Mannenhuishouding

Soms wordt mij gevraagd om ergens poolshoogte te nemen. Die term komt uit de scheepvaart. Ik heb geen vaarbewijs, mijn poolshoogte ziet er daarom wat anders uit. Ik ga gewoon op huisbezoek. 

Zo kwam ik op verzoek terecht bij een woning voor mensen met een lichte verstandelijke beperking. Ik wist het huisnummer niet zeker, maar toen ik door de straat liep kon ik het wel raden. Er was één voortuin die ongetwijfeld door buurtbewoners gebruikt zou kunnen worden om de hond uit te laten.

Eenmaal binnen was er voor mij nauwelijks plek. Eén bewoner lag op de bank met een asbak vol peuken op het tafeltje ernaast. Twee anderen hadden de mooie stoelen ingenomen. De vierde bewoner scheen vannacht niet te zijn thuis gekomen en had nu geen zin in een gesprek. Hij moest zijn slaap inhalen. Ik mocht op eigen initiatief een krukje uit de keuken pakken.

Empowerment stond hoog in het vaandel bij de organisatie waar deze woning bij hoorde. De meeste Nederlanders moeten in het woordenboek opzoeken wat die term inhoudt, maar in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking kun je die termen natuurlijk prima gebruiken. Als je de cliënt centraal wilt stellen moet je vooral veel met dure woorden gaan smijten.

Ik vroeg aan de bewoners of ze nog wel begeleiding nodig hadden. Nee, dat was niet nodig, vonden ze allemaal. Ze konden het allemaal zelf wel regelen. Begeleiding was er voor om af en toe te stofzuigen en misschien een keer de wasbakken schoon te maken. Verder redden ze zichzelf wel.

Mannenhuishouding door Marius van Dokkum

Wat hadden ze gisteravond gegeten? Ze vonden allemaal dat ze gezond aten. Eentje had gisteren patat gehaald, de beide anderen hadden samen een pizza gehaald. En een pizza was heel gezond, want daar zat groente op.

Eén van de bewoners kende ik van mijn werk bij speciale tandheelkunde. Ik wist dat het daar was opgevallen dat hij vermoedelijk nooit zijn tanden poetste. Hij bleek mij ook te herkennen, want hij zei dat hij gisteren had willen poetsen, maar daar was hij niet aan toe gekomen, want hij was op de bank in slaap gevallen. En als je zó moe bent kun je beter niet poetsen, was zijn argument.

Ik vertelde dat ik inderdaad uit het gesprek meende te concluderen dat er op deze woning geen begeleiding meer hoefde te komen. “Jullie kunnen alles prima zelf regelen! En die wasbakken, dat kunnen jullie vast ook wel zelf! Hoe vinden jullie het als ik dat aan de directeur ga vertellen?”

Dat bleek toch niet helemaal de bedoeling. Sterker nog: dat kón helemaal niet. Waarom dan niet? De begeleiding moest af en toe zorgen dat het niet al te vies werd in huis. Eentje merkte op dat de begeleiding toch minstens iedere week even op bezoek moest komen, want ‘zij heb de sleutel van het geldkissie’.

Professioneel opgeleide begeleiders in de zorg werden hier dus ingezet als schoonmaakpersoneel en als kasbeheerder. Tenminste, als je de bewoners zou moeten geloven. Toch kwam er nog iemand met een diepgaander idee. Hij wilde geen namen noemen, maar er was één in huis die zich niet aan de afspraken hield. Daar was het personeel ook voor om die bewoner tot de orde te roepen.

Keuzevrijheid of dwang?

In de samenleving nemen de termen eigen regie en autonomie een belangrijke plaats in. Dat is een goede ontwikkeling. Maar er is ook een keerzijde.

In besprekingen en cursussen gebruik ik wel eens het voorbeeld van een peuter die mee wordt genomen naar Bart Smit ‘om een kadootje uit te zoeken’. Zo’n peuter raakt helemaal de weg kwijt in de winkel. Er valt zóveel te kiezen dat hij niet meer kan kiezen. Hij pakt een stuk speelgoed en ziet meteen een volgens stuk speelgoed dat nóg mooier is. Maar er is nóg iets mooiers. Hij weet niet wat hij moet kiezen.

Als je meer kunt kiezen dan je aankunt wordt keuzevrijheid dwang. En dwang betekent onvrijheid.

Een moeder (vader) met inzicht in het functioneren van peuters weet dat het zo niet werkt. Je moet voorsorteren. Je zegt bijvoorbeeld tegen de peuter: we gaan naar de Duplo. En bij de Duplo wordt nog een keer voorgesorteerd: bijvoorbeeld uit twee of drie doosjes.

Ik noem wel eens als vuistregel: "Het aantal keuzemogelijkheden moet ongeveer gelijk zijn aan de leeftijd in jaren". Dus een peuter van drie jaar laat je uit drie mogelijkheden kiezen.

Helemaal gaat die regel trouwens niet op, want als ik ’s morgens op het station moet kiezen uit 67 soorten koffie word ik ook gek van mijn eigen keuzevrijheid.

Maar daarmee ben ik ook toe aan een lesje ouder worden. Naarmate je ouder wordt neemt de capaciteit van je werkgeheugen aanzienlijk af. Alweer een vuistregel, die niet meer is dan een globale indicatie: “Een twintiger kan tot zeven dingen tegelijk, een 65 plusser kan maar twee dingen tegelijk.”

In de ouderenzorg is eigen regie een hot item. Maar als ouderen teveel kunnen kiezen worden ze ‘gek’ van die keuzemogelijkheden: dat kan hun werkgeheugen helemaal niet aan. Het gevolg is dat ze niet meer kunnen kiezen: ze blijven steken in het niet kunnen kiezen. Dat noemen we dan weer dwang.

Gisteren stond ik achter een oude mevrouw in de rij voor de koffie. Er werd gevraagd wat mevrouw wilde (ze moest kiezen uit vijf mogelijkheden). ze werd een beetje boos en ze zei: "Doe niet zo moeilijk, mens! Gewoon: KOFFIE!"

In de zorg voor oudere mensen met een verstandelijke beperking is dit ook een belangrijk thema. Daar zijn de signalen van het ouder worden vaak al tien tot twintig jaar vroeger in cognitief opzicht merkbaar. Als je daar als begeleider niet op inspeelt ben je bezig met overvraging.

Dus: niet alles invullen voor de ander, wel voorsorteren. Als iemand teveel kan kiezen leidt dat tot onvrijheid.