Abeje doet haar mond niet open

Abeje is een 12 jarig meisje met complex gedrag. Ze heeft regelmatig een afspraak bij de mondhygiënist. Maar bij meer dan de helft van de afspraken  komen moeder en dochter niet. Ze melden zich ook niet af voor de afspraak. Wat is er aan de hand?

Je bent als behandelaar geneigd om in het oordeel te gaan zitten. Moeder verleent immers geen goede zorg. Je zit voor haar klaar en ze komt niet. Ze belt ook niet af.

Maar het verhaal gaat nog verder. Als ze wél komt stelt ze meteen hoge eisen. Daarmee gaat ze op je ‘allergie’ zitten. ‘Eerst wegblijven en dan moeten we opeens alles uit de kast trekken om u ten dienste te staan…’ Ze wil niet eens dat de mondhygiëniste een behandeling inzet, ze wil dat er nú een afspraak wordt gemaakt voor de narcose van haar dochter.

Wat kun je als behandelaar doen?

Stap 1: Eerst kijken hoe je je eigen hartslag naar beneden kunt krijgen. Dat lukt niet op commando. Maar het helpt al als je erkent dat je geïrriteerd raakt en dat is ook niet eens onterecht. Erken dus dat je dat gevoel hebt. Het altijd maar vriendelijk moeten zijn leidt op den duur tot een burn-out omdat je je eigen gevoelens ontkent.

Stap 2: Bedenk dat het waarschijnlijk om een overbelaste moeder gaat. Ouders zijn 24 uur per etmaal bezig met hun kind. In dit geval gaat het om een alleenstaande (!) moeder met twee kinderen met forse problemen. Moeder is acht jaar geleden naar Nederland gekomen. Bekend is dat ze soms haar dochter niet eens mee krijgt omdat ze haar niet aangekleed krijgt. Moeder is dus overbelast. Ook deze moeder wil het beste voor haar kinderen, maar ze krijgt het niet georganiseerd. Bedenk dat moeder minder boos is dan haar stem doet denken en misschien vooral bang is dat het niet goed gaat.

Stap 3: gebruik het model van de Driehoek (Chiel Egberts). Het gaat om de patiënt, de behandelaar en de familie. Hoe komen deze drie partijen tot hun recht? De moeder moet gehoord worden, de patiënt moet goede zorg krijgen, maar jij bent ook nog één derde van de driehoek. Dat wil zeggen dat de klant niet koning is ten koste van de behandelaar.

Stap 4: gebruik een ‘ik’- boodschap: ‘ik hoor (zie) dat u zich zorgen maakt’ (mentaliseren). Daarmee sla je een bruggetje.

Stap 5: Wie is waarvoor verantwoordelijk? Wie is de hoofdbehandelaar in dit verhaal? De mondhygiënist is niet degene die de patiënt aanmeldt voor narcose. Zeg dat je begrip hebt voor de zorg van moeder, maar dat je ook moet overleggen en tijd nodig hebt om tot een goede beslissing te komen.

Stap 6: Moeder komt vaak niet opdagen. Bij goede zorgverlening hoort dat je niet zomaar wegblijft. Laat moeder zelf bedenken wat ze kan doen. OK, het lukt soms niet om uw zoon mee te krijgen, wij willen wel graag weten dat u niet komt (dan kunnen we nog iemand anders laten komen, bijvoorbeeld). Hoe lossen we dat op? Wat kunnen wij doen, wat kunt u doen?

Geslaagde controle

Inmiddels is er een afspraak voor een behandeling onder narcose gemaakt. En – wonder boven wonder – de volgende controle inclusief het schoonmaken van tanden en kiezen verliepen (met instemming van moeder) uitstekend. De mondhygiëniste heeft naar aanleiding van een multidisciplinair overleg het tellen geïntroduceerd (één-twee-drie) en daar deed Abeje het goed op.

De verwachting komt niet uit

Om het gebit van Abeje goed bij te kunnen houden wordt er na een maand weer een afspraak gepland, want de wachttijd voor behandeling onder narcose is lang. Je zou verwachten dat de volgende controle ook goed verloopt, maar ze doet deze keer met geen mogelijkheid haar mond open. Wat is er aan de hand?

Mogelijk horen die wisselende reacties van Abeje bij haar ‘zijn’ of bij haar emotionele niveau van functioneren (als je met iets houvast wilt formuleren). Bij R.E. Abraham heet dat de fase van de structuurloosheid. Je kunt ook denken aan ‘gedesorganiseerde gehechtheid’. Dan is onvoorspelbaar hoe de patiënt gaat reageren omdat zijn thermostaat stuk is. Een klein steentje in de schoen leidt dan al tot een groot gedragsprobleem.

Een advies is om haar ‘te ontvangen’, gewoon te kijken wie ze vandaag is. De patronen zijn niet hét voorspelbare middel dat maakt dat het vandaag goed zal gaan, het is een hulpmiddel.

Een tweede – ingewikkelder punt – is dat je als het een keer goed is gegaan je waarschijnlijk eerder de verwachting zult hebben dat het de volgende keer ook weer goed zal gaan.

Bij erg emotioneel gevoelige patiënten kan die verwachting ook leiden tot een blokkade. “Verwachtingen doden relaties’ schrijft Ann Voskamp.

Dat betekent niet dat de mondhygiënist haar werk niet goed heeft gedaan. Verwachtingen kweken, perspectief ontwikkelen, het hoort bij ons mens-zijn. Toch gaat het bij de zorg voor kwetsbare mensen vooral om het ontvangen. Onbevangen kijken hoe deze ontmoeting gaat verlopen...

Hechting en spel (2)

Ik schreef over de GOrS als manier om spel te observeren bij kinderen. Hoe kun je dat voor je zien?

Je geeft de kleuter een plaat van een (kinder-) boerderij als voorbeeld. Daarna geef je een doos met de voorwerpen, gebouwen en dieren die op die plaat staan. Maar je voegt er nog tanks, vliegtuigen, leeuwen en dinosaurussen aan toe. Hoe gaat die peuter spelen?

Kleuter A. kopiëert de plaat. Zoals het op de tekening of foto staat, zo zet kleuter A. ook alles neer. De tanks, vliegtuigen, leeuwen en dinosaurussen komen er niet aan te pas. ‘Het plaatje moet kloppen’.

Kleuter B. is eerst afwachtend. Hij bekijkt de spullen in de doos, houdt sommige voorwerken wap apart. Daarna zet hij de schapen en konijnen neer en bouwt er een groot hek omheen. Niemand mag er binnen komen. Ter beveiliging worden er ook nog tanks bij de ingang neergezet.

Kleuter C. zet alles weinig geordend neer. Hij gooit het allemaal ongeorganiseerd op tafel. Daarna komen er vliegtuigen al schietend over. Tanks rijden van alles plat. De leeuwen en de dinosaurussen eten de overgebleven dieren op. Na afloop is de speltafel een slagveld, waarbij een deel van de dieren op de vloer ligt.

Kleuter D. maakt allerlei afwegingen. Je ziet haar denken. Wat is handig, wat is verstandig? De schapen en de leeuw zet je niet bij elkaar. Daar moet een hek tussen. Maar die leeuw moet ook wel ergens een plek krijgen. Daar bedenkt ze een speciaal onderkomen voor. De tanks horen in een plaatje van haar niet thuis, die parkeert ze netjes aan de zijkant. De dinosaurus is iets van vroeger, dus die komt ook niet in de kinderboerderij. Het moet allemaal wel kloppen, maar iedereen moet ook zijn eigen plekje hebben en kennen. Als je een vraag stelt kan ze uitleggen waarom ze iets op een bepaalde manier heeft opgesteld. Ze is al bezig met het maken van afwegingen.

Als je dit leest kun je je voorstellen dat er heel verschillende kinderen achter dit spel zitten. Dat zit in dit geval vooral in de structuur van het spel. Bij kleuter A is alleen maar sprake van structuur, variatie komt er niet aan te pas. Bij kleuter C. zie je bijna alleen chaos. Bij kleuter B lijkt de overheersende thematiek zijn behoefte aan veiligheid te zijn. Kleuter B en kleuter D zijn minder snel omdat ze tijdens het spel allerlei afwegingen maken. Dat verraadt een hoger spelniveau. Kleuter B is vooral bezig met de eigen angst: het moet allemaal veilig zijn, Kleuter D maakt tal van afwegingen voor de dieren in het spel. Ze lijkt al een begin te hebben gemaakt in het inleven in de ander. Maar wat niet ‘bestaat’ in deze wereld, dat moet ook geen plek krijgen in het spel. Het wordt niet weggegooid, maar apart gezet.

Zou je een (veel te) snelle conclusie trekken dan zou er bij kleuter A sprake kunnen zijn van een vorm van 'star autisme', bij kleuter B zie je trekken van angst die kunnen passen bij een onveilige vorm van hechting waarbij vooral de onveiligheid overheerst. Bij kleuter C kun je denken aan problemen in de reactieve hecbting of aan vermijdende gehechtheid. Bij kleuter D zie je de meeste kenmerken van de veilige gehechtheid. 

Eigen hechting en opvoeding (4)

Hoewel ik vanaf mijn studietijd belangstelling had voor het thema 'hechting' is de kennis over dat onderwerp pas in de afgelopen decennia sterk gegroeid. En vaak denk ik: had ik dat maar eerder geweten!

Wat zijn kenmerken van de veilig gehechte opvoeder?

De opvoeder is sensitief én responsief. Dus: hij/zij voelt aan wat het kind ‘ervaart’ én hij/zij komt tot een passende reactie.

Natuurlijk kun je er ook ‘naast’ zitten, want je tast soms in het duister wat er met een kind aan de hand is. Het gaat bij sensitiviteit vooral om de attitude: de gerichtheid op het kind. Je weet ook niet altijd de passende oplossing (responsiviteit). Het gaat er wél om dat je actief bezig bent met het zoeken naar een passende reactie.

De opvoeder stimuleert én begrenst. Angstig-ambivalente ouders hebben de neiging om het kind meer bij zich te houden (‘pas op, kijk uit!’). Angstig-vermijdende opvoeders laten het kind teveel gaan (zolang zij er maar geen last van hebben). Veilig gehechte ouders vinden gemakkelijker voor hun kind een evenwicht tussen het op weg laten gaan en het er ook op tijd weer bij zijn om het kind veiligheid te bieden. Ze durven ook grenzen te stellen aan het gedrag.

Veilig gehechte ouders zien andere opvoeders niet als ‘concurrenten’. Ze kunnen samenwerken met de zwemleraar en met de leerkracht op school Ze gaan uit van een geven en nemen: de school is een andere situatie dan thuis. Natuurlijk kunnen er zich hier ook situaties voordoen waarbij het gedrag van één van de betrokkenen niet goed is voor het welzijn van het kind. Geven en nemen betekent niet dat je overal het midden op kunt zoeken. Maar ook hier gaat het vooral weer om de intentie.

De opvoeder kan zijn eigen emoties hanteren in relatie tot ontregeling van het kind. Dus hij of zij raakt niet totaal van slag als het kind van slag is, hij wordt niet boos op het kind omdat het kind boos is op hem (dus: gevoel van afwijzing). De opvoeder is in zekere zin een vuurtoren die op zijn plek blijft als het kind in stormachtig water belandt.

Rest nog de vraag: volwassenen zijn allemaal zelf op een bepaalde manier gehecht. Maar is het nu ook zo dat een bepaalde hechtingsstijl van de kant van de opvoeder beter pas bij dit kind en minder goed bij een ander kind? Ik denk van wel, maar het antwoord op die vraag 'puzzelt' ook nog in mijn hoofd.

Eigen hechting en opvoeding (3)

Van de verschillende soorten hechtingsstijlen vanuit de opvoeder leidt de gedesorganiseerde gehechtheid tot het meest sterke gevoel van emotionele onveiligheid bij het kind.

De ouder is niet de bron van veiligheid voor het kind, maar de ouder vormt juist de bron van onveiligheid, van angst. Toch blijven alle kinderen – zeker de jongere kinderen – de veiligheid bij de ouder zoeken. Kinderen zijn oneindig loyaal, totdat ze uiteindelijk de moed opgeven.

De ouder is onvoorspelbaar: het kind weet niet waar het aan toe is. De ene keer reageert de ouder met liefde en met troost, de andere keer krijgt het kind er juist erg van langs terwijl het zich op dezelfde wijze als op een eerder moment gedroeg.

Het wisselende beeld dat de opvoeder laat zien is voor kinderen in emotioneel  opzicht nog schadelijker dan een kille, maar voorspelbare opvoeding.

De ouder vertoont sterk wisselende emoties, die vaak een extreme kleur krijgen. Van hyper-positief en warm tot extreem kil, en dat kan binnen enkele minuten omslaan. Grijstinten (een beetje blij, een beetje boos) bestaan niet. Het kind is daardoor altijd op zijn hoede.

In dat verband schreef ik het verhaal over Johan, 'de jongen onder de tafel'. Johan ging altijd onder de tafel zitten als zijn vader de trap van de Amsterdamse bovenwoning op kwam. Van onder de tafel observeerde hij dan eerst hoe de stemming van zijn vader was. Was de stemming negatief, dan liet Johan zich uren lang niet zien. 

Opmerkelijk is dat ze opvoeder zich als Redder ziet (‘Ik vecht als een leeuwin voor mijn kinderen’ zegt de ‘pannenkoekenmoeder’ in een TV-documentaire over de Jeugdzorg). De opvoeder weet het ook altijd beter dan anderen, zoals de leerkracht op school. Soms weet een ouder het ook echt beter, maar kenmerkend voor deze ouders is dat ze alle controle willen houden en geen andere mening toelaten. Ernstiger is dat dezelfde ouder als het er op aan komt niet beschikbaar is voor het kind.

Het gevolg van deze opvoedingsstijl is dat kinderen altijd op hun hoede zijn. Ze ontwikkelen gedragskenmerken waarbij afhankelijkheid en vijandigheid door elkaar lopen. Ze ontwikkelen ook geen emotionele stabiliteit, er is sprake van voortdurende onrust. De 'gevoelsthermostaat' is en blijft van slag. De psychopathologie die met dit gedrag verband houdt is die van de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Hechting in vogelvlucht (10)

Chris was stoer. Hij huilde nooit, ook al deed hij zich nóg zo'n pijn. Hij zocht ook geen troost bij zijn vader of moeder. 

Aletha Solter heeft een boek geschreven over ‘de taal van het huilen’. Ze heeft twintig jaar onderzoek gedaan naar het huilen van baby’s en peuters. Toch is ze nog redelijk vrolijk gebleven.

Uit haar onderzoek kun je o.a. halen hoe belangrijk het is dat kinderen huilen. De opmerking dat jongens niet (mogen) huilen is helemaal strijdig met de wijze waarop Solter naar het huilen kijkt. Door het (kunnen) huilen raak je cortisol (het stress-hormoon) kwijt. Dat zit namelijk in het traanvocht.

Een oplossing zou kunnen zijn dat jongens collectief uien gaan snijden en op die manier via het traanvocht de stress kwijt raken. Maar zo zijn we helaas niet getrouwd. Als je uien snijdt komt er geen cortisol vrij, tenzij je in je vinger snijdt en het alsnog op een brullen zet. 

In de loop van de behandeling door Truus Bakker-van Zeil (‘inhaalstrategie’) van de verstoorde hechting bij Chris bleek dat zijn drukke gedrag minder druk werd. Hij kon zich langer concentreren, kon taken langer volhouden, werd minder beweeglijk (hij bewoog bij alles ‘van top tot teen’). Ook bleek hij meer in staat tot samenspel. Vóór de behandeling speelde hij vooral alleen en als andere kinderen in zijn spel invoegden werkte hij hen vooral tegen.

Opvallend is ook in de film dat hij veel meer de nabijheid van zijn moeder zocht. ‘Mamma, aan mij raken’ is een ontroerend fragment uit deze film. En in een spannende situatie in de Efteling gaat hij er niet op af (opzoeken waar je bang voor bent), maar hij wil bij zijn vader op de arm naar die enge figuur kijken.

Als je oppervlakkig naar Chris keek zou je kunnen denken dat hij een erg drukke peuter was bij wie mogelijk sprake was van ADHD. Maar als je naar zijn voorgeschiedenis kijkt is er iets anders wat het drukke gedrag veroorzaakte: een gebrek aan basis, onvoldoende hechting.

Hoe het verder is gegaan met Chris weet ik niet. Ik vermoed dat hij altijd een stevige actieve knul is gebleven. Maar wel met minder turbulentie en ook iemand die meer heeft geleerd om emoties samen te delen en daardoor met minder stress in zijn lijft. Want: 'gedeelde smart is halve smart'. 

Hechting in vogelvlucht (9)

Kinderen die angstig-vermijdend gehecht zijn zoeken weinig troost. Ze verbijten zich. Ze lossen het allemaal in hun eentje op.

Voor de buitenwereld zijn deze kinderen stoer’. Ze geven geen kik als ze zich pijn doen. Ze zullen ook niet gaan huilen.

Is dat nu zo erg? Psychologe Truus Bakker-van Zeil heeft een film gemaakt over Chris, een jongen die op de leeftijd van ruim een jaar geadopteerd is. Voor die tijd woonde hij in een Braziliaans kindertehuis met zo’n 600 kinderen.

Chris is een vrolijk en actief jongetje. Je ziet op het schoolplein hoe hij op zijn knieeën achter een wagentje aan getrokken wordt. Toch reageert hij niet op de pijn die dit moet doen.

Op een andere opname zit hij – samen met zijn zusje – in bad. Hij stoot ontzettend hard zijn hoofd. Veel kinderen zouden gaan huilen en hun mamma of pappa roepen. Dat doet Chris niet. Hij zit zich te verbijten, terwijl zijn zusje (dat voor hem in bad zit) niets door heeft. De scene duurt meer dan een minuut. Daarna zoekt Chris (die inmiddels vier jaar oud is) alsnog troost. Hoe doet hij dat? Door zijn zusje op de rug te gaan likken. Dat is een heel primitieve manier van het zoeken van troost.

Het oudere zusje van Chris is ook geadopteerd vanuit Brazilië. Zij ontwikkelt zich vanuit de optiek van de hechting veel meer ‘normaal’ dan Chris. Toen ze net uit Brazilië kwam bleek ze een tropische infectie te hebben, waardoor ze maandenlang ziek is geweest. Daardoor werd ze maandenlang verzorgd. Dat was een geluk bij een ongeluk. Chris heeft deze fase bij zijn adoptie-ouders niet meegemaakt. De eerste dag dat hij bij hen was bleek hij al op straat te lopen. Gewoon over de rand van de box geklommen en naar buiten gegaan.

In het verschil tussen Marina, het zusje van Chris, en Chris zélf zit ook de sleutel voor de behandeling van kinderen met hechtingsstoornissen zoals Truus Bakker – van Zeil deze heeft ontwikkeld. Ze zegt dat er moet worden nagegaan welke fase(n) in de sociaal-emotionele ontwikkeling het kind gemist heeft. Ze pleit ervoor om die fase alsnog in te halen.

Bij Chris betekende dat o.a. het geven van baby-massage. Dat bleek geen succes. Chris was inmiddels op een leeftijd waarbij hij zich schaamde tussen de andere blote baby’s. Dat zie je bij peuter-jongetjes aan het feit dat ze angstigvallig hun piemeltje verstoppen in de buurt van vreemden. Dat deed Chris ook. Geen manier om tot ontspanning te komen.

In de thuissituatie reageerde Chris echter goed op de baby-massage. Het opvallende was dat hij na afloop een half uur niet meer praatte, maar brabbelde. Tegelijkertijd kon hij een half uur lang rustig aan het spelen zijn. Dat was zonder die baby-massage onmogelijk. Hij rende steeds van de ene activiteit naar de andere activiteit. 

Temperament en hechting (2)

Als ouders weinig invloed ervaren bij de opvoeding kunnen ze ontmoedigd raken. Een kind dat niets leuk vindt, waar het altijd heel erg precies komt, dat kost pedagogische energie. Het is ook mogelijk dat je minder contact maakt dan met een kind dat jou steeds weer met een grote lach begroet en dat gemakkelijk tevreden is. 

Minder contact

Ouders van baby’s met een moeilijk temperament bleken in een onderzoek van Van den Boom minder oogcontact en lichamelijk contact met hun kinderen te maken. Ze waren minder betrokken bij hun kind en ze reageerden ook minder vaak en minder intens als de baby’s positief gedrag lieten zien (bijv. lachen, contact maken).

Waarschijnlijk hebben deze ouders zichzelf deels ‘afgesloten’, hebben ze als opvoeder geen zelfvertrouwen meer, het ontbreekt hen aan het perspectief dat ze invloed hebben op hun kind. Het zich afsluiten zou dan dus een vorm van emotionele zelfbescherming kunnen zijn.

Het is dan dus nodig dat ouders opnieuw leren ervaren dat ze de vaardigheden hebben om met hun kind om te gaan, zodat ouder en kind weer plezier in de interactie kunnen ontwikkelen.

Training

Van den Boom ontwikkelde een training voor ouders om te leren het contact met hun kind ‘dichterbij’ aan te gaan. Onderdelen van deze training waren:

  1. De signalen van het kind opmerken en daarop reageren. De belangrijkste onderdelen waren het imiteren van het gedrag van de baby en het nadoen van zijn geluiden. Voorbeelden: de vocalisaties van de baby imiteren met geluid en mimiek. Als je praat tegen je kind, doe dat langzaam, spreek de woorden langzaam uit en herhaal ze. Als je kind gaat staren betekent dit vaak dat het de communicatie niet heeft begrepen (we noemen dat ook wel ‘bevriezen’). Dan moet je een tijdje stil zijn, maar wel nabij blijven, om het kind de tijd en de ruimte te geven om het contact te herstellen. Deze manier van handelen leidt ertoe dat het tempo van de interactie verlaagd wordt, dat het kind de ruimte krijgt om de opvoeder te volgen en dat de opvoeder de tijd krijgt om de signalen van het kind beter te interpreteren.

2. Als een kind huilt, blijf dan (toch) zoeken naar vormen van contact. Deze kinderen lijken vaak contact af te wijzen, maar ze wijzen niet ieder contact af. Op welke wijze kun je –als je kind van slag is- toch een vorm van contact opbouwen (ter vergelijking: Aletha Solter: De taal van het huilen). Als je een bepaalde vorm van contact hebt opgebouwd, hou die vorm dan in stand. Veel kwetsbare kinderen raken van slag en gefrustreerd als ze het gedrag van hun moeder niet begrijpen, omdat haar manier van contactopbouw steeds weer verandert.

3. Probeer aan te sluiten op de positieve gedragingen van het kind, in plaats van dat je je als opvoeder helemaal focust op het als lastig ervaren gedrag. Onderzoek in welke omstandigheden je kind het minst gespannen/ het meest ontspannen is, ga na waarom dat in zo’n situatie zo is en probeer op die kennis je mogelijkheden voor contact verder uit te bouwen.

De training voor de ouders had als doel de ouders (opnieuw) te leren om het gedrag van hun kind te ‘lezen’ (sensitiviteit) en daarop te reageren (responsiviteit).

Opmerkelijk is dat de training van de ouders een beperkte tijd in beslag nam (om de 3 weken een dagdeel, 3 maal, dus in totaal verspreid over 9 weken). Zelfs jaren later bleken de ouders de vaardigheden uit de training nog toe te passen. Vooral het gevolg voor de kwaliteit van de hechting was zeer opmerkelijk. Een groot deel van de oorspronkelijk als kwetsbare baby’s benoemde kinderen bleek zich zeer positief te hebben ontwikkeld.

D.C. van den Boom: The influence of temperament and mothering on attachment and exploration. In: Child Development, 65, 1457 – 1477.

Gegevens ontleend aan: Danuta Bukatko en Marvin W. Daehler, Child Development, A thematic approach; hoofdstuk 11: Emotion.  Houghton Mifflin Company, 2001

Temperament en hechting (1)

Ooit schreef ik een boekje over  'Temperament bij kinderen'. Dat boekje kwam voort uit mijn verbazing over hoe kinderen van dezelfde ouders zich zó verschillend kunnen uiten in hun gedrag.

In het boekje beschreef ik een puberende jongen bij wie de kamer één grote bende was. Als hij naar school fietste was dat altijd op de nipper, terwijl er onderweg van alles uit zijn tas kon vallen. Hij fietste stoep op en stoep af en zijn fiets verkeerde in een permanente toestand van ontbinding. Aan tafel lag het eten aan het einde van de maaltijd tot op een halve meter rond zijn stoel.

Zijn zus had alles tot in de puntjes geregeld. Een nette kamer, altijd op tijd op school, alles keurig verzorgd, mes en vork keurig naast het bord.

Was dat nu het verschil tussen jongen en meisje? Maar als dat zo was, hoe kun je dan de verschillen tussen de tweeling Jacob en Ezau uit de Bijbel verklaren? De één zat het liefste bij zijn moeder in de keuken, de ander was een avonturier. En dat bij een tweeling!

Volgens mij hebben die verschillen te maken met het temperament. En net zoals een vingerafdruk uniek is, zo is ook het temperament uniek. Het is een aangeboren gedragsstijl die past bij dit kind. Karakter en persoonlijkheid ontwikkelen zich in de loop van de tijd, mede onder invloed van de opvoeding, maar met een temperament word je geboren.

Onderzoekers Alexander Thomas en Stella Chess maakten onderscheid tussen het moeilijke en het gemakkelijke temperament, met nog een variant daartussen. En om een lang verhaal kort te maken: het kost ouders van een kind met een moeilijk temperament veel meer moeite om een goede pasvorm voor de opvoeding te vinden bij het kind.

Kenmerken van dat moeilijke temperament zijn bijvoorbeeld het moeilijk wennen aan nieuwe situaties, een lage susbaarheid (moeilijk te kalmeren), een grote mate van vasthoudendheid en een meer negatieve kleur van de stemming.

Hechting is niet een proces dat alleen vanuit de ouders vorm krijgt. Hechting is een proces dat plaats vindt in de interactie tussen dit kind en deze ouders. Maar als een kind gemakkelijk is in de omgang valt ook de verwachten dat je eerder aansluiting vindt bij het kind; je bent sneller op elkaar ingespeeld.

Als een kind een moeilijk temperament heeft is die aansluiting lastiger. Je hebt misschien als opvoeder het gevoel dat je het nooit goed doet. En die bemoeilijkte aansluiting is van invloed op de kwaliteit van de hechting.

Uit onderzoek komt naar voren dat drie van de vier baby’s met een moeilijk temperament op tweejarige leeftijd onveilig gehecht is (Van den Boom en Hoeksma, 1994).

Dit wil niet zeggen dat het verband één op één is, het verklaart wél waaroom ouders met het ene kind gemakkelijker door één deur kunnen dan met het andere kind.

Dat is dan geen kwestie van pedagogische onbekwaamheid. Het ene kind vraagt meer van de ouders dan het andere kind. 

Hechting in vogelvlucht (7)

De peuter blijft achter bij een vreemde meneer/mevrouw in een vreemde ruimte. De moeder/vader verlaat de ruimte. Hoe reageert het kind?

Kinderen die veilig gehecht zijn willen hun moeder (m/v) terug, maar herstellen al snel en proberen iets anders te verzinnen, bijvoorbeeld met het speelgoed spelen.

Bij de onveilig gehechte kinderen zie je twee typen reacties:

a) Kinderen die helemaal terugvallen in hun gedrag: ze komen nergens meer toe. Het contact met de vreemde man/vrouw wordt afgewezen, ze komen niet tot spel, ze gaan zitten wiegen (zelfstimulerend gedrag).

b) Kinderen die niet of nauwelijks reageren op het vertrek van de moeder/vader. Ze doen net alsof er niets aan de hand is. Ze komen stevig en stoer over.

De vormen a en b zijn beiden vormen van onveilige hechting. Peuters moeten in principe even wennen in een vreemde situatie en met een vreemd persoon. Voor een kind dat daar niet op reageert zijn personen kennelijk inwisselbaar. Het maakt niet uit wie er is, zelfs niet in een vreemde ruimte. We noemen dat de angstig-vermijdende hechting.

Er zijn ook peuters die de draad niet meer op kunnen pakken: ze vallen letterlijk en soms ook figuurlijk stil. Bij die kinderen spreken we o.a. van de angstig-ambivalente hechting. Maar waarom dat zo heet zie je pas als de moeder/vader weer in de ruimte is. Dat is nog meer cruciaal bij de observatie dan het vertrek van de moeder/vader.

Tegenwoordig is er nog een derde vorm van onveilige hechting. Die heet de gedesorganiseerde hechting. Deze kinderen zijn onvoorspelbaar in hun reactie. Dit is de meest complexe vorm van onveilige hechting. Ik vermoed dat er een verband is met het (later) ontstaan van borderline-problematiek. 

Hechting in vogelvlucht (6)

Om de hechting te meten ontwikkelde psychologe Mary Ainsworth een proefsituatie waarbij gekeken wordt hoe de peuter in een vreemde situatie reageert op het vertrek en de terugkomst van de moeder. 

Dit onderzoek wordt dan ook de Strange Situation of Vreemde Situatie genoemd. De peuter komt met zijn moeder in een voor hem onbekende ruimte met een voor hem onbekend persoon. Daarna vertrekt de moeder. De vraag is wat de peuter nu gaat doen.

Ik heb nog een opname van bijna vijftig jaar geleden van één van mijn cliënten. Hij reageert niet of nauwelijks op het vertrek van zijn moeder. De behandelend psychiater (nog in witte jas) probeert contact met hem te maken, maar dat lukt niet. De cliënt (toen drie jaar oud) reageert ook niet op het speelgoed. Hij reageert evenmin op de terugkomst van zijn moeder. Met name dat laatste vond ik destijds het meest belangrijke aspect bij deze observatie. 

Bij het onderzoek naar de Vreemde Situatie let je dus vooral op de reacties van het kind bij vertrek van de moeder (je kunt ook de vader lezen, maar in veel onderzoek gaat het toch om de moeder). Wat echter cruciaal is, is wat de peuter doet als zijn moeder weer terug is in de ruimte.

Bij een gezonde hechting zie je dat de peuter reageert op het vertrek van zijn moeder. Hij vindt het vreemd, en zal haar misschien achterna willen lopen. Na een tijdje herstelt zich dat. De peuter is nog wel wat timide, maar hij gaat in op de uitnodiging van de behandelaar en vindt het speelgoed ook wel interessant. Met andere woorden: na een korte dip herstelt het kind zich weer.

Stel: de peuter gaat samen met de onderzoeker een toren bouwen en daarna komt zijn moeder weer binnen. Dan zal de peuter zijn moeder daar direct bij betrekken. Kijk eens mamma, wat ik gemaakt heb! Daarna gaat hij vrolijk verder met bouwen, samen met de onderzoeker, terwijl hij ondertussen een lijntje met zijn moeder onderhoudt.

Met andere woorden: bij een gezonde hechting mist het kind zijn moeder, maar hij valt niet stil. Na een korte periode van ongemak herstelt hij zich weer. Kinderen met een onveilige hechting komen niet tot herstel. Ze vallen helemaal stil. Of ze reageren helemaal niet op het vertrek van de moeder: ze gaan door alsof er niets aan de hand is. Dat zijn twee varianten op het thema onveilige hechting.

Bij de cliënt die ik aan het begin beschreef kon je overigens niet spreken van veilige of onveilige hechting. De jongen had een extreme vorm van klassiek autisme. Een paar maamden geleden raakte ik weer bij hem betrokken. Hij is inmiddels 50-plus en functioneert nog steeds - bij wijze van spreken - als een eiland tussen de andere mensen in zijn omgeving. Dat wil overigens niet zeggen dat hij geen contact maakt. Maar daarvoor moet je hem eerst goed leren ‘lezen’.