Op de grens van twee naar drie

"Ik ben twee en ik zeg nee." "Ik ben drie en ik wil de regie."

Daar gaat ze: onze tweejarige kleindochter H. Ze moest achterop de fiets, maar dat wilde ze niet. Zie haar dán maar eens te vangen. “Ik ben twee en ik zeg nee!”

Een kind van twee zegt vooral nee. Maar een peuter van drie weet ook al wat hij of zij wél wil. Dat heeft met de executieve functies te maken: het vooruit kunnen denken. “Ik ben drie en ik wil de regie.” Bij H was dat: “Ik wil zélf naar huis lopen!” In dit geval rennen. Op ongemakkelijke laarzen. Een kilometer lang. In het voetspoor van haar vijfjarige zus T op de fiets.

Volgende maand wordt kleindochter H drie jaar. Dan kan ze voluit uitproberen wat ze wél wil. 

Het raadsel van de tijd

Executieve functies hebben te maken met het vermogen om te kunnen plannen en organiseren.

Bij mensen met een stoornis in het autistisch spectrum wordt dit plannen als één van de grootste problemen gezien. Dit zou o.a. te maken hebben met het teveel zien van details en daardoor te weinig zicht hebben op het totaal. Mensen met autisme worden als het ware voortdurend afgeleid door kleine dingen die ze tegen komen. Daar raakt hun hoofd zó van vol dat ze niet aan het totale plan toekomen.

Eén van de grootste problemen voor mensen met autisme is het plannen van de tijd. Tijd is iets ongrijpbaars. Je kijkt een minuut later en dan is het alweer een andere tijd. En hoe weet je nu hoeveel tijd je ergens voor nodig hebt?

Voor sommige van mijn cliënten heb ik inmiddels op de afsprakenkaart staan hoe laat ze van huis wég moeten, in plaats van de vraag hoe laat ze bij mij een afspraak hebben.

Maar er zijn ook mensen met autisme zó gefixeerd op de tijd (dat heeft ook weer met de geringe grip op de tijd te maken) dat ze helemaal niet tegen een afspraak kunnen die niet precies op tijd is.

Zo begroette Mario mij met: “Ja! Drie minuten te laat!” Normaal zou je je verexcuseren met de opmerking dat dat nu eenmaal kan gebeuren, of je gaat uitleggen waarom je toch iets te laat bent. Maar Mario ordent de wereld dusdanig in tijd dat je daar met hem niet over in discussie moet gaan. Het maakt de wereld voor hem alleen maar moeilijker.

Dus zei ik: "Ja, Henk is drie minuten te laat. Tien uur drie. Om tien uur vijf gaat Henk met jou praten."  Toen was de wereld voor Mario weer duidelijk...

Intelligent en vastgelopen

Harmen was een prachtige kleuter, een leuke jongen in de klas op de basisschool, een vrolijke noot op het voortgezet onderwijs.

Het sprak vanzelf dat hij zou gaan studeren. Zijn ouders hadden ook allebei een universitaire opleiding achter de rug. Maar na het VWO leek hij de draad niet op te kunnen pakken. Het zat alleen al in de inschrijving op de universiteit. Daar zijn deadlines voor. Hij was te laat. Geen probleem, vond hij, ‘dan ga ik een jaar uitrusten van school’.

Het volgende jaar… de inschrijving kwam er aan. Maar Harmen wist niet wat hij zou kunnen gaan studeren. Eerst maar eens een beroepskeuzetest doen. De aanvraag voor de beroepskeuzetest stelde hij steeds maar weer uit. Toen het zo ver was, was de inschrijvingstermijn voor de universiteit alweer verstreken. Dus dan heeft het ook geen zin om zo’n test te doen. Dan maar een jaartje vakken vullen.

Het derde jaar zagen zijn ouders de bui al hangen. Hun intelligente zoon moest toch niet zijn hele leven gaan vakken vullen? Ze zaten er bovenop. Nu moest en zou de inschrijving aan de universiteit voor elkaar komen. En inderdaad: de spullen waren op tijd binnen. Zijn moeder had voor de zekerheid zelf de stukken maar op de post gedaan. De aanvraag moest toen nog over de post.

De studie vond Harmen leuk en interessant. Een boeiende vorm van ‘vermaak’. “Het houdt me van de straat.” Het studentenleven was gezellig. Zijn omvang nam met vele kilo’s toe. Hij had een eigen zolderkamer in de studentenstad. Daar ontving hij nooit iemand. Want hij kwam er niet aan toe om het op te ruimen.

Sommige meisjes vonden hem erg leuk. Harmen hield van gezelligheid. Hij ging met ze mee naar huis. Maar als ze een keer met hém mee wilden hield hij de boot af. Ook een vriendin uit zijn vorige woonplaats kwam bij een bezoek aan de studentenstad niet bij hem op bezoek. Hij bracht haar netjes naar de laatste trein.

De ouders van Harmen kwamen voor zijn verjaardag naar de studentenstad. Ook dat was leuk. Hij wist een leuk café. Hij was van plan om de stad te laten zien. Konden ze op tijd weer vertrekken. Maar ze wilden ook even zijn kamer zien. Hij probeerde dit bezoek te ontwijken, maar tegen zijn moeder kon hij toch maar moeilijk ‘nee’ zeggen.

Zijn moeder zei later: “Ik wist dat Harmen een rommelkont was, maar toen gingen bij mij de ogen open. Het was een compleet hol. Er lagen zelfs etensresten van weken geleden.” Ze beschrijft deze herinnering als een reactie van rouw. “Toen zag ik dat Harmen eigenlijk gehandicapt is. Hij wil wel, maar hij krijgt het gewoon niet voor elkaar.”

Het is nu twintig jaar later. Harmen stond enkele jaren ingeschreven op de universiteit. Maar hij heeft nauwelijks een tentamen gehaald. Hij is klusjesman voor de flat waar hij inmiddels 15 jaar woont. Zo betaalt hij de huur. Voor alle dagen heeft hij een schema waar hij zich aan moet houden. Dat geeft hem een beetje externe structuur. Zijn overgewicht is inmiddels gevaarlijk geworden. Hij eet wanneer hij honger heeft en drinkt wanneer hij dorst heeft.

Af en toe komen zijn ouders om zijn kamer op te ruimen. Ze vragen zich af hoe het later moet als zij er niet meer zijn. Dat is ook de vraag die ouders van gehandicapte kinderen stellen. Misschien moeten we Harmen ook wel zien als iemand die - ondanks zijn hoge intelligentie - gehandicapt is.

Executieve functies (6)

In het vorige blog noemde ik elf voorbeelden waarbij je goede executieve functies nodig hebt in het dagelijks functioneren.

Maar het is niet zo dat je executieve functies per definitie ‘laag’ zijn. En ook is het niet zo dat die functies allemaal hoog scoren in kwaliteit. Ieder mens heeft een bepaald profiel aan executief functioneren, waarbij je op het ene aspect beter scoort dan op het andere aspect.

Neem de chirurg met wie ik een cursus time-management volgde. Ik vroeg me af waarom hij die cursus volgde. Een chirurg moet toch 'op tijd werken'? Dat wordt toch voor hem geregeld? Hij zei: "Nee, dat klopt, op mijn werk hoef ik me nergens druk om te maken. Dat ik deze cursus volg heeft ermee te maken dat het thuis helemaal niet lukt. Ik kan thuis helemaal geen prioriteiten stellen." Gelukkig betaalde zijn werkgever de cursus (…).

Maar zou deze chirurg op alle punten van het executief functioneren laag scoren? Dat kan ik me niet voorstellen. Hij zal niet tijdens een operatie opeens iets anders gaan doen omdat hij wordt afgeleid door iets wat hem interessanter lijkt. Hij zal toch eerst de operatie afronden voordat hij een potje schaak met de co-assistent gaat doen.

Je kunt dus voor jezelf een profiel opstellen van executieve functies die het bij jou goed doen en andere functies waarbij je wel wat ondersteuning kunt gebruiken.

Meneer de Groot is heel goed in het doelgericht werken. Als hij ergens aan begint zal hij die klus zeker af maken. Maar als er iets tussen komt raakt hij ontregeld. Zijn vrouw belt hem op dat ze onderweg naar huis een lekke band heeft gekregen. Ze is daarom later thuis. Of hij het eten alvast op kan zetten. Dat lukt meneer de Groot niet. Het goede doelgericht werken gaat ten koste van de flexibiliteit.

Vrij beroep

Een vrij beroep zonder veel vaste afspraken is een risico voor mensen met zwakke executieve functies. Ze doen het meestal beter als hun agenda helemaal voor hen wordt ingepland. Een hele dag geen afspraak betekent vaak een hele dag nauwelijks effectief zijn. Voor hen is het verstandig om de dagen in kortere blokken op te delen.

Veranderend profiel

Kan het profiel in de loop van de tijd nog veranderen? Dat kan zeker. Als je bijvoorbeeld naar de planning en de organisatie door pubers kijkt, dan zie je dat ze daar vaak niet goed in zijn. Om naar mezelf te kijken (meer dan een halve eeuw geleden): naarmate de school ‘strenger’ was haalde ik betere cijfers. Hoe meer structuur, des te prettiger ik me voelde. Bij pubers zijn de hersenen (meestal) nog niet voldoende ‘gerijpt’ om goed executief te kunnen functioneren.

Bij ouderen gaat de kwaliteit van het executief functioneren achteruit, al verschilt het profiel per persoon. Eén van de belangrijkste kenmerken van een dementieel syndroom is dat het executief functioneren problematisch is geworden.

Executieve functies (6)

Richard Guare en Peg Dawson, de auteurs van het boek Slim maar... maken onderscheid tussen elf verschillende vaardigheden, die allemaal te maken hebben met de executieve functies.
  1. Respons-inhibitie: nadenken voordat je iets doet. Bij kinderen met een lage respons-inhibitie zie je vaak dat ze niet (stil) kunnen wachten totdat ze aan de beurt zijn, ze gaan roepen of druk gedrag vertonen.
  2. Werkgeheugen: informatie in je geheugen vasthouden bij het uitvoeren van complexe taken. Er bestaan schema’s waar je op kunt zien hoe het werkgeheugen op een bepaalde leeftijd zou moeten functioneren. Bij een zwak werkgeheugen kunnen kinderen bijvoorbeeld alleen maar het eerste of het laatste deel van een opdracht onthouden.
  3. Emotieregulatie: emoties reguleren om doelen te behalen of gedrag te controleren. Kinderen met een zwakke executieve functies kunnen zeer gefrustreerd reageren op een kleine hobbel in de opdracht of ze stoppen meteen met mens-erger-je-niet als hun pion er af wordt gegooid.
  4. Volgehouden aandacht: bij de les kunnen blijven, ook als er om je heen van alles gebeurt wat ook interessant is. Er zijn kinderen (maar ook volwassenen) die overal aan beginnen, maar die nooit iets afmaken.
  5. Taakinitiatie: op tijd en efficiënt aan een taak beginnen. Er zijn kinderen die in iedere nieuwe taak een grote hobbel ervaren: het lukt hen niet om ergens aan te beginnen. Ze stellen voortdurend uit.
  6. Planning/prioritering: een plan maken en beslissen wat belangrijk is. Als je voor verschillende vakken huiswerk hebt, waar moet je dan mee beginnen? En hoe bepaal je wat het meest belangrijk is?
  7. Organisatie: informatie en materialen ordenen. Kijk eens hoe de (eigen) kamer er uit ziet. Of hoe is het bureau ‘georganiseerd’? Hoe heeft het kind overzicht over wat het moet gaan doen?
  8. Timemanagement: tijd inschatten, verdelen en deadlines halen. Mensen met zwakke executieve functies kunnen zelden inschatten hoeveel tijd ze ergens voor nodig hebben. Ze zijn daardoor ook vaak te laat.
  9. Doelgericht gedrag: een plan maken en daar naar toe werken. Een mooi voorbeeld is het leren sparen om later iets moois te kunnen kopen. Bij een zwakke executieve functie kan dat een te hoog gegrepen doel zijn.
  10. Flexibiliteit: flexibel omgaan met veranderingen en tegenslag. Bij zwakke executieve functies vinden kinderen het lastig om een alternatief plan te bedenken als er iets niet lukt. Ze blijven vasthouden aan één strategie.
  11. Metacognitie: een stapje terug doen om jezelf en de situatie te overzien en te evalueren. Bijvoorbeeld: je kijkt je eigen werk nog even na om te kijken of je het allemaal goed hebt gedaan. Bij een zwakke executieve functie is iemand soms zó blij dat de opdracht af is dat het meteen ‘klaar’ is: het schrift moet meteen dicht.
Bij deze rij heb ik geschreven over 'kinderen'. Bij hen horen zwakke executieve functies 'er bij'. Maar zwakke executieve functies komen voor op alle leeftijden. En zeker bij mensen met ADD, ADHD of autisme. En naarmate mensen ouder worden nemen problemen met de executieve functies ook weer toe. Er staat me dus nog wat te wachten...

Executieve functies (5) : aan de kook

Eén van de taken die bij uitstek te maken heeft met executieve functies is het koken. Oftewel 'het berijden van een maaltijd' zoals ik in een opleidingsdocument zag staan...

Voor mensen met zwakke executieve functies is het ingewikkeld om meerdere dingen tegelijk te doen. Stel dat ik als puber (pubers hebben nog niet goed ontwikkelde executieve functies) een maaltijd klaar had moeten maken, dan was het waarschijnlijk als volgt gegaan:

a) Ik schil de aardappels, was ze, zet ze op het gas, laat ze aan de kook komen en na 21 minuten zet ik het gas uit, giet de aardappels af en laat ze nog even stomen. Al die tijd blijf ik in de buurt van de aardappels, want het moet natuurlijk wel goed gaan.

b) Daarna ‘pel’ ik de spruitjes, laat ze aan de kook komen en na 7 minuten zet ik het gas uit, giet de spuitjes af en laat ze nog even stomen. Ik houd ook oog op de spruitjes. Als ik naar de kamer zou lopen zou ik helemaal vergeten dat ik de spruitjes aan het koken was.

c) Daarna maak ik de kipfilet klaar, zoek een tijdje naar de braadpan, pak wat smeltjus, zet het gas aan, en ga aan de slag met het lekker lichtbruin bereiden van de kipfilet.

Na elkaar

Ik doe dus de handelingen ná elkaar. De losse handelingen kan ik wel uitvoeren, maar ik krijg het niet voor elkaar om de handelingen te combineren.

Koken wordt op die manier een aanzienlijke tijdsbesteding: je bent zomaar een uur aan het koken en de eerste twee gerechten zijn ondertussen alweer afgekoeld. Dat verklaart mogelijk waarom een deel van de mensen een eenpansgerecht prefereert: dat doet een geringer beroep op de executieve functies.

In psychologische testen zie je dan nogal eens dat iemand het eerste onderdeel goed uitvoert, maar het tweede en derde onderdeel gaan de mist in, omdat de schakeltijd onvoldoende is. Ik zei in de floppy-tijd van de computer wel eens: ‘er moet eerst een andere floppy in, anders werkt het niet’. 

Peter heeft een nieuwe fiets met drie versnellingen. Het valt op dat hij alleen maar in één versnelling fietst. Zijn begeleider probeert hem onderweg te laten schakelen. Dat lukt niet. Peter kan niet én fietsen én schakelen tegelijk. Hij stopt met fietsen, stapt af, zet de fiets in een andere versnelling, stapt weer op en rijdt weer weg. Combineren van meerdere handelingen tegelijk is te ingewikkeld voor Peter.

Als je naar oudere mensen kijkt zie je dezelfde problemen ontstaan, vooral als handelingen niet meer geautomatiseerd zijn. In plaats van verschillende handelingen tegelijk doen wordt het handelingen achter elkaar doen. En bij vermoeidheid valt het vermogen om de handelingen te verrichten helemaal weg.

Dan ontstaat er apraxie: niet meer weten hoe je de telefoon moet bedienen, je tanden niet meer kunnen poetsen, niet meer kunnen fietsen en soms zelfs: niet meer weten hoe je moet eten...

Executieve functies (4)

Je kunt de onderdelen van de executieve functies in schema zetten, waarbij de twee onderdelen 'doen' en 'denken' beiden aan bod komen.

Bij het doen/ het gedrag kun je denken aan:

a. Respons-inhibitie: eerst denken, dan doen

b. Taak-initiatie: beginnen met de taak, de overgang maken naar de taak

c. Emotie-regulatie: je emoties zo bijsturen dat je aan je je taak kunt doen (niet uit je plaat gaan als het even niet lukt)

d. Doelgericht gedrag: je wilt een doel bereiken en je bent niet zomaar wat aan het rommelen (volgehouden aandacht)

e. Flexibiliteit: het vermogen om als het even niet lukt met een plan B te komen, hulp te vragen of eerst iets anders te regelen zonder dat je je doel vergeet.

Mevrouw Huidekooper is een vrouw 'op leeftijd'. Bij de tandarts blijkt dat ze zelden haar tanden poetst. "Ik denk er niet aan" zegt ze. Daarmee bedoelt ze niet dat ze er niet aan wíl denken, maar dat ze het niet in haar schema krijgt. Aan de hand van de vijf aspecten is met haar geprobeerd om een plan te maken zodat ze het poetsen wél voor elkaar krijgt. Het lijkt een denkplan, maar het schema omvatte vrijwel uitsluitend doelgerichte activiteiten. Vooral het beginnen aan de taak bleek ingewikkeld. Als ze de tandenborstel niet zag dacht ze gewoon niet aan poetsen. Ook als de borstel op een opvallende plek stond 'zag' ze hem alsnog niet. Ze schuifelde er gedachtenloos langs en kwam niet op het idee dat ze nog moest poetsen.

Bij het denken/cognitie kun je denken aan:

a. Het functioneren van het werkgeheugen (bijvoorbeeld tijdens je werk sorteren wat relevant is, niet een boek overschrijven, maar ter plekke bepalen wat je kunt gebruiken)

b. De planning maken (bijvoorbeeld: ik doe iedere dag vijf bladzijden)

c. Organiseren: hoe regel ik dat ik alle informatie op tijd binnen krijg, met wie kan ik samenwerken

d. Het stellen van prioriteiten (ik moet de taak wel afronden, maar als mijn vriend erg ziek is gaat die zorg nu voor)

e. Metacognitie: af en toe een stapje terug doen om te kijken hoe alles verloopt.

Er bestaat een schema met executieve functies 'per leeftijd'. Bij jonge baby's is nog nauwelijks sprake van executieve functies. Naarmate kinderen ouder worden leren ze steeds beter hun gedrag te 'organiseren'. Dat vraagt om het kunnen denken over de taak, maar ook om het sturen van gedrag. Bij (o.a.) kinderen met ADD, ADHD en autisme zijn de executieve functies onderontwikkeld. Daarom zijn er hulpmiddelen nodig om doen en denken te kunnen organiseren.

Executieve functies (3)

Executieve functies zijn de zogenaamd hogere functies in de hersenen. Ze sturen het gedrag aan, helpen bij het stellen van doelen, bij het plannen en organiseren.

Er zijn kinderen die zeer intelligent lijken, maar bij wie die intelligentie er op school toch niet uit komt. Je hebt het gevoel dat ze onderpresteren. In werkelijkheid doen ze erg hun best, maar het lukt hen gewoon niet om het denken zó te organiseren dat ze hun doelen kunnen halen.

Dit probleem wordt groter naarmate het onderwijs 'vrijer' wordt. Vooral kinderen die niet sterk zijn in hun executieve functies zijn de grote verliezers bij vrijer onderwijs.

Je kunt de executieve functies onderverdelen in delen die te maken hebben met

a) het uitvoeren van taken (het doen) en

b) delen die te maken hebben met (na)denken over iets.

De weg kwijt

Bij een taak kun je bijvoorbeeld denken aan het ‘volgehouden gedrag’. Mensen met verstoorde executieve functies krijgen het vaak niet vol elkaar om een taak af te maken. Ergens onderweg van A naar B raken ze de weg kwijt.

Je kunt je daarbij voorstellen dat hoe groter de opdracht is, des te ingewikkelder het is om de taak af te maken. Als de docent zegt dat je aanstaande woensdag tijdens het eerste lesuur twee A viertjes in moet leveren met de antwoorden op vijf concrete vragen valt dat voor de meeste mensen nog wel te doen.

Doen

Het beginnen aan een taak is een kwestie van doen, van gedrag. En ook het doorgaan met die taak heeft te maken met doen, met gedrag.

Als je een opdracht krijgt dat je over drie maanden een werkstuk van 50 bladzijden over een abstract onderwerp ingeleverd moet hebben wordt het veel ingewikkelder om aan de eisen te voldoen. Je begint dan vaak te laat en als je eenmaal begonnen bent blijkt het ingewikkeld om je aan de taak te houden. Het doel ligt te ver weg. Het heeft dus geen prioriteit.

Denken

Bij het nadenken over de planning van de taak gaat het om een cognitieve functie. Je moet kunnen organiseren hoe lang je voor de taak nodig hebt, waar je de informatie vandaan haalt en hoe je de taak het beste kunt organiseren naast de andere dingen die je moet doen (het huishouden, andere opdrachten voor school en de tijd die je vriend van je vraagt).

Je ziet dan ook dan dat executieve functies een belangrijke rol spelen in het time-management. Je moet de tijd in kunnen schatten die je nodig hebt om bij je doel te komen en je moet ook prioriteiten kunnen stellen.

Mensen die op executieve aspecten niet sterk functioneren hebben moeite om met hun taak te beginnen, maar kunnen ook moeilijk inschatten hoeveel tijd ze voor die taak nodig zullen hebben.

Executieve functies (ouderen)

"Henk 50, kunt u nog eens iets over executieve functies schrijven?" Jawel, dat moet kunnen. Met een beetje plannen en organiseren komt het ook op dit weblog.

Met het starten van dit blog heb ik al een stevig beroep gedaan op mijn eigen executieve functies. Ik moest namelijk van alles plannen en organiseren om zo ver te komen. Bij mij gaat dat redelijk vanzelf, omdat veel handelingen zijn geautomatiseerd. Daar zit al één van de sleutels voor effectief gedrag. Als je het gedrag automatiseert belast je de executieve functies minder sterk.

De executieve functies komen het meest duidelijk tot uiting bij het plannen en organiseren. Als mensen ouder worden gaat het vermogen van de executieve functies sterk naar beneden. Het wordt steeds lastiger om in nieuwe situaties ‘je hoofd goed te ordenen’.

Onderzoeker Timothy Salthouse ontdekte echter dat met name de verwerkingssnelheid een groot probleem vormt voor ouderen. Het kost meer tijd om nieuwe informatie te integreren. Geef je ouderen voldoende de tijd, dan blijkt dat de executieve functies toch minder zijn ‘aangetast’ dan het op het eerste gezicht lijkt. Het gaat allemaal langzamer, maar als de omgeving daar op wordt ingesteld blijken ouderen beteren te kunnen plannen en organiseren dan je soms zou denken.

Mevrouw de Jong gaat op reis

Mevrouw de Jong (73 jaar) staat op het perron. Er wordt omgeroepen dat de trein van een ander spoor zal vertrekken. Allerlei reizigers rennen richting het het andere perron.

Mevrouw de Jong blijft staan. Ze moet eerst het bericht ‘vertalen’ in haar hoofd. Dat kost moeite omdat bij ouderen het auditieve geheugen (wat je hoort) vaak minder goed functioneert dan het visuele geheugen (dat wat je ziet). Welke trein ook alweer, van welk spoor ook alweer?

Vervolgens moet mevrouw de Jong een plaatje in haar hoofd krijgen van wat ze nu moet doen. Ze moet naar een ander perron, en daarbij moet ze bedenken dat ze eerst met de roltrap naar boven moet en daarna naar de roltrap naar het andere perron moet gaan. Daar moet ze weer naar beneden.

Dit is al heel complex. Want terwijl mevrouw de Jong op het perron staat moet ze in haar hoofd al een plaatje maken van de route naar het andere perron. Je ziet dat het lopen van mevrouw de Jong naar het andere perron stapsgewijs verloopt.

Mevrouw de Jong neemt eerst de roltrap naar boven. Eenmaal boven aangekomen staat ze even stil. Dat kun je beter niet direct boven aan de roltrap doen, want dan ontstaat er een stuwmeer van vallende reizigers achter je, zoals af en toe op stations te zien is. Boven een de trap moet mevrouw de Jong zich opnieuw oriënteren. Welk spoor ook alweer en waar is dat spoor. Dan ziet ze het bord, spoor 14 tot 21 rechtsaf. En daar loopt ze in de richting van het goede spoor. Onderweg hapert het lopen even, totdat ze het bord ziet, spoor 20 en 21. Ze moet nu zoeken naar de roltrap naar beneden, of neem ik de lift. Ze is kwiek en neemt de roltrap. Beneden hapert ze weer, is het nu de trein links of de trein rechts. Even op de borden kijken. Ze staat uitgebreid het bord te bekijken. Stoptrein Tiel. Maar ze moet in Culemborg zijn. Opnieuw een hapering, maar daar verschijnt het bericht: stopt in Utrecht Lunetten, Houten, Houten Castellum, Culemborg.

Mevrouw de Jong stapt in. Nu nog even zoeken naar een passende zitplaats. Twee minuten later klinkt de sluitfluit. De Sprinter met als inhoud mevrouw de Jong met tas zet zich in beweging.

Het is allemaal goed gegaan. Dat kwam omdat mevrouw de Jong niet in paniek is geraakt. Ze volgde haar eigen tempo. In stappen kwam ze tot de goede oplossing en uiteindelijk in de goede trein. Was ze wél in paniek geraakt, dan was het een chaos geworden in haar hoofd en in haar handelen, had ze een grote kans gemaakt op een valpartij of op het vergeten van haar tas en was ze niet in deze trein terecht gekomen.

Als het tempo te hoog ligt of de stress wordt te groot gaat bij ouderen het executief functioneren sterk naar beneden.

Executieve functies

Er zijn zeer intelligente mensen die er toch niet in slagen om een diploma te halen. Dat kan liggen aan een beperking in de executieve functies.

Als ik het ‘plat’ zeg gaat het bij de executieve functies vooral om het vermogen om te kunnen plannen en organiseren. Naarmate het onderwijs meer ‘vrij’ is worden de executieve functies naar verhouding belangrijker.

Er zijn jongeren die met gemak hun VWO halen. Er zijn regelmatig toetsen en er wordt in de gaten gehouden of je je opdrachten maakt. Deze jongeren blijken echter toch te stranden in het eerste jaar van het wetenschappelijk onderwijs. Intelligent genoeg, maar ze kunnen de vrijheid van het onderwijs niet aan. Als je pas over drie maanden een opdracht in moet leveren of een toets moet doen is het natuurlijk onzin om er nu alvast aan te beginnen.

De executieve functies bestaan uit een aantal onderdelen:

  1. Inhibitie maakt het mogelijk om impulsen (prikkels) te onderdrukken. Bijvoorbeeld: je hoort dat er een appjes binnen komen, maar je blijft studeren.  Je vrienden zitten te gamen en toch ga je door met je opdracht.

2. Werkgeheugen: dit is de tijdelijke opslagcapaciteit van ons brein, waarin we informatie bewerken. Een zwak werkgeheugen heeft indirect als gevolg dat het lastiger is om zaken ter plekke met elkaar te vergelijken en af te wegen. Per leeftijdsfase herken je een zwak werkgeheugen aan verschillende kenmerken in het gedrag.

3. Flexibiliteit maakt het mogelijk om je te kunnen aanpassen als er iets verandert. Bijvoorbeeld: de docent is ziek. Ga je dan TV kijken of gamen of bedenk je dat je dan nu alvast vooruit kunt werken voor een andere opdracht?

4. Plannen en ordenen: het vermogen om vooruit te denken, een plan te maken, in te schatten hoe lang iets duurt, prioriteiten te stellen, beslissingen te nemen. Mensen met een zwak werkgeheugen kunnen bijvoorbeeld overal te laat komen. Dat verandert niet want ze leren te weinig van voorgaande fouten.

5. Gedragsevaluatie: het gebruiken van feedback uit je omgeving om je eigen gedrag aan te passen. Begrijpen wat het effect is van jouw gedrag op dat van een ander. Leren dat je een fout hebt gemaakt en het de volgende keer anders aanpakken.

Decennia lang is gedacht dat het IQ de belangrijkste bepalende factor is bij het leveren van prestaties op school. Inmiddels is het idee dat executieve functies meer bepalend zijn voor het behalen van goede resultaten op school.