omgaan met het kind dat de tent (je huis) voortdurend afbreekt? Of je bent een zeer actieve en knuffelige moeder en je kind wil vooral rust… Hij ervaart jouw acties als bemoeizucht en als indringen binnen zijn territorium. “Blijf van me af!’ Of je hebt een drukke baan en je kind heeft een moeilijk temperament met een zeer lage aanpassing. Dat gaat altijd wringen.

Wie hier meer over wil lezen moet maar eens in de boeken van Dr. Stanley Greenspan kijken, de grondlegger van de Floortime methodiek.

Judith Viorst: “We moeten de hoop opgeven dat we – als we maar flink ons best doen op de één of andere manier altijd het juiste voor onze kinderen zullen doen. De relatie is niet volmaakt. En soms zullen we het dus verkeerd doen. Het onder ogen zien van onze feilbaarheid als vader en als moeder is op zichzelf al een verlies-ervaring.”

Naar aanleiding van ‘Noodzakelijk Verlies’, Hoofdstuk 14: het behoeden van onze kinderen. Auteur: Judith Viorst, Ambo/Anthos, 26e druk, 2016/430 bladzijden.

Vasthouden en loslaten (2)

David Winnicott bedacht de term 'Goed genoeg moeder'. Je kunt ook té goed willen opvoeden. Je voedt goed genoeg op als je ook fouten maakt.

We zijn zélf ook opgevoed

Hoe zit het met onze eigen ouders? Transgenerationele thema’s passen ook binnen de psychoanalytische kijk op de mens. Judith Viorst plaatst onze kijk op kinderen en op de opvoeding in dit kader. Ze schrijft dat bijna alle jonge ouders het beter willen doen dan hún ouders. Ze willen ook dat hun kinderen betere uitgaven zijn van henzelf. We hopen dat we onze kinderen een herkansing kunnen bieden die we zelf niet gekregen hebben.

‘En omdat we denken dat we het beter doen dan onze ouders hopen we ook dat we betere kinderen voortbrengen dan zij hebben gedaan.'

Noodzakelijk verlies

En dan ontdek je dat je kind zich toch anders ontwikkelt dan je graag zou willen. Hij heeft geen blauwe ogen, is toch minder slim dan je hoopte, zij blijkt net zo’n pietje precies te zijn als jij was (en wat je helemaal niet wilde), en ze is dol op hedendaagse Barbievarianten waar je nu nét vanaf wilde.

“Het loslaten van onze kinderen en het loslaten van onze idealen voor hen horen ook bij de noodzakelijke verliezen van het ouderschap.”

Opvoeden is dus een paradoxale opdracht. Je moet je met je kind verbinden teneinde het los te kunnen laten. Dat vraagt nogal wat van opvoeders. En ik voeg er aan toe: het betekent ook dat je een beeld moet hebben van je eigen gehechtheid. Die kleurt deels in hoeverre je in staat bent om je met anderen te verbinden en los te laten.

Kinderpsychiater Donald Winnicott heeft al lang voordat er gedegen wetenschappelijk onderzoek bestond over de interactie tussen moeders en kinderen opmerkelijke uitspraken gedaan over het moederschap. “De liefde van de moeder voor en de sterke identificatie met haar kind maken haar zozeer bewust van de behoeften van het kind dat zij globaal op de juiste plaats en op het juiste moment daar aan tegemoet komt. Maar later moet zij, om zijn ontwikkeling niet te belemmeren, selectief en geleidelijk ophouden met die in alles meegaande moeder te zijn.”

Kinderen groeien sneller dan hun ouders

Het valt Winnicott op dat veel moeder eigenlijk het tempo van de ontwikkeling van hun kind niet bij kunnen houden. Het kind wil sneller naar autonomie toe dan de moeder. Maar – en daar komt opnieuw een paradox om de hoek – juist door het gebrek aan aanpassing van de kant van de ouders kan het kind leren om de strijd aan te gaan en met tegenslagen om te gaan. Ouders moeten dus af en toe botsen met hun kinderen. Dat had de vader van Johan (onderstaand voorbeeld) verkeerd van Sigmund Freud begrepen.

Johan was een vierjarige kleuter met een zeer slecht verzorgd gebit. Zijn vader was een overjarige hoogopgeleide hippie die heilig geloofde in de beginselen van de anti-autoritaire opvoeding. Hij wilde zijn kind niet belemmeren. Het zou vanzelf wel gaan ontdekken dat tanden poetsen gezond was. En het zou ook gaan ontdekken dat snoep niet altijd lekker is. Het zat nu nog in de snoepfase. Dan maar een behandeling onder narcose en de meeste tanden en kiezen trekken. Dat was minder schadelijk dan zijn zoontje frustreren door eisen en verboden te stellen. In de visie van Daniel Winnicott was dit een groeibelemmerende visie op het kind.

 

Vasthouden en loslaten (1)

De Amerikaanse psycho-analytica Judith Viorst schreef een intrigerend boek over de vele verlieservaringen die we in ons leven meemaken. Eén van de hoofdstukken heet ‘Het behoeden van de kinderen’. Uit dat hoofdstuk stip ik in drie afleveringen een aantal opmerkingen aan.

Garp wilde niets liever dan de wereld veilig maken. Aldus John Irving. En dat is wat ouders ook zouden willen voor hun kinderen, aldus Judith Viorst. Maar: “Veel van wat we voor hen hoopten te kunnen doen zullen we moeten loslaten. Want zoals onze kinderen zich van ons los zullen maken, zo zullen ook wij moeten leren ons los te maken van onze kinderen. Maar veel moeders (maar ook vaders) hebben last van scheidingsangst. Scheiding maakt een einde aan die gelukzalige toestand die symbiose heet.”

Dat doet me denken aan een gesprek met een moeder van twee autistische broers. De oudste was bezig te wennen aan de samenleving en ging naar school. Hij had veel problemen, want de wereld was erg ingewikkeld voor hem. De tweede zoon was nog thuis, ging niet naar een dagverblijf en zat vooral in zijn eigen wereldje. De moeder zei: “Waarom moet ik hem nu ook uit zijn veilige cocon halen en hem ongelukkig maken. Daar word ik zelf ook ongelukkig van.”

Het loslaten van kinderen is een bijzonder ingewikkelde opgave, aldus Viorst, en ze illustreert dat aan de hand van haar levensverhaal, hoe ze moest leren om haar zoontjes meer ruimte te geven.

Een éénjarige peuter ging voor het eerst logeren bij zijn oma. De dochter had maar liefst vijf kantjes tot in detail volgeschreven met instructies hoe oma met haar kleinkind om moest gaan. De pap melk moest ’s morgens 40 seconden in de magnetron en beslist geen 30 of 50 seconden.

De té goede moeder

Ons probleem met de scheiding is niet alleen dat afscheid nemen emotioneel pijn doet, aldus Viorst, maar ook dat we merken dat onze kinderen ons minder nodig gaan hebben. Er bestaat, aldus Viorst, ‘naast de goed genoeg moeder (een term van Winnicott) een ‘té goede moeder’. Noot van mijn kant:  het past binnen de psycho-analytische visie dat er (bijna) alleen over de moeder geschreven wordt, alsof er geen ‘té goede vader’ zou bestaan.

Een anekdote: Jos gaat voor het eerst naar de peuterspeelzaal. Hij ziet de Duploblokken en gaat zitten en begint te spelen. “Dan ga ik maar” zegt de moeder. Het jongetje kijkt op en zegt haar vrolijk gedag. “Maar ik kom gauw weer terug” zegt de moeder. Ditmaal kijkt het jongetje niet op van zijn spel en zegt alleen maar Dáág! “Om twaalf uur ben ik er weer” verzekert de moeder om er aan toe te voegen: “Je hoeft niet bang te zijn. mamma komt je echt wel halen.” Waarop het jongetje in huilen uitbarst.

De té goede moeder wordt door Judith Viorst gedefinieerd als de moeder die zó bezig is voor haar kind mee te voelen en in te vullen dat het kind uiteindelijk niet meer weet wat nu zijn of haar gevoelens zijn of die van zijn/haar moeder. “Dat zeg ik nu wel” zegt een jonge vrouw in therapie, “maar ik weet niet of ik het zelf dacht, of dat ik het alleen maar dacht dat mijn moeder gewild zou hebben dat ik het dacht.”

Dat is ook waar psychotherapeut Heinz Kohut op duidt: het gaat niet om koele of verwaarlozende ouders, het gaat om ouders die het beter weten dan hun kind zelf.

En de paradox is dat ze het inderdaad beter weten dan hun kind, maar dat enorme ouderlijke begrip kan een bedreiging worden voor het ‘zelf’ van het kind omdat het er niet aan toekomt om zélf te gaan ervaren hoe het zit. De ouders komen met adviezen voordat het kind zelf heeft kunnen nadenken wat het wil.