Twee is nee, drie is regie

Kleindochter Thiska logeerde hier het afgelopen weekend. Ze is twee jaar, maar nadrukkelijk onderweg naar de drie jaar.

Eén van de verschillen die ik in cursussen uitleg is die tussen twee en drie jaar. Veel mensen met een verstandelijke beperking die op instellingen wonen functioneren op dat niveau. Sommige volwassenen buiten instellingen trouwens ook nog steeds…

In het tweede jaar weet de peuter vooral wat hij niet wil. “Ik ben twee en ik zeg nee.”

In het derde jaar kan de peuter meer vooruit denken. “Ik ben drie en ik wil de regie.” In neurologisch opzicht komt dat doordat de executieve functies beter zijn ontwikkeld. Daarmee worden het plannen en het organiseren bedoeld.

Een kind van twee zet de hakken in het zand. Controle gebeurt door ‘nee’ te zeggen en veel schakeltijd te nemen.

Een kind van drie weet veel beter wat het wel wil en wel kan. Het is geen nee zeggen meer als ‘rem’, maar vooral omdat het iets anders in het hoofd heeft. Dat is nu mogelijk omdat de voorste hersendelen meer gerijpt zijn. Daardoor is ook de verbeelding gegroeid. Dat wil zeggen: los van de situatie je kunnen voorstellen dat je iets anders in je hoofd hebt.

Daar was kleindochter Thiska volop mee bezig. Een goede oefening voor haar opa en oma om weer eens te proberen of creatief opvoeden nog tot de eigen vaardigheden behoort...

Vermijders en goedmakers

Het blijft altijd boeiend (vind ik) om verschillen tussen kinderen te zien.
Zoals het verschil tussen vermijders en goedmakers.
Dat verschil zie je vaak duidelijk bij peuters.

De onderzoekers gaven aan peuters speelgoed, maar dat speelgoed zat nogal krakkemikkig in elkaar. Dus zodra de peuter er mee ging spelen verloor de beer een poot, brak er een wiel van de auto af of verloor de pop haar hoofd.

Hoe reageren peuters op zo’n ongelukje? Er waren duidelijk verschillende tendensen te zien.

Een deel van de peuters zorgde dat het kapotte speelgoed zo snel mogelijk verdween. Ze wilden niet laten zien dat zij iets stuk hadden gemaakt. Ze hoopten kennelijk dat degene die het speelgoed had gegeven niet zou ontdekken dat er iets mis was gegaan. Dit zijn de vermijders.

Andere peuters constateerden ook dat het speelgoed stuk was gegaan, maar ze probeerden het zo snel mogelijk te repareren. En als dat niet lukte gingen ze naar degene toe die hen het speelgoed had gegeven met de constatering dat het stuk was gegaan en met het verzoek om het weer te repareren. Dit zijn de goedmakers.

Volgens mij zie je dit verschil ook nog wel bij volwassenen.

Persoonlijk heb ik de neiging (als ik eens iets stuk laat vallen of bijvoorbeeld een blad van een plant knak) het héél netjes op te ruimen. Maar na 45 jaar Tineke weet ik dat ze dat eigenlijk altijd op wonderbaarlijke wijze ontdekt. Er is gewoon geen ontkomen aan… Maar dan heb ik het wel alvast preventief goedgemaakt door het netjes op te ruimen…

Emoties bij jonge kinderen (3)

Zelfhantering

Een belangrijke bepalende factor bij het sociale gedrag is de mate waarin het kind leert om zijn eigen emoties te hanteren. Aanvankelijk zijn kinderen hierbij volledig afhankelijk van de opvoeder: ze willen vastgehouden worden, gewiegd worden, iemand moet op zachte toon tegen hen praten. Afleiding kan ook bij jonge kinderen al een positief effect hebben.

Vanaf de leeftijd van 2 tot 3 maanden kunnen kinderen zichzelf ook al enigszins ‘troosten’ door bijv. op hun duim te gaan zuigen en later zelfs door te proberen om in slaap te vallen. Ook kunnen kinderen ‘wegkijken’ als de wereld te spannend voor hen wordt.

Bij het zien van een ‘vreemd voorwerp’ kunnen kinderen zich terugtrekken óf houvast zoeken bij de moeder. Als iets leuks ‘verdwijnt’ kan het kind afleiding zoeken in iets anders of op zoek gaan naar het voorwerp. Uiteraard kunnen ze ook boos en gefrustreerd reageren.

Gedrag van baby’s en het latere vervolg

Naarmate het kind ouder wordt vermindert het aantal ‘explosies’ (gillen, schreeuwen, schoppen, slaan) omdat het steeds meer vertrouwt op de mogelijkheid om door woorden aan te geven wat zijn wensen zijn.

Opvallend is het verband tussen het snel ontregeld raken bij baby’s en het niet aansluiten bij de volwassene als peuter. Met andere woorden: bij baby’s die snel ontregeld raken is de peutertijd naar verhouding ook vaker een lastige periode, zowel voor de ouders als voor het kind. Het is moeilijker voor de ouders om de pasvorm in de omgang met hun kind te vinden (temperamentsonderzoek: goodness of fit).

Ook bestaat er een verband tussen het frequent vertonen van boosheid en agressie op de peuterleeftijd en het soepel kunnen omgaan met andere kinderen op de basisschool. Licht ontvlambare peuters raken ook op latere leeftijd gemakkelijker geïsoleerd.