Jezelf een voldoende geven

De directie had voor zichzelf een nieuwe directiestructuur bedacht. Twee diensthoofden werden gepromoveerd tot adjunct-directeur. Dan konden ze de directeur met raad en daad bijstaan en voor hem een beetje druk van de ketel weghalen.

Na een half jaar zou de nieuwe directiestructuur worden geëvalueerd. Maar wie moest dat doen? De directie natuurlijk. Wie anders? Gelukkig had de transparantie toegeslagen en waren de directieverslagen openbaar. Weliswaar zes weken later, maar het was zichtbaar wat er besproken was.

Niet alles, natuurlijk, want in het kader van de openbaarheid van bestuur kon de directie zelf besluiten welke informatie de instelling binnen zou gaan en welke informatie achter gehouden zou worden.

De zelf-evaluatie van de directie was kort maar krachtig. In het directieverslag stond deze prachtige zin: “De directie kan zichzelf wel een voldoende geven.” Het was het toonbeeld van bescheidenheid. Het was niet perfect, er was sprake van enig falen, maar toch: het was wel voldoende. Men kon op de oude voet verder.

Voor mij was deze zin aanleiding om een column voor het gestichtelijk gestichtsblad te schrijven.

Aanvankelijk had de directeur geprobeerd om  zelf de eindredactie van dit blad in de hand te houden. Het is natuurlijk eng als er buiten jou om informatie door de instelling kan dwarrelen: daar heb je geen controle op. Maar die coup-poging was niet gelukt. Het blad werd niet uitgegeven met geld van de organisatie, maar viel onder het beheer van de personeelsvereniging, die ook de contributie inde.

Ik kon dus mijn gang gaan Ik zag grootse visioenen. Er kwamen namelijk veel meer handen aan het bed. Er was geen enkele beoordeling en geen enkele evaluatie meer nodig. Examens konden worden afgeschaft. Iedereen gaf gewoon zichzelf een voldoende. Wat zou dat een tijd uitsparen: gewoon allemaal lekker aan het werk.

De dag na de publicatie van het personeelsblad moest ik op het matje komen. De directeur voelde zich diep geschoffeerd en ernstig in de eer en de goede naam en faam aangetast door mijn bijdrage aan het personeelsblad. En dat gevoel gold ook de mededirecteuren.

Gedwee verliet ik de kamer, want zo ben ik wel. Vele jaren later hoorde ik tijdens een reünie van een inmiddels gepensioneerde collega van de directeur (één van de nieuwe directeuren) dat hij vreselijk had moeten lachen om mijn bijdrage. "Het was inderdaad een poppenkast."