Naar Binche

Als je in Bergen blijft kom je niet ver op de fiets. We richtten onze blikken oostwaarts en reden dan ook aan die kant de stad uit. Deels moet dat in België op het gevoel, de bewegwijzering is onregelmatig en vooral op het autoverkeer gericht.

Al een paar jaar lang wilde ik Binche bezoeken: een stadje dat halverwege Bergen en Charleroi ligt, ongeveer 20 km. ten oosten van Bergen.

Geleidelijk klommen we het zachtglooiende land van Henegouwen in. Links van ons lag een dal: de dorpen in het dal konden we niet zien. Dat is het stroomgebied van de Sambre, maar tegenwoordig wordt dat gebied vooral zichtbaar door een kanaal dat werd aangelegd voor o.a. het vervoer van steenkool en ijzererts van de industrie rond Charleroi en la Louviere. 

Langs de grote weg richting Binche staat veel lintbebouwing. Dat is typerend voor het Belgische straatbeeld. Het lijkt wel of veel inwoners van België graag aan een drukke weg wonen. De uitbreiding van die dorpen ligt voornamelijk in het verleden: herkenbaar aan de typerende woningen voor fabrieksarbeiders aan het begin van de vorige eeuw. Er staan tal van deze woningen  voor een voor Randstad-begrippen habbekrats te koop (rond de 100.000 euro).

Je ziet daardoor niet zoveel van het landschap. Slechts af en toe konden we een blik werpen op het glooiende land met vooral veel akkerbouw, soms weilanden en her en der plukjes bomen of stroken struikgewas. De foto bij dit blog is op een zijweg gemaakt.

Na twee uur fietsen dalen we af naar Binche. Het verkeer is er erg druk, want Binche ligt aan een kruising van wegen. Al dat verkeer moet dwars door de historische binnenstad. Dat is een behoorlijke afknapper...

De Ronde van België (11)

Oei, toen was ik dus in Hoei (zoals de Vlamingen zeggen). Het is een stad met 20.000 inwoners aan de oevers van de Maas.
Steile helling bij Huy

Huy ligt strategisch aan de wegen van Luik naar Namen (aan beide zijden van de Maas), maar er is ook een dwarsverbinding tussen Belgisch Limburg en de Ardennen, met een brug over de Maas. Deze strategische ligging was in de geschiedenis vragen om moeilijkheden: de stad werd maar liefst dertig keer belegerd en een aantal keren verwoest.

De meest bekende monumenten in Huy zijn de Collégiale Notre Dame, een grote gothische kerk waarvan de oudste delen meer dan 800 jaar oud zijn, het fort en de brug over de Maas. Het fort werd rond 1820 door de Hollanders

Huy citadel en kerk, gezien vanaf de brug over de Maas

gebouwd om de Fransen en vooral de Duitsers op een afstand te houden. Dat laatste is niet gelukt en de Duitsers gebruikten het fort als gevangenis voor verzetsstrijderd. De weg naar het fort is erg steil, je kunt er ook met een kabelbaan komen.

Het is druk op de terrasjes rond de Grote Markt, er is druk verkeer rond het kleine centrum van de stad, bovendien loopt het kwik in de zon op tot tegen de 30 graden. Die combinatie maakt dat ik alsnog de koffie over sla en de

Panorama van Huy vanaf de heuvels aan de noordzijde van de Maas

Batavus maar weer bestijg: op zoek naar rustiger oorden. Ik fiets de brug over de Maas over en klim aan de overkant van de rivier weer naar grote hoogte. Aan de overkant van het water ligt de kerncentrale van Tihange, één van de twee Belgische kerncentrales die voortdurend ter discussie staan.

Landschap ten noorden van de Maas bij Huy

Eenmaal boven voert de weg door zachtglooiend land, met af en toe een afdaling naar het dal van een zijriviertje van de Maas en dan weer een klim. Er liggen hier tal van dorpen die deels nog een agrarisch karakter hebben behouden, maar er lijken ook tal van forensen uit het nabijgelegen Luik te wonen. In sommige dorpen bevindt zich een kasteel temidden van groen lover. Daardoor kun je het in de zomer niet goed op de foto krijgen (…). Maar in de warmte is dat wel prettig.

Drukke weg van Amay naar Tongeren

Uiteindelijk kom ik op de grote weg naar Tongeren uit. Het blijkt een drukke weg te zijn zonder fietspad. Voortdurend kijk ik in mijn achteruitkijkspiegel welk gevaar mij bedreigt. Maar bijna alle automobilisten houden goed rekening met deze eenzame fietser: ze halen pas in als er geen tegenligger komt. Ik voel me min of meer gedwongen om stevig door te fietsen, want achter mij hangt er een zwaar onweer in de lucht. Ik hoor het rommelen en af en toe zie ik een flits. Ik houd een stevige snelheid aan van zo’n 24 kilometer per uur, daarbij geholpen door de ‘meewind’ van alle inhalende auto’s. Bovendien kan ik een tijdje achter een luidruchtig landbouwvoertuig fietsen.

Op de grens van Wallonië en Vlaanderen, de grens bij Tongeren

Rond zes uur passeer ik de grens van de tiende Belgische fietsprovincie: Limburg. Vanaf nu is de taal weer Nederlands. Maar het Frans zit inmiddels al aardig in mijn hoofd verankerd.

Tongeren is samen met Doornik de oudste stad van België. In beide steden wordt uiteraard gezocht

Tongeren Grote Markt en Onze Lieve Vrouwe basiliek

naar documenten die moeten bewijzen dat de één danwel de ander écht het oudste is. De Romeinen bouwden Atuatuca Tungrorum uit tot een belangrijke vesting aan de handelsweg naar Keulen. De stadswal was maar liefst 4½ kilometer lang! Toen de Romeinen overgingen tot het christelijk geloof werd Tongeren bisschopszetel. Daarvan getuigt ook de Onze Lieve Vrouwe Basiliek: met de bouw werd rond het jaar 1300 begonnen.

Zuidwillemsvaart bij Maastricht

Het onweder zit nog achter mij en ik moet de trein naar Delft zien te halen, dus veel tijd om Tongeren te bezichtigen is er niet. De weg naar Maastricht is recht en tamelijk saai, maar inmiddels is er wel flink gewerkt aan voorzieningen voor fietsers. In de buurt van de brug over de Zuid-Willemsvaart fiets ik Nederland binnen. De weg gaat voortdurend naar beneden, want ik fiets het Maasdal weer binnen.

Met piepende remmen kom ik voor het station van Maastricht tot stilstand. Eindelijk tijd voor koffie. Daarna stap ik op de trein naar Eindhoven. De fietsteller heeft er ook vandaag 115 fietskilometers bij opgeteld.

De Ronde van België (10)

Vandaag begint de fietstocht alwéér in Ciney. Erg voorspoedig gaat het allemaal niet. Na een tijdje flink klimmen sta ik op het erf van een Franstalige boerderij.
Straat in Ciney

L’agriculteur local me dit que la route se termine dans sa cour. C’est un cul de sac. Dus een uur later ben ik ongeveer weer even ver. Achter me zie ik Ciney liggen. Of leggen zoals de Amsterdammers zeggen.

Ik pak de fietsdraad weer op. Ik mijd de grotere wegen, maar heb niet echt

Mooie vergezichten onderweg

een idee waar mijn fietsweg mij heen brengt. Maar het is mooi weer met prachtige wolkenluchten en erg mooie uitzichten.  Het eerste dorp waar ik (na weer een uur fietsen) kom is Barvaux-Condroz.

Hier ben ik dus kennelijk in de Condroz. Van de aardrijkskunde van

Barvaux-Condroz

voorheen de middelbare school weet ik dat dit een vruchtbare streek is met veel boomgaarden. En ziedaar: op verschillende plekken verkoopt men langs de weg Sirop de Pomme.

Ik fiets over een hooggelegen strook land met mooie vergezichten. Een bord linksaf verwijst naar Havelange. Dat schijnt een centrumplaats te zijn. Dus ik sla ook maar eens linksaf. Het wordt wel een beetje tijd voor koffie.

Porcheresse in de Condroz met leisteen huizen

Ik kom door een paar mooie dorpen met huizen van leisteen. Deze bouw zie je ook in de omgeving van Aken (zoals in het dorp Breinig). Daarna volgt Havelange. Ik dacht aan een grote plaats, maar de gemeente in zijn geheel telt maar 5000 inwoners. Als zo’n plaats als groot wordt gezien moet

Havelange

het wel een dunbevolkt gebied zijn. En in dunbevolkte gebieden staat het openbaar vervoer op de tocht. Zo ook in Havelange: de spoorlijn is opgeheven. Maar er is wel een nuttige ingreep gedaan: de spoorlijn is deels omgebouwd tot fietsroute, een zogenaamd Ravél. De koffie sla ik alsnog over, ik stort me op de volgende etappe.

Na de bebouwde kom van Havelange fiets ik de negende provincie van België binnen: de provincie Luik. Eerder kwam ik door West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams Brabant, (hoofstedelijk gewest Brussel), Waals-Brabant, Henegouwen, Namen en Luxemburg. 
De fietsroute (ravél, een voormalige spoorlijn) naar Huy

Vanaf het volgende dorp volgt er een ongeveer 15 kilometer lange geleidelijke afdaling langs een beek. Dit is de voormalige spoorlijn van Ciney naar Huy. Vijf kilometer voor Huy kom ik in een industriegebied terecht, maar het tracé van de voormalige spoorlijn is behouden gebleven.

Vijftig minuten na mijn vertrek uit Havelange sta ik in Huy met beide benen op de grond aan de oevers van de Maas. Dat schiet lekker op, want de afstand tussen beide plaatsen bedraagt 20 km.

De Ronde van België (9)

Het is drie uur als ik Marche en Famenne uit fiets. Het is de meest fietsvriendelijke plaats die ik in Wallonië tegen ben gekomen. Ook buiten de stad word ik niet teleurgesteld.
Hotton aan de Ourthe

Een speciale fietsroute brengt mij naar Hotton. Het is weliswaar een route met enige hindernissen en veel haakse bochten, maar toch: het is een fietsroute. Houtton ligt aan de Ourthe. Het verkeer staat er muurvast. Je vraagt je af in een dunbevolkt gebied waar al die auto’s vandaan komen en naar toe gaan.

Ik volg de wegwijzers naar Durbuy. De loop van de wegen is hier nogal onvoorspelbaar, dus het is toch handig dat er borden staan. In Grandhan ben

Het kasteel van Durbuy, met links onder de kerk

ik weer bij de Ourthe en volg het fietspad langs de rivier. Camping na camping ligt aan het water: dit is echt een toeristisch gebied. Je kunt je ook voorstellen dat er bij een plotselings stortbui grote problemen ontstaan.

Durbuy staat te boek als het kleinste stadje van België. Ik had er al jaren geleden over gelezen, maar ik vond de plaats nogal onbereikbaar op een fietsdag. Nu is het dus eindelijk gelukt. Het blijkt ook

Straatje in Durbuy

een stadje te zijn dat zóveel toeristen trekt dat je je nauwelijks kunt voorstellen hoe het hier op een verstilde zondagmorgen in de winter zal zijn. Overal winkeltjes, café’s, souvenirs in de aanbieding. Of de mensen echt oog hebben voor het karakter van het stadje waag ik te betwijfelen: de aandacht gaat meer uit naar het bier en de souvenirs.

Centraal in het stadje staat een hooggelegen kasteel aan de oever van de Ourthe. Daarnaast is er een oude kerk (die minder de aandacht trekt) en een enorme fontein tegen een rotsformatie langs de rivier.

Ik parkeer mijn fiets tegen een hek. Meteen komen er verschillende mensen aanlopen die meer van de Batavus Dinsdag willen weten. En waar de motor zit... Ook de beltdrive (rubberen riem) krijgt veel aandacht. Na een tijdje staat er een hele groep toeristen om de fiets heen. En ik probeer in mijn beste frans uit te leggen wat voor fiets dit is en dat 'electrique' helemaal niet nodig is voor gezonde hollandse benen. Durbuy heeft er een toeristische attractie bij...

Na een uur verlaat ik het stadje weer. Ik heb een vaag plan om richting de Maas te fietsen, maar dan in de richting van Namen (ik ben nu niet zo ver van Luik vandaan). Dat betekent dat ik min of meer terug fiets in westelijke richting.

Onweer onderweg

De lucht wordt steeds dreigender. Onweer op het platteland is niet prettig en kan gevaarlijk zijn, dus ik hoop een volgend dorp te kunnen bereiken. Plotseling begint het te hozen. Dat is niet zo erg, maar het dondert en bliksemt ook. Aan de snelheid waarmee de donderklappen de bliksem opvolgen te meten

is het onweer vlakbij. Onder een boom schuilen lijkt aantrekkelijk, maar is gevaarlijk. Ik trek me gehurkt terug onder een dicht begroeide struik.

Na een half uur is het weer droog. En het is al na zes uur. Tijd voor de laatste etappe van vandaag, ook al weet ik niet waar die heen gaat. Ik blijf het een sport vinden om kaartloos te fietsen.  Geleidelijk klim ik hoger vanuit het dal van de Ourthe. Eenmaal boven is er vooral zachtglooiend groen land

Landschap bij Ciney

(veeteelt). Het gebied is zeer dunbevolkt. Na een uur fietsen ben ik pas door twee dorpen gekomen. Dan opeens zie ik dat ik weer in de buurt van Ciney ben (waar vanmorgen deze tocht begon). Daar is een station. Ik fiets die richting uit en kan nog net de trein naar Brussel halen.

Ik ben vandaag niets opgeschoten. Maar wel heb ik inmiddels de provincie Luxembourg befietst. Er moeten nog twee provincies volgen. De fietsteller heeft er vandaag 115 kilometer bij opgeteld.

De Ronde van België (7)

Philippeville ligt 300 meter boven de zeespiegel. Het is de hoogste gelegen plaats in de omgeving. Welke kant ik ook uit ga, ik mag me verheugen op een afdaling.

De grote weg ben ik helemaal zat. Er loopt een grote weg richting Dinant en een iets kleinere weg naar Givet. Dat lijkt me een meer aantrekkelijke route. Er rijdt nog wel vrij veel verkeer, maar ik hoef niet continu in mijn achteruitkijkspiegel te kijken of ik niet van de weg geblazen ga worden.

Begraafplaats van Philippeville met uitzicht over het Maasdal

En ziedaar, direct na Philippeville ontvouwt zich een weids panorama. Voor me ligt het dal van de Maas, die toch nog ruim 20 kilometer verderop stroomt. De eerste zeven kilometer daalt de weg 140 meter, daarna volgt er een plateau en ook een stukje vals plat in een bosgebied met een lengte van 8 kilometer. Direct na dat bos

De weg naar Givet, net over de Franse grens

ben ik bij de Franse grens. Daar breekt meteen een daverend onweer los. Ik zoek een veilig heenkomen in het eerste café dat ik tegen kom, direct bij de grens.

De rest van de gebeurtenissen alhier heb ik beschreven in mijn blogs van 26 en 27 augustus 2019. Langs de Maas zijn de Fransen ooit stevig doorgestoomd in Noordelijke richting, teneinde zoveel mogelijk strategisch gebied in bezit te hebben. Vandaar dat hier een smalle strook van zo’n tien kilometer breed Frans land temidden van een Belgische omgeving ligt.

Na Givet fiets ik klimmend België weer binnen

Givet ligt op 90 meter hoogte, daarna wordt het dus weer klimmen (tenzij je langs de Maas gaat fietsen). Ik fiets nog steeds kaartloos en heb eigenlijk niet zoveel idee wat ik tegen ga komen. Ik wil in noordoostelijke richting koersen. En ondertussen blijft het regenen. Er staat nauwelijks wind. Het  geeft het land een wat mystieke sfeer.

Het klimmen wordt beloond met mooie vergezichten

Bij een kruising met een grote weg wordt de regen wat al te bar en schuil ik in een portiek van een huis. De weg lijkt rechts eindeloos de diepte in te gaan. Ik bevind me (zo zie ik later thuis pas op de kaart) op (alweer) een hoogte van zo’n driehonderd meter. Ondertussen is het al vier uur geweest, ik heb geen idee waar ik uiteindelijk uit ga komen. Is er nog ergens een station onderweg? De Nederlandse spoorkaart ken ik uit mijn hoofd, die van België zit nog maar nauwelijks opgeslagen onder het kalende schedeldak.

Na een tijdje regent het wat minder hard en trek ik weer de stoute regenschoenen aan. Een mooie weg met prachtige vergezichten blijkt opeens over te gaan in een afdaling met tal van haarspeldbochten. Wat zullen we nú weer beleven?

Beneden blijk ik in de plaats Houyet te zijn aangekomen. Ik beland regelrecht bij het station waar ook meteen een trein binnen komt. Ik heb geen tijd meer om een kaartje te kopen. Dus de trein (geen idee trouwens waar hij naar toe gaat) mag zonder mij verder. Ik zie dat Houyet een toeristische trekpleister is, ik zie alleen geen toeristen, die zitten vermoedelijk allemaal binnen.  Er klatert ook een rivier: dat blijkt de Lesse te zijn. Op het land liggen tientallen kayaks. Hier kun je dus kayak-tochten maken. Maar ik ben op de fiets en fietsen heeft ook mijn voorkeur.

Snelweg door Wallonië

Na Houyet wordt het weer stevig klimmen. Na een half uur ben ik opnieuw op een hoogvlakte met prachtige vergezichten. Opeens ligt er diep beneden mij een autosnelweg. Die is dwars door de heuvels gegraven. Als fietser moet je stevig klimmen, voor de automobilisten is een weg met minder weerstand gegraven. Maar ik wil niet klagen: de uitzichten zijn prachtig.

Het wordt weer droog

Inmiddels wordt het droog en voor de zekerheid ga ik toch maar eens op een kaart kijken. Is er binnen fietsafstand nog een station te vinden, of moet ik terug naar Houyet? En ziedaar: als ik verder in noordoostelijke richting fiets kom ik bij de spoorlijn van Luxemburg naar Brussel. Ik neem aan dat daar af en toe een trein rijdt (dat weet je in België nooit helemaal zeker).

Landschap bij Chevetogne

Bij het dorp Chevetogne besluit ik linksaf te slaan. Overal staan borden: de Route du Tour de France. Het blijkt dat een paar weken geleden de renners van de Tour de France over deze weg zijn gefietst. Ik heb een aanzienlijk lager tempo. Er zit een aantal stevige hellingen in de weg. Uiteindelijk kom ik in het dorp Leignon bij de spoorlijn. Er is zelfs een station. Maar de trein is net vertrokken en de volgende komt pas over (bijna) twee uur. Zo lang ga ik niet wachten. Ik fiets parallel aan de spoorlijn richting Ciney.

Ciney blijkt een grotere plaats te zijn. Hier stopt ook de intercity naar Brussel. Ik scoor nog snel een maaltijd en stap dan op de trein. De fietsteller heeft er vandaag 110 kilometer bij opgeteld.

De Ronde van België (2)

Geleidelijk breekt de zon door. Ik heb nog een fietseind te gaan. Het doel van vandaag is Antwerpen. Gent-Antwerpen is rechtstreeks nog geen 60 km., maar ik rommel maar wat aan en maak dus meer kilometers.

Vanuit Dendermonde fiets ik richting de brug over de Schelde en dan door

Tielrode, een karakteristiek dijkdorp langs de Schelde

naar Hamme. Dit is weer zo’n saaie weg zoals ze kennelijk graag in België aanleggen: een rechte streep door het akkerland, ooit een betonweg en nu gerenoveerd tot asfaltweg. Regelmatig een kruising met verkeerslichten waarbij je als fietser vaak twee tot drie minuten moet wachten. Om de haverklap word ik ingehaald door E-bikes. Die zijn ook in België aan een opmars begonnen.

De Onze Lieve Vrouwekerk in Temse

Bij Hamme houdt ik deze snelle route voor gezien en kies het fietshazenpad over de dijk via Tielrode naar Temse. Dat is een aanzienlijke plaats met een spoorbrug en een verkeersbrug over de Schelde, met een lengte van rond 400 meter zijn het de langste bruggen van België. Iedere keer als ik hier fiets

Scheldekaai in Temse

wordt één van beide bruggen gerenoveerd. Dat schijnt een continu proces te zijn. Langs de Schelde wordt hoogbouw gepleegd.

Na Temse fiets ik verder

Rupelmonde

over de kronkelende dijk langs de linkeroever van de Schelde. Het is een prima en grotendeels autoluwe fietsroute door landelijk gebied, ondanks de nabijheid van Antwerpen. In Steendorp waren vroeger tal van steenfabrieken. Rupelmonde ligt aan de monding van de Rupel. Het klopt weer allemaal precies. Op het plein van de stad bevindt zich een standbeeld, dat bij nadere blik Mercator voor moet stellen. Gerardus Mercator was een beroemd cartograaf. Hij noemde zichzelf officieel Gerardus Mercator Rupelmundanus. 

Na Rupelmonde buigt de Schelde naar het Noorden. Dat moet wel, anders zou hij niet in Zeeland uitkomen, maar in Limburg. Ik krijg de wind tegen en de zon in de rug. Op twee plaatsen kan ik een veer nemen naar de overkant, maar de veerponten liggen meer stil dan dat ze overvaren.

Zicht op Antwerpen in de buurt van Kruibeke

Kruibeke is weer een wat grotere plaats, met ongeveer 15.000 inwoners. De grootste fractie in de gemeenteraad bestaat uit een wonderlijke combinatie van liberalen, socialisten, Groenen en een lokale partij.

Na Kruibeke komt Antwerpen steeds meer in zicht. Ook hier wordt langs de Schelde veel in de hoogte gebouwd: mensen willen graag aan het water

Sint Annatunnel

wonen. Ik fiets door de groene Scheldezoom en kruis de grens met de provincie Antwerpen, de derde Belgische provincie van mijn tocht. Mijn tocht eindigt tijdelijk bij de Sint Annatunnel, een tunnel die bijna een eeuw geleden werd aangelegd ten behoeve van voetgangers en fietsers. Er staat een lange rij fietsers in de file en dat terwijl ik tegen het spitsverkeer in ga. Tot mijn grote opluchting is er geen eindeloos lange roltrap, want dat zou ik niet meer durven…

In Antwerpen is het even wennen aan de verkeershectiek in het centrum, met duizenden toeristen maar ook het ‘eigen’ spitsverkeerd. De zon schijnt uitbundig. Er rijden ontzettend veel

Antwerpen

elektrische steps rond (die zijn in Nederland verboden). Speedpedelics scheuren over de fietspaden alsof er geen andere verkeersdeelnemers zijn (’s avonds lees ik datiemand op een Speedpedelic dodelijk is verongelukt). Ik kom zonder ongelukken aan bij het Antwerpse Centraal Station, bijgenaamd de Spoorkathedraal.

Antwerpen Centraal Station
Ik neem de trein terug naar grensplaats Essen en fiets daar vandaan de grens over naar Roosendaal. Inclusief de grensoverschrijdende stukjes fietspad (vanmorgen en vanavond) heeft de fietsteller er 115 km. bij opgeteld. Totaalafstand van twee dagen België: 245 km.

Brugge

Er is geen beginnen aan. De stad Brugge telt zóveel gebouwen die onder cultureel erfgoed vallen dat ik de tel maar heb opgegeven. Het hele centrum (en dat is best groot) valt onder het Unesco Werelderfgoed.

Omdat ik een aantal torens zie wil ik wel weten hoeveel kerken er in en direct rond het centrum staan. Dat zijn er veertig. Maar een deel van de torens is ‘wereldse’ bebouwing., zoals het Belfort aan de Grote Markt.

De benoeming tot Unesco Werelderfgoed legt de stad geen windeieren. Er zijn alleen al jaarlijks twee miljoen overnachtingen in de bijna 300 hotels die de stad telt. Om de binnenstad nog aantrekkelijker te maken is deze bijna helemaal autovrij. Voetgangers, paarden en fietsers vormen het belangrijkste verkeer. En daarnaast de vele rondvaartboten op de reien, de Brugse variant van de Amsterdamse grachten.

Maar het gaat in toeristisch opzicht toch niet zo goed in Brugge. Het Algemeen Dagblad schreef vorige week dat in juli 2019 slechts 70% van de hotelbedden bezet is (dat was vorig jaar 90%). Als reden wordt genoemd dat Brugge te duur is geworden. Ik zag in het centrum dat een lunch al gauw meer dan 20 euro kost en een kop koffie zo’n drie euro. Gelukkig heb ik brood bij me en ik tank water bij een watertappunt. De gemiddelde prijs voor een hotelovernachting voor twee personen ligt tussen de 100 en 150 euro. Maar ik ben van plan om vannacht weer in mijn eigen bed te slapen.

Wat niet zo duur bleek te zijn was handgemaakte chocolade. Een kilo handgemaakte chocolade voor 24 euro. Dat heb ik niet gekocht. Het was te warm, de chocolade zou in mijn fietstas smelten én ik moet aan mijn lijn denken...

Vanuit Damme (de vroegere voorhaven van Brugge) was ik naar Brugge gefietst. Dat is maar zes kilometer, maar op twee plekken was de fietsroute open gebroken en moest ik via tamelijk onbegaanbare wegen mijn weg vervolgen. Dat hoort allemaal bij het fietsen in België, het is waarschijnlijk zelfs een onderdeel van de fietscultuur.

In veel drukte heb ik geen zin, maar ik kan toch ook weer niet het centrum mijden. Dat dateert voor een groot deel uit de 14e eeuw, de Gouden Eeuw van Brugge, dat toen de hoofdstad van Vlaanderen was. Het Bourgonische vorstenhuis had de stad zelfs tot zijn zetel gekozen en dat trok weer veel kunstenaars aan. Brugge telde toen bijna 50.000 inwoners (nu telt de oude stad 20.000 inwoners).

Toen de Hollanden hun Gouden Eeuw beleefden was Brugge een stad in verval. Er wordt zelfs beweerd dat de plaats rond 1600 één van de armste steden van West-Europa was. De overheersing door de Spanjaarden versterkte dit verval. maakte In de 19e eeuw was er sprake van een opleving, toen werden veel middeleeuwse gebouwen ‘verfraaid’ met neogotische elementen.

Brugge is een waterrijke stad, door de plaats lopen de grachten die hier reien genoemd worden. Een rondvaart over een rei hoort er gewoon bij, vinden veel toeristen. Ze staan vandaag dan ook in de rij.

Maar is Brugge werkelijk zo druk? Nee, al die toeristen klonteren samen rond de Grote Markt. Net zoals in andere steden is dat nu juist de plek waar je niet moet zijn.  Ik parkeer mijn fiets en loop een rondje (het is trouwens meer een vierkantje) door een wijk die zo’n 500 meter van de Grote Markt ligt. Het is er ontzettend rustig. Geen kip te zien (maar dat is logisch, want het is Barneveld niet).

Wil je écht Brugge bekijken, zoek dan die kleine straten op! Daar loop je niet over de hoofden van mensen, maar over de kinderhoofdjes. Je vindt er prachtige authentieke en ook nog steeds grotendeels autovrije plekjes.

Damme

Vanuit Zeeuws-Vlaanderen fietste ik bij Retranchement de grens met België over. Een eindje verderop lag Sint Anna ter Muiden. Dat ligt (net) weer in Nederland. Ik wilde nog een keer de toren en de kerk bekijken. De kerk is namelijk veel kleiner in oppervlakte dan de toren.

Maar het gaat meteen fout. De eerste zijweg links is afgesloten voor alle verkeer. Ik moet de wat grotere weg blijven volgen. Die zagt zig door het Vlaamse polderland, dat minder recht en meer rommelig is dan de Nederlandse polders. Her en der worden midden in het land vakantieverblijven gebouwd. Want toerisme is ook hier een belangrijke inkomstenbron. Vakantie aan zee (maar het is nog wel een uurtje fietsen naar het strand).

Landschap bij Oostkerke

Voor mij fietst een echtpaar met twee zelfstandig fietsende kinderen. Ik bel drie keer beschaafd met mijn fietsbel. Als ik drie keer met mijn fietsbel bel, dan weet je het wel. Het hele gezin gaat aan de kant. Als ik de moeder (ze rijdt achteraan) inhaal gaat ze opeens naar links. Ik geef een ferme  schreeuw en beland in het gras, maar niet in de sloot. De mevrouw is kennelijk geschrokken, maar ze wordt ook ontzettend boos. Ze scheldt me uit in het Frans. Wat ze zegt weet ik niet, maar ik ben iets van malade á la tete ofzo.  Je ne comprend pas, madame du circomplexe!

Dwars door het Vlaamse land lopen kaarsrechte betonwegen. Die wegen liggen daar al jaren en vormen de basis voor de bebouwing in België. Veel dorpen zijn als lintdorpen langs dit soort wegen gebouwd. Om naar het oosten te koersen volg ik een tijdje zo’n weg, met naast mij het geklak van hard over de betonplaten rijdende auto’s.

Kanaal naar Damme

Dan opeens is de weg omgebouwd tot een stukje snelweg. Men is vergeten het fietspad mee te nemen. Achter mij raken twee andere fietsers ook in verwarring. Ze gaan links van de weg over de vluchtstrook verder en ik volg hun slechte voorbeeld. Bij de eerste zijweg kies ik voor rust en kom uiteindelijk uit op een fietsroute langs het kanaal naar Damme.

Damme marktplein

Dit kanaal was vroeger de toegang tot de zeehaven van Damme. Ook Sluis en Sint Anna ter Muiden waren zeehavens. In Damme werd de scheepslading afgeladen en in kleine schepen naar Brugge vervoerd. Damme werd rijk van deze overslag. En wie rijk is wekt jaloezie op. In 1213 plunderden de Fransen de stad, maar ze

Damme kerk (deels ruïne)

hadden niet gerekend op de Engelsen. Die voeren achter de Franse schepen aan en staken een deel van de Franse vloot (volgens de analen 1700 schepen) in de hens.  Vier dagen later schoot een ander Frans leger de Franse vloot te hulp. Maar de Franse koning besloot om meteen maar de stad Damme helemaal plat te branden.

Straatbeeld in Damme

En zo ging de geschiedenis maar door: de plaats was dan weer Frans, dan weer in Vlaamse handen, dan weer Engels, vervolgens Spaans en uiteindelijk bleef er (ook door verzanding van het Zwin) niet anders over dan een dromerig stadje. Zelfs de vestingwallen werden gesloopt en het puin werd verkocht als wegverharding.

Maar Damme is toch een bezoek meer dan waard. Wat er nog staat van het vroegere rijke verleden is mooi om te zien. Het zijn maar een paar straten, maar daarom is de plaats goed ‘behapbaar’ zonder in de veelheid van monumenten te verdrinken.

Opmerkelijk is dat zowel Mölln (bij Lauenburg) als Damme een Tijl Uilenspiegelmuseum hebben. Beide musea vertellen over zijn leven in (hun) plaats. Die man reisde kennelijk heel wat af... Of hij had een dubbelganger...

Braine-le-Comte

Vanuit Ronquières moet er pittig geklommen worden om uit het dal van de Sennette te komen. Het hellingspercentage bedraagt over een vrij lange afstand 8%. De eerste echte hellingproef voor mijn Batavus Dinsdag (met acht versnellingen).

De Batavus slaagt met vlag en wimpel. Zonder halverwege uit te hoeven rusten kan ik de steilte overwinnen. Boven blijkt langs de randen van de wegen nog steeds ijsvorming te zijn. Kennelijk is het hier vandaag niet boven nul geweest. Maar voor de eeuwige sneeuw zit ik waarschijnlijk toch weer te laag.

Nadat de weg steil omhoog is gegaan volgt er een steile afdaling. De Batavus heeft zeer sterke remmen, maar ze hebben de neiging om te blokkeren bij langdurig krachtig remmen. Dat is nog een punt van aandacht.

Eenmaal beneden vraag ik me af wat de zin van het leven is. Want als je beneden bent ligt er voor je weer een weg die steil naar boven leidt. Het landschap had hier toch wat efficiënter kunnen worden aangelegd.

Op de volgende heuvelrug ligt een bosgebied. Het ziet er mooi uit, met veel beuken die een rood bladerdek op de grond hebben veroorzaakt. De meeste wegen zijn beblubberd, daarom blijf ik maar op de hoofdweg.

“What goes up must come down” zong Spinning Wheel in 1969 (jaja, ik ken mijn klassiekers). Een lange afdeling over een wat Amerikaans aandoende rechte weg (rommelige bebouwing) brengt mij in het volgende dorp: Braine le Comte. Dat is een deel van een reeks van dorpen die allemaal Braine heten, afgeleid van het Vlaamse Brakel. Dit is dus ’s Gravenbrakel. 

De grootste groei maakte deze plaats mee in de tweede helft van de 19e eeuw. In 1842 kwam de spoorlijn van Brussel naar Parijs klaar met een station in ’s Gravenbrakel. Dat station staat er nog steeds, het is het oudste nog bestaande station van België.

De afgelopen decennia bleef het inwonertal stabiel, ruim 20.000 inwoners. Veel industrie trok weg, maar daar staat tegenover dat Brusselse forensen het wel een aantrekkelijke woonplaats vonden, omgeven door veel groen.

Wat moet ik verder van de plaats zeggen? Er staan tal van gebouwen uit het eind van de 19e eeuw, maar men lijkt niet altijd zo zorgvuldig te zijn geweest met het historisch erfgoed. Er is een aardig marktplein, maar daar dendert veel verkeer van een doorgaande weg langs.

Inmiddels is het donker geworden. Het vriest een beetje, de wegen zijn vochtig en er is kans op gladheid. Ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen en mijn fiets in de trein te hijsen. Met één overstap in Brussel kan ik Roosendaal bereiken. Daar zet ik weer voet op Nederlandse bodem.

Ronquières

Ik moest weer helemaal terugfietsen en kwam uiteindelijk weer uit bij Ecaussinnes. Gelukkig heb ik geen echt doel en geen haast.

Tijd om nog eens om me heen te kijken. Het verbaast me hoe rustig dit land is. Veel akkerbouw, af en toe een stukje weiland, af en toe een paar boerderijen bij elkaar, wegen die her en derwaarts gaan, zonder dat er een plan aan ten grondslag lijkt te liggen. Een deel van de wegen bestaat uit betonplaten. Langs de weg palen die bovengrondse stroomdraden begeleiden. Naar het westen toe wat glooiingen met zo te zien percelen bos.

Uiteindelijk kom ik alsnog bij het Hellend Vlak van Ronquières uit. Van beneden af kan ik de rails zien liggen waar de twee waterbakken voor de scheepvaart op naar boven worden getrokken. Helaas is er geen enkel schip in aantocht. Het lijkt wel een stilleven in een tijd van economische malaise.

Bij Ronquières ligt ook de monding van het riviertje de Samme, dat door middel van sluizen is afgesloten van het Kanaal van Brussel naar Charleroi en omgekeerd. Die omgeving ziet er schilderachtig uit, een plaatje uit vroeger tijden, met een aantal aan lager wal geraakte schepen die kennelijk bewoond worden (er stijgt rook uit de pijpen aan dek omhoog).

Ronquières zelf blijkt een vriendelijk dorp met steil oplopende straten en een kerkplein met de kerk in het midden. De plaats ontstond aan de samenvloeiing van de Sennette en de Samme. 

Je zou het niet zeggen, maar dit dorp vormt de geboortegrond van een speciaal soort kalkoen. Ik citeer: "Iedereen dacht dat de Ronquières-kalkoen was verdwenen. Opgegeten tijdens de barre oorlogsjaren van 40-45, meegenomen door de Duitsers, die verder fokten met de Hermelijnkleurigen onder de naam Cröllwitzer. Maar dan blijken er, tientallen jaren later, tot veler verrassing nog een paar authentieke exemplaren over. Nazaten van ‘onderduikers’. Met dank aan een paar boeren, die het kennelijk niet over hun hart konden verkrijgen om zulke prachtige dieren in de pan te doen."