“Mogelijk beginnend dementieel beeld”

In een dossier las ik: "Bij mevrouw is mogelijk sprake van een beginnend dementieel beeld..."

Mevrouw is 85 jaar oud. Er vallen enkele zaken op in haar denken en in haar gedrag. Zo heeft ze moeite om op namen te komen. Ze weet af en toe niet meer welke dag het is. Vraag je aan haar wat ze gisteren heeft gedaan, dan kan ze dat niet meteen bedenken.

Ook heeft mevrouw meer tijd nodig om haar handelen te organiseren. Ze kan niet zomaar meer de deur uitlopen. Ze moet stap-voor-stap organiseren dat ze naar buiten gaat, waarbij alles gecontroleerd moet worden (‘heb ik mijn sleutels, heb ik mijn portemonnee?’). In plaats van meerdere dingen tegelijk doet ze nu de dingen achter elkaar (‘serieel’). 

Wat de stemming betreft zijn er weinig veranderingen. Mevrouw kan somber zijn, maar ook vroeger kende ze die perioden. De stemming is ’s morgens doorgaans wat slechter, de stemming verbetert in de loop van de dag.

De huisarts heeft bij mevrouw de MMSE afgenomen, met een aantal gestandaardiseerde vragen waarbij de antwoorden kunnen wijzen op beginnende dementie. Mevrouw wist de meeste vragen goed te beantwoorden.

En toch is mevrouw ongerust. “Ik ben dement…” zegt ze. Alleen al dat idee brengt haar onrust. Ze durft geen vragen meer te beantwoorden, want ze is bang dat ze het verkeerde antwoord zal geven.

Ik loop tegen de 70. Kijk ik naar het gedrag van mevrouw, dan vind ik dat soms behoorlijk herkenbaar. Omdat ik geen vaste baan meer heb moet ik soms echt even nadenken welke dag het is. Dat had ik ook toen ik 60 was en een paar maanden thuis was vanwege de gevolgen van ongeluk. Ik moet steeds weer bedenken hoe mensen heten… Als ik de deur uit ga moet ik goed checken of ik alles bij me heb. Mijn stemming is niet altijd zo vrolijk, daar zitten dalen in. Dat heb ik al jaren.

De gestandaardiseerde MMSE kan ik redelijk beantwoorden. Dat zegt niets meer, want als gevolg van mijn werk ken ik die vragen en ook de antwoorden. Maar hoe doe ik het op een meer uitgebreide test? Ook bij Henk 50 is mogelijk sprake van beginnende dementie…

Daarnaast is er in onze samenleving nog iets anders aan de hand. Alles verandert heel snel. Mevrouw groeide op in de tijd van het schoolbord, het krijtje, de gulden, de losse kaartjes voor trein en bus, gewoon naar het stadhuis gaan als je iets wilde weten en de telefoon met draaischijf. Geen wonder dat ze tegenwoordig soms de weg kwijt is. Dat valt allemaal niet meer bij te houden.

Een zin als ‘er is mogelijk sprake van een beginnend dementieel beeld’ zegt net zo weinig als een weerbericht op maandag dat zegt dat het mogelijk aan het eind van de week gaat regenen.

Bij mensen van rond de 85 jaar zijn altijd wel een aantal kenmerken aan te wijzen die ook kunnen wijzen op een dementieel beeld. Je zult met hardere gegevens moeten komen. Zo'n vage uitspraak maakt ouderen en familie  nodeloos ongerust.

Heeft Jacob dementie?

Gisteren moest ik voor twee cliënten een aantal vragen beantwoorden over mogelijke dementie. Beide cliënten zijn op leeftijd en hebben het downsyndroom. In de gewone samenleving heeft 1,4 % van de mensen van 65 jaar dementie, bij mensen met het downsyndroom is dat 54%.

Opmerkelijk is overigens dat bij een deel van de mensen met downsyndroom in de hersenen wél te zien is dat er sprake is van (in dit geval) Alzheimerdementie, maar dat je dat niet terug ziet in het denken en in het gedrag. Een intrigerende vraag is dan natuurlijk: hoe kan dat? Als neurologisch onderzoek laat zien dat er sprake is van vergevorderde dementie, waarom zie je dat dan bij de één wél terug in het gedrag en bij de ander niet? Kennelijk is er meer dan alleen neurologie. Dr. Swaab heeft niet altijd gelijk.

Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van dementie maak ik weinig gebruik van testen, omdat die veel te kunstmatig zijn. Iemand heeft slecht geslapen of heeft faal-angst en het antwoord gaat al helemaal in de verkeerde richting. Het is veel zinvoller om het dagelijks leven ‘te bekijken’.

Waar ik vooral benieuwd naar ben is hoe het gewone dagritme verloopt. Ook dat dagritme kan je op het verkeerde been zetten. Iemand die heel erg volgens aangeleerde patronen functioneert kan het op basis van die patronen lang volhouden zonder dat de omgeving iets in de gaten heeft.

Neem nu Jacob. Hij is 48 jaar en heeft Downsyndroom. Jacob is een man van de patronen. Alles heeft hij geregeld en georganiseerd. Zelden raakt hij op zijn kamer iets kwijt. Oppervlakkig gezien is er niets met hem aan de hand. Wél vergeet hij nogal eens waar hij mee bezig is. Je geeft hem een opdracht om de beker van de kamer op te halen en hij komt terug zonder beker. Jacob weet namelijk helemaal niet meer waarom hij naar de kamer moest.

Naar de keuken lopen en dan niet meer weten waarom je naar de keuken liep overkomt ons allemaal. Daar hoef je niet van te schrikken. Het wil niet zeggen dat er sprake is van dementie. Daarvoor is meer nodig.

Bij Jacob is sprake van een achteruitgang die sneller gaat dan je op basis van de veroudering zou verwachten. Als je van de ene ruimte naar de andere ruimte loopt is de kans dat je vergeet wat je moest doen aanzienlijk groter dan wanneer je in dezelfde ruimte verblijft. Met andere woorden: een deur vergroot de kans op vergeetachtigheid. Wie vergeetachtig is heeft gewoon een te groot huis en dus teveel deuren (…).

Bij Jacob zie je nog iets opmerkelijks. Er is sprake van ‘stokkende handelingen’. Ook midden in een handeling kan hij vergeten zijn waar hij mee bezig is. Hij wast een kopje af, blijft in zijn handeling steken tijdens het afwassen en weet eigenlijk niet meer waar hij mee bezig is. Dat is een meer verontrustend signaal. Komt dat vaker voor?

Bij een observatie in de thuissituatie was mevrouw de Jong bezig met de afwas. Het leek allemaal prima te gaan, al ging het langzaam. Maar mevrouw de Jong is dan ook al 85 jaar oud. Dan ben je niet meer de snelste. Maar als mevrouw de Jong klaar is met de afwas gaat ze niet afdrogen. Ze pakt de kopjes, borden en bestek uit het afdruiprek en gaat ze opnieuw afwassen. Je bent er dus niet met één stukje observatie, je moet langer kijken naar wat er gebeurt.

Voordat we verder gaan met onze conclusie moeten er echter nog een paar andere zaken worden uitgezocht. Het zou kunnen zijn dat er bij Jacob sprake is van een te lage schildklierwaarde. Een andere verklaring kan zijn: depressiviteit. Een derde mogelijke verklaring is een te hoge medicijnspiegel. Een vierde verklaring kan onvoldoende slaapkwaliteit zijn. Er kan ook sprake van een vitaminetekort (o.a. B 12).

Maar bij Jacob komt er nog een alarmerend verschijnsel bij: er is sprake van wegrakingen die lijken op een epileptisch insult. Of het echt epilepsie is weten we niet, dat moet verder onderzocht worden.

Dat zijn allemaal zaken waar ik geen antwoord op kan geven. Ik ben geen dokter. Voor Jacob (met een verstandelijke beperking) volgt een verwijzing naar de AVG-arts (Arts Verstandelijk Gehandicapten), die waarschijnlijk ook een neuroloog zal consulteren.

MMSE (2)

De MMSE (Minimal Mental State Examination) is een 'snelle vragenlijst' om een vermoeden van cognitieve stoornissen vast te stellen (met name: dementie).

Meneer van Veen is steeds spullen kwijt. Hij heeft geen idee waar hij ze gelaten heeft. Hij blijft maar zoeken. Sinds zijn vrouw is overleden kan hij veel dingen niet terugvinden. Is er bij meneer van Veen sprake van dementie?

Geen idee. Dat kun je zo helemaal niet vaststellen. Wat je in de eerste plaats moet weten is hoe het gedrag van meneer van Veen vroeger was. In de vragenlijst die ik in de gehandicaptenzorg bij voorkeur gebruik (de DSVH) moet je daarbij altijd een vergelijking maken met hoe het gedrag vroeger was. En dan maar hopen dat er iemand is die de cliënt al een hele tijd kent…

Nu is er in de gehandicaptenzorg officieel sprake van een voordeel vergeleken bij de ‘rest van de samenleving’. Er wordt een basismeting gedaan op de leeftijd van veertig of vijftig jaar. Als er later sprake is van een vermoeden van dementering kun je die basismeting er bij pakken. Gaan de sociale en cognitieve scores écht achteruit? Of is dat alleen maar een idee?

Gelukkig weet de zoon van meneer van Veen wel een antwoord. Hij vertelt dat zijn vader altijd erg verstrooid was. Als hij van de kamer naar de keuken liep en hij werd afgeleid door iets anders legde hij meteen op die plek maar de schroevendraaier neer die hij in zijn handen had. Daarna liep hij door naar de keuken en hij was de schroevendraaier kwijt. Volgens zijn zoon wist zijn moeder meestal de spullen terug te vinden. Maar moeder is overleden, dus nu is Pa écht alles kwijt.

In  het geval van meneer van Veen zou ik dus moeten scoren dat het gedrag (van alles kwijtraken) karakteristiek is. Het hoort bij hem. Hij is altijd al ‘een rommelkont’ geweest. Je kunt het kwijt zijn van spullen niet direct toeschrijven aan cognitieve achteruitgang.

Trijntje geeft in een reactie op dit weblog een voorbeeld dat wél een signaal is. Als je vader altijd een kei was in (hoofd)rekenen en dat lukt helemaal niet meer, dan moet je je zorgen maken. Het klopt helemaal niet met hoe hij vroeger functioneerde. Er is op dat gebied duidelijk sprake van cognitieve achteruitgang.

“Ik kan helemaal geen namen meer onthouden,” zegt mevrouw Huizinga. Ze kan tijdens haar verhaal maar niet op namen komen van mensen uit haar omgeving. “Maar dat had u altijd al” zegt haar dochter. “Toen ik jong was had u het ook steeds over “Toe nou, hoe heet die ook alweer?” 

Als bij mij de MMSE wordt afgenomen is het redelijk karakteristiek dat ik niet zomaar kan hoofdrekenen. Dat kostte me al grote moeite toen ik twaalf jaar oud was. Ik was geen ster in rekenen en helemaal niet goed in hoofdrekenen. Het woord ‘worst’ kan ik trouwens ook niet zomaar achterstevoren spellen. Ik moet het eerst zien.

En bij veel namen moet ik eerst even nadenken. En na tien minuten plopt de naam opeens tevoorschijn. Dat had ik ook al toen ik veertig jaar oud was. Ik had een cursusjaar nodig om de namen van de cursisten te onthouden. Dat heet een opdiepprobleem.

Een test van de cognitieve vermogens van ouderen moet bij het vermoeden van beginnende dementie altijd gepaard gaan met een vergelijking met hoe het vroeger was. Anders sla je als onderzoeker gemakkelijk de plank mis.

MMSE

De MMSE (Minimal Mental State Examination) is een 'snelle vragenlijst' om een vermoeden van cognitieve stoornissen vast te stellen (met name: dementie). Ik vrees dat ik ook een aantal vragen niet zou kunnen beantwoorden...
  • Na een drukke reis in de spits naar een Haags Ziekenhuis kom ik maar net op tijd binnen. Ik moet nog een patiëntenkaart laten maken. Een paar minuten later loop ik binnen bij de onderzoeker (m/v). Ze vraagt mij o.a. het volgende:
  • Wat is de datum van vandaag? Eerlijk gezegd kijk ik voor de datum vaak even op mijn computer… ik wist het niet… Maar die computer heb ik niet in het ziekenhuis…
  • Wat is de naam van deze afdeling? Sorry, daar heb ik niet op gelet.
  • Op welke verdieping zijn we nu? Ik denk de derde, maar het kan ook de vierde zijn. Mag ik misschien even naar buiten kijken? Nee, dat mag niet…
  • Wilt u van de 100 zeven aftrekken en van wat overblijft weer zeven aftrekken en zo doorgaan tot ik stop zeg? Wilt u de vraag nog even herhalen, zou mijn antwoord zijn (u praat te snel en mijn gehoor is niet zo goed).
  • Wilt u het woord ‘worst’ achterstevoren spellen? Sorry, ik vind dat ingewikkeld uit mijn hoofd, mag ik het ook opschrijven? Nee, dat mag niet…
  • Wilt u dit papiertje pakken en het opvouwen en het op uw schoot leggen? Sorry, onderzoeker, het is hier geen kleuterschool, daar begin ik niet aan…

Grote kans dat er bij de onderzoeker het beeld bestaat dat meneer Henk 50 lijdt aan een (nog niet nader te omschrijven) cognitieve stoornis. Ik word voor een herhaal-onderzoek opgeroepen.

Buiten loop ik naar de bushalte. Ik stap in de goede bus, maak de juiste overstap, check goed in in de trein en check weer goed uit, loop vanaf het station naar huis en weet precies dat ik mijn sleutels vandaag in mijn linkerzak heb gedaan (normaal is rechts). Dus dan valt de schade nog weer mee...

Heeft mevrouw van Meeken ‘Alzheimer’?

Het ging niet goed met mevrouw van Meeken. Er werd gezegd dat ze Alzheimer had. Ik ben haar behandelaar niet, maar het leek te toch sterk. Zo eigenwijs ben ik dan ook wel weer.

Het viel op dat mevrouw van Meeken een sterk wisselend beeld in haar gedrag en bewustzijn liet zien. En ook dat ze recente informatie goed op kon slaan. Daarnaast had ze heel goed door dat het niet goed met haar ging. Dan zei ze bijvoorbeeld: “Ik kan er allemaal niks meer van.”

Dat zijn signalen die niet direct wijzen naar het syndroom van Alzheimer. Bij dat syndroom wordt de ziekte meestal sterk ontkent door de betrokkene. Er is met hem of haar helemaal niets aan de hand. De ziekte wordt eerder gecamoufleerd dan dat de persoon erkent dat het helemaal niet goed met hem gaat.

Mevrouw van Meeken durfde niet meer met de auto te rijden omdat ze bang was dat ze het overzicht zou missen. Ze heeft dus ziekteinzicht. Mensen met Alzheimer hebben de neiging om zomaar in de auto te stappen en weg te rijden, al weten ze dan niet eens waar naar toe.

Ook het opslaan van recente informatie past niet bij Alzheimer. Mensen met Alzheimer gaan steeds meer in het verleden leven. De huidige koningin is Juliana, geen twijfel mogelijk. En in de winkel wordt afgerekend met guldens.

Daarnaast is het beeld bij het Syndroom van Alzheimer ‘massiever’, iemand raakt helemaal de weg in het leven kwijt. Bij mevrouw van Meeken was sprake van een wisselend beeld. Soms kan je een goed gesprek met haar voeren, dan neemt ze ook tal van actuele gebeurtenissen mee in het gesprek.

Inmiddels is er een andere diagnose gesteld voor mevrouw van Meeken. Er is bij haar sprake van vasculaire dementie. Ook een zeer heftig ziekteproces, maar het verloopt vooral in de eerste jaren toch duidelijk anders dan bij het Syndroom van Alzheimer.

Andere kenmerken die meer passen bij vasculaire dementie dan bij Alzheimer zijn o.a.:

  • plotseling begin (er heeft een herseninfarct plaatsgevonden)
  • sprongsgewijze achteruitgang (na een volgend infarct)
  • wisselende ernst van de symptomen (helder en weer minder helder, bijvoorbeeld)
  • nachtelijke onrust en slaapproblemen
  • herkennen van bekende personen, wel traagheid in het contact
  • relatief goed bewaarde persoonlijkheid, mevrouw van Meeken blijft typisch mevrouw van Meeken
  • gedrukte stemming (‘ik ga achteruit, ik kan niks meer’).
  • emotionele labiliteit (emoties komen heftig binnen en worden duidelijk geuit).
Er zijn inmiddels tientallen vormen van dementie bekend. Ze kunnen elkaar ook overlappen. De prognose is bij alle vormen op termijn slecht, maar toch is het goed om de verschillende vormen naast en van elkaar te onderscheiden.

 

 

Niet doen bij dementie…

1. Test niet. “Wat heb u gisteren gegeten?”
2. Verbeter niet. “Dat heb ik u net toch óók al gezegd?”
3. Overhoor niet. “Hoe heet die mevrouw die naast u zit?”
4. Spreek niet tegen. “Nee hoor, dat is uw moeder niet.”
5. Geef geen standjes. “Dat mag u niet doen!”
6. Confronteer niet. “Dat hebben we gisteren toch afgesproken?”

Uit: Bob Verbraeck en Anneke van der Plaats: De wondere wereld van dementie.

Het dementieel syndroom

Anneke van der Plaats en Gerke de Boer schreven een boek over de bejegening van mensen met dementie. Ze zetten ook een aantal kenmerken van dementie op een rijtje. Zoals onderstaande kenmerken:

Kenmerken van het dementieel syndroom

  1. Het is een inprentingsstoornis: je neemt een foto, maar er zit geen filmpje in het toestel (voor de jongeren onder ons: vroeger zat er een filmpje in een fototoestel).
  2. Het is een geheugenstoornis waarbij de laatste informatie als eerste wegvalt (opmerking van mij: dit oprollende geheugen is kenmerkend voor Alzheimer, maar niet voor alle vormen van dementie!).
Bijvoorbeeld:- als mevrouw 80 is vraagt ze: 'hebt u mijn man gezien?'(hij is twee jaar geleden overleden) - als mevrouw 82 is zegt ze: 'ik moet naar huis, want de kinderen zitten alleen thuis' - als mevrouw 84 is roept ze: 'ik moet naar Moeke toe!'

3. Er is sprake van desoriëntatie in de tijd (vooral: wat moet wanneer gebeuren? Soms nog wel beseffen dat het nacht is, maar zich toch gaan aankleden)

4) er is sprake van desoriëntatie in de plaats (in de laatste fasen van dementering thuis roepen dat je naar huis wilt omdat je je eigen huis niet meer herkent).

5) er is sprake van desoriëntatie in de persoon: ‘naam en persoon laten elkaar los’. Dit is voor de familie misschien wel het meest confronterend. ‘Herkende ze me nog maar één keer als haar zoon!’ Begrijpelijk, want dan heb je voor je gevoel je moeder nog even terug.

6) er is sprake van verlies aan intelligentie. Intelligentie is een nieuwe oplossing in een nieuwe situatie verzinnen. Het wordt steeds ingewikkelder om met nieuwe situaties en voorwerpen om te gaan.

7) er kan sprake zijn van een kritiekstoornis: ontremd, onaangepast gedrag, alles maar zeggen, vloeken, winden laten, seksueel getint gedrag. Mensen die een beetje Freudiaans denken, denken dat dan de ware aard boven komt, maar dat is het niet. De ware aard is juist verdwenen, wat overblijft is een rotziekte, aldus Gerke de Boer.

8). Mensen kunnen gaan confabuleren, fabeltjes vertellen. De gaten in het geheugen worden opgevuld. Opa vertelt dat hij ’s morgens vroeg is opgestaan, omdat het brood bij de bakker dan het lekkerste is.

9). mensen kunnen gaan persevereren: de hele dag dezelfde vraag stellen, dezelfde opmerking maken.

10). Er kan sprake zijn van afasie: woord en beeld laten elkaar los. Je ziet iets en je kunt niet meer bedenken hoe het heet, of je noemt een woord en je weet niet wat dat woord in de praktijk betekent.

11). Er is vaak sprake van apraxie: niet meer weten welke handeling bij welk voorwerp behoort. Bijvoorbeeld het brood smeren met de schaar of in de hoek van de kamer plassen omdat je niet meer weet waar je zou moeten plassen.

12) Er is vaak sprake van angsten, die uiteindelijk psychotische kenmerken aan kunnen nemen: de angsthuishouding faalt.

Er zijn meer kenmerken, ze variëren ook per persoon en per vorm van dementering, maar deze twaalf punten zetten een aantal problemen die voor kunnen komen bij het dementieel syndroom op een rijtje.

Stress en dementie

Hoe ga je om met tegenslag? In het blad Neurology wordt een onderzoek vermeld waaruit zou blijken dat licht ontvlambare mensen een grotere kans hebben op het ontwikkelen van dementie...

Ontplof je als iets niet gaat zoals je in je hoofd hebt? Word je direct boos als iemand iets zegt wat jou niet bevalt? Vooral boven de 50 jaar zou dat de kans op dementie vergroten. Dus hou je maar een beetje in! Of is dat ook niet goed?

Het onderzoek laat zien dat het leuk is om zo’n stelling te bedenken. En hij trekt ook de aandacht. Maar hoe zou het werkelijk zitten? Als je beter kijkt is het verband bijzonder complex…

Als stress dementie kan veroorzaken kun je ook zeggen dat een nieuwe telefoon de aanzet kan zijn voor een dementieel proces (zie het blog van gisteren).

Wat we weten is dat een hoge concentratie van het stresshormoon cortisol slecht is voor je gezondheid. Het vergroot de kans op depressies, op diabetes en op hartklachten. Maar het maakt ook dat je geheugen minder goed presteert.

Kijk maar eens wat er gebeurt als je gestrest bent. Je onthoudt namen minder goed en je kunt ook je pincode niet meer bedenken.

Maar een aantal gezondheidsproblemen worden ook vermeld als gevolg van slechte mondzorg bij ouderen. Wie een slecht gebit heeft, heeft een grotere kans op diabetes, op hartklachten en op problemen met de longen. Ook wordt er een verband met dementie gesuggereerd…

Daarnaast is er nog iets anders. Het snel ontploffen is vaak een gevolg van ‘ontremming’. Dat vermogen zit in de voorste delen van de hersenen. Er zijn mensen die snel ontregeld raken en dan meteen ook ontploffen. Maar als we ouder worden wordt die rem vaak nog slechter. Niks geen rustige oude dag. Het is één van de kenmerken van frontale dementie. Maar wat is nu de oorzaak en wat is het gevolg?

Volgens mij weten we het allemaal nog helemaal niet en ieder vakgebied zoekt zijn verklaring bij het dementiële proces.

Maar laat buiten kijf staan: stress is slecht voor je gezondheid. Het tast je fysieke en psychische conditie aan. Het is daardoor verklaarbaar dat het ook gevolgen heeft bij het ouder worden, en dus ook bij de cognitieve en sociale problemen die kenmerkend zijn voor het dementiële syndroom. Dus een beetje meer relaxed leven kan geen kwaad.

Risicofactoren dementie

Ik heb weer een cursus gevolgd over de ouderenzorg. Veel geleerd en hopelijk ook opgeslagen in mijn geheugen. Dat moet je overigens maar afwachten op mijn leeftijd...

Helpt bewegen?

Op het ogenblik is bewegen een hype. Je zou bijna de indruk krijgen dat als je maar genoeg beweegt, dat je dan niet dement wordt.

In dat kader heb ik ooit de stelling gelanceerd dat mensen met ADHD minder snel dement worden. Want ze hebben vaak moeite met stil zitten. Ze zijn dus veel in beweging. En dat zou helpen tegen dementie…

Wat zijn risicofactoren?

Welke mensen lopen, zoals we er nu naar kijken, meer risico op het ontwikkelen van wat we tegenwoordig noemen ‘een dementieel syndroom’?

  1. Mensen die weinig actief zijn. Daar zit van alles is. Zoals het bewegen, maar ook het bezig zijn, dat kan dus ook actief zijn met je hoofd of in sociale contacten.
  2. Een chronisch te hoge bloeddruk
  3. Een ooit opgelopen hersenletsel (val op het hoofd, epilepsie, maar ook berucht is de dementie die relatief vaak al op jonge leeftijd begint bij boksers)
  4. Niveau, opleiding: mensen die weinig onderwijs genoten hebben lopen een groter risico op het ontwikkelen van een dementieel syndroom
  5. Veroudering: de één is vroeger fysiek, neurologisch en mentaal oud dan de ander
  6. Mensen die afhankelijk zijn van anderen worden vaker dement (dat heeft ook met het eerste punt te maken: als je veel minder kunt ben je vaak minder actief, omdat je meer afhankelijk bent van zorg door anderen)
  7. Tandverlies

Mondzorg, opleiding en risicofactoren

Tsja, over dat laatste aspect kun je ook weer gaan ‘bomen’. Want wat maakt dat iemand al op 40 jarige leeftijd zijn eigen tanden en kiezen kwijt is? Bekend is dat dat ook weer verband houdt met niveau en opleiding. Maar ook eten mensen met minder opleiding vaak minder gezond, meer zout en meer zoet. Dat is weer niet goed voor je gebit, maar het leidt ook tot bijvoorbeeld hogere bloeddruk en een grotere kans op hartfalen. Maar ook wordt er door mensen die weinig opleiding hebben genoten aanzienlijk meer gerookt. Er lijkt dus sprake van een vicieuze cirkel…

Tandverlies en geheugen

Slechte mondzorg leidt bij kwetsbare ouderen tot een snelle achteruitgang van de gezondheid.  Daar heb ik al eerder over geschreven. Maar nieuw voor mij was dat er een verband lijkt tussen tandverlies en geheugenfuncties…

Nu begrijp ik het opeens. Vorig jaar werd er bij mij een kies getrokken. Sinds die tijd heb ik meer moeite met het onthouden van namen... Het ligt dus allemaal aan die getrokken kies...

 

Alzheimer en vasculaire dementie (2)

Zo langzamerhand is duidelijk dat - net als bij bijvoorbeeld autisme - dementie een koepelbegrip is voor een breed spectrum aan stoornissen. Er is sprake van verschillende beelden die soms in elkaar overlopen en ook een verschillend verloop kennen.

Wel kenmerkt dementie zich altijd door een geleidelijke achteruitgang in het functioneren. Als iemand na drie jaar de opnieuw de diagnose krijgt dat er mogelijk sprake is van een dementiëel beeld zet dat de diagnose op losse schroeven.

Vasculaire dementie is (na de ziekte van Alzheimer) qua frequentie het tweede dementiële beeld (alhoewel er ook onderzoekers zijn die menen dat Lewy Body dementie vaker voorkomt).

In het vorige blog noemde ik een aantal kenmerken van de ziekte van Alzheimer. Daar zet ik nu een aantal kenmerken van vasculaire dementie tegenover.

Vasculaire dementie

  1. Motoriek: Onzeker looppatroon, schuifelen

2. Cognitief tempo: Vertraagd, daardoor lager tempo, moeite met het maken van denkstappen.

3. Ziekte-inzicht: Besef van achteruitgang, mede daardoor vaak ook een somberder stemming

4. Geheugen (korte termijn): Als het tempo is aangepast wordt informatie wel opgeslagen, maar moeite om die informatie naar boven te halen

5. Geheugen (lange termijn): Informatie blijft beschikbara, wel opdiepproblemen

6. Spraak: Onzeker, woordvindproblemen

7. Taalbegrip: Moeite met snelle sprekers, met complexe informatie. Eén ding tegelijk!

8. Schrijven: Schrijven gaat moeizamer, maar geen taalfouten

9. Rekenen:  Traag, meer stappen tegelijk lukt niet

10. Tekenen: Intact, mits niet te complex

11.  Praktisch handelen: Vertraagd, één ding tegelijk

12, Stemming: neiging tot meer bedrukte stemming, apathisch