Mythe van Mehrabian

93% van onze communicatie is non-verbaal

Tsja, dat hoor je nogal eens zeggen (!). De spreker die dat zegt wordt mogelijk helemaal niet gehoord. Want het overgrote deel van onze communicatie is non-verbaal.

"Preken helpt niet" zeg ik dan ook wel eens tegen een dominee. "Je kunt er maar beter mee stoppen. Want bijna alle communicatie is non-verbaal. Wat sta je dan te doen op die preekstoel?

Maar klopt die stelling wel? Hebben onze woorden nauwelijks enige invloed? Dan zou iedere leerkracht wel kunnen stoppen met zijn werk, iedere schrijver kunnen stoppen met schrijven. Woorden doen er immers niet toe. Het schrijven van een sollicitatiebrief heeft geen enkele zin: het gaat om je non-verbale verschijning.

Albert Mehradian heeft de conclusie dat 93% van onze communicatie non-verbaal is helemaal niet getrokken! De formule 7% (betekenis van je woorden), 38% (intonatie), 55% (lichaamstaal) gaat over een zeer specifieke omstandigheid.

Stel je voor dat er iemand “Brand!” roept. Je kunt die persoon niet zien, maar je hoort alleen de woorden. Je gaat toch in de alertstand. En als je zo iemand wél ziet roepen, dan hoef je heus niet precies te begrijpen wat lichaamstaal inhoudt. Je let voor een groot deel alleen maar op de woorden. “Bom!” roepen in de wachtrij op Schiphol heeft hetzelfde effect: de woorden maken de muziek.

Wat heeft Mehradian wél bedoeld? Hij deed zijn onderzoek op specifiek emotioneel beladen situaties. Als je bijvoorbeeld wilt vertellen dat je erg verdrietig bent, dan gaan mensen naar verhouding veel meer letten op hoe je dat uit, op welke lichaamstaal je laat zien. Vertel je lachend dat je verdrietig bent, dan komt je verhaal helemaal niet over.

Omdat de cijfers van Mehradian zo vaak te onpas worden gebruikt wordt de 7-38-55 formule tegenwoordig wel de Mythe van Mehrabian genoemd. Dat ligt niet aan zijn onderzoek, maar aan de mensen die hem verkeerd geciteerd hebben.

 

Dubbele boodschappen

 In de jaren ’70 dacht men dat schizofrenie werd veroorzaakt door de zogenaamde double bind. Dat wat er gezegd werd was niet in overeenstemming met de onderliggende gevoelens.

In relatie tot de oorzaak van het ontstaan van schizofrenie was daarbij vooral de positie van de moeder in het geding. Volgens deze double bind hypothese zou de moeder zéggen tegen haar kind dat ze van hem hield, maar op gevoelsniveau zou ze het kind van jongs af aan hebben afgewezen. Het gevolg was dat het kind niet op eigen benen kon staan: het ontwikkelde een gespleten persoonlijkheid.

Inmiddels weten we dat schizofrenie géén gespleten persoonlijkheid is. En ook dat een moeder niet de pedagogische oorzaak is van het ontstaan van schizofrenie.

Maar het idee van de double bind is wel overeind gebleven. Mensen die op die manier met elkaar communiceren houden elkaar in een communicatieve wurggreep.

Kenmerkend voor deze binding is dat er verwachtingen worden gesteld, waarbij impliciet tegelijkertijd ook wordt verwacht dat ze toch niet waar worden gemaakt. Je vraagt iets van de ander, maar je boodschap is ook dat de ander dat tóch niet uit kan voeren.

Pragmatische paradox

ignore-this-signIn de taalkunde kennen we de pragmatische paradox. Het plaatje laat het meest bekende voorbeeld zien. Op het moment dat je aan de opdracht voldoet zit je fout. Je moet het bord negeren, maar als je dat doet heb je het bord niet genegeerd.

Bijbel: Kretenzers

Een bekende pragmatische paradox in de Bijbel is de uitspraak van de Kretenzer (inwoner van Kreta) Epimenides dat alle Kretenzers leugenaars en vadsige buiken zijn. Als iemand die zelf op Kreta woont zegt dat al zijn eilandgenoten leugenaars zijn: kan hij dan gelijk hebben? Nee, dat kan niet, want hij liegt dan zelf ook. Anders zouden niet alle Kretenzers leugenaars zijn.  Het is dus een uitspraak die niet waar kan zijn. Hoe je het ook wendt of keert: je komt uiteindelijk nooit goed uit.

Relatie

Als je tegen je partner zegt dat je graag wilt dat hij nu eens spontaan en uit zichzelf gaat opruimen geef je zo’n dubbele boodschap af. Op het moment dat hij gaat opruimen is het namelijk niet meer uit zichzelf: je hebt de wens uitgesproken (of misschien eigenlijk zelfs: de opdracht gegeven).

De achterliggende emotie van de opdrachtgever uit dit voorbeeld is dat je er eigenlijk toch niet in gelooft dat je partner ooit uit zichzelf gaat opruimen. Doet hij het alsnog: dan is het toch niet vanzelf. Je had immers zelf de wens uitgesproken? Dus doet hij het wéér niet goed. Het ‘kanniewaarzijn’ dat hij uit zichzelf opruimt.

Communicatieve gevangene

Ann Voskamp schrijft: “Verwachtingen doden relaties.” Maar verwachtingen die zijn verpakt in een dubbele boodschap zijn nog erger; ze maken mensen tot elkaars gevangene en maken mensen machteloos.

Deze aangeleerde communicatiepatronen gaat vaak terug tot in de jeugd. Het is belangrijk om er een beeld bij te hebben welke verwachtingen je vroeger van je omgeving had.

Ik-boodschap

Je kunt uit dit soort patronen komen door te oefenen in heldere boodschappen zonder dubbele boodschap. Dus niet: Je moet de boel opruimen (uitgesproken), maar dat zul je toch wel weer niet doen (onuitgesproken, let op het ingewikkelde taalgebruik).

Maar met een ik-boodschap: “Ik zou er blij mee zijn als je de kamer opruimt”. En dan dus zonder de komma: ‘maar dat ga je toch niet doen’. Vertrouwen dat het wél gebeurt, al is dat waarschijnlijk niet direct.

Tegenstrijdige boodschappen

Moeder met kinderen

In de trein zit een mevrouw met twee kinderen. Nu zijn er wel meer mevrouwen met twee kinderen, maar deze mevrouw valt mij extra op. Dat is niet vanwege haar uiterlijk, maar vanwege de uitspraken die ze doet.

Tussendoor gaat ook nog eens de telefoon. Uit het gesprek maak ik op dat ze in een vechtscheiding verwikkeld is. Terwijl mamma aan het praten zijn de kinderen met elkaar in een strijd verwikkeld over het gebruik van de ipad. “Lieverds, wat zijn jullie weer vervelend!” roept mamma opeens. Als het telefoongesprek is afgelopen pakt ze de beide kinderen bij de hand, kijkt ze strak aan en zegt: “Wat zijn jullie toch vervelend! Maar mamma houdt wel zielsveel van jullie!”

De kinderen zijn onderweg naar pappa. Mamma zegt: “Niet geloven wat pappa zegt, hoor. Mamma houdt het meeste van jullie. En zondag zijn jullie gelukkig weer bij mamma! Even doorzetten, dan mag je weer naar huis.” 

Het is duidelijk dat hier emotioneel stevig gechanteerd wordt. Deze kinderen kunnen geen kant meer uit. Moeder zendt tegenstrijdige boodschappen uit. Het gevolg is dat deze kinderen moeite zullen hebben om er op te vertrouwen dat andere mensen betrouwbaar zijn.

Rattenverdelging

Op de televisie zie ik een directeur van een zorginstelling. Naar de cameraploeg toe zet hij zijn beste beentje voor. Het is één en al PR wat de klok slaat. Officieel gaat het programma over vernieuwing in de zorg. Maar daar gaat het helemaal niet over. Het gaat over deze directeur die het zo ontzettend goed doet. Hij heeft het beste voor met zijn medewerkers en zijn cliënten.

In een onbewaakt ogenblik heeft de directeur niet door dat de camera nog aan staat. De journalist is ter ore gekomen dat er ook kritiek is op het rigoreuze veranderingsbeleid dat de directeur heeft ingevoerd. Opeens verandert de goedlachse directeur in een ander persoon. “Ratten zijn het!” zegt hij, “en ratten moeten verdelgd worden. Wie heeft u gebeld? Ik wil de naam van de persoon die u gebeld heeft!” 

Als de directeur weer iets voor de camera mag zeggen vertelt hij dat niet iedereen de veranderingen even goed kan volgen. Mensen moeten immers uit hun comfortzone komen. Daar heeft hij alle begrip voor. Dat kan men rustig aan hem overlaten. Hij zet wel de koers uit, maar staat ook open voor de dialoog.

Dialoog of einde verhaal?

Hans de Vries wordt uitgenodigd voor een gesprek. Doel van het gesprek is om met elkaar te overleggen over de wijze waarop Hans zijn taken invult. Daar zijn namelijk vragen over en het lijkt goed om het daar eens over te hebben. Als de zaken goed op een rijtje worden gezet worden eventuele problemen in de toekomst voorkomen. Daarbij wordt er van uit gegaan dat iedereen het beste voor heeft met de anderen.

Hans zet een aantal zaken op papier. Hij wil uitleggen hoe hij zijn taak ziet. Door een communicatiefout komt hij er echter vlak voor het gesprek achter dat het niet zal gaan hoe de zaken goed op een rijtje gezet kunnen worden. De bedoeling is dat Hans van zijn taken zal worden ontheven. Geen samenwerking, maar escalatie. De boodschap was aardig verpakt, maar de inhoud zag er heel anders uit.

Aanslag

Kenmerkend van al deze boodschappen is dat de buitenkant niet klopt met de binnenkant. Inhoud en betrekkingsniveau sluiten niet op elkaar aan. Wat je ziet is niet de werkelijkheid. Dat zet mensen op het verkeerde been. Als je die boodschap van jongs af aan hoort doet dat een aanslag op de gezonde geestelijke groei.

Vervormende communicatie

Omdat ik een tot-toen-toe onbekende wachttijd had werd mijn oog getrokken door een TV-uitzending waarbij een therapeut probeerde iets bij een patiënt aan het verstand te krijgen.

Nu is het de vraag of therapeuten moeten proberen bij hun patiënten iets aan het verstand te brengen. Maar dat hangt mede af van de leerschool die je hebt gevolgd en van de motivatie en mogelijkheden van de cliënt.

In dit geval had de behandelaar er een zware klus aan. Iedere keer als hij iets naar voren bracht glibberde de patiënt direct weg in een eigen redenering.

Als de behandelaar haar confronteerde met een uitspraak die ze net had gedaan zei ze dat ze belachelijk werd gemaakt. Toen ze zei dat ze geen geld had voor de behandeling merkte de therapeut op dat hij haar de vorige keer de beschikking van de zorgverzekering had gegeven: ze kon twaalf behandelingen ondergaan. Maar nu meende ze dat dat niet toch niet kon, want ze moest solliciteren.

Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt

Deze patiënten roepen bij mij het gevoel op van de ‘omgekeerde magneet’: je denkt dat je bijna contact hebt en dan schieten ze weg. Ze vragen om nabijheid en begrip, maar dat kunnen ze vervolgens helemaal niet hanteren. In mijn cursussen noem ik dat: ‘Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt’. 

In therapieland wordt dit gedrag ook wel omschreven als ‘vervormen’. Je wordt er als behandelaar erg moe van. Maar als je er erg moe van wordt doe je eigenlijk je werk ook weer niet goed. Het is dus ook nooit goed…

Splitsen en projectieve identificatie

Kenmerkend voor vervormen zijn twee mechanismen:

Splitsen (hier heb ik al eerder over geschreven). Iets is helemaal goed of iemand is helemaal fout. Over die stellingname is geen discussie mogelijk: zo zit het nu eenmaal. Maar het bijzondere is dat dit splitsen zomaar om kan slaan. “Mijn ex mishandelt de kinderen. Het is een schoft. Hij moet ze nooit meer zien.”

Een half uur eerder zei dezelfde mevrouw dat haar ‘ex’ altijd zorgzaam was voor de kinderen. “Maar” zei de therapeut: “net zei u nog dat hij zo zorgzaam was”. Reactie: “Dat was net. Nu denk ik daar heel anders over.” 

Ik merk aan mezelf bij dit soort patronen vaak dat ik toch aan mezelf twijfel: ben ik nou gek? Heb ik het wel goed gehoord?

Projectieve identificatie: je roept een reactie op bij de ander, waarbij je je eigen verboden gevoelens indirect openbaar maakt.

Therapeut: “U zegt dat als ik zo wantrouwend blijf de therapie niets op zal leveren.” Patiënt: “Nu blijkt dat ik gelijk heb. U staat niet achter de behandeling. Zie je wel: ik moet gewoon op mijn intuïtie afgaan. Ik heb u nooit vertrouwd.” 

Bij deze reactie ga je als patiënt niet direct de confrontatie aan, je geeft de ander een voorzet, waardoor jij vervolgens je verhaal kunt doen. Het motto is: de waard (de patiënt) is niet wantrouwend, maar de gast (behandelaar) heeft onjuiste gevoelens.

Een voorbeeld van zo’n reactie binnen een relatie is (man tegen vrouw): “Als jij niet zo dominerend was, zou ik minder last hebben van mijn afhankelijkheid.” Het effect zal zijn in dit voorbeeld dat de vrouw zich gaat verdedigen rond de dominantie, waardoor de afhankelijkheid niet meer ter sprake komt.

(Voorbeelden ontleend aan R.E. Abraham: Ontwikkelingsprofiel). 

Tien manieren om anderen onder controle te houden

Goed kunnen samenwerken is een complexe opgave. Veel mensen zitten liever in de bovenpositie (bepalend zijn voor de ander) of juist in de onderpositie (het wordt voor mij geregeld).

Niemand wil natuurlijk graag horen dat hij de baas wil spelen over anderen. Zoals Hyancinth in Keeping up appearences, dat zal ons niet overkomen (…). Maar het kan ook veel subtieler.

In een bijdrage in een Amerikaans tijschrift werden maar liefst 30 manieren beschreven. Ik licht de eerste tien er uit. Voorbeelden van deze subtiele controle zijn:

  1. Het zó overdreven aardig zijn dat de ander jou eigenlijk geen tegengas meer durft te geven.
  2. De ander voortdurend het gevoel geven dat hij jou niet begrijpt (de ander gaat dan steeds meer zijn best doen om te laten zien dat hij jou tóch wel begrijpt en dat het gevolg is dat hij steeds meer concessies gaat doen).
  3. Het contact verbreken. Dat kan doordat iemand die boodschap concreet meldt, maar subtieler is: niet meer reageren en in stilte vervallen (waardoor de ander afhankelijk wordt gemaakt: wanneer zou ze nu weer tegen me gaan praten?)
  4. Verwachten dat de ander jouw gedachten kan lezen. Niet concreet ergens om vragen, maar door je lichaamstaal laten zien of voelen dat je wél iets verwacht. Dit maakt de ander onzeker.
  5. Overal een probleem in zien en als dat probleem ‘getackeld’ is weer met een nieuw probleem komen. De ander gaat dan steeds meer zijn best doen om maar te voorkomen dat er problemen ontstaan.
  6. Zwart-wit denken (‘splitting’ en ‘ambitendentie’ bij borderline). De één ziet zichzelf alleen maar als slachtoffer, de ander zit helemaal fout. Ook bij deze gedragsstijl wordt de ander gedwongen om extra zijn best te doen en/of bakzeil te halen.
  7. Algemeen aanvaarde opvattingen in stelling brengen: “iedereen maakt wel eens fouten” , “we hebben allemaal recht op een tweede kans”. Als je daar bezwaar tegen maakt wek je de indruk dat je geen vertrouwen in anderen hebt. Die indruk wil je niet wekken, dus ga je toch maar mee in het standpunt, waardoor de ander alsnog de controle over jou heeft.
  8. Eindeloos doorgaan met praten. Dat is de manier waarop de peuter het lijntje houdt met de opvoeder. Maar ook volwassenen kunnen er wat van. Door te blijven praten stel je jezelf centraal. En de ander weet dat het onbeleefd is om niet te luisteren als er iemand praat. Zo lang de één blijft praten komt de ander onvoldoende aan zijn eigen wensen en behoeften toe.
  9. De dekmantel van anderen gebruiken. “Iedereen vindt dat…” “Alle mensen zijn het er over eens dat…” “Wetenschappelijk is bewezen dat…” Een variant is dat je zegt dat (bijvoorbeeld) een andere partner veel vaker klaar staat om te helpen, meer in het huishouden doet, de spullen veel beter op orde heeft. Zie ook punt 6: ‘splitting’.
  10.  De eisen steeds verhogen. Op die manier hielden destijds de leidinggevenden bij de Nederlandse Zorg Autoriteit Arthur Gotlieb een tijd onder controle (hij hield een dagboek bij over hoe subtiel de processen bij deze organisatie verliepen.  Belangrijk daarbij is dat er geen waardering wordt uitgesproken over wat er goed gegaan is, maar meteen met een nieuwe opdracht komen als de vorige opdracht is uitgevoerd. “Dat hoort nu eenmaal bij het werk. Kun je dat niet aan, dan ben je dus niet geschikt voor dit werk.”

Aanklager en redder (2)

Meneer Zwier stond dus altijd klaar met zijn opgeheven vingertje. Van de kerk moest hij niets meer hebben, maar hij had de rol van onfeilbare gezagsdrager toch behoorlijk overgenomen.

Meneer Zwier won discussies altijd. Hij kreeg nauwelijks tegengas. Hiërarchisch kon hij dat maken: hij was immers de baas.

Maar kon meneer Zwier ook op een andere manier reageren? Wat dat laatste betreft is Eric Berne optimistisch: je kunt het leren. Maar laat nu net meneer Zwier een aanzienlijke aanvaring hebben gehad met een transactioneel therapeut…

Door de mand gevallen

Meneer Zwier kon er namelijk niet tegen dat iemand een andere mening had dan hij zelf. Hij vond dat deze therapeut zich belerend opstelde en dat het allemaal onzin was wat de therapeut zei.

Daarmee viel meneer Zwier in psychologisch opzicht behoorlijk door de mand. Hij bewees met zijn uitspraken dat hij inderdaad de kritische ouderpositie had gekozen.

Maar dat was volgens meneer Zwier natuurlijk helemáál niet waar (…). Daarmee kreeg Martin Appelo weer gelijk: een discussie met iemand als meneer Zwier heeft geen zin.

Martin Appelo (socratisch motiveren) zou meneer Zwier in de discussie met de therapeut een betweter hebben genoemd. Want meneer Zwier wist meer van het vak van een therapeut dan een therapeut zelf. Maar met betweters moet je niet in discussie gaan. De therapeut liet het dus ook maar zo.

Redder

De tweede Ouder positie is die van de Redder.

Deze rol ziet er op het eerste gezicht heel behulpzaam en vriendelijk uit. Maar een kenmerk van de redder is dat deze al heel gauw het roer overneemt. De redder lijkt empathisch: “Zal ik het even voor jou regelen, jij hebt het al zo druk…”

compromisMaar kenmerkend is dat er geen overleg is. De redder schakelt jou niet in, maar uit. Het is namelijk de redder die wil bepalen hoe het allemaal geregeld moet zijn. Het past in het principe van de controlerende communicatie.. Daarmee maakt ook de redder anderen onzeker.

Combinatie

De combinatie van beide rollen vraagt om nog meer stuurmanskunst in de communicatie. Die komt ook voor. De aanklager zet zichzelf in de positie van de redder en koopt daarmee loyaliteit en bewondering (bijvoorbeeld binnen de organisatie).

Een voorbeeld: “Het gaat ons om goede zorg, we willen geen ruzie maken.” Als er dan toch bonje komt ligt het dus aan de ander…

“Ik sta niet toe dat mijn ondergeschikten op deze manier bejegend worden.” had meneer Zwier gezegd.

Het zou kunnen vallen binnen het schema dat Haley een perverse triade noemt.

Zie ook: eerdere blogs (december 2015) over de Reddingsdriehoek.

Aanklager en redder (1)

Meneer Zwier was erg overtuigd van zichzelf. Dat stak hij niet onder stoelen of banken. Overal waar hij kwam voerde hij het hoogste woord. Met zijn wijsheid was de wereld immers een stuk beter af?

Meneer Zwier had een A-viertje gecomponeerd, zoals hij dat zelf noemde. Meer woorden had hij niet nodig, er werd in de wereld al genoeg geleuterd.

Toen ik zijn bericht destijds las viel me op dat ik er geïrriteerd door raakte. Niet zozeer door de inhoud, als wel door de manier waarop het bericht geschreven was. En nu ik het tijdens de verhuizing terug vond merkte ik opnieuw irritatie. Terwijl ik met meneer Zwier niets meer te maken heb.

Bril van de Transactionele analyse

Ik liet het bericht destijds even liggen en las het toen nog eens, met de bril van de Transactionele Analyse. Daar heb ik al vaker over geschreven: het verheldert communicatiepatronen die tussen mensen plaatsvinden.

Het bleek dat meneer Zwier 14 keer de positie van de aanklager in had genomen, en geen enkele keer de gelijkwaardige (volwassen) positie. Daar kan ik dus niet goed tegen (en dat zegt weer veel over mij).

De Transactionele Analyse is ontwikkeld door Eric Berne. De theorie is net zo oud als ik zelf ben. Dus zo langzamerhand aan vervanging toe.

Drie posities

Eric Berne omschrijft

a) de ouder,

b) de volwassen en

c) de kind-positie.

In het boek Nestgeuren heeft Piet Weisfelt daar een aardig hoofdstuk over geschreven. Weisfelt werkt als therapeut maar begeleidde ook teams. Dat leidde wel eens tot aanvaringen. Want niet iedereen is in staat om naar zichzelf te kijken. Vooral niet als mensen geneigd zijn om de boven-positie (ouderpositie) in te nemen.

Aanklager

Eén bekende ouderpositie is die van de kritische ouder. Deze is oordelend, ponerend en autoritair qua toonzetting (OPA).

De Aanklager is de kritische ouder met het opgeheven vingertje: altijd klaar om te ageren tegen en te oordelen over de ander.

Effect op anderen

Het gedrag van de Aanklager lokt bij anderen vaak onzekerheid uit.

Dat kan zich uiten in de vorm van:

  • Vechten (in discussie gaan, volgens Martin Appelo heeft dat geen enkele zin),
  • Vluchten (niet meer reageren) of
  • Bevriezen (niet meer in discussie gaan).