Braine-le-Comte

Vanuit Ronquières moet er pittig geklommen worden om uit het dal van de Sennette te komen. Het hellingspercentage bedraagt over een vrij lange afstand 8%. De eerste echte hellingproef voor mijn Batavus Dinsdag (met acht versnellingen).

De Batavus slaagt met vlag en wimpel. Zonder halverwege uit te hoeven rusten kan ik de steilte overwinnen. Boven blijkt langs de randen van de wegen nog steeds ijsvorming te zijn. Kennelijk is het hier vandaag niet boven nul geweest. Maar voor de eeuwige sneeuw zit ik waarschijnlijk toch weer te laag.

Nadat de weg steil omhoog is gegaan volgt er een steile afdaling. De Batavus heeft zeer sterke remmen, maar ze hebben de neiging om te blokkeren bij langdurig krachtig remmen. Dat is nog een punt van aandacht.

Eenmaal beneden vraag ik me af wat de zin van het leven is. Want als je beneden bent ligt er voor je weer een weg die steil naar boven leidt. Het landschap had hier toch wat efficiënter kunnen worden aangelegd.

Op de volgende heuvelrug ligt een bosgebied. Het ziet er mooi uit, met veel beuken die een rood bladerdek op de grond hebben veroorzaakt. De meeste wegen zijn beblubberd, daarom blijf ik maar op de hoofdweg.

“What goes up must come down” zong Spinning Wheel in 1969 (jaja, ik ken mijn klassiekers). Een lange afdeling over een wat Amerikaans aandoende rechte weg (rommelige bebouwing) brengt mij in het volgende dorp: Braine le Comte. Dat is een deel van een reeks van dorpen die allemaal Braine heten, afgeleid van het Vlaamse Brakel. Dit is dus ’s Gravenbrakel. 

De grootste groei maakte deze plaats mee in de tweede helft van de 19e eeuw. In 1842 kwam de spoorlijn van Brussel naar Parijs klaar met een station in ’s Gravenbrakel. Dat station staat er nog steeds, het is het oudste nog bestaande station van België.

De afgelopen decennia bleef het inwonertal stabiel, ruim 20.000 inwoners. Veel industrie trok weg, maar daar staat tegenover dat Brusselse forensen het wel een aantrekkelijke woonplaats vonden, omgeven door veel groen.

Wat moet ik verder van de plaats zeggen? Er staan tal van gebouwen uit het eind van de 19e eeuw, maar men lijkt niet altijd zo zorgvuldig te zijn geweest met het historisch erfgoed. Er is een aardig marktplein, maar daar dendert veel verkeer van een doorgaande weg langs.

Inmiddels is het donker geworden. Het vriest een beetje, de wegen zijn vochtig en er is kans op gladheid. Ik besluit het zekere voor het onzekere te nemen en mijn fiets in de trein te hijsen. Met één overstap in Brussel kan ik Roosendaal bereiken. Daar zet ik weer voet op Nederlandse bodem.
Advertenties

Ronquières

Ik moest weer helemaal terugfietsen en kwam uiteindelijk weer uit bij Ecaussinnes. Gelukkig heb ik geen echt doel en geen haast.

Tijd om nog eens om me heen te kijken. Het verbaast me hoe rustig dit land is. Veel akkerbouw, af en toe een stukje weiland, af en toe een paar boerderijen bij elkaar, wegen die her en derwaarts gaan, zonder dat er een plan aan ten grondslag lijkt te liggen. Een deel van de wegen bestaat uit betonplaten. Langs de weg palen die bovengrondse stroomdraden begeleiden. Naar het westen toe wat glooiingen met zo te zien percelen bos.

Uiteindelijk kom ik alsnog bij het Hellend Vlak van Ronquières uit. Van beneden af kan ik de rails zien liggen waar de twee waterbakken voor de scheepvaart op naar boven worden getrokken. Helaas is er geen enkel schip in aantocht. Het lijkt wel een stilleven in een tijd van economische malaise.

Bij Ronquières ligt ook de monding van het riviertje de Samme, dat door middel van sluizen is afgesloten van het Kanaal van Brussel naar Charleroi en omgekeerd. Die omgeving ziet er schilderachtig uit, een plaatje uit vroeger tijden, met een aantal aan lager wal geraakte schepen die kennelijk bewoond worden (er stijgt rook uit de pijpen aan dek omhoog).

Ronquières zelf blijkt een vriendelijk dorp met steil oplopende straten en een kerkplein met de kerk in het midden. De plaats ontstond aan de samenvloeiing van de Sennette en de Samme. 

Je zou het niet zeggen, maar dit dorp vormt de geboortegrond van een speciaal soort kalkoen. Ik citeer: "Iedereen dacht dat de Ronquières-kalkoen was verdwenen. Opgegeten tijdens de barre oorlogsjaren van 40-45, meegenomen door de Duitsers, die verder fokten met de Hermelijnkleurigen onder de naam Cröllwitzer. Maar dan blijken er, tientallen jaren later, tot veler verrassing nog een paar authentieke exemplaren over. Nazaten van ‘onderduikers’. Met dank aan een paar boeren, die het kennelijk niet over hun hart konden verkrijgen om zulke prachtige dieren in de pan te doen."

Ecaussinnes (vervolg)

Ik blijf nog even stil staan bij het kasteel van Ecaussinnes-Lalaing. Dat moet ook wel, want op de kasseienweg omhoog valt (voor mij) niet te fietsen.

Langs het water van de Sennette lag een rotswand en een slimme landheer bedacht in de 12e eeuw dat hij daar wel een eenvoudig optrekje kon bouwen met een paar stevinge muren. Het was vaak knokken geblazen in deze streek, dus op deze manier kon je je bezittingen een beetje veilig stellen. Van witwassen op een Zwitserse bankrekening had men in die tijd nog noiit gehoord.

Maar ja, als je eenmaal begint wil je ook uitbreiden. Er kwam een hoge verdedigingsmuur en er werden vierkante torens gebouwd (12e eeuw). In de 14e eeuw kwamen er ronde torens bij, dat was lastiger bouwen, maar effectiever in de verdediging.

Later wordt er een tweede verdieping op het huis gebouwd en er komen nieuwe muren, waardoor de oppervlakte wordt verdubbeld. Toen werd het ook tijd om uit dankbaarheid een kapel te bouwen. In de 18e eeuw komen er paviljoenen bij, benevens een complete boerderij. Hoe zelfvoorzienend kun je willen zijn? Aan het kasteel werden trouwens ook een ziekenkamer én een gevangenis toegevoegd. Dat alles heb ik niet bekeken, ik bleef voor de onneembare muur steken.

Als ik de helling uit het dal van de Sennette gekomen ben ontvouwt zich een panorama van zacht golvend land, deels grasland en deels omgeploegd akkerland. De wegen lopen wat onvoorspelbaar kriskras door dit land. Soms denk je dat je een bepaalde richting uit fietst en dan blijkt de weg opeens een haakse bocht te maken. Alleen een smal en blubberig landweggetje leidt rechtdoor.

Ik wil naar het Kanaal van Brussel naar Charleroi (of omgekeerd), maar hoe kom ik daar. Uiteindelijk vind ik achter een paar huizen een smal betonpad. Dat leidt in de goede richting, maar je moet er maar op komen.

Het land lijkt landelijk, maar aan de horizon is industrie zichtbaar. Ik zit hier vrij dicht bij het gebied van de oude staalindustrie van Charleroi en La Louviére. Die industrie is bijna helemaal bezweken, maar op sommige plaatsen heeft zich nieuwe industrie gevestigd.

Vanmorgen sprak ik in de trein met een Vlaamse fietser die mopperde op zijn eigen land. hij zei dat Vlaanderen een eeuw geleden een achtergesteld gebied was en dat de Walloniërs alles voor het zeggen hadden. Toen ik zei dat het nu andersom was was zijn reactie: "En dat is een ramp. Daar wil je eigenlijk niet meer wonen. Geef mij maar Wallonië. Daar is tenminste nog groen met frisse lucht." Ieder voordeel heb inderdaad zijn nadeel.

Ecaussinnes

Wat heb ik nu weer aan mijn fiets hangen? Welnu dat is het plaatsje Ecaussinnes. Eigenlijk zijn het drie dorpen met allemaal dezelfde naam. Dat is om het eenvoudig te houden.

Ik kwam in Ecaussinnes omdat ik vanuit Naast verder fietste. Het dorp zei me helemaal niets. Maar het blijkt een plaats te zijn met tal van historische bijzonderheden. Het heeft zelfs de bijnaam City of Love gekregen. Daar is geen woord Frans bij…

Die liefde heeft te maken met een grap uit 1903 toen werd aangekondigd dat 60 meisjes uit de omgeving op zoek waren naar mannen. Dat trok nogal wat publiek en dat schijnt de oorsprong te zijn van een festival dat jaarlijks rond Pinksteren wordt gehouden. Eén van de kastelen binnen de gemeente is gastheer voor dit festival. Ik ben te vroeg of te laat, het is in ieder geval bijna kerst. Te koud voor de liefde.

Hoog boven het dorp Ecaussinnes-Lalaing torent een middeleeuw kasteel. Het blijkt verschillende aangezichten te hebben en dat klopt ook doordat het in diverse bouwperioden werd gebouwd en verbouwd. Het terrein beslaat een grote oppervlakte, een deel is zelfs een ommuurde boerderij. In de vorige eeuw werd het kasteel ernstig verwaarloosd. Het werd aangekocht door een stichting, die misschien moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Sommige delen van het kasteel zien er wat verwaarloosd uit. Maar dat heeft zijn eigen Anton Pieck charme.

Dwars door het dorp loopt een spoorwegviaduct met maar liefst 12 bogen die het dal van de Sennette overbrugt. Er heeft hier echter nooit een trein gereden, het was dus een tamelijk zinloze investering. Maar als voetganger (want: verboden te fietsen) heb je hier een mooi uitzicht over het dorp.

In de drie dorpen die samen Ecaussinnes heten kun je gemakkelijk de weg kwijt raken, want in welk Ecaussinnes ben je nu? Waarheen leiden de borden? Ik kies men eigen route in de richting van het Kanaal van Brussel naar Charleroi.

Soignies

Hoe was ik in Naast terecht gekomen? (blog van 28 december). Kijk, dat zat zo. Ik was met de trein onderweg naar Bergen (Mons), maar de trein bleef steken in Soignies. Toen ben ik de trein maar ontstegen en het rijwiel bestegen.

Wat het Belgische OV betreft zal ik het nog een keer uitleggen. Voor 65-plussers kost een (retour) treinkaartje door heel België maar 6½ euro. Oftewel 10 cent per kalenderjaar. Dus is het aantrekkelijk om af en toe diep België in te duiken voor het doen van plaatselijke ontdekkingen.

Soignies ligt in het door de Franstaligen bezette deel van België. Oorspronkelijk heet de plaats Zinnik. Dat betekent: woonplaats op de Zenne (de beek die door Brussel stroomt).

Ik wist dat de plaats Soignies bestond, omdat de trein daar stopt. De Russen kennen de plaats beter, want het NAVO hoofdkantoor SHAPE is binnen de gemeente gevestigd.

Maar ik had dus geen idee wat ik in Soignies kon verwachten, behalve dan Franstalige bordjes. Maar het blijkt best een mooie plaats te zijn. De wortels van de plaats liggen al in het jaar 670, toen hier onder Koning Dagobert (!) een adbij werd gesticht.

In de 14e eeuw kreeg de plaats stedelijke proporties. De welvaart groeide dankzij de textielindustrie en de winning van ‘blauwe steen’. Ik had al borden gezien die verwezen naar iets blauws (‘granit bleu’) , maar pas thuis kon ik vinden wat er blauw was. Het was niet Delfts, maar men delft hier blauwe steen.

Soignies noemt zichzelf de hoofdstad van de blauwe steen. Dit siergesteente wordt al eeuwen als snijsteen en als marmer gebruikt. Het is geïntegreerd in alle stijlen van architectuur in België. Het is een zeer zeldzaam gesteente dat verder alleen in Ierland gevonden is.

In Soignies staat een grote Romaanse kerk, de collegiale kerk van St. Vincent, een van de vroegste exemplaren van Romaanse kerken in België. Het koor dateert uit het begin van de 11e eeuw, terwijl de gothische westtoren dateert uit ongeveer 1250. De kerk is dus deels meer dan duizend jaar oud!

Op het Marktplein hebben twee mensen ruzie, maar ik weet niet waar ze het over hebben. Er staan ook richtingaanwijzers voor een fietsroute. Deze verwijst o.a. naar Naast. De bebording is onduidelijk, maar tussen wat nieuwbouw door zie ik een talud waarvan ik vermoed dat het een weg is. Het blijkt een voormalige spoorlijn te zijn die is omgebouwd tot fietsroute.

Na de bebouwing van Soignies kom ik in het agrarische gebied rond de stad uit. Vroeger waren hier uitgestrekte bossen. Het is vriendelijk glooiend gebied met deels grasland en deels omgeploegd akkerland.

Dr. Achim Bartoschek maakt op zijn uitstekend gedocumenteerde site over fietspaden over voormalige spoortrajecten ook melding van deze spoorlijn. Zie: http://www.bahntrassenradeln.de

Naast

De mensen vragen mij wel eens: "Henk, kom jij wel eens in Naast?" Dat zal ik jullie zeggen: in Naast was ik nog nooit geweest. Ik had er ook nog nooit van gehoord. Maar gisteren fietste ik perongeluk door Naast.

Naast ligt in de Franstalige Belgische provincie Hainaut (Henegouwen). De naam betekent ‘natte aarde’. Ik kon me daar gisteren wel iets bij voorstellen, want het water spijpelde overal door het groene gras langs de kanten van de weg. Het was ook uitkijken geblazen, want af en toe was het behoorlijk glad met een temperatuur rond het vriespunt.

In Naast (op een hoogte van 123 meter) ontspringt de Zenne (vandaar die natte aarde). Die rivier had ik op school niet geleerd. Maar het is de beek die door Brussel stroomt en daar doorgaans helemaal onvindbaar is. Want een groot deel van deze beek werd overwelfd.

Ik kwam in Naast vanwege een oud spoortracé dat deels is omgebouwd tot fietspad. Niet dat ik er verder fietsers tegen kwam, want fietsen en België gaan alleen in de zomer een beetje samen.

Ik ontdekte Naast gisteren tijdens een fietstocht, maar de Romeinen hadden deze omgeving al eerder ontdekt. Dat was vooral vanwege de aanwezigheid van water. Oorspronkelijk was het een bebost gebied en het geslacht Aremberg liet er fonteinen en vijvers aanleggen. De bomen werden later gekapt en er werd landbouwgrond van gemaakt.

Tegenwoordig is Naast een dorp met slechts 200 inwoners. De basisvoorzieningen (een kerk en een café) zijn aanwezig, en het centrum doet groter aan dan je van een dorp met 200 inwoners zou verwachten. Buiten het dorpse centrum met een kruising van twee wat grotere wegen valt er niet veel te beleven.

Nieuwbouw is er ook nauwelijks, want Wallonië delft het onderspit als het gaat om economische mogelijkheden. Jongeren trekken massaal naar het stadsgewest Brussel.

Het weer was grijs, maar de bevolking is dat hier ook. Ik fietste dus maar weer verder naar het Naastbijgelegen dorp.

 

Département du Nord

Ik weet ook niet hoe het komt, maar maandag bevond ik mij opeens in het Franse Département du Nord.

Het doel was de stad Maubeuge, maar dat heb ik niet gehaald. Ik was wat aan de late kant. Bovendien vond ik de weg naar Maubeuge onprettig. Een drukke weg zonder fietspad en vluchtstrook. De automobilisten raakten soms bijna mijn stuur en mijn elleboog.

Een kennis vertelde dat hij vanwege een ongeluk in een Frans ziekenhuis was beland. Zijn beheersing van het Frans was zeer beperkt (net als die van mij). Ze waarschuwden hem dat als hij niet bleef volharden in onbegrip, dat ze dan de gynaecoloog op zouden trommelen. Dat was de enige arts die goed Engels sprak.

In het Waalse Bergen (Mons) huurde ik een Blue Bike, de Belgische OV-fiets (1,35 per dag). Zoals je op de foto kunt zien is deze fiets inderdaad nogal blauw.

Bij de grensplaats Goegnies vond ik het welletjes met het verkeer. Bovendien was het zo’n weg die dwars op de heuvels loopt: een kilometer klimmen en dan een kilometer dalen. Dat is eventjes leuk, maar het moet niet te lang door gaan.

In Goegnies nam ik de weg Chaussee naar het zuidwesten. De eerste kilometers loopt deze weg vlakbij en parallel aan de grens. Ik fietste een aantal kilometer naar het zuidwesten, tot aan Malplaquet. De weg loopt door glooiend land met ook af en toe percelen bos. Bij Malplaquet ligt oude indrustrie, compleet met een klassiek wijkje van arbeiderswoningen.

Na veel regen was het zonnig weer geworden, de zon stond inmiddels laag aan de horizon. Het was een graad of tien, dus prima fietsweer.