Ouderenvriendelijke samenleving: goed voor ons allemaal

Volgens mevrouw Jolien Janssen wordt een cognitieve stoornis bij ouderen te vaak gemist. De huisarts denkt dat meneer Pieterse nog goed functioneert, maar hij is inmiddels al flink in de bonen.

Huisartsen hanteren een richtlijn om vast te stellen of er bij iemand mogelijk sprake is van dementie.  Daarbij wordt de zogenaamde MMSE-test gebruikt of je moet een klok tekenen.

Dus als de dokter jou vraagt om een een klok te tekenen weet je al hoe laat het is...
Voorbeeld van kloktekeningen (uit de Volkskrant)

Maar – aldus Jolien Janssen – er zijn tal van andere klachten bij ouderen die niet gemeten worden. Zo kunnen veel hoogopgeleiden prima hun disfunctioneren verdoezelen. Ze wil daarom dat er beter gescreend wordt.

Daar zijn ook wel redenen voor. Het blijkt bijvoorbeeld dat ouderen met cognitieve problemen moeite hebben met het consequent innemen van hun medicatie. En daardoor vallen ze vaker.

Dat is wat kort door de bocht. Maar volgens Jolien Janssen gaat het als volgt: je hebt diabetes, je moet pillen tot je nemen, je bent daar slordig in omdat je het overzicht mist, daardoor ontstaat er een acuut suikertekort en het gevolg is dat je vaker valt. Daarna kom je in het ziekenhuis terecht en bij ouderen weten we dat ze daar vaak slechter uitkomen dan dat ze er in gingen. Veel ouderen ontwikkeling als gevolg van al die ontregelingen ook nog een een depressie.

Wat Janssen wil is dat er beter gemeten wordt, zodat ook bijvoorbeeld de begeleiding rond de inname van medicatie beter gestuurd wordt.

Toen ik een week in een Duits ziekenhuis lag kreeg ik voor de hele week in één keer al mijn pillen. Geen idee wat het voor pillen waren en wanneer ik ze in moest nemen. Ik heb ze maar netjes verdeeld in de hoop dat dat de bedoeling was. In het ziekenhuis in Nederland kreeg ik iedere dag de verkeerde pillen. Ook na een week ging het nog steeds mis. Dat lag aan de computer, zo begreep ik. Ik slik gewoon wat er op de rol zit, maar als Tineke er niet op had gelet had ik misschien wel een delier opgelopen.

Maar wat ik me toch afvraag is of een op zichzelf normale ontwikkeling nu niet als pathologisch wordt gezien. Naarmate je ouder wordt heb je gewoon minder overzicht. Je kunt bijvoorbeeld niet meer meerdere dingen tegelijk. Dat hoort gewoon bij het werkgeheugen van een 70-plusser. Daar heb je geen nieuw meetinstrument voor nodig.

Wat we nodig hebben in de samenleving is een meer ouderenvriendelijk beleid. En dus ook ouderenvriendelijke zorg. Dat houdt o.a. in dat je er standaard rekening mee houdt dat de instructies helder moeten zijn en gevisualiseerd moeten worden.

Daar hebben niet alleen ouderen wat aan, maar ook heel veel anderen, zoals met name de groep mensen met een lichte verstandelijke beperking of mensen die niet in Nederland zijn opgegroeid en die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen.

Dementie (2)

Het lijkt alweer lang geleden, maar gisteren gaf ik een cursus over dementie en mondzorg. Eén van de thema's was: hoe zit het met de emoties van mensen die dementeren?

In het verleden hoorde ik nog wel eens de opmerking dat een heftige behandeling niet traumatisch zou zijn voor dementerenden, ‘want ze vergeten het tóch weer’. Daar ben ik het niet mee eens.

Wat mensen met dementie wél vergeten is de feitelijke herinnering, wat ze niet vergeten is de emotionele herinnering. Ze kunnen dus niet meer actief de herinnering oproepen (‘ik ben bang, want de tandarts heeft me de vorige keer pijn gedaan’). Wat nog wél boven komt is de emotie die er bij hoort. Niet vooraf, maar op het moment dat ze bijvoorbeeld de geur van de behandelkamer opnieuw ruiken.

Geriater Anneke van der Plaats heeft dat in verschillende van haar publicaties goed uitgelegd. Ze schrijft over een ‘bovenbrein’ en een ‘benedenbrein’. Het bovenbrein, het denken over, het organiseren van het denken doet zijn werk niet meer goed. Maar het benedenbrein, de zetel van de emoties, werkt nog wel. De emoties zijn wel degelijk aanwezig, maar ze overkomen de persoon vooral. Vergelijk het functioneren wat dat betreft met een baby die nog niet kan bedenken dat hij bang, blij, boos of verdrietig is.

Over dit gegeven schreef ouderenpsycholoog Ad Bergsma gisteren in de Volkskrant een artikel, waar ik een paar alinea’s uit weer geef:

Als psycholoog werk ik met mensen met dementie. Als ik bij hen een geheugentest afneem, begin ik met de vraag wat de datum is vandaag. Zelf weet ik vaak het antwoord niet. Vroeger deed ik zulke haperingen af als verstrooidheid, maar tegenwoordig vrees ik dat het steeds erger begint te worden. Klopt vriend Alzheimer op mijn deur? Ben ik aan het aftakelen tot een vreemde van mezelf?

Deze vragen hangen niet alleen samen met de ernst van de aandoening, maar ook met een denkfout die voortkomt uit wetenschap en logica. We willen precies weten wat iets is en laten artsen diagnosticeren of we al dan niet dement zijn. Zodra het woord alzheimer is gevallen, zien we de mist van vergetelheid opdoemen.

Het logische denken geeft de diagnose dementie betekenis door onwillekeurig vast te stellen wat dementie allemaal niet is, namelijk gezond en succesvol ouder worden. Laten we ook de meer emotioneel beladen ‘nieten’ invullen. Dementie is niet meer wilsbekwaam, niet meer toerekeningsvatbaar, niet meer volwaardig menselijk. Dementie dat we aan de hand van het geheugenverlies definieerden als ‘beroofd van het verleden’, blijkt door de logica van de dualiteit per ongeluk vertaald in ‘zonder toekomst’. “

Waar zowel Ad Bergsma als ik naar toe willen is dat je wel degelijk in het heden momenten kunt hebben van 'genieten'. Ik noem dat 'het samen onder een afdakje zitten'. De regen stopt niet, maar je zit samen even beschut en je kunt op dat moment toch even iets ervaren van dat het leven ook in de ouderdom nog goede momenten kent. Hoe je dat doet, dat is weer een vak apart... 

Is het dementie?

Soms word je er opeens bij bepaald. Ik was helemaal vergeten dat ik een cursus moest geven over 'dementie'. Gelukkig werd ik er op tijd aan herinnerd en kon ik de bijbehorende spullen nog verzamelen. 

Voor alle duidelijkheid: dementie is een zeer ernstig ziektebeeld. Vaak lijdt de persoon zelf ernstig aan het dementiële beeld (vooral in de eerste fasen van dementie). Maar ook voor de naasten betekent dementie veel groot leed. Soms zelfs nog sterker dan voor de persoon in kwestie.

Toch heb ik in de loop van mijn werkzame leven ook een aantal keren meegemaakt dat de diagnose dementie was gesteld, maar dat de verschijnselen veroorzaakt werden door andere factoren. Er was sprake van schijndementie.

Op de check-list die ik nog altijd hanteer staan tal van zogenaamde ‘differentiaal-diagnoses’. Dat zijn zaken die je éérst moet uitzoeken, voordat je van een redelijk vermoeden van dementie kunt spreken.

De bekendste misvatting is het niet maken van onderscheid tussen depressie en dementie. Depressie kan tot een beeld leiden dat lijkt op dementie. Toch zijn er ook duidelijke verschillen, maar die zie je pas als je het door hebt. Oftewel, als je er een lijst bij hebt die je alert maakt op die verschillen.

Beginnende dementie en depressie kunnen ook samengaan. Dan helpen anti-depressiva wel om de stemming enigszins te verbeteren, maar het cognitieve functioneren verandert maar weinig. 

De tweede belangrijke factor is het functioneren van de schildklier. Als de schildklierwaarden te laag zijn leidt dat tot verschijnselen die sterk lijken op dementie.

Deze gang van zaken heb ik meerdere malen gezien bij mensen met down-syndroom. Zelfs bij een waarde aan de ondergrens (maar officieel niet té laag) kunnen mensen met down-syndroom een dementieel beeld vertonen. 

De derde oorzaak is een chronisch slaaptekort. Mensen kunnen lang in bed liggen en toch onvoldoende slaapkwaliteit hebben. Dan rusten ze niet goed uit. Hoe ouder je wordt, des te belangrijker wordt een goede nachtrust voor het ‘organiseren’ van je hoofd.

Mevrouw de Block moet op woensdag naar de tandarts. Ze vindt het spannend, omdat ze niet weet of de taxi wel op tijd komt. Daardoor slaapt ze slecht. Het effect is dat ze de volgende dag haar leven nauwelijks kan organiseren, ghaar medicatie vergeet in te nemen en de deur bij vertrek open laat staan. Zou ze goed hebben geslapen, dan had ze deze dag beter kunnen organiseren.

Een vierde reden is het medicijngebruik. Bij sommige medicijnen moet dit bij het ouder worden naar beneden worden bijgesteld.

Mevrouw de Groot gebruikte al jarenlang een antipsychoticum. Het afgelopen jaar raakte ze steeds meer verward. De inschatting werd gemaakt dat ze in de tweede fase van dementie verkeerde. Nadat de dosering antipsychotica was verminderd verdween ook de verwardheid. 

Een belangrijk onderwerp zijn de zintuigen, vooral het gehoor, maar ook het (niet goed) kunnen zien. Naarmate mensen ouder worden heeft de achteruitgang van de zintuigen ook een groter effect op het dagelijks functioneren. Zo kunnen mensen zich gaan terugtrekken uit de groep of passief worden. De gedragingen kunnen lijken op bepaalde vormen van dementie.

Tenslotte noem ik een tekort aan ijzer, en aan bepaalde vitaminen, vooral aan vitamine B 12. Mensen die (te) weinig buiten komen of die niet gezond eten lopen daarbij extra risico.

Los van het voorgaande: het hoort bij het ouder worden dat functies minder worden. Vanaf je 27e treedt de achteruitgang in de hersenen in. Ik ga al veel langer achteruit dan dat ik vooruit ben gegaan. Geen wonder dat mensen soms gaan twijfelen aan mijn functioneren... Maar dat hoeft daarom nog geen dementie te zijn. 

Functioneren van de hersenen en interventies bij dementie (slot)

De basis van de hersenen is de hersenstam. Je zou kunnen denken: dat stelt allemaal niet veel meer voor. Nee, je moet het omdraaien: als de hersenstam niet functioneert valt er niet meer te leven.

In de hersenstam zitten veel functies die het leven mogelijk maken, zoals de temperatuurregulatie. Als er een verstoring optreedt kun je zomaar heel hoge koorts of ondertemperatuur krijgen. Hier zetelt ook het dag/nachtritme. Als de hersenstam ontregeld is wordt dat hele ritme ontregeld waardoor je ook geen goede slaap meer krijgt. Ook wordt van hier uit het kauwen en slikken gestuurd. Bij premature baby’s waarbij de hersenstam nog niet ‘af’ is lukt ook het drinken en slikken niet. Nog belangrijker zijn de ademhaling en de hartslag: die worden geregeld vanuit/via de hersenstam. Je kunt dus niet leven zonder een goed functionerende hersenstam.

Het spreekt vanzelf dat mensen bij wie de hogere lagen van de hersenen verstoord zijn geraakt aangewezen zijn op heel primaire begeleiding.

Eén van die vormen is de zogenaamde primaire activering. In de gehandicaptenzorg is een al tientallen jaren bestaande vorm van primaire activering het snoezelen. In later jaren is het snoezelen ook ingezet als een vorm waarbij je ouderen ‘actieve rust’ kunt bieden. Er moet niets, maar er kan via specifieke ingangen van de zintuigen wel van alles worden ervaren. Je ziet vaak dat in zo’n omgeving iemand juist alerter wordt omdat het aanbod van prikkels goed is afgestemd op wat iemand aan kan.

Een andere vorm zijn de Passiviteiten Dagelijks Leven, ook wel de Comfortzorg genoemd. Hierbij gaat het om de manier waarop iemand bijvoorbeeld gewassen en op bed wordt gelegd. Veel ouderen, maar ook mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking, vertonen weerstand bij de dagelijkse verzorging. En omdat dat iedere dag weer een belasting vormt ontstaat er ook weerstand bij de begeleiding: de zorg wordt zwaar: het moet en toch heb je het gevoel dat je iemand ‘straft’. De PDL – begeleiding laat zien dat het ook anders kan. Daarbij kun je ook denken aan kleding die weinig gedoe en gesjor geeft.

In deze fase zijn uiteraard omgevingscondities van groot belang. Hoe voelt de kleding aan, wat is de temperatuur van de kamer, hoe licht is het in de woonkamer, welke geluiden passen goed bij de oudere in de laatste fase van dementie? Deze zorg is vaak onderdeel van de palliatieve zorg. Dat is weer een vak apart.

Fuctioneren van de hersenen en interventies bij dementie (3)

Zoals jullie ooit met biologie geleerd hebben, maar inmiddels waarschijnlijk weer totaal vergeten zijn bestaan de middenhersenen uit de vierheuvelplaat en (het dak) en het tegmentum (het vloerkleed).

Als het dak lekt wordt het vloerkleed nat en dan heb je een probleem, om het maar eens plastisch uit te leggen.

Het gaat dus over de middenhersenen, die zich boven de hersenstam bevinden. En hoe lager je komt in de hersendelen, des te meer gaat het over primaire reacties. In deze laag van de hersenen gaat het over

  • de regulatie van de zintuiglijke en motorische functies (hoe orden je je reacties op wat je ziet, hoort of voelt, bijvoorbeeld je hand terugtrekken als je een heet voorwerp aanraakt)
  • visuele en auditieve reflexen (bijvoorbeeld je ogen dicht als reactie op een flitslicht).
  • het gehoor (o.a. het sorteren van geluiden).

Op dit moment/ in deze fase wordt de sensorische integratie erg belangrijk. Zoals we o.a. weten bij mensen met een ernstige verstandelijke beperking maakt de combinatie van zien en horen het hoofd snel vol. In de aanpak bij de bijzondere tandheelkunde betekent dit dat je in de communicatie gaat splitsen: eerst laat je de tandenborstel zien, en pas daarna zeg je ‘poetsen’. Tegelijk aanbieden is teveel.

Een misverstand in de ouderenzorg is dat de omgeving zo gezellig mogelijk moet zijn en dat wordt dan vertaald is tal van vormen van Jordaan-renaissance. Overal staan prullaria, want dat is gezellig. Nee, dat is veel te veel. Anneke van der Plaats vertelt in een interview in het Nederlands Dagblad (4 december 2019) dat de belevingshoeken die ze voor heeft gesteld voor de ouderenzorg veel te vol zijn komen te staan omdat iedereen maar meent dat vol gezelliger is.

In het cursusmateriaal heb ik een foto opgenomen van een wastafel met tal van spullen er om heen. Mevrouw de Vries poetst haar tanden niet meer omdat ze de tandenborstel niet meer kan vinden. Er staan teveel spullen.

Haptonomie is een manier van benaderen waarbij je vanuit de omgeving bewust inzet op welzijn en veiligheid in het tactiele contact, zoals de manier waarop je iemand aanraakt. Het betekent in deze fase ook dat het tempo van de benadering en de aanraking omlaag gaat.

Klassiek conditioneren. Wat doet die manier van benaderen hier nu? Dit gaat toch om een leerproces? Dat vermogen is dan toch afwezig? Nee, dat is niet helemaal zo. In het geheugen zitten nog allerlei ‘prullaria’ die negatieve associaties oproepen. Een witte jas roept herkenning op, maar kan ook leiden tot grote angst. Je moet dan dus een afweging maken.

Mevrouw de Jong werd bij herhaling misselijk door medicatie. Die medicatie kreeg ze voor de maaltijd. Het gevolg was dat ze niet meer wilde eten. In overleg met de arts wordt de medicatie op een ander moment van de dag in een andere ruimte gegeven, waardoor mevrouw de Jong niet meer de koppeling maakt: pillen-misselijk- niet eten.

De volgende keer dalen we nog één stap verder af in het brein. Dan zitten we echt aan de basis: de meest primaire reacties. Kun je je daar nog als begeleider op instellen?

Fuctioneren van de hersenen en interventies bij dementie (2)

We dalen af naar een lager systeem in de hersenen. Maar dat wil niet zeggen dat het een minder belangrijk deel is van de hersen. Het limbische systeem.

Er is discussie over de vraag of dit deel van de hersenen bij de grote hersenen hoort, maar daar ga ik mijn hersenen niet over breken: die hebben het al druk genoeg met andere dingen.

Het limbisch systeem is betrokken bij emotie, motivatie, genot, seksualiteit en het emotioneel geheugen. Veel van onze herinneringen hebben een emotionele kleur. En emoties helpen op hun beurt weer bij het ophalen van herinneringen.

De basisschool van vroeger roept bij de meeste mensen geen cognitieve herinnering op ('aap, noot, mies'), maar een emotionele herinnering (de sfeer van de school).

Eén van de onderdelen van het limbische systeem is de amygdala. Professor Simon Baron Cohen meent dat mensen met autisme meer moeite hebben met het lezen van emoties bij anderen doordat hun amygdala minder alert reageert.

Als de bovenste hersenlaag (de cognitie) minder actief is komen de emoties meer aan de oppervlakte. Dat is wel logisch als je het model van de lagen in de hersenen ‘in je achterhoofd’ hebt.

Bij een benadering die past bij het functioneren van het limbische systeem past het inzoomen op de emoties van de persoon. Je doet als omgeving niet zozeer meer een appel op het weten en het kunnen analyseren, maar je werkt vanuit een emotionele klankkleur. Dat zit al in de reminiscentie (het ophalen van herinneringen), maar speelt in de volgende laag van de hersenen een nóg grotere rol.

Belevingsgericht begeleiden. “Wat mooi, meneer Petersen, die foto. Zijn dat uw kinderen en kleinkinderen. Ik denk dat sommige wel op u lijken. Had u vroeger ook van die blonde krullen?” Opmerking: Muziek is altijd een mooie ingang bij het belevingsgericht begeleiden. Zie daarvoor ook het laatste punt.

Operant leren. Dit lijkt niet in de eerste plaats een vorm van belevingsgericht begeleiden, maar het past wel bij – wat Dorothea Timmers-Huigens noemt – de associatieve ervaringsordening. De ene associatie wordt met de andere associatie verbonden. Er daat zitten toch weer emotionele belevingen tussen. “Ik dek de tafel om kwart voor twaalf. Dan weten de bewoners dat we zo meteen gaan eten. Ze gaan dan niet meer lopen over de gang.” Bij deze fase past ook je een tafelkleed gebruikt: dan ziet de tafel er opeens anders uit dan wanneer er daar een spelletje wordt gedaan.

Model-leren. “Als mevrouw de Jong niet haar mond open doet als ik haar wil helpen bij het tandenpoetsen doe ik zelf mijn mond wijd open. Zij reageert daar vaak op door óók haar mond open te doen.”

Muziekagogie. Muziek en emoties zijn sterk met elkaar verbonden. Zelfs dementerende mensen in de laatste twee fasen van dementie reageren vaak nog sterk op muziek. Voor veel huidige ‘oudere jongeren’ roept muziek uit de sixties tal van emoties op.  Als begeleider op een woning of als muziektherapeut probeer je aan te sluiten op de muzikale beleving van de bewoner: welke muziek raakt hem of haar?

De volgende twee lagen in de hersenen zijn de middenhersenen en de hersenstam. De cognitieve mogelijkheden vallen voor een groot deel weg: veel communicatie wordt gevoerd voor de verschillende zintuigen.

Functioneren van de hersenen en interventies bij dementie (1)

Meerdere malen plaatste ik een blog over de visie van Anneke van der Plaats op dementie. Ze heeft het over meerdere lagen in het brein: van cognitief (is boven) naar emotioneel/ voelen (is onder). Hoe meer de bovenlaag verstoord is geraakt, des te minder kan het denken je gedrag sturen.

Deze keer weer een aanvulling op die manier van denken. Want de gewenste benadering van de persoon met dementie hangt samen met de vraag hoe de lagen in/van de hersenen functioneren. Het schema komt uit een boek, maar helaas weet ik de bron niet…

De cortex is de bovenste laag van de hersenen. Dit is het gebied waar de informatie uit de rest van het lichaam ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd wordt. Dat is dus allemaal heel complex. Vervolgens wordt die informatie ook nog eens omgezet in gedachten en in aansturingen van het lichaam (het spreken en het handelen). Dat ik nu zit na te denken, wat ik bedenk in woorden omzet en ook nog eens typ heeft allemaal met die bovenste laag (de hersenschors) te maken.

Als die bovenste laag nog redelijk intact is kun je een gesprek voeren door bijvoorbeeld:

De socratische methode. Dan stel je doordenkvragen, zoals bij een mevrouw die meent dat haar buurvrouw haar portemonnee mee heeft genomen: “Is dat zo? Hoe bent u op dat idee gekomen? Kunt u mij daar meer over vertellen? Kunt u ook nog iets anders bedenken wat er aan de hand kan zijn?”

De Rationeel Emotieve Therapie. Bij deze methode probeer je met het denken de emoties bij te sturen. “Het raam staat open en u zit op de tocht. U durft daar niets van te zeggen, kunt u mij vertellen waarom niet… U denkt dat iedereen u dan een zeur zal vinden? Als mevrouw de Vries nu zou vragen of het raam dicht mag, zou u haar dan een zeur vinden?”

Realiteitsoriëntatie. Dan stel je geen vragen, maar je brengt de persoon via wat je zegt in de realiteit. “Goedemorgen meneer De Jong. Het is vandaag zondag. Ik ben zuster Brigit en ik kom u helpen met opstaan. Dan kunt u zo meteen mee naar de kerk.”

Reminiscentie. Dit is het bewust ophalen van herinneringen. Daar werd nog wel eens negatief tegenaan gekeken. Zoiets als: ‘als je dáármee begint ga je echt achteruit.’ Opa Henk 50 vertelt steeds over vroeger, hij is niet helemaal meer bij de les. Maar het kan helemaal geen kwaad om over vroeger te spreken. Als je zeventig jaar achter je hebt liggen en tien jaar vóór je is het geen wonder dat je het ook over je verleden wilt hebben. Bovendien blijkt deze methode ouderen meer bij de les te houden, waarbij ook de stemming kan verbeteren. “Vertel eens, Henk50, hoe ging dat vroeger bij u thuis met Sinterklaas. Hebt u daar leuke herinneringen aan?”

De bovenste twee interventies vragen om een behoorlijk cognitieve instelling van het denken: je moet van alles kunnen afwegen. Bij de volgende twee interventies kun je ook nadenken over wat er gebeurt of is gebeurd, maar er wordt minder een appél gedaan op het zelf analyseren.

Leidt een gezonde levensstijl tot meer dementie?

Sinds 1990 worden in de Rotterdamse wijk Ommoord veel inwoners op het gebied van hun gezondheid en welzijn gevolgd. Het is het zogenaamde ERGO-onderzoek vanuit de Erasmus-Universiteit.

Daar zijn de inwoners van Ommoord van op de hoogte. Het is geen geheime Google activiteit. Inmiddels zijn de gegevens van 40.000 mensen verzameld. De bedoeling is niet om op individueel niveau hun (on)gezondheid vast te stellen. Het gaat om de totale bevolking. Wat zijn risicofactoren bij de gezondheid? Als je op je vijftigste gezond bent, wat is de kans dat je dat op je zeventigste ook nog bent?

Nu is Ommoord niet het meest gezonde deel van Nederland. Er daalt veel fijnstof neer, dankzij de aanwezigheid van een aantal autosnelwegen benevens de nabijheid van een grote stad en veel industrie. Toch schijnen de inwoners een redelijk gemiddelde levensverwachting te hebben. Ik heb er onlangs een verpleeghuis bezocht en daar waren de mensen best oud. Je kunt er honderd worden.

De statistieken van Ommoord zijn onderdeel van een groot epidemiologisch onderzoek. Wat is bijvoorbeeld het verband tussen levensstijl en ziekte. En als je een ziekte krijgt, hoe is de gemiddelde levensverwachting dan? Kun je ook drie, vier of vijf ziektes tegelijk hebben. Dat kan, er zijn zelfs mensen die nog meer ziektes (hart, diabetes, longen, kanker enzovoorts) tegelijk hebben. Ik zal niet zeggen dat je dáármee honderd kunt worden.

Eén ding is wel waarschijnlijk. Ook in Rotterdam gaat iedereen dood. Zelfs de oudste inwoner van Rotterdam, mevrouw Grietje Janssen-Anker, is overleden. Ze verhuisde op haar 111e jaar naar Rotterdam. Daar heeft ze nog een jaar gewoond.

In het ERGO-onderzoek mist één aspect van de gezondheid en dat is de kwaliteit van de mondzorg. Hoe ouder we worden, des te kwetsbaarder worden we voor infecties in het mondgebied. Er wordt zelfs een verband verondersteld tussen chronische ontstekingen in de mond en dementie.

Verder zijn tal van ziekten in kaart gebracht. Eén statistische kwestie wil ik daarbij onder de aandacht brengen. Mensen met een gezonde levensstijl hebben een aanzienlijk grotere kans op dementie. Omdat ik er volgens de statistiek een redelijk gezonde levensstijl op na houd loop ik dus een grotere kans op de ontwikkeling van een dementieel beeld.

Mensen die roken, een fors overgewicht hebben en een aanzienlijk verhoogde bloeddruk hebben een kans van 3,7% op de ontwikkeling van een dementieel beeld. Mensen die niet roken, geen overgewicht hebben en geen verhoogde bloeddruk hebben bijna 21% kans op dementie. Dus moet ik toch maar gaan roken? Of geldt dit cijfer alleen in de wijk Ommoord?

Zoals jullie waarschijnlijk begrijpen betreft het hier een statistisch puzzeltje. Wie het weet mag het zeggen…

Geheugenprocessen

Kleindochter T (4 jaar) vertelde gisteren tot in detail aan opa over een  gebeurtenis van twee jaar geleden.

Ik weet vrijwel zeker dat ze dat over vijf jaar niet meer weet. Want dan weten kinderen zich vrijwel niets meer te herinneren van vóór hun vierde jaar.

Daar heb ik al eerder over geschreven. De meest waarschijnlijke verklaring is dat bij het groter worden (en met name ergens rond de 6 á 7 jaar) de opslag van het geheugen wordt gereset. Daardoor wordt de oudere informatie gewist. Of in ieder geval verstopt op een plek waar we niet bij kunnen.

Er zijn  therapeuten die beweren dat ze terug kunnen gaan tot het moment dat je geboren bent of zelfs daarvoor. Het lijkt erop dat daar veel inlegkunde bij komt kijken.

Hoe het geheugen werkt: daar weten we nog altijd weinig van. We weten veel meer niet dan wel.

Wat we wel weten is dat het geheugen vooral bestaat uit het kunnen verwerken van informatie. Dus het gaat niet om het iets onthouden, om het iets opslaan in de opslagtank van het geheugen. Het gaat er vooral om dat je iets een plek kunt geven. Om de toepassing dus: ‘dit heb ik in mijn hoofd opgeslagen en dat kan ik er mee doen.’ Aan alleen feitelijke informatie heb je niets.

Stoornissen in het geheugen kunnen zich binnen het onthouden van wat je meemaakt voor doen op de volgende gebieden:

  1. Aandacht: richt je je aandacht voldoende om iets te kunnen waarnemen en daarna onthouden?
  2. Vasthouden van informatie: hou je de aandacht lang genoeg vast om de informatie ook echt opgeslagen te krijgen in je hoofd?
  3. Het later kunnen reproduceren van de informatie: de informatie zit in je hoofd en je kunt die kennis weer opdiepen als je het nodig hebt.

Ad 1. Je ziet een telefoonnummer, maar er gebeurt van alles omheen. Hoe richt je je denken dan zó dat je bewust naar dat nummer gaat kijken?

Ad 2. Dat telefoonnummer heb je straks nodig. Hoe krijg je het in deze omgeving voor elkaar dat je je zolang richt op die informatie dat je het telefoonnummer echt in je hoofd ‘kunt knopen’?

Ad 3. Wat is er later nodig om jou dat nummer te laten reproduceren?

Als je klassieke beelden er bij pakt zou je kunnen bedenken dat kinderen met ADD zich te weinig kunnen concentreren op het nummer terwijl kinderen met ADHD niet de tijd nemen om het nummer te onthouden.  Bij demente mensen treden te problemen op alle drie gebieden op. Bij vitale ouderen is er vaak sprake van een opdiepprobleem.

Nu zijn die 06-telefoonnummers tegenwoordig ook wel ingewikkeld. Een halve eeuw geleden wist ik de aandacht voor het telefoonnummer van Tineke te vangen, genoeg tijd te nemen om de informatie op te slaan én kon ik het nummer ook reproduceren. Dat kan ik ook nu nog…

Het is alleen overtollige ballast, want het nummer is niet meer in gebruik. Ik krijg die informatie ook niet gewist. Dat is ook weer jammer, want daaris nu geen plek voor andere informatie.

Oprollend geheugen

Mensen met het Syndroom van Alzheimer leven steeds meer in het verleden. Bij hen is er sprake van een oprollend geheugen.

Je kunt zeggen: de opnameknop om nieuwe informatie te verzamelen is defect geraakt. Wat er gisteren is gebeurd is niet meer opgeslagen. Maar wat er tien jaar geleden is gebeurd werd wél opgeslagen.

Het gevolg is bijvoorbeeld dat een nieuw apparaat (dat al vijf jaar in huis staat) opeens onbekend is geworden. De dementerende oudere herkent dat apparaat niet meer als een radio.

Als het dementieproces verder gaat gebeurt er iets zeer dramatisch. Dan gaat informatie die eerder wel was opgeslagen alsnog verloren. Daarbij raken ouderen de informatie die het laatst was opgeslagen het eerste kwijt.

Bijvoorbeeld: ik heb altijd veel geschreven. Rond mijn 50e schakelde ik over op een computer/tekstverwerker. Tussen mijn 20e en mijn 50e gebruikte ik een gewone typemachine. Als ik zou gaan dementeren betekent dat dat ik na enige tijd mijn computer niet meer kan bedienen. Maar met mijn oude typmachine (waar ik nu weer aan zou moeten wennen) zou ik mogelijk nog wél verhalen kunnen schrijven.

Dat ‘oprollen van het geheugen’ wordt wel ‘de tweede dementiewet’ genoemd (de eerste is de verstoorde inprenting).

Op dit moment zijn Nederlandse verpleegkundigen welkom in de Canadese en Australische zorg voor ouderen. Waarom? Omdat die ouderen terugvallen op de taal van vroeger. Precies zoals in het boek van Bernlef (‘Hersenschimmen’) wordt bij hen de Engelse taal als vreemde taal ervaren. Maar de Nederlandse taal begrijpen ze nog goed.

oude radioGoede zorg aan ouderen gaat mee terug in de tijd. Je ziet dat al aan de inrichting van de woningen. Staat er modern (efficiënt, goed afwasbaar) meubilair? Of heeft men oog voor de herkenbaarheid? Welke radio staat er in de gezamenlijke woonkamer?

Een modern apparaat wordt door dementerende ouderen vaak niet meer als radio herkend. En vooral: welke muziek staat er aan? Is dat de muziek die de begeleider mooi vindt, of speelt de muziekkeuze in op het oprollende geheugen en de sfeer van vroeger voor ouderen?

Ooit had ik een gesprek met begeleiding over welke muziek er op de woning aan zou moeten staan. De daar wonende dames waren dol op liederen van Johannes de Heer (‘Er ruist langs de wolken’). De begeleiding vond dat verschrikkelijke muziek. Maar ja, voor wie moest dit huis een thuis zijn.

Overigens is ook belangrijk als de geluiden bewust worden gedoseerd. Af en toe de radio aan en zéker niet de hele dag…