De last van een falend geheugen

Mensen vinden het vaak rampzalig dat ze van alles vergeten. Maar we moeten dingen vergeten. Anders raken onze hersenen overbelast.

Wat vinden mensen het meest lastige aan hun gemankeerde geheugen?

  1. De namen van mensen
  2. Het vergeten van telefoonnummers
  3. Het vergeten van wachtwoorden en pincodes
  4. Niet meer weten wat je net gelezen hebt
  5. Vergeten wat je de afgelopen dag of week hebt gedaan
  6. Niet meer weten waar je iets hebt opgeborgen
  7. Vergeten wat je ook alweer van plan was om te gaan doen
Herkennen jullie deze top 7 van vergeetachtigheden?

Ad 1. Het vergeten van namen is een alledaags probleem. Dat heet een opdiepprobleem. De meeste mensen hebben daar last van. Het wordt met de jaren sterker. Het is lastig, maar het is zelden ernstig.

Ad 2. Het vergeten van telefoonnummers is ook al een alledaags probleem. Maar het heeft deels te maken met het feit dat we die nummers in de telefoon hebben staan en ze niet meer zelf hoeven te reproduceren. Veel telefoonnummers van een halve eeuw geleden weet ik nog steeds. Maar zelfs het telefoonnummer van Tineke weet ik niet uit mijn hoofd. We hebben het onszelf te gemakkelijk gemaakt.

Ad 3. Je maakt het jezelf een stuk gemakkelijker als je ezelsbruggetjes koppelt aan je wachtwoorden en codes. Sommige mensen zien ook het toetsenbord voor zich en weten dan het wachtwoord. Maar dat wordt lastig als je een buitenlands toetsenbord hebt. Verbale ezelsbruggetjes zijn meer universeel. Bijna al mijn wachtwoorden zijn gekoppeld aan kerkelijke muziek. Dat helpt ook. Bovendien houdt je muzikale geheugen langer stand dan je verbale geheugen. Dus misschien kan ik er nog een paar jaar mee toe…

Advertenties

Misverstanden over het geheugen

Er zijn mensen die zich erop beroemen een feilloos geheugen te hebben. Die mensen hebben een slecht geheugen. Ze zijn kennelijk vergeten hoe vaak ze iets niet hebben kunnen onthouden.

A. Ons geheugen is niet onfeilbaar. Alle informatie die we opslaan gaat via een filter.

  • Dat is alleen al het filter van wie we zijn. Er zit een groot verschil in hoe mensen dingen onthouden.
  • Het tweede is het filter van onze interesse.  Ik zal geen uitslagen van voetbalwedstrijden onthouden, want voetbal interesseert me geen bal.
  • Een derde filter is onze stemming. Die kleurt voor een belangrijk deel datgene wat we opslaan.

B. Ons geheugen is ook niet onbeperkt. We kunnen lang niet alles opslaan. Dat heeft te maken met onze aandacht. We kunnen niet alles in de gaten houden. Sommige informatie slaan we niet op, andere wel. En dat is maar goed ook, anders zou ons hoofd snel overbelast raken.

Van de informatie tijdens een bezoek aan de huisarts hebben we na een dag slechts 10% tot 25% onthouden. Van de informatie tijdens het Journaal weten we na een dag minder dan 10%.

Ons geheugen is dus niet zoiets als de harde schijf van de computer. Het selecteert vooraf en tijdens het proces van de opslag en nadat de informatie is opgeslagen verdwijnt er ook een zeer groot deel via de openslaande tochtdeuren van onze herinneringen.

Feilbaar geheugen

Naarmate mijn geheugen meer feilbaar wordt schrijf ik vaker over het geheugen.

In de Volkskrant (19 december 2018) schreef Max Pam over de feilbaarheid van het geheugen.

Ballonvaart

Eerder schreef ik al over twee jongens die waren gaan geloven in een ballonvaart die ze met hun vader zouden hebben gemaakt. In werkelijkheid hadden ze slechts een gefotoshopte foto gezien. Daarop hadden ze tal van details ingevuld. Ze meenden dat het feiten waren, maar de ballonvaart had nooit plaats gevonden.

Bijlmerramp

Emeritus hoogleraar Hans Crombag (rechtspsycholoog) deed een experiment onder studenten over de Bijlmerramp. Maar liefst 55% van de studenten wist zich allerlei beelden te herinneren van de vlucht van dit vliegtuig, tot zelfs details zoals de hoek waarin het vliegtuig in de flat Kruitberg was gevlogen. Maar het wonderbaarlijke is dat er helemaal geen beelden van de laatste minuten van die vlucht en van de inslag bestaan. Niettemin wilde een deel van de studenten dat verhaal van Crombag niet geloven: ze wisten wel zeker dat ze die beelden hadden gezien.

Therapie

Max Pam noemt het boek Vaag verleden waar Kitty Hendriks schrijft over een therapie die ze heeft ondergaan. Ze realiseert zich tijdens die sessies dat ze suggestief allerlei ervaringen krijgt aangereikt, waardoor ze (zoals ze later opmerkt) gaat geloven in een fictief verleden. Dat kan o.a. een risico zijn van hypnotherapie. Maar ook tal van zelf benoemde therapeuten (zoals tantra-therapeuten) hebben er een handje van om voor hun patiënten herinneringen in te vullen.

Eigenlijk is dat niet anders dan het verhaal van de gefotoshopte foto uit de jeugd of de beelden die je meent te hebben gezien en die er niet waren. Nieuwe herinneringen vullen oude herinneringen aan, maar dat zijn lang niet altijd feitelijkheden. Hendriks meent dat je op die manier dus ook het slachtoffer kunt worden van een therapie: er worden heftige herinneringen toegevoegd aan je levensverhaal. Maar daarmee word je dus het slachtoffer van je therapie.

Soms meen ik iets uit mijn geschiedenis zeker te weten. En dat ondanks een steeds meer feilbaar geheugen. Dat laatste moet ik ook maar vasthouden. Mijn geheugen kan door allerlei gebeurtenissen onderweg behoorlijk op een dwaalspoor zitten.

Een te goed geheugen

Een goed geheugen is een zegen. Dat merkt je pas echt als je geheugen je in de steek laat. Dat kan best beangstigend zijn. Maar kun je ook een te goed geheugen hebben?

Nu is het eerst de vraag welk geheugen er bedoeld wordt. We hebben tal van geheugens. Iemand schreef dat er maar liefst 256 verschillende soorten van geheugenprocessen bestaan. Alleen ben ik vergeten wie dat was (…). Vaak denken we bij het geheugen aan het onthouden van namen. Je komt iemand tegen, maar hoe heette die persoon ook alweer? Je schaamt je diep… Als troost mag gelden dat dat in de beste families voorkomt en zelfs al op jonge leeftijd. Maar dat is vooral een opdiepprobleem. Je weet het wel, maar je kunt er op dat moment niet opkomen. Maar ook activiteiten als koken en fietsen hebben alles met je geheugen te maken. Zelfs het feit dat je weet dat een fiets is bedoeld om op te fietsen valt onder de functies van het geheugen. Maar laten we het nu even houden op het je kunnen herinneren van een aantal zaken.

Bart staat bekend om zijn enorme kennis. Hij weet tot in detail feiten die anderen altijd op moeten zoeken. Daar is hij trots op en dat mag natuurlijk ook. Op school gaf hij niet alleen goede antwoorden, hij kon ook vertellen waar iets te vinden was. “Dat staat op bladzijde 26 in de tweede alinea.” Bart kan ook tot in detail vertellen ‘wie wat waar’ gezegd heeft. Het gebeurt daardoor wel dat hij twintig jaar na dato iemand confronteert met een uitspraak uit dit grijze verleden. Die persoon kan dat niet meer checken en is het al lang vergeten. Maar Bart niet. Bovendien gaat hij er vanuit dat zijn geheugen onfeilbaar is.

Is het handig als je zo’n gedetailleerd geheugen hebt? Het lijkt aardig, want je leert snel en tot in detail, soms zelfs beter dan de leraar. Maar mensen die zo’n goed geheugen hebben klagen er vaak over dat hun hoofd te vol zit. Ze hebben liever wat minder informatie. Bij Bart is dit goede geheugen een probleem in zijn sociale contacten. Als hij als pensionado iemand uit zijn jeugd tegen komt kan hij die persoon nog steeds aanspreken op wat deze ooit gezegd heeft. Bovendien leidt deze enorme geheugencapaciteit tot een ander probleem. Bart verandert zijn oordeel over de ander niet, zelfs als die persoon zegt dat het hem spijt. Zo iemand blijft een ‘rotzak’. En dat zal hij niet onder stoelen of banken steken. Hij heeft dan ook nauwelijks vrienden. Bij Bart heeft dat fabelachtige geheugen dus niet alleen voordelen.

Soms kun je maar beter regelmatig iets vergeten. Hoewel: kunnen vergeven, dat is natuurlijk nóg beter… Ook voor Bart.

Bijdrage die ik schreef voor het Nederlands Dagblad, 12 november 2018

Een noodlottig goed geheugen

Bart Steensma staat bekend om zijn enorme feitenkennis. Hij weet tal van details over technische zaken die verder iedereen op moet zoeken.

Bart kan ook tot in detail vertellen ‘wie wat waar’ gezegd heeft.  Het gebeurt daardoor wel dat hij twintig jaar na dato iemand confronteert met een uitspraak uit dit grijze verleden. Die persoon kan dat nooit meer checken en is het bijna altijd al lang vergeten. Maar Bart niet. Bovendien gaat hij er vanuit dat zijn geheugen onfeilbaar is.

Bart is er best een beetje trots op dat hij zoveel feitenkennis heeft en dat mag natuurlijk ook. Op school gaf hij niet alleen goede antwoorden, hij kon ook vertellen waar een bepaald gegeven te vinden was. “Dat staat op bladzijde 26 in de tweede alinea.”

Eidetisch geheugen

In de literatuur wordt wel gesproken over het eidetische geheugen. Daar bestaan weer verschillende vormen van. Psycholoog Erich Rudolf Jaensch (1883 tot 1940) koppelde deze vormen zelfs aan de persoonlijkheid.  En Simon Vestdijk zag deze vormen zelfs als passend bij diverse religies. Maar dat soort theorieën wordt inmiddels als achterhaald beschouwd.

Toch is daarmee het idee dat sommige mensen zeer specifiek en tot in detail waarnemen niet losgelaten. Wel gaan onderzoekers er vanuit dat vooral kinderen op deze manier waar kunnen nemen en dat het vermogen geleidelijk minder wordt, zeker na de puberteit. Als volwassenen nog steeds op deze manier kunnen waarnemen en reproduceren is dat zeer uitzonderlijk.

Tekenende mensen met autisme

Wat wel blijft is het idee dat sommige mensen in staat zijn om bij wijze van spreken fotografisch bepaalde beelden in hun hoofd vast te leggen en te reproduceren. Een voorbeeld van dit vermogen is Stephen Wiltshire uit Groot Brittannië. Hij begon pas te spreken toen hij negen jaar oud was, maar kon op zijn vierde al zeer gedetailleerd tekenen. In Nederland zijn de tekeningen van Kees Momma bekend. Beide heren hebben de diagnose ‘autisme’ gekregen. Het is bekend dat sommige mensen met autisme ‘in één oogopslag’ bij wijze van spreken in hun hoofd een foto maken van datgene wat ze zien.

In dat licht gezien zou je ook het vermogen van Bart Steensma kunnen noemen: hij maakte als het ware foto’s van iedere bladzijde die hij las en die foto’s zette hij vast in zijn hoofd.

Niet alleen handig…

Is het handig als je zo’n gedetailleerd geheugen hebt? Het lijkt aardig, want je leert snel en tot in detail. Je weet het antwoord eigenlijk nauwgezetter dan de leraar. Maar mensen die zo’n goed geheugen hebben klagen er vaak over dat hun hoofd te vol zit. Ze hebben liever wat minder informatie.

Bij Bart Steensma is dit goede geheugen een probleem in zijn sociale contacten. Als hij 20 jaar later iemand van de middelbare school tegen komt wil hij die persoon nog steeds aanspreken op wat hij ooit gezegd heeft. Bovendien leidt deze enorme geheugencapaciteit tot een ander probleem. Bart Steensma verandert zijn oordeel over de ander niet. Wie 20 jaar geleden ‘hem een geintje flikte’ is nog steeds een ‘rotzak’. En dat zal Bart Steensma niet onder stoelen of banken steken. Hij heeft dan ook nauwelijks vrienden.

Iemand verwoordde dit vermogen van Bart Steensma als volgt: "Bart heeft een noodlottig goed geheugen."

Vroege herinneringen

Onze kleindochter van drie jaar vertelt regelmatig tot in detail wat ze een paar weken of zelfs een paar maanden geleden meemaakte. Meestal roept een beeld bij haar weer een herinnering op: ze associeert dus bij een visueel plaatje een gebeurtenis uit het verleden.

Ik heb het me vroeger ook wel afgevraagd hoe onze eigen kinderen zich later dingen zouden kunnen herinneren. Maar mijn geheugen is feilbaar. Ik ben dus ondertussen vergeten wat ik er toen over bedacht heb. Er is echter ook nieuw onderzoek beschikbaar.

Geen woorden

Anna Enquist is schrijfster, musicus en psycho-analytica. In een interview in het Nederlands Dagblad (22 juni 2018) legt ze uit waarom we ons niet meer kunnen herinneren wat er in ons leven gebeurde toen we peuter waren.

Enquist: “Muziek is onze eerste taal. Die ervaring begint al in de baarmoeder. Pas als we een paar jaar oud zijn gaan we in woorden denken. Daarom hebben we ook zo weinig herinneringen aan onze jongste jaren: die zijn niet in woorden opgeslagen.”

Een aardige verklaring, maar er is meer nodig. Want als het verhaal van de taal klopt moeten peuters zich toch veel kunnen herinneren. Ze kunnen de oren van je hoofd kletsen, dus ze zouden zich via dat vermogen ook gebeurtenissen uit hun tweede en derde jaar voor de geest moeten kunnen halen.

Vanaf vier jaar

De Amerikaanse onderzoekers Patricia Bauer en Martina Larkina hebben enkele jaren geleden onderzoek gedaan naar het functioneren van het geheugen van kinderen. Ze kwamen – in lijn met de conclusies uit eerder onderzoek – tot de ontdekking dat kinderen zich nauwelijks iets herinneren van wat er voor hun vierde jaar gebeurd is (een uitzondering doet zich voor bij een aantal volwassenen met autisme). 

Onderzoek

De onderzoeksters lieten ouders bepaalde spannende gebeurtenissen navertellen en herbeleven door hun kinderen (bijvoorbeeld het bezoek aan een spannende attractie, het overlijden van een opa of oma of de geboorte van een broertje of zusje). Op die manier werd de herinnering nog eens extra bekrachtigd. Maar bleef dat verhaal bewust in het geheugen opgeslagen? Wél zo lang de kinderen kleuter waren. Maar opvallend was dat de herinnering aan die gebeurtenissen vaak sterk terugliep toen de kinderen zeven of acht jaar oud waren. Er wordt zelfs gemeld dat die herinneringen ‘opeens’ verdwijnen. Er was iets aan de hand waardoor die oude herinneringen vervaagden. Maar wat dan?

De ontwikkeling van het zelf

Ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma heeft wel een vermoeden. Rond de zeven jaar verandert het zelfbeeld van het kind: het leert om naar zichzelf te kijken en zichzelf een plek te geven in relatie tot anderen. Ze denken over zichzelf en over de ander en zien verbanden tussen het gedrag van henzelf en dat van anderen. Ze gaan ook begrijpen waarom de één een andere kijk heeft op de wereld dan de ander.

Dat is een ingewikkeld proces dat een groot beroep doet op de geheugenfuncties. Breeuwsma vermoedt dat deze verandering een zó groot beroep doet op de beschikbare geheugenfuncties dat de hersenen als het ware ‘gereset’ moeten worden. Daardoor zouden dan veel herinneringen ‘vrij plotseling’ zoek raken.

Zelf en autisme

Professor Uta Frith heeft veel onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van het zelf bij mensen met autisme. Deze ontwikkeling stagneert volgens haar (‘de musici zijn allemaal aanwezig, maar er is geen dirigent’). Daardoor kost het mensen met autisme veel meer moeite om naar zichzelf te kijken en hun eigen gedrag in relatie te zien tot het handelen van anderen. Dat is de stap die kinderen van een jaar of zeven vanzelf maken.

Als het idee van het ontwikkelende zelf een verklaring vormt waarom kinderen van een jaar of zeven zoveel herinneringen kwijt raken zouden de opvattingen van Uta Frith volgens mij kunnen verklaren waarom sommige mensen met autisme zoveel vroege jeugdherinneringen tot in detail kunnen beschrijven. Een voorbeeld van gedetailleerde vroege autoiografische herinneringen is het boek 'Een echt mens' door Gunilla Gerland. 

Volgehouden aandacht

Tegenwoordig vermoeden veel onderzoekers dat de kern van de problematiek van mensen met ADD en ADHD niet de aandacht is, maar de volgehouden aandacht.

Het gebrek aan volgehouden aandacht zou dan weer te maken hebben met het werkgeheugen: de capaciteit die je hebt om ter plekke van alles te doen in je hoofd.

Volgens psycholoog Wytze van der Zwaag kan een intensieve training van het werkgeheugen zeer effectief zijn bij kinderen en volwassenen met ADD en ADHD. Hij ontwikkelde met zijn adviesbureau BeterBrein een methode om het functioneren van dit werkgeheugen te verbeteren. En volgens hem zijn er kinderen en volwassenen die dankzij deze training uiteindelijk kunnen stoppen met hun medicatie.

De methode is gebaseerd op het trainen van het werkgeheugen door middel van computerspelletjes. Dat klinkt natuurlijk erg aardig. En ook aantrekkelijker dan de ‘concurrenten’ van de methode in de aanbieding hebben: medicatie of (met soms opvallend goede resultaten) een speciaal dieet.

Orthopedagoog Paul Leseman (Universiteit van Utrecht) is minder optimistisch over de totale werking van de training. Hij richt zich met name op de pragmatiek: het toepassen in de concrete situatie. Als je het gedrag van kinderen met ADHD wilt verbeteren zul je hen moeten trainen in de situatie waar je je het gedrag wilt veranderen. Levert de aandacht op school grote problemen op, dan zul je dáár dus moeten trainen.

Nu ben ik nog benieuwd naar het effect op ouderen. Gemiddeld vanaf ons 30e jaar gaat de capaciteit van het werkgeheugen achteruit. Wat dat betreft lijkt het functioneren van het werkgeheugen van mensen met ADHD nogal eens op dat van ouderen. Jongeren met ADHD slagen er echter beter in om zich op andere manieren staande te houden. Op termijn kan dit echter wel tot een fysiologische en psychologische uitputtingsslag leiden.

Bij veel oudere mensen die ‘verdacht’ worden van dementie gaat het vooral om de problemen met dat werkgeheugen. Doordat dat geheugen minder snel functioneert hebben ouderen veel meer moeite om dingen te onthouden (vooral als de informatie te snel komt). Ook krijgen ze steeds meer moeite om twee mentale taken tegelijk te verrichten (bijvoorbeeld én afwassen én naar het nieuws luisteren, of een gesprek tussen meerdere mensen volgen). Dat is dus niet hetzelfde als dementie, de problemen zijn een gevolg van een minder effectief werkgeheugen.

De vraag is dus straks of ik toch nog aan de computerspelletjes zal moeten. Daar heb ik nooit iets mee gehad, maar misschien moet ik er alsnog aan geloven… “Toe maar, meneer Henk50, u vergeet toch zoveel? Daar hebben we iets voor. Een héél erg leuk computerspelletje! De zuster vindt het zelf óók leuk!”