Leegkerk

Het is een drukke werkweek met maar liefst vier werkdagen. Dat is best veel voor een 70-plusser.

Gelukkig hoeft de boog niet altijd overspannen te zijn. Maandag aan het eind van de middag zette ik mijn Friese Gazelle op de trein van Harlingen via Leeuwarden naar Groningen om daar een rondje te fietsen.

Leegkerk ligt 5 km ten westen van de stad Groningen

Groningen vind ik de mooiste provincie, althans het Noordelijke deel van de provincie. De stad Groningen ligt op de grens en als je daar naar het Noorden fietst kom je goed terecht tussen de bermbloemen en de aardbevingen.

Het begon ook nog eens te regenen. Dat was goed voor het land. Ik fietste in mijn overhemd (ik had overigens ook een broek aan). Voor mij was het wat minder prettig, ik had er helemaal niet op gerekend. Maar het land rook fris en de boeren waren blij.

Ik kwam nog in Leegkerk te recht. Het kerkje staat leeg. In die hoedanigheid staat het symbool voor de secularisatie in Groningen. 

Er gaat niets boven Groningen (1)

Regelmatig voel ik me meer een Fries, dan een Hollander. En dat terwijl ik nooit in Friesland heb gewoond. 

Tussen Leeuwarden en Groningen (Stad) en tussen Friesland en Groningen (provincie) heeft altijd rivaliteit bestaan. Met mijn Friese naam moet ik dan toch heel erg pro-Friesland zijn? Nee, ik kan niet kiezen. Zou dat komen omdat mijn moeder uit Groningen komt?

Als je kijkt naar de verschillen valt op dat Friesland meer cultureel erfgoed heeft. Dat komt vooral door de elf Friese steden die allemaal historische juweeltjes zijn. In de provincie Groningen was alles gericht op de stad. Stad en Ommeland, en alle wegen leidden naar Groningen. Daardoor hebben andere plaatsen in de provincie nooit zo’n bloei gekend als de Friese Elfsteden.

Van Zuidhorn naar Eenrum

Groningen heeft eigenlijk naast Groningen geen historische steden (alleen langs de grens het kunstmatige Bourtange en authentieke Nieuweschans als vestingen tegen de oprukkende Duitsers). Daar staat tegenover dat er tientallen aardige dorpen zijn met vaak een zeer historische oude kerk. Het mooiste dorp vind ik Winsum.

De Noorden van Groningen en Friesland (tegen de Waddenzee aan) kent zijn eigen charmes: het land wordt steeds meer open, de percelen worden groter, en er zijn nauwelijks dorpen meer. Maar tien kilometer ten zuiden van de Waddendijk vind je in Groningen één van de mooiste stukjes Nederland: het Hoogeland.

Iedereen zal wel zo’n beetje voor natuurlijke energie zijn, maar dat heeft ook zijn nadelen. Friesland telt honderden grote windturbines, maar het noorden van de provincie Groningen is veel minder aangetast. Daar staat weer tegenover dat het Eemshavengebied ten noorden van Roodeschool een enorme visuele aanslag heeft gedaan op het land. De Waddenzeekust van Friesland daarentegen (vanaf Harlingen) is grotendeels ongerept gebleven.

Zuidhorn

Ik had een middag vrij en wilde een jarige vriend in Groningen bezoeken. Dus stapten mijn Gelderse Gazelle en ik op de trein naar Groningen. In Zuidhorn stapten zij uit. De mensen vragen mij eens: “Henk, wat is Zuidhorn voor een plaats?” Dat zal ik jullie zeggen: Zuidhorn is een prachtige plaats met oude statige villa’s en veel bomen op een hoger liggende zandrug ten westen van de stad Groningen. De kern van het dorp heeft de status van beschermd dorpsgezicht. Vroeger woonden hier verschillende familieleden (maar niet in villa’s).

Noordhorn

Ik stap meteen op de fiets richting Noordhorn, dat ten noorden van Zuidhorn ligt. De wereld zit hier eenvoudig in elkaar: het klopt allemaal precies. Tussen Zuidhorn en Noordhorn ligt het Van Starkenborghkanaal: onderdeel van de drukbevaren scheepvaartroute tussen Delfzijl en Lemmer. Hoewel de dorpen aan één lintbebouwing liggen geeft Noordhorn veel meer het gevoel van het Groningse platteland.

Ik fiets kaartloos en heb de tijd, dus voor Groningen kan ik nog een omweg maken. In Noordhorn zie ik een weggetje dat meteen de landerijen induikt. In die weidse vlakte voel ik mij thuis. 

Spijk en Bierum

Vanuit Roodeschool fietste ik naar Spijk. Dat kan vér zijn, want er zijn zes Spijken in Nederland. De plaats Spijk in Groningen ligt dichtbij Roodeschool. Daar fietste ik dus naar toe.

Het aardige van Groningen en Friesland is dat je van dorp tot dorp steeds voort kunt fietsen. Het land mag dan dunbevolkt zijn, er zijn wel veel kleine dorpen. In Mecklenburg Vorpommern (langs de Oostzee) en in Sleeswijk Holstein – ook gebieden met zeer oude dorpen – moesten we hele einden trappen om in het volgende dorp te komen. In Groningen liggen de dorpen voor het oprapen.

Spijk noemt zichzelf één van de mooiste wierdedorpen in Nederland. Daar moet je natuurlijk mee uitkijken, want eigenroem kan ook wel eens stinken. Maar Spijk heeft de status van beschermd dorpsgezicht niet voor niets gekregen.

Het is één van de oudst bewoonde streken van Nederland. In de zevende eeuw lag hier een nederzetting op een kwelderrug, direct aan de Waddenzee. Nederlanders kunnen goed polderen en zo kwam er iedere keer weer een stukje land bij en lag Spijk steeds verder van de zee af.

Het meest opvallend aan Spijk is de omgeving van de kerk. De toren lijkt overigens sprekend op die van het nabijgelegen Uithuizermeeden. Rond de kerk ligt een grasveld met een gracht en daarom heen zijn de huizen in een cirkel gebouwd. Deze vorm van bebouwing zie je ook (o.a.) op Schouwen-Duiveland. De straten komen in een stervorm uit op de weg die rond de kerk loopt.

Aan het centraal gelegen plein staat een voormalig café met een aanzienlijk voorportaal. En om de hoek vind je de molen Ceres. Even verderop staat een groot uitgevallen Gereformeerde Kerk waarin zich tal van Jugendstil-elementen schijnen te bevinden. Helaas blijkt de kerk niet toegankelijk voor een nieuwsgierige westerling op maandag.

Spijk is geen dorp dat geleidelijk uitsterft. Er is vrij veel nieuwbouw en om deze tijd worden er ook veel honden in het alom aanwezige groen uitgelaten. Ze zijn allemaal braaf en gaan niet in de aanval. Spijk bezit ook nog een supermarkt en een brievenbus, dus de mensen hoeven niet voor alles af te reizen naar de dichtstbijzijnde grote stad: Delfzijl.

Na Spijk fiets ik temidden van kletsnat land in zuidoostelijke richting om alreeds twee kilometer verderop met piepende remmen tot stilstand te komen in de dorp Bierum.

“Bierum heeft het, daar leeft het!” luidt de plaatselijke slagzin. Dat klinkt nogal optimistisch. “Groningen heeft het, daar beeft het,” zou ook een slagzin kunnen zijn.

In Bierum staat de middeleeuwse Sebastiaankerk met een kolossale steunbeer.

Een steunbeer is bedoeld om de toren of de kerkmuur voor instorting te behoeden. Maar hier blijkt de steunbeer tot last te zijn. De beer trekt de toren naar beneden. Om verder onheil te voorkomen staat de steunbeer nu tot zijn oksels in de steigers.

Groningen de lucht in

Tussen de steden Groningen en Leeuwarden is altijd rivaliteit geweest. Het zou zelfs kunnen zijn dat de gemeente Leeuwarden daarom groen licht gaf voor de Achmea-toren. Eén van de lelijkste gebouwen in Nederland, en helaas: tóch niet hoger dan de Martini-toren.

Ondertussen gaat de stad Groningen als skyscraper-city ook de lucht in. Zoals bij de Tasmantoren in de wijk Oosterhoogebrug. Er zijn in Groningen in de afgelopen decennia overigens drie woon-en bedrijfscomplexen gebouwd die hoger zijn dan de Tasmantoren.

Ik had de Tasmantoren nooit (bewust) gezien, maar fietste er per OV fiets per ongeluk langs omdat ik in het hoge noorden een gestichtelijk woord moest spreken.

Volgens een website is de vorm van het gebouw geïnspireerd door een kruipende rups. Laat is dat er nou helemaal niet bij kunnen bedenken… Vierkante rupsen ken ik niet. Mijn verbeelding schiet dus duidelijk tekort.

De Tasmantoren telt 23 verdiepingen en is 75 meter hoog. In Amsterdam vind je in het havengebied ook een appartementencomplex op pijlers. Misschien is dat gebouw ook wel geïnspireerd op een kruipende rups. Ik ga toch echt aan mijn verbeeldend vermogen twijfelen….

Geef mij overigens maar de bouw van vóór de Tweede Wereldoorlog. De eenheid tussen interieur en exterieur (zoals bij de Amsterdamse School). De huizen aan de Gerbrand Bakkerstraat kenmerken zich o.a. door de prachtig heldere kleuren (oranje, rood, geel en blauw) van het houtwerk. Het is een vrij lange straat, met over de volle lengte deze bouwstijl.

En dan de huizen en gebouwen van rond de 19e eeuw met hun Jugendstil-tekeningen. Die staan er ook in de stad Groningen. Soms is het gewoon een kwestie van even een zijstraat infietsen.

Dit gebouw aan het Zuiderpark heeft ook Jugendstildetails, vooral aan de kopse kanten van het gebouw. Daarvoor zou ik even de straat hebben moeten oversteken en een detailfoto hebben moeten maken.  Maar de lucht was dreigend en ik wilde droog over komen. Dus jullie moeten het doen met een foto van het totaalplaatje.

Ommeland (6)

StedumWat doet een dorp van 1100 inwoners met een kolossaal kerkgebouw? Alle inwoners passen zo’n beetje in de Bartholomeuskerk van Stedum. Kennelijk was de plaats vroeger erg belangrijk. Of de eigenaar van de plaatselijke borg had veel geld en wilde op deze manier Stedum op de kaart zetten. De oudste delen van de kerk dateren van rond het jaar 1300. Het was de periode dat de Romaanse bouwkunst geleidelijk werd vervangen door de gothische bouwkunst. Beide elementen vind je terug in dit massieve kerkgebouw. Met een nog méér massieve toren.

Seismische hazardkaart Groningen Versie 2 ©KNMI Maar een beetje stevigheid kan in het hart van het aardbevingsgebied geen kwaad. Zie dit plaatje dat werd uitgegeven door het KNMI.

Stedum 2Stedum is overigens een vriendelijk plaatsje met zelfs een beschermd dorpsgezicht. Het leven lijkt er rustiger te verlopen en de auto’s razen niet in een te hoog tempo over de beklinkerde straten. Althans vandaag niet…

Ondertussen hoor ik in de verte gerommel. Dat kan natuurlijk een aardbeving zijn. Ik fiets maar weer de plaats uit, voordat ik een dakpan op mijn hoofd krijg…

Ommeland (5)

Het landschap ten noorden van Aduard bestaat uit een lappendeken aan piepkleine buurtschappen, vaak niet meer dan drie boerderijen. Driebrug, Suttum, Hardeweer, Nijenhuis, Fransumer Voorwerk, Joeswerd, Brillerij, Bolshuizen.

Ruimte bij het ReitdiepDoor dit gebied kronkelt zich een fietsroute, grotendeels bestaand uit de breedte van één betonplaat met (op dit moment) hoog gras. Iemand die mij vanuit de verte ziet fietsen ziet slechts een oudere man die zich op wonderbaarlijke wijze voortbeweegt door het land. De fiets is niet meer te zien.

Ik kruis het Aduarderdiep. Het is een heel oud kanaal dat mogelijk al rond 1300 door monniken is gegraven. Een echt monnikenwerk dus. Een nieuwe fietsbrug helpt mij droogvoets over het kanaal.

Even verderop bevindt zich het volgende natte obstakel: het Reitdiep. Tot halverwege de 19e eeuw kwamen zeeschepen via dit water tot in de binnenstad van Groningen. De haven daar was toen nog een getijdenhaven Sluis Reitdiepmet zilt water. Het Reitdiep is de gekanaliseerde Hunze, die zó bochtig was dat men besloot af en toe maar een stukje rechtdoor te steken. Het water stroomt door één van de oudste cultuurgebieden van Europa. De mensen zeggen wel ‘zo oud als de weg naar Rome’, maar ze zouden ook kunnen zeggen ‘zo oud als het vaarwater naar Groningen’. 

Ik fiets achter Oostum langs door de Polder Ons Behoud. Een oude sluis biedt de mogelijkheid om over het Reitdiep te komen. Aan de overkant wordt aan de fietsroute geknutseld, dankzij Europese gelden. Daardoor is het nu mogelijk om over glad asfalt via het buurtschap Hekkum naar Sauwerd te fietsen.

Bedum 1De streek tussen Sauwerd en Stedum heb ik al vaker op dit weblog beschreven, omdat we daar twee weken met vakantie zijn geweest. Halverwege beide plaatsen bevindt zich het dorp Bedum, met de scheefste kerktoren van Nederland. Hij staat nog meer uit het lood dan de toren van Pisa.

Ik pad de draad weer op in Stedum, omdat de vandaag genomen vervolgroute niet eerder op dit weblog beschreven werd. Overigens: opnieuw zonder plan: ik fietste gewoon mijn neus achterna en probeerde onderweg ook twee keer een naderend onweer te slim af te zijn.

Ommeland (4) : Fransum

Kerk Harkema 4Ik neem een koffiepauze op het terrein van boer Harkema, die een eigen kerk in zijn tuin heeft gebouwd. De weg liep hier vroeger dood, maar overal in de provincie Groningen zijn de afgelopen jaren verbindingspaden aangelegd tussen buurtschappen. Het zijn zeer landelijke paden over het terrein van boeren, die (als het een dubbele rij betreft) de betonplaten kunnen gebruiken voor hun eigen landbouwverkeer. Dan snijdt het mes aan twee kanten.

De volgende buurtschap is Fransum. Het kerkje hier lijkt verlaten te staan op een verhoging in het vlakke Groningse land. En het kerkje heeft ook al veel moeten meemaken. Het is een wonder dat het er nog staat. Toen rond 1900 het aantal bewoners rond de kerk terugliep werd besloten er geen kerkdiensten meer te houden. Het gebouw raakte in verval en diverse Fransumacties om het gebouw nieuw leven in de blazen leidden uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat. Een ander probleem betrof de structuur van de wegen rond het kerkje. Er was nauwelijks een begaanbaar pad.

Uiteindelijk werd het voorstel gedaan om het kerkje in zijn geheel te verplaatsen naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Ook dat ging niet door. Ondertussen ging de toestand van het gebouw steeds verder achteruit. Pas in 1949 werd het kerkje gerestaureerd. Er werden zelfs weer kerkdiensten gehouden. Maar niet voor lang. Bij slecht weer was het gebouw nauwelijks bereikbaar, vanwege de slechte wegen. Ook plannen om het aan een kunstenaar te verhuren liepen op niets uit. Het zat dus allemaal niet mee.

Tegenwoordig is het kerkje in beheer bij de Stichting Oude Groninger Kerken. Het wordt verhuurd aan een stichting die huismuziek ‘maakt’. In het kerkje staat een mooi kabinet-orgel dat werd gebouwd door Pels en Van Leeuwen. Dat zegt de meeste blog-lezers niets, maar in het kerkgebouw waar wij vroeger kerkten staat ook zo’n orgel met een prachtige intonatie, zeer geschikt om huismuziek te begeleiden.

Dichter/theoloog Cornelius Onno Jellema schreef het gedicht Kerkje van Fransum met de slotregels: “ik zit in het gras / tussen jouw zerken, zo ben je het mooist: / dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn“.

De paden rond het kerkje zijn deels van (enkele) betonplaten voorzien. Het gras rond de paden overwoekert af en toe de paden. Mijn ontblote benen hebben het zwaar te verduren vanwege prikkende brandnetels en grassen. Ook vang ik een teek die zich in mijn knieholte heeft weten te nestelen.

Ruimte bij het ReitdiepHet is trouwens goed uitkijken geblazen, want het pad maakt voortdurend haakse bochten. Die zijn vanwege het hoge gras nauwelijks te zien. Om me even te kunnen verwonderen over dit weidse landschap moet ik mijn stalen ros tot stilstand manen. In deze ruimte zou ik best willen wonen…