Ouderen en hallucinaties (?) 1

Ouderen zien en horen vaak dingen die wij niet zien of horen. Je zou kunnen denken dat ze aan het hallucineren zijn. Maar het psychotische hallucineren is heel wat anders dan datgene wat veel ouderen overkomt. Als gevolg van bijvoorbeeld visuele problemen gaan ze dingen anders interpreteren. Daardoor komen er angsten terug die ook bekend zijn bij peuters. Alleen heeft het bij peuters te maken met een beperkt begripsvermogen. Er verschijnt een schaduw op de muur en ze denken dat er een enge man staat.

Bij ouderen die slecht zien en slecht horen is in principe geen sprake van een beperkt begripsvermogen. Maar omdat ze (bijvoorbeeld) niet goed zien, gaan ze wat ze zien anders interpreteren.

Neem mevrouw Stientje Maandag. Ze weigert steeds om onder de douche te gaan. Dan kijkt ze verstard met grote ogen naar de vloer. De begeleiding denkt dat ze daar iets ziet. Het wordt geïnterpreteerd als ‘iets zien wat er niet is’. Vervolgens wordt gedacht dat mevrouw Maandag last heeft van hallucinaties.

Bij één begeleider gaat mevrouw Maandag zonder problemen onder de douche. Pas nadat de situatie op video is vastgelegd wordt duidelijk waarom dat zo is. Deze begeleider haalde de badmat weg, omdat ze bang was dat mevrouw daar over zou struikelen. En mevrouw Maandag? Die had de donkere badmat aangezien voor een gat waar ze in zou kunnen vallen.

Meneer de Hoop schrikt regelmatig als de begeleiding hem komt halen. Maar ook in bed kan hij opeens gaan roepen dat er iemand in zijn kamer is. Het blijkt dat hij via de spiegel denkt dat er mensen in zijn kamer zijn. Hij kan de contouren van zichzelf zien in de spiegel, maar kan niet (meer) zien dat hij het zélf is.

Als je geen overzicht meer hebt op je omgeving is dat beangstigend. Meneer de Hoop kleurt de angstige beleving in als een ander persoon in zijn omgeving. Net zoals wij in het donker een knotwilg aanzien voor een enge man.

Toen de spiegel op een andere plek was gehangen had meneer De Hoop geen last meer van het idee dat er een vreemde man in zijn kamer was. Het waren dus geen hallucinaties geweest, maar een verkeerde interpretatie als gevolg van het mindere vermogen om te kunnen zien.

Er komt nog één andere verklaring voor gedrag dat vaak wordt geïnterpreteerd als hallucineren, terwijl het in werkelijkheid een gevolg is van visuele problemen. Daar schrijf ik morgen over.

Wat de hallucinaties en wanen betreft is één belangrijke waarschuwing op zijn plaats. Als deze verschijnselen zich opeens voordoen is er vaak sprake van een delier. Dit komt bij kwetsbare ouderen vaak voor als gevolg van een lichamelijke ontregeling. Dan moet de kamer niet verbouwd worden, er moet een dokter gebeld worden.

Meneer de Leur staan voor de deur

Al vier jaar zit het in de politieke pijplijn.

Het Wetsvoorstel Zorg en Dwang. Deze wet moet de oude BOPZ, die onvoldoende was toegespitst op de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking en op dementerende patiënten, gaan vervangen.

Leden van de Tweede Kamer hebben naar aanleiding van dit Wetsvoorstel een groot aantal vragen gesteld. De staatssecretaris heeft die vragen in ongeveer 25 bladzijden geprobeerd te beantwoorden en soms heeft een vraag geleid tot een wijziging in de tekst van de wet. Opvallend is de praktische inhoud van de doorgaans vrij droge wetsmaterie. Een voorbeeld is dat van een dementerende man die bij de deur staat. Ik noem hem meneer De Leur, want dat rijmt op deur.

Meneer de Leur

Meneer de Leur (licht dementerend) staat de hele dag bij de deur. Hoe reageer je op zijn gedrag?

Tegenwoordig bestaat de neiging bij instellingen om zich voor alle risico’s zoveel mogelijk in te dekken. Want als het mis gaat hangt de instelling een berisping van de inspectie benevens een schadeclaim boven het hoofd. Het is deze angstcultuur die de kwaliteit van zorg in instellingen steeds meer dreigt te verschralen.

Als je let op de risico’s beland je denken in een fuik. We gaan alles dichttimmeren. Want meneer de Leur wil misschien weglopen. En als hij wegloopt kan hij onder een auto komen. En als hij onder een auto komt krijgen wij de schuld. Dus sluiten we de deur af. Zo, goed gehandeld! Meneer de Leur is veilig en wij zijn juridisch gedekt tegen onze aansprakelijkheid, mits we de protocollen maar goed hebben gevolgd…

Wat we op zo’n moment helemaal over het hoofd zien is het antwoord op de vraag óf meneer de Leur wel wil weglopen. Wat zit er achter zijn gedrag? Wacht hij op iemand? Verwacht hij zijn vrouw? Is hij benieuwd wie er binnen komt? Is hij misschien vroeger portier geweest?

Of wil meneer de Leur liever fietsen? Is een hometrainer misschien een alternatief dat hij zelf niet bedacht heeft. Wil hij gewoon buiten zitten, maar kan dat ook op het balkon?

Maar stel dat meneer de Leur tóch naar buiten gaat… Is dat zo’n ramp? Want waar gaat hij heen? Misschien wil hij gewoon op het bankje voor het huis gaan zitten. Of misschien wil hij even een blokje om lopen en komt hij zo meteen weer terug. Misschien heeft hij last van alle geluiden op de woning en wil hij gewoon even naar de vogeltjes luisteren.

Ernstig nadeel

Het is op dit moment dat de wetgever een cruciale keuze maakt. Het gaat niet 0m het risico dat je loopt, het gaat om ernstig nadeel. Pas als meneer De Leur ernstig nadeel zou ondervinden van zijn weglopen mag je de deur op slot houden.

Wanneer is er sprake van ernstig nadeel? Bijvoorbeeld als het buiten stevig vriest en je weet dat hij gedesoriënteerd kan raken. Hem dan zomaar naar buiten laten gaan zou een vorm van verwaarlozing zijn. Als je meeloopt en hij een stevige winterjas aan heeft is dat goede zorg. En misschien zelfs ook als je weet dat hij de weg kwijt kan raken, maar hij heeft een stevige winterjas aan en altijd heel wat gewend was (‘winterhard’). Want een meneer De Leur die zijn leven lang postbode was kan wel tegen een winters stootje.

Maar stel dat het mooi weer is en meneer De Leur wil naar buiten. Mag hij dan naar buiten? Ja, tenzij… En dan heb je weer dat kriterium van het ernstig nadeel. Want je moet dan opnieuw een afweging maken. Meneer De Leur kan gedesoriënteerd raken. Hij woont in een nieuwe omgeving en het inprenten van de nieuwe weg gaat (door zijn dementering) niet goed meer. Dan moet je opnieuw een afweging maken. Raakt meneer de Leur in paniek? Dat zou ernstig nadeel kunnen zijn. Raakt hij de weg kwijt, maar geniet hij wel van het wandelen en komt hij uiteindelijk toch wel weer (al dan niet met hulp) thuis, dan zou je de situatie kunnen beoordelen als ‘geen ernstig nadeel’.

Beslisboom

De nieuwe wet zorg en dwang kent een beslisboom waarbij je al deze stappen moet overwegen. Het nadeel waar ik zelf een beetje bang voor ben is dat de registratie teveel tijd gaat kosten waardoor we handen aan het bed kwijt zouden kunnen raken. Maar als de registratie binnen de perken blijft biedt het hanteren van het kriterium ‘ernstig nadeel’ mogelijkheden om creatief met dit soort situaties om te gaan…

Dementie: eerst de informatie, dan de vraag…

Als je mij vraagt wat ik gisteren gegeten heb weet ik dat vaak niet (meer).

En toen ik plat op bed lag had ik vaak geen enkel idee meer wat voor dag het was.

Als je mij vroeg wie er op bezoek was geweest moest ik in mijn geheugen graven.

Als dagen veel op elkaar gaan lijken vallen 0ok de verschillen weg.

En toch zijn we geneigd om aan oude mensen te vragen wat ze hebben gegeten, wat voor dag het is en wie er op bezoek is geweest.

“Niet doen!” zeggen Bob Verbraeck en Anneke van de Plaats. Je bent toch niet aan het overhoren? Laat staan dat je een examen afneemt!

Om een goede vraag te stellen moet je eigenlijk eerst wat informatie hebben. Omdat veel ouderen een beperkt auditief geheugen hebben (wat ze hebben gehoord) en een beter visueel geheugen hebben (beter onthouden wat je ziet) valt het sowieso te adviseren om dingen op te schrijven.

Als je na de begroeting en ontmoeting vraagt of je even in het schrift mag kijken vergemakkelijkt dat het gesprek. “Ik lees dat u boontjes hebt gegeten. Kunnen ze hier lekker koken?” Of: “Marieke is geweest, was het gezellig?”  “Vandaag is het woensdag. Gaat u vanavond nog beneden sjoelen?”

Zes Don’ts bij Dementie

1. Test niet. “Wat heb u gisteren gegeten?”
2. Verbeter niet. “Dat heb ik u net toch óók al gezegd?”
3. Overhoor niet. “Hoe heet die mevrouw die naast u zit?”
4. Spreek niet tegen. “Nee hoor, dat is uw moeder niet.”
5. Geef geen standjes. “Dat mag u niet doen!”
6. Confronteer niet. “Dat hebben we gisteren toch afgesproken?”

Uit: Bob Verbraeck en Anneke van der Plaats: De wondere wereld van dementie.

Lupine, dementie en ouderdomsvergeetachtigheid…

Vandaag hadden we beiden drie uur nodig om op de naam te komen van een paar nieuwe bloemen in de tuin. Die naam lag bij wijze van spreken op het puntje van onze tong. Maar we hadden allebei een opdiepprobleem.

We konden maar niet op de naam komen. Uiteindelijk wist ik het: lupine. Maar vanavond wist ik het alwéér niet. Gelukkig wist Tineke het nu nog wel. Anders blijven we aan de gang.

Moeten we ons daar als zestig-plussers zorgen over gaan maken? Nee, dat hoeft niet. We hebben het allebei op dit moment erg druk en dat betekent dat het hoofd vol zit. Daardoor ontstaat dan een opdiepprobleem. Hoe ouder je wordt, des te eerder wordt het punt bereikt dat het hoofd vol zit. Je moet dan bij wijze van spreken eigenlijk eerst weer iets vergeten voordat er weer iets nieuws bij kan…

Dementie

Wanneer is er sprake van dementie? Dat is o.a. het geval als je bepaalde grotere gebeurtenissen helemaal kwijt bent. Je weet bijvoorbeeld helemaal niet meer dat je vorige week een dag naar je dochter bent geweest. Het gaat dus niet om de (detail)vraag wie er op bezoek is geweest of om wat iemand heeft gegeten, maar om duidelijk gemarkeerde grote gebeurtenissen. 

Het gevolg van dementering is dat het hele leven ontregeld raakt. Dementering is namelijk ook een denkstoornis. Je trekt onjuiste conclusies (de postbode liep vannacht over het dak) en je bent helemaal kwijt hoe je alledaagse handelingen -zoals aankleden – moet doen (apraxie).

Maar het meest ingrijpende bij dementering is uiteindelijk de onmogelijkheid om nieuwe informatie op te slaan. Je hebt alleen nog maar een verleden omdat alles wat je nu hoort of ziet niet meer vast wordt gehouden.

Ouderdomsvergeetachtigheid

Dat alles is heel wat anders dan ouderdomsvergeetachtigheid. Dat hoort gewoon bij de leeftijd. Hoe ouder je wordt,  hoe minder het werkgeheugen wordt. Het dagelijks leven wordt er niet door verstoord, het gaat allemaal wel langzamer. Je bent vaker dingen kwijt, kunt moeilijker op woorden en op namen komen en het leren van complexe handelingen wordt lastiger.

Bij ouderdomsvergeetachtigheid vergeet je niet de hele gebeurtenis, maar wel meer details. Je weet dat je naar je dochter bent geweest, maar je weet niet meer dat je dochter jou een nieuw boek heeft laten zien. Maar nog opvallender is dat je vaak wel weet dát er iets was, maar je weet niet wát dat was. Daar kun je dus niet meer opkomen. Je hebt een opdiepprobleem.

Karakteristiek en concentratie

Er zijn nog twee thema’s ook van belang. De eerste is wat karakteristiek voor iemand was. Als iemand altijd al alles kwijt raakte heeft dat dus niet met achteruitgang te maken: het hoort gewoon bij de persoon.

Het tweede is de problemen met de concentratie. Iemand die moeite heeft met concentratie zal ook eerder dingen vergeten. Maar dat heb je dan eerder vaak ook al geconstateerd. Zo hoorde ik onlangs van iemand dat hij dement zou zijn, maar hij had al zijn hele leven last van concentratieproblemen als gevolg van een beeld dat op ADD leek. Doordat hij ouder werd vergat hij nu nóg meer. Maar dat was eerder een gevolg van de gebrekkige concentratie.

Wat onze lupines betreft: we wisten de naam bijna, we wisten zéker dat ze net in de grond stonden, we hadden alleen een opdiepprobleem. Dat heeft vooral met de leeftijd – al dan niet in combinatie met de drukte – te maken.

Dementie en verstandelijke beperking

Dinsdag kreeg ik maar liefst drie keer de vraag of ik wilde onderzoeken of er bij een cliënt sprake zou kunnen zijn van dementie.

Zo’n veertig jaar geleden (tijdens mijn opleiding) werd wel beweerd dat mensen met een verstandelijke beperking niet dement kunnen worden. Inmiddels weten we beter: dementie komt bij mensen met een verstandelijke beperking véél vaker voor dan in de gemiddelde samenleving.

In ieder geval was het vanwege die vragen de hoogste tijd om mijn kennis op het gebied van dementie bij te spijkeren. Dus treinde ik gisteren naar Utrecht.

De eerste dag moesten we leren om onderscheid te maken tussen Corticale problemen, Subcorticale problemen en Frontale neurologische problemen. Daar heb ik in mijn opleiding nauwelijks iets over geleerd en als ik het wel heb geleerd ben ik het compleet vergeten.  Dus moest ik alle zeilen bijzetten om het allemaal te onthouden. Dat heeft ook met leeftijd te maken…

Over een paar weken moet ik mijzelf weer verder laten bijspijkeren…