Ontwikkeling en verstoring van het ik (4)

Waar waren we ook alweer gebleven? Het ging over mensen bij wie de emotionele ontwikkeling stageert tussen de 3 en 7 jaar. Wat is kenmerkend voor die mensen?

Achtereenvolgens kwamen aan de orde:

1. Afhankelijk van (verslaafd aan) de goedkeuring door belangrijke anderen

2. Voortdurende faalangst

3. Egocentrisch: de wereld bekijken vanuit het eigen perspectief.

4. Veelvuldige autoriteitsconflicten

En dan nu verder met de volgende twee kenmerken:

5. Zwakke interactie met leeftijdsgenoten: Dit punt kwam al eerder aan de orde. Kleuters leren in de loop van hun ontwikkeling samen te spelen. Maar ze zijn daar doorgaans nog niet zo sterk in. Ze kennen de regels van het samenspelen nog onvoldoende. Daarom hebben ze de nabijheid van de volwassene nodig. Als die er niet is hebben ze vaak de neiging om voor de ander te gaan bepalen.

Tegen je verlies kunnen is iets wat voor de meeste kleuters te hoog gegrepen is.

Deze aspecten zien we ook terug bij mensen met een gestagneerde sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste identificatiefase. Samenwerking met anderen is niet hun sterkste kant. Ze werken bij voorkeur alleen, óf samen met mensen die volgzaam zijn, waar ze controle over hebben. Het moeten samenwerken in teamverband wordt door hen vaak als stressvol ervaren.

Mirjam werkt in de ouderenzorg. Ze voelt zich thuis in dit werk. Ze kan veel doen en regelen voor kwetsbare ouderen. De teamoverleggen ervaart ze als bijzonder stressvol. Ze heeft de neiging om voor de bewoners van het zorgcentrum van alles te regelen, ze geven weinig weerwoord. Maar binnen het team gaat het niet op die manier, daar krijgt ze af en toe tegengas.

Een leidinggevende functie is voor deze mensen wel weer prettiger, omdat ze daarmee meer controle over anderen ervaren. Maar aan de andere kant worden ze daar ook weer door overvraagd omdat leiding-geven om stressbestendigheid en kunnen delegeren vraagt.

6. Tekort aan zelfregulatie: de emotionele rem is nog onvoldoende ontwikkeld. Als er iets gebeurt waar ze moeite mee hebben kunnen ze heftig reageren en zelfs exploderen. Op ontspannen momenten lijken ze evenwichtig. Je denkt dan dat ze veel aankunnen. Maar een klein beetje spanning kan al voldoende zijn voor een onverwachts heftige reactie.

Een schijnbaar evenwichtig persoon kan 'zomaar' emotioneel heftig reageren op een zo op het oog klein lijkende gebeurtenis of op een uitspraak die niet goed 'valt'.

Ontwikkeling en verstoring van het ik (3)

De belangrijkste en meest ingewikkelde emotionele opdracht voor de peuter is om los te komen van zijn moeder. De belangrijkste emotionele opdracht voor de kleuter is om te komen tot een verdere uitbouw van zijn eigen ik, zijn ego. 

Voor de peuter (rond de twee jaar) liggen de bouwstenen van dat ego al klaar, maar het is allemaal erg weinig georganiseerd. Daardoor weet de (jonge) peuter vooral wat hij niet wil.

De kleuter gaat meer plannen maken, bedenken wat hij wél wil en ook ziet hij zichzelf meer als een persoon los van andere personen, met een eigen identiteit.

Er zijn echter mensen die stagneren in hun emotionele ontwikkeling. Dat kan in alle fasen van de ontwikkeling gebeuren, ook al vóór de kleuterperiode en zelfs al in de babytijd. Deze serie gaat er over wat er gebeurt als iemand in de kleuterfase emotioneel stagneert.

Stagnatie en blokkade

Mensen die in de kleuterperiode emotioneel stagneren kunnen vaak in cognitief opzicht goed mee komen.  Bij een blokkade in de sociaal-emotionele leeftijd is het beeld ernstiger, dan zie je op deze leeftijd al allerlei gevolgen op verschillende terreinen van de ontwikkeling, zowel lichamelijk als psychisch en in verstandelijk opzicht.

Bij een stagnatie van de emotionele ontwikkeling merk je in de eerste 15 levensjaren vaak niet zoveel aan het kind. De kwetsbaarheid komt vooral tot uiting als het op eigen benen moet gaan staan. En dan extra als de persoon veel stress ervaart. De zogenaamde 'coping mechanismen' (manieren om met problemen om te gaan) functioneren onvoldoende.

Kenmerken van een gestagneerde ontwikkeling in de eerste identificatiefase

Deze gestagneerde ontwikkeling kan (o.a.) leiden tot de volgende kenmerken) :

1. Afhankelijk zijn van goedkeuring door belangrijke anderen en zeer gevoelig zijn voor (vermeende) afwijzing.  De onzekerheid is zó groot dat er voortdurend bevestiging moet worden gegeven. Iedere keer weer wil men weten of het wel goed gaat. Als iemand geen waardering uitspreekt leidt dat tot onzekerheid. n worden ze onzeker. Dat maakt hen in zekere zin ‘verslaafd’ aan uitgesproken waardering door anderen.

2. Faalangst: uit het voorgaande valt af te leiden dat ook faalangst erg voor de hand ligt. Het vertrouwen in het eigen ik is onvoldoende ontwikkeld. Maar faalangst wordt vaak gecamoufleerd door ‘stoer’ gedrag, door de suggestie alles aan te kunnen. Als de faalangst overheersend wordt liggen zowel fobieën als het ontwikkelen van een depressie op de loer.

3. Egocentrisch denken en handelen: de peuter bekijkt de wereld vanuit zijn eigen perspectief. Als iemand stagneert in ontwikkeling in de eerste identificatiefase blijft dat een zwak punt. Wat de persoon zo ziet ‘moet’ de ander ook zo zijn.

Kenmerkend is een zin als “Iedereen is het met mij eens dat.” Of: “We zijn het er allemaal over eens dat…” Dat kan natuurlijk zo zijn, maar kenmerkend voor egocentrisch denken is dat het niet gecheckt wordt.

4. Autoriteitsconflicten: een kleuter vecht (net als de peuter) voor zijn eigen autonomie. Hij heeft al snel het gevoel dat anderen de baas over hem spelen. De angst die daar achter ligt is de angst voor controleverlies. Dat zien we ook bij deze mensen. Ze hebben het gevoel in verzet te moeten komen als er van hoger hand iets wordt beslist. “Ik kan niet tegen onrecht” hoor je hen vaak zeggen. Ze voelen zich heel snel opzij geschoven. De moeite met alles wat naar autoriteit riekt is regelmatig de oorzaak van arbeidsconflicten.

(wordt vervolgd)

De ontwikkeling en verstoring van het ‘ik’ (1)

De grootste psychologische opdracht voor kinderen is het ontwikkelen van een eigen 'ik'.

Dat merk je als opvoeder wanneer kinderen twee jaar zijn (‘ik ben twee en ik zeg nee’). Het is een lastige periode voor het kind zelf, maar ook voor de ouders. Het kind wil zelf bepalen, maar het wil ook nog klein kunnen zijn. Bij pubers herhaalt zich die fase nog een keer.

De basis van alle emotionele ontwikkeling ligt in de eerste drie jaar van het leven van kinderen. Dat zijn de fundamenten waarop de persoon gebouwd wordt.

Maar het ‘ik’ kristalliseert nog verder uit tussen de periode tussen drie en zeven jaar. Oftewel: ruim de kleuterperiode. Deze fase (3 tot 7 jaar) wordt wel de eerste identificatiefase genoemd.

De kleuter kan bijna alles
Kleuters hebben een goed ontwikkelde motoriek, beschikken over een goede sensorische integratie (samenwerking tussen de zintuigen), ze kunnen verbaal communiceren, ze kunnen goed waarnemen en het gevoelsleven is redelijk gedifferentieerd. Het zijn dus in zekere zin al kleine volwassenen.

De kleuter moet nog veel bijleren
Maar ze moeten nog heel wat bijleren. De losse fragmenten van het ik moeten structuur krijgen. Plannen en organiseren zijn zeker nog niet uitgekristalliseerd. Daar hebben kleuters volwassenen bij nodig. Ze moeten ervaren dat ze erkenning krijgen van die volwassenen. Die volwassenen moeten ook hun voorbeeld zijn: iemand op wie ze willen lijken.

Volgens Erik Erikson is die behoefte het sterkste richting de ouder van hetzelfde geslacht. De peuter (jongen) kan verliefd zijn op zijn moeder, maar de kleuter (jongen) wil vooral op zijn vader lijken en dingen met zijn vader doen.

Magisch denken
Kleuters denken nog sterk magisch. Ze trekken allerlei conclusies en verbanden zonder deze voldoende aan de realiteit te toetsen. Ze kunnen leven in een imaginaire wereld, een wereld die alleen in hun fantasie bestaat. Binnen die wereld voelen ze zich vaak ook almachtig.

Schone schijn
Er zijn kinderen die deze fase niet goed door komen. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat fantasie en werkelijkheid ook op latere leeftijd door elkaar blijven lopen. Aanvankelijk valt dat misschien helemaal niet zo op. De klasgenoten begrenzen zijn wereld en houden hem bij de les. Maar vooral vanaf de puberteit wordt de structuur minder en vervallen ze steeds meer in deze schijnwereld. “Keeping up appearances.”

Veel wensdenken, weinig realiteit

Dat is ook de wereld waarin dictators als Nicolas Ceaucescu, Erich Honnecker en Saddam Hussein leefden. Ze misten de erkenning die  een kleuter nodig heeft om groter te groeien. Dus zochten ze zelf wanhopig naar erkenning. Ze raakten de band met de realiteit kwijt. Ze meenden dat iedereen hen waardeerde en voelden zich almachtig.
Het is ook de wereld van de oplichters van Tros Opgelicht. Ook die mensen kunnen het niet laten om te fantaseren over hun kwaliteiten. En daarmee palmen ze bijna iedereen in.

Maar dichterbij huis is het de wereld van de mensen bij wie in hun verhalen ook fantasie en werkelijkheid steeds weer door elkaar loopt. Omdat ze in willen halen wat ze gemist hebben.