Brusselse straatkunst

Er bestaan veel soorten van graffiti (letterlijk: inkrassen). Het meeste is puur vandalisme. Het kost o.a. de OV-bedrijven jaarlijks miljoenen euro's om de schade aan graffiti te herstellen.

Toen ik vanuit de trein een aantal filmpjes maakte viel me pas écht op hoe veel gebouwen langs het spoor er totaal verloederd uit zijn gaan zien als gevolg van het prutswerk dat op gebouwen is gespoten.

In de USA is een deel van de graffiti gerelateerd aan gangs die daarmee hun territorium afbakenen. Een soort geurvlag in de vorm van een tag, die in één minuut geplaatst kan worden.

Maar er bestaat ook mooie ‘straatkunst’. Die wordt meestal met toestemming aangebracht. De kunstenaar maakt eerst een ontwerp en gaat daarna aan de slag.

In het havengebied van Antwerpen zag ik graffitikunst van misschien wel honderd meter lang op een schutting bij een bouwterrein. Het zou jammer zijn als die schutting weer wordt afgebroken.

Brussel is bekend om zijn vele striptekeningen op blinde muren van particuliere huizen. Er zit een grote variatie in stijlen in. Maar je kunt er een hele dagtocht aan besteden.

Wij maakten tijdens een twee uur durende wandeling een aantal foto’s van de schilderingen op gebouwen en viaducten.

René Magritte

Eén van de meest bijzondere Belgische schilders is René Magritte. Zijn bekendste werk is een een schilderij van een pijp, met als onderschrift dat het geen pijp is.

Toen onze kinderen een jaar of tien waren daagde ik hen wel eens uit met woordspelletjes. “Kijk eens naar dat gras. Jullie denken dat het groen is. Maar is het eigenlijk wel groen?” Ja hoor, het gras was groen. “Waarom denken jullie dat het groen is?” “Dat zie je toch?” “Nee, het is misschien niet groen, jullie noemen het groen omdat jullie dat zo geleerd is, maar het zou ook best blauw kunnen zijn. Als we groen blauw hadden genoemd hadden jullie gevonden dat het gras blauw is.”

Zo ga je omdenken als je het werk van Margritte ziet. In Brussel togen we naar het Margritte Museum op de Kunstberg, waar de belangrijkste Brusselse musea op een kluitje staan. We hebben ons prima vermaakt in het museum.

Margritte begon als schilder van reclames. Maar later ontwikkelde hij een eigen surrealistische stijl. In een deel van zijn werk komen naakte vrouwen en natuurgetrouw geschilderde vissen voor. Waarschijnlijk verwijzen deze schilderijen naar het feit dat hij zijn moeder als jonge puber naakt vond in de rivier de Sambre, nadat zij zelfmoord had gepleegd. Dit heftige feit is van grote invloed geweest op zijn leven en denken. Al jong kreeg hij verkering met zijn latere vrouw, met wie hij zijn levenlang getrouwd was. Tegelijk zat er altijd een angst bij hem in: de angst van de nabijheid en de angst voor het verlaten worden.

Het werk van Magritte is net zoals dat van bijvoorbeeld tijdgenoten als Salvador Dali en Carel Willink bijna fotografisch gedetailleerd geschilderd. Tegelijkertijd zie je voortdurend vreemde effecten. Het realisme van het schilderij gaat over in een in werkelijkheid onbestaanbare voorstelling.

En als het schilderij je niet op het verkeerde been zet, dan is het wel de titel, die vaak heel anders is dan je van het schilderij verwacht. Het schilderij met de gestapelde huizen – in dit geval met een selfie van het achterhoofd van Henk50 – heet bijvoorbeeld ‘De Borst’. Je moet er maar opkomen.

Dat meest bekende schilderij met die pijp. Nee, het is geen pijp. Want met een schilderij kun je niet roken. Het is geen pijp, maar een schilderij van een pijp. “Die beroemde pijp. Hoe vaak de mensen mij verwijten maken. En toch, kun je mijn pijp vullen? Nee, het is slechts een weergave, nietwaar? Dus als ik op het schilderij had geschreven: “Dit is een pijp” had ik gelogen!”

Met zulke woordspelletjes hield Magritte zich voortdurend bezig. Zijn spel met taal leidde ook tot tal van diepergaande uitspraken die uiteindelijk zijn verzameld in een boek. “Alles wat zichtbaar is verstopt iets wat onzichtbaar is.” “Als de droom een vertaling van het dagelijks leven is, dan vormt het dagelijks leven de vertaling van een droom.” “Als je naar een voorwerp kijkt met de bedoeling om te proberen te ontdekken wat het betekent, zie je het voorwerp zelf niet meer, maar denk je aan de vraag die wordt gesteld.”

In de oorlog werd Magritte uit afkeer van het nationaal socialisme communistisch. Maar die liefde was van korte duur: binnen het communisme past geen surrealitische kunst.

Na de oorlog kreeg Margritte de beschikking over een filmcamera. Hij werd een verwoed filmer van surrealistische taferelen, waarin zowel zijn vrouw als zijn vriendenkring een rol speelden. Die films zijn ten dele ook te zien in het Margritte Museum.

René Magritte werd in 1898 in Lessen (Wallonië) geboren, hij overleed in 1967 in Schaarbeek, één van de Brusselse deelgemeenten.

Jugendstil in Brussel

Waarom reisden we naar Brussel? Sinds een aantal jaren maken we in februari een uitstapje. Deze keer werd het dus Brussel. Daar kun je zonder vliegschaamte naar toe. En we kregen er geen spijt van.

Brussel bestaat niet. De plaats bestaat uit 19 deelgemeenten met elk hun eigen karakter. Vier dagen lang liepen we door de stad. En dankzij Tineke’s telefoon weten we dat we elke dag zo’n 15 kilometer hebben gelopen…

We waren vooral in de meer oostelijke stadsdelen St. Gilles en Elsene. In deze richting breidde Brussel zich aan het eind van de 19e eeuw sterk uit. Naast armoede was er ook sprake van een sterk groeiende middenstand. Er werd flink in de huizen geïnvesteerd volgens de toen geldende opvattingen. En dat was dat er veel werd gebouwd in de stijl van Jugendstil en Art Deco. En laten we daar nu allebei erg van houden…

Het werd dwalen van straat naar straat, van plein naar plein. We vielen van de ene verbazing in de andere. Terwijl de toeristen massaal via Manneke Pis naar de Grote Markt lopen hadden wij voor een groot deel het rijk alleen. Tenminste: samen met de inwoners van deze deelgemeenten natuurlijk.

Het gebruik van Jugendstil in de arcitectuur betekent dat bouwen en kunst naadloos in elkaar overlopen. Wat er gebouwd wordt is kunst. Het hoogtepunt van onze wandeling was het bezoek aan het Horta Museum. Het betreft het vroegere woonhuis en het naastgelegen atelier van architect Victor Horta. Je verbaast je over de details: hoe alles tot in de puntjes op elkaar aansluit: zelfs de gordijnroeden vormen één geheel met het behang: de vormen sluiten op elkaar aan.

Dankzij het gebruik van lichtkoepels is de woning op alle verdiepingen opvallend licht. Een middel om dat ideaal te verwezenlijken is de breed uitgemeten trap. Daar waar anderen dit deel van het huis als onnutte ruimte zouden bestempelen bouwde Victor Horta eigenlijk zijn huis rondom de trap.

Bijzonder is ook de overgang van de woning naar de tuin: voor je gevoel zit je in de woonkamer zo’n beetje in de tuin. En op de derde verdieping is een overdekte daktuin gerealiseerd. Groen en dat midden in de stad.

Ga je op bezoek naar Brussel: wijk af van de geijkte toeristische paden. Zoek de 19e eeuwse wijken op. Je blijft je verbazen. Honderden, nee, duizenden architectonische kunstwerken. En je vraagt je af: waarom kunnen we dat tegenwoordig niet meer?

Bright Brussels Festival

Voor je gevoel ligt Brussel misschien ver weg. Maar vanuit onze woonplaats Delft ben je met de trein net zo snel in Brussel als in Zwolle.

De mensen spreken er een ander soort Nederlands. Waarschijnlijk is het Frans. Hoewel ik acht jaar Frans heb gehad op school vind ik het moeilijk om te verstaan. En dat ligt niet alleen aan mijn gehoor. Maar het voordeel van een vreemde taal is dat het extra buitenland lijkt. Ondanks de euro.

Zoals Amsterdam en Eindhoven hun lichtfestival kennen, zo kent Brussel dat inmiddels ook. Via een spoor van met doeken beklede lantaarnpalen volg je je route door Brussel. Op een twintigtal plaatsen zijn artistieke, interactieve, speelse en boeiende installaties te vinden. Daarnaast zijn tal van historische gebouwen op een bijzondere wijze verlicht.

Helaas gooide de storm Dennis enig roet in het licht: bij sommige installaties was de stekker er uit getrokken. Wat overbleef was een route die volgens Tineke mooier was dan het Amsterdam Light Festival.

De route liep van het historische hart van de stad, via de wijken Poelaert, Marollen, Zavel en de Koningswijk naar de Hallepoort. Er was ook een verlichte fietsen route, maar we hebben toch maar geen fiets gehuurd: je werd dan waarschijnlijk wel ergens van je fiets geblazen.

De foto's spreken voor zich. Inmiddels is het festival afgelopen, maar volgend jaar is er weer een festival...

De Ronde van België (4)

De Belgische provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Vlaams Brabant zijn doorkruist, benevens het Hoofdstedelijk Gewest Brussel. De trein brengt mij vanuit Essen naar Brussel. Vandaag is het tijd om weer verder te fietsen.

De mensen vragen mij wel eens: valt er in Brussel te fietsen? Welnu: in Brussel valt steeds beter te fietsen. Overal zijn fietsstroken aangelegd. Alleen zijn de Brusselaren daar nog niet echt aan gewend. Het is dus wel steeds goed uitkijken.

Brussel is een Hoofdstedelijk Gewest vol verstopte geschiedenis. Dat komt deels omdat Brussel bestaat uit 19 deelgemeenten, die allemaal hun eigen geschiedenis hebben. Het eigenlijke Brussel telt slechts 175.000 inwoners.

Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel

Zelfs het station Brussel-Noord, op maar één kilometer afstand van de Grote Markt, ligt niet in Brussel, maar in Schaerbeek. Wil je Brussel écht bekijken, fiets dan door de kleinere straten en verbaas je o.a. over de bouwstijlen, vooral die van rond 1900, toen de stad snel groeide.

Anderlecht, Kanaal van Charleroi naar Brussel

Er is een eenvoudige manier om Brussel op de fiets te verlaten en dat is langs het kanaal dat ten westen van het centrum ligt, het verlengde van het Kanaal van Charleroi naar Brussel. Vanuit dit kanaal kun je verder varen naar het (Zee)kanaal van Willebroek, dat aansluiting geeft op de Antwerpse havens.

Anderlecht

Langs het kanaal heeft men een snelfietsroute naar Halle aangelegd. Je fietst bijna autovrij 20 kilometer naar het zuidwesten. Binnen het Stadsgewest Brussel fiets je o.a. door de gemeente Anderlecht, die vooral naam heeft gemaakt door de plaatselijke voetbalclub. De gemeente telt 120.000 inwoners. De

Hoog en laag in Anderlecht. De gebieden rond de jaren ’70 flats zijn doorgaans probleemwijken geworden

werkloosheid bedraagt zo’n 20% van de beroepsbevolking. Ruim 32% van de inwoners heeft niet de Belgische nationaliteit. In België hanteert men een zogenaamde welvaartsindex (100 is het gemiddelde) en daarin zie je dat de bevolking van Anderlecht ver onder het gemiddelde leeft (de index is 64).

In principe kan ik helemaal langs het kanaal naar Charleroi fietsen, maar ik wil het wat afwisselend houden. Voor Halle sla ik linksaf en klim de heuvels in. Fietsborden zijn schaars, ik moet mijn eigen weg zien te vinden. I

Ik fiets het Stadsgewest Brussel uit, Vlaams Brabant (weer) in en even later

Wonderlijke fietsroute in Waals Brabant

bevind ik me in Waals-Brabant. Vanaf nu moet ik Frans of koeterwaals gaan spreken. In deze streek bevinden zich veel villawijken, die als een gordel rond het Hoofdstedelijk gebied gedrapeerd zijn. Veel huizen zijn in een soort boerderijstijl opgetrokken, met dubbele garages naast het huis en grote hekken rond de tuinen. Die boerderijstijl is tientallen jaren heel populair geweest, maar nu blijken veel huizen slecht verkoopbaar, men wil iets anders. Zo gaat ook de bouw van modegril tot modegril steeds voort.

En mijn Batavus en ik gaan ook voort. Ik passeer Waterloo (deze keer bezoek ik geen leeuw) en Eigenbrakel, dat hier Braine l'Alleud heet. Daarna zet de fiets koers in de richting van Nijvel, dat hier op de borden Nivelles heet.

De Ronde van België (3)

Ook de nieuwe Belgische fietsdag start (en eindigt) met een grensoverschrijdende fietstocht van Bergen op Zoom naar Essen (v.v.) en een treinretour van Essen naar Antwerpen (v.v.).

Antwerpen heb ik inmiddels vaak genoeg bekeken. Ik stoom vandaag maar direct door in zuidelijke richting, via destadsdelen Hoboken, Wilrijk en Aartselaar. Deze voorsteden groeiden in de vorige eeuw snel en hebben nu te

Boom aan de Rupel

maken met allerlei toestanden van bouwkundig en infrastructureel verval.

In Boom kom ik bij de Rupel uit: twee grote bruggen en een veerpont maken de oversteek naar zuidelijker streken mogelijk. Aan de

Spoorbrug in Boom

overkant ligt Willebroek, dat met een zeekanaal verbonden is met de hoofdstad Brussel.

De as Antwerpen-Brussel is het meest dichtbevolkte en geïndustrialiseerde deel van België. Het is er niet goed fietsen, het geraas van het vele verkeer vult mijn gehoorgangen tot aan de nok. Het is hoog tijd om een alternatieve route te zoeken. Buig ik zuidoostwaarts af, dan kom ik in Mechelen, dat inmiddels al bijna vergroeid is met Brussel. Ik sla daarom maar linksaf, in zuidwestelijke richting.

Dit is wel een prettig en landelijk fietsgebied. Ik kom in Puurs (het eindpunt van de trein uit Roosendaal) en fiets daarna temidden van boomgaarden,

Dreigende lucht in Londerzeel

weilanden en akkerbouw door Lippelo om met een wijde boog in Londerzeel te geraken. Hier bevind ik mij in de vierde Belgische provincie: Vlaams-Brabant. Dit is weer meer bebouwd gebied, maar dat is niet perongeluk: ik ben op de vlucht voor een zwaar dreigend onweer. Dan kun je maar beter de bebouwing opzoeken. Even later barst een enorm onweer los. De straten staan binnen een paar minuten blank, want het riool kan het vele water niet verwerken. Ik ben net op tijd een plaatselijk café ingedoken en ik ben niet de enige…

Het regent nooit een hele dag en na ruim een uur stap ik weer op de fiets. Ik fiets parallel aan een drukke provinciale weg richting Brussel. Het valt me op hoe lang het gebied nog landelijk blijft. Brussel ligt wat lager dan het omringende land, daardoor zie je de stad ook niet van verre. Het enige wat wel opvalt is het geraas van het autoverkeer. Er is een Boskapel waar je de stilte kunt ervaren, maar het verkeer dendert vier rijen dik op korte afstand voorbij.

In Meise kom ik dicht bij de agglommeratie Brussel, 19 afzonderlijke

Jugendstil in Brussel

gemeenten die samen 1,8 miljoen inwoners tellen. Dit is een apart stedelijk gewest, ingeklemd tussen Vlaams Brabant en Waals Brabant. In hoog tempo fiets ik richting het centrum van de stad. Ik passeer het Koninklijk Paleis in Laken, maar kan niet op tijd remmen voor een kopje thee bij de Belgische koning. Daarna kom ik door Jette, Ganshoren, Schaarbeek en Sint Jans Molenbeek. 

Bij station Brussel Zuid

Ik fiets dwars door de oude stad, als je maar voldoende zijwegen neem kom je door aardige en redelijk autoluwe straten, met vaak een nieuw aangelegde fietsstrook. Veel huizen hebben kenmerken van Jugendstil. Wat je mist in Brussel is het water: er zijn zelfs nauwelijks zwembaden. Maar ik heb mijn zwembroek ook niet bij me.

De tocht eindigt bij station Brussel Zuid, waar ik de rechstreekse trein terug naar Essen neem. Vandaag heeft de fietsteller er 110 fietskilometers bij opgeteld.

Fietsstad (?) Brussel

Brussel bestaat niet. De stad die wij Brussel noemen bestaat in werkelijkheid uit 19 zelfstandige gemeenten.

Toch maar even naar het centrum van Brussel. Tientallen jaren heb ik de stad gemeden. In 1970 fietsten we voor het eerst door de stad, en we vonden het een ramp. Daarna heb ik nog een paar pogingen gewaagd, maar de stad werd er echt niet leuker van.

Pas de afgelopen vijf jaar ben ik de Belgische hoofdstad weer wat meer gaan waarderen. Een groot deel van de bevolking heeft een spraakgebrek (ze spreken er voornamelijk Frans), maar ik denk toch wel dat ze het goed bedoelen.

Zoals ik al eerder schreef probeert Brussel in de fiets te investeren. Op veel doorgaande wegen door de stad is een heuse fietsstrook gerealiseerd. Volgens een bericht in de Métro zijn er inmiddels 28.000 fietsers in de Belgische hoofdstad. Helaas met een dip in september, want toen regende het. Misschien is dat nog wel wat kenmerkend: als het regent ga je niet op de fiets. De Nederlanders blijven dan toch wat meer in het zadel.

En nu het fietsologische probleem: hoe zit het met dat aantal van 28.000? Volgens de Amsterdamse statistieken telt die stad zo’n 800.000 fietsen. Maar hoeveel fietsers zijn dat dan?  In ieder geval constateerde ik op een koude winterdag in Brussel dat ik nog wel bijna de enige fietser was. In Amsterdam en in mijn woonplaats Delft raak je ook op een winterdag gemakkelijk verstrikt in het fietsverkeer. Maar ook in de zomer (3e foto) waren er weinig fietsers (misschien was het toen te warm…)

In sommige delen van Brussel heb je te maken met kinderhoofdjes. Een soort van kasseien, maar dan in de stad. Dat hobbelt aanzienlijk, de keien worden snel glad, ook bij regenachtig weer. Maar de voordelen zijn: het past in het straatbeeld en het bevordert de stoelgang. Maar voor het grootste deel bestaan de straten van gemeenten die samen Brussel vormen voornamelijk uit goed begaanbare asfaltwegen.

Er valt dus nog een hoop te winnen voor de fietsers in Brussel. Eerst maar eens collectief op het zadel stappen. De fietsstroken liggen er klaar voor.

Fietsstad (?) Brussel

Al eerder heb ik over Brussel geschreven. Valt er daar te fietsen? Onze eerste ervaringen (bijna een halve eeuw geleden) waren zeer negatief. En ook in latere decennia kon ik geen positief oordeel over de Belgische hoofdstad geven. Maar de tijden zijn aan het veranderen...

Op de eerste foto (die in de afgelopen zomer maakte) zie je links een fietsstrook. Vorige week fietste ik opnieuw door Brussel (jawel: met de Blue Bike!) en ziedaar: in veel straten trof ik fietsstroken aan. Ook bieden de vele eenrichtingsstraten nu mogelijkheden voor fietsers om tegen de stroom in te fietsen.

Daarnaast is de (fiets) bebording aanzienlijk verbeterd. Voorheen belandde je op de autoweg als je de richtingaanwijzers volgde, nu hebben de fietsers hun eigen markeringen. En tenslotte: overal in Brussel kun je fietsen huren. Een moderne grote stad kan niet (meer) zonder fietsers. Maar het is voor Brussel nog wel even wennen.

Daar komt nog bij dat Brussel eigenlijk niet bestaat. Wat d’n Ollander als Brussel ziet zijn 19 zelfstandige gemeenten met elk hun eigen beleid. De stad Brussel zelf telt maar 180.000 inwoners, maar samen met die andere gemeenten wonen hier bijna twee miljoen mensen.

Ik fietste door de plaatsen Brussel, Elsene (85.000 inwoners), Etterbeek (50.000 inwoners), het chique Watermael-Bosvoorde (24.000 inwoners) en het verarmde Sint Joos ten Noode (27.000 inwoners). Gelukkig kwam ik overal diezelfde fietsstroken tegen. Kennelijk probeert men binnen de agglomeratie één fietsbeleid te organiseren.

Maar de automobilisten zijn nog niet echt aan de fietser gewend. Meerdere malen moest ik een noodstop maken omdat er een auto vlak voor mij rechtsaf sloeg (dat noemen wij ‘de Franse methode’). Auto’s parkeren (net als in Duitsland) gewoon op de fietsstrook. En in het overbevolkte Sint Joos ten Noode (laatste foto) is er voor de fietser echt geen doorkomen aan.

Het is dus echt nog even wennen, in Brussel. Maar de fietser staat inmiddels al wel op de gemeentelijke agenda’s.

 

Nogmaals Brussel

De mooiste delen van Brussel zijn niet de toeristische attracties en ook niet de straten er om heen.

Loop of fiets je vanuit het Centraal Station in zuidwestelijke richting, dan zie je rechts af en toe de toren van het stadhuis aan de Grote Markt.

DSC01341Op de Grote Markt kun je op drukke dagen werkelijk over de hoofden lopen, al is dat sinds de aanslagen duidelijk minder. Maar probeer nu eens dat plein, de verleidelijke winkels vol chocolade en Manneken Pis te mijden en loop als een argeloze toerist door de straten en straatjes achter die toeristische attracties. Dan vind je prachtige authentieke straten en straatjes. Zeker, er zijn ook brede straten, soms een gevolg van doorbraken ten behoeve van het autoverkeer in de jaren ’70. Maar achter die brede straten vind je sfeervolle en authentieke stukken van de stad.

DSC01340Hoewel: authentiek? Overal worden huizenblokken opgekalefaterd en je vindt hier ook nieuwbouw. Maar de sfeer is aantrekkelijk.

Eigenlijk bestaat het oude Brussel uit een doolhof aan straten, pleinen. Omdat ik geen idee heb hoe de structuur van de plaats in elkaar steekt fiets op goed DSC01342geluk door de oude stad. Zo beland ik in een historische kerk waar op deze maandagmorgen net een Spaanstalige kerkdienst aan de gang is. Het is de Kerk van de Onze Lieve Vrouwe der Rijke Klaren aan de Rijkeklarenstraat. Tot mijn verbazing zit de kerk redelijk vol.

DSC01344Weer wat zigzaggend kom ik langs de Beurs van Brussel. Dit gebouw in neoclassicistische stijl werd halverwege de 19e eeuw gebouwd. Eén van de doelstellingen was het opvijzelen van de welstand in dit verpauperde deel van Brussel. De straat en het plein voor de Beurs zijn Brussel Theaterafgesloten voor het autoverkeer en bieden daardoor voetgangers en fietsers ruim baan.

Kortom: probeer toch maar eens Brussel op de fiets!

 

Brussel: oud, nieuw en de fiets

Sinds we voor het eerst door Brussel fietsten (in 1970) heb ik een aanzienlijke hekel aan die stad. Brussel was toen voor mij het synoniem van een stad die door projectontwikkelaars grondig werd verpest. daarnaast kreeg het autoverkeer en veel te veel ruimte. De fietser raakte in dit straatbeeld helemaal platgewalst.

Brussel 19e eeuwBij de afgelopen twee bezoeken aan de stad heb ik dat negatieve beeld bij moeten stellen. Nog steeds is Brussel een autostad, maar er wordt flink geïnvesteerd in voorzieningen voor fietsers (op de tweede foto geven de pijlen aan weerszijden van de weg de fietsstroken weer). Daarnaast worden oude wijken nu niet meer met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor sfeerloze nieuwbouw. Nee, er wordt geïnvesteerd in oude straten en wijken. Er worden zelfs allerlei hoge flats uit de jaren ’60 afgebroken.

De tegenstellingen tussen oud en nieuw zijn vooral aanwezig bij de grote stations Brussel Noord en Bruxelles Midi. Stations zijn tegenwoordig forse trekkers voor kantoren. Ze vestigen zich vaak in grote glazen kantoorkolossen. Die ontwikkeling valt ook in Brussel niet tegen te houden.

Brussel bij Station NoordTegelijkertijd stijgen de oude wijken er om heen in waarde. Overal wordt getimmerd, geverfd en opgeknapt. Een bijzondere straat is de Koning Albert II straat, waar ik me in Amerikaanse steden als Boston of Philadelphia waande: een brede groene straat, omringd door nieuwbouw uit het einde van de 19e eeuw, met op de achtergrond hoge kantoorgebouwen.

Het verschil met die Amerikaanse steden is echter dat er in Brussel wordt geïnvesteerd in het verkeer per spoor, terwijl bijna alle spoorverbindingen in de USA een kwijnend bestaan leiden. Brussel is dus echt niet alleen een autostad.