Manipulatief gedrag (3)

Mensen die manipulatief gedrag vertonen zijn vaak te herkennen aan bepaalde patronen in de communicatie. In dit blog vind je een paar voorbeelden die je Pluis-Niet-Pluis-gevoel kunnen aanvullen. 
  1. Mensen die manipuleren hebben de neiging om de ander het gevoel te geven dat hij of zij ontoereikend is. et op of je het gevoel krijgt dat je ontoereikend bent, of beoordeeld wordt. Een veelgebruikte techniek is om je in gezelschap voor gek te zetten of je te plagen zodat je je ontoereikend voelt.
  2. Het voorgaande gebeurt niet eenmalig: de persoon lijkt bij wijze van spreken verslaafd aan het geven van kritiek. Je krijgt het gevoel dat je nooit iets goeds kunt doen. Als iets 99% op orde is ziet deze persoon meteen die laatste ene procent. Ook als het als grap gebracht wordt word je er toch onzeker door.
  3. Mensen die manipuleren vergelijken jou ook graag met de ander. Andere vrouwen doen dat wel. Iedereen doet het zo, alleen jij niet. De buurvrouw houdt de keuken wél goed schoon. “Als ik het aan Rosanne zou vragen zou ze het wél doen”.
  4. Met het voorgaande hangt samen dat de persoon jou een schuldgevoel probeert aan te smeren. Een veel gehanteerde tactiek is dat jij je verantwoordelijk moet voelen voor het geluk of welzijn van de ander. “Als jij wat meer begrip zou tonen, zou je…”, of “Als je echt van me zou houden dan zou je…”, of “Ik heb dit voor jou gedaan, waarom wil jij dit niet voor mij doen? Als je dingen doet die je normaal niet zou (willen) doen ben je waarschijnlijk het slachtoffer van een manipulatieve tactiek.
  5. Je wordt tijdelijk genegeerd. Een manipulator kan je een tijd negeren, zodat je ongerust wordt en aan jezelf gaat twijfelen. Hij of zij neemt de telefoon niet op, reageert niet op appjes. Jij vraagt je af wat er aan de hand is, waardoor de ander in feite de controle over jou heeft. Als je er wat van zegt ligt de schuld bij jou: je moet niet zo achterdochtig of ongeduldig zijn.
  6. Je moet steeds excuses aanbieden. Het ligt altijd aan jou. Daarmee stelt de manipulator zich in de bovenpositie. Sommige manipulators duiken echter in de onderpositie, om daarmee medelijden op te wekken. Ze zeggen meteen dat ze fout zitten en zeggen dat ze helaas nooit iets goed doen en je vriendschap niet waard zijn. Daarmee krijgt het gesprek meteen een andere wending, want jij zult zeggen dat het zo ook weer niet bedoeld was.
Manipuleren kunnen we allemaal, maar sommige mensen zijn er vanuit hun jeugd veel meer bedreven is dan anderen. En in een aantal gevallen is die manipulatie een gevolg van narcisme of van een borderline-persoonlijkheidsorganisatie.  

Manipulatief gedrag (2)

In manipulatief gedrag zit vaak een bepaalt patroon, een soort opbouw van de communicatie. Als je wel eens naar een programma over oplichters hebt gekeken zul je dit patroon herkennen. Maar het doet zich ook dichter bij huis voor...
  1. Manipulatieve mensen beginnen vaak heel vriendelijk. Ze geven je een compliment, waardoor je je gewaardeerd voelt. Bijvoorbeeld dat je zo’n vriendelijke uitstraling hebt, dat je je zo goed verzorgd gekleed hebt, dat je zo’n prettige stem hebt, dat je zo lekker gekookt hebt. Dat kan op zichzelf allemaal waar en welgemeend zijn. Maar bij mensen die je niet goed kent en die zo van wal steken kan er een adder onder het verbale gras verborgen zitten.

2. De ander laat jou veel vertellen over jezelf, waardoor je je gezien en gehoord voelt. Maar de persoon vertelt weinig over zichzelf. Hoewel: hij vertelt wel veel, maar weinig zaken die de binnenkant raken. Dat wat jij vertelt over jezelf wordt ingezet in de tweede fase.

3. Pas als de complimenten verwerkt en de informatie binnengehaald is komt er een tweede fase. De persoon gaat dingen van jou vragen. Je bent zo knap, hij zou best een weekendje met je op stap willen. Of hij of zij begint over tijdelijk financieel ongemak. Hij heeft genoeg geld op de bank, maar hij kan er net even niet bij en hij moet de aanbetaling doen voor een nieuwe auto, anders gaat de aankoop niet door.

4. Als je niet doet wat de persoon wil of als je aarzelt ontstaat er dwingend gedrag. Een manipulatief persoon probeert mensen over te halen. Dat kan door vriendelijk te zijn, door harder te gaan praten, door te vertellen dat het anders helemaal mis met hem gaat (‘dan is het jouw schuld als ik mezelf iets aan doe’). Jij wordt verantwoordelijk gesteld voor zijn (on)geluk.

5. Opvallend is ook vaak het zeer wisselende gedrag, waardoor je van slag raakt. Iemand wordt boos, dwingt jou en erkent daarna ruiterlijk dat hij fout zat en brengt een enorme bos bloemen voor je mee. Maar omdat hij die bloemen mee heeft gebracht smelt je hart en begint het verhaal opnieuw…

6. De feiten worden gemanipuleerd. Als iemand feiten verdraait, of probeert je te overweldigen met feiten en informatie, is er waarschijnlijk sprake van manipulatie. De feiten kunnen worden verdraaid door te liegen, smoesjes te verzinnen, informatie achter te houden, of te overdrijven. Een bekende vorm is het ‘gaslighten’: het verhaal zo verdraaien dat je aan jezelf gaat twijfelen. Het draait allemaal om de macht.

7. Iets doen voor jou waar je niet om gevraagd hebt. Dat is natuurlijk heel aardig, maar de manipulator doet het niet voor jou, maar voor zichzelf. Door je “een dienst te bewijzen”, verwacht hij/zij dat je er iets voor terug doet, en kan hij/zij klagen als dat niet gebeurt.

8. Wentelen in de slachtofferrol. De manipulator gebruikt slachtoffertaal: het is hem allemaal overkomen, hij kon er niets aan doen, hij is zielig, niemand houdt van hem en de anderen hebben hem dit allemaal aangedaan.

Waarschijnlijk herken je in dit gedrag kenmerken die passen bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis of bij de borderline persoonlijkheidsorganisatie. 

Borderline Times (7)

Gemeenschappelijke kenmerken in de samenleving zijn volgens de Belgische psychiater Dirk de Wachter: a) verlatingsangst, b) instabiele en intense relaties, c) onaangepaste agressie en d) identiteitsstoornissen. Het volgende punt is de Affectlabiliteit. Die hangt samen met falend zelfbeeld.

In de DSM V wordt gesproken over de emotieregulatiestoornis. Dat kon Dirk de Wachter nog niet weten toen hij van zijn vrouw een boek mocht schrijven. Een stoornis in het reguleren van de emoties is kenmerkend voor de borderline-problematiek.

Als je niet weet wie je bent en of je er onvoorwaardelijk mag zijn besta je slechts bij de gratie van je buitenkant, zoals: hoe zie ik er uit? De eerste grijze haren zijn een bijna onoverkomelijke ramp. De eerste leesbril is een horror-scenario. Gelukkig had ik pas vanaf mijn 70e een leesbril nodig. Dat is laat genoeg om niet meer op te vallen.

‘Zie ik er nog wel goed genoeg uit?’ en ‘Ben ik nog wel leuk genoeg?’ lijken de belangrijkste vragen in de westerse samenleving te zijn. Als iemand vindt ‘dat je er wel eens beter uit hebt gezien’ of dat iets ‘minder goed bij jou past’ stort het hele bestaan in. De Wachter schrijft in dit verband over de kick-cultuur. Het moet allemaal maximaal spannend zijn. Dat verklaart ook de behoefte aan heftige drugs, want een gewone party is niet leuk genoeg.

In deze samenleving is gewoon thuis blijven geen optie. Als je een dag vrij bent moet je persé iets leuks doen. Een vrije dag is voor kinderen per definitie een dag waarop iets gedaan moet worden. Niet thuis, maar buitenshuis.

Datzelfde komt ook tot uiting in de manier waarop we naar relaties kijken. “Hoe breng ik meer spanning in mijn relatie?”

En de heersende visie? Dat is de visie van degene die de meeste stemmen krijgt of de meeste kijkers trekt. Ziehier: het populisme.

De huidige generatie bestaat uit miljoenen mensen als homo consumens. Het leven is de moeite waard zolang je maar zoveel mogelijk nieuwe prikkels op kunt doen. Ondertussen: “We genieten ons te pletter, maar niemand is tevreden”.

De keerzijde van dit alles: als het niet meer lukt stelt het allemaal niets meer voor. Het is alles of niets…

Aldus: psychiater Dirk de Wachter in het boek 'Borderline Times'  (Lannoo, 2012; 36e druk 2021).  

Afweermechanismen (4)

Ook psychiater Otto Kernberg - net zoals Sigmund Freud afkomstig uit Wenen - heeft veel studie gedaan naar afweermechanismen. Daarbij is het onderwerp dat het meest in de aandacht staat de borderline persoonlijkheidsorganisatie (Kernberg spreekt dus niet van een stoornis, maar van een organisatie). 

Narcisme en borderline

Opmerkelijk is dat Otto Kernberg narcisme en borderline op één lijn plaatst. Hij noemt narcisme in feite een verdedigingsmechanisme tegen de borderline persoonlijkheidsorganisatie. Om het plat te zeggen: narcisme is een verdrongen borderline-stoornis.

Mensen met borderline zijn (in feite) erg afhankelijk van (de mensen in) hun omgeving. De narcist heeft tegen dat idee een muur voor zichzelf opgebouwd. Hij heeft die ander helemaal niet nodig. Om afhankelijkheid uit te sluiten is hij heel tevreden met zichzelf. Maar – aldus Kernberg – van binnen zit dezelfde leegte als bij borderline.

In de therapie zal de narcist ook nooit erkennen dat hij de therapeut nodig heeft, want afhankelijkheid wordt als een ramp ervaren. Hij weet het dus beter dan de therapeut. Niet zelden ontstaat er een soort van wedstrijd tussen de therapeut en de persoon met narcisme, waarbij de persoon met narcisme de kennis van de therapeut bagatelliseert of zelfs belachelijk maakt.

Primitieve en rijpe afweer

Evenals Vaillant (blog van gisteren) maakt ook Otto Kernberg in zijn model over de persoonlijkheidsorganisatie onderscheid tussen primitieve afweer en rijpe afweer. Primitieve afweer brengt hij in verband met een psychotische persoonlijkheidsstructuur en rijpe afweer brengt hij in verband met een neurotische persoonlijkheidsstructuur. Mensen met een borderline persoonlijkheidsstructuur maken wisselend gebruik van zowel primitieve als rijpe afweer. Dat maakt hen ook onvoorspelbaar in het contact.

Polder en persoonlijkheidsorganisatie

Mensen hebben afweermechanismen nodig om te kunnen functioneren. Iedereen komt in zijn leven zaken tegen die hij of zij moeilijk kan verwerken. Om overeind te blijven heb je afweer nodig, precies zoals een polder een dijk nodig heeft om niet onder water te lopen. We zijn ons dat meestal niet zo bewust, maar we zijn steeds op allerlei manieren bezig om het hoofd psychisch boven water te houden.

In de gedachte van Kernberg is het zo dat hoe zwakker het ‘ik’ is, des te meer afweer er nodig is. De dijk moet dan dus hoger zijn. Als het ‘ik’ gefragmenteerd is (je weet niet eens meer wie je bent, dat is bij borderline het geval) ben je eigenlijk de hele tijd bezig met het verleggen van zandzakken om te voorkomen dat de dijk niet instort. Ik zeg het nu overigens in mijn eigen woorden, want Kernberg heeft nooit in een polder gewoond.

Een volwassene die een goede relatie met zichzelf heeft en met zijn omgeving heeft minder afweer nodig en houdt dus meer energie over voor een gezonde ontwikkeling. Maar ook die volwassene maakt gebruik van zijn afweermechanismen. 

Splitting (8)

De één wordt op een voetstuk gezet en de ander kan het nooit goed doen. Dat is kenmerkend voor het verschijnsel 'splitting'. Het is één van de meest bekende karakteristieken van borderline, maar je ziet het ook breder bij o.a. narcisme. 

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van aantrekken en afstoten – liggen.

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Affecthonger

Desondanks zie je vaak dat een deel van deze kinderen naar volwassenen trekt. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Dat is een klempositie waarin vooral opvoeders terecht komen die zelf ook emotionele tekorten hebben ervaren en het daardoor extra goed willen doen. Dat is een mooi mechanisme, maar het werkt juist bij deze kinderen averechts. Je moet op een vriendelijke manier jezelf beschermen en de grens stellen. 

Splitting (5)

Aan de basis van het splitten ligt het onvermogen van het kind om in grijstinten te denken. De ander is óf goed, óf gevaarlijk. Je vertrouwt iemand óf je vertrouwt die persoon niet. 

Bij dat zwart-wit denken hoort de verwachting dat de goede het altijd met jou eens zal zijn en jou ter wille zal zijn. Het valt niet te verdragen dat de ander een keer ‘nee’ zegt. Waarom wordt dat niet verdragen? Omdat het ‘nee’ zeggen wordt ervaren als een persoonlijke afwijzing. De peuter/kleuter is nog niet in staat om gedrag van persoon te scheiden. Als de volwassene stopt met met hem spelen omdat er nu eenmaal ook andere dingen in huis moeten gebeuren wordt dat als afwijzing gezien.

Nog even in de herhaling:

De Volwassene speelt met kind, moet daarna iets anders doen > kind is teleurgesteld, maar gaat daarna toch verder. Het wordt verdragen dat de volwassene tijdelijk meer afstand houdt, want straks komt het wel weer goed.

B1. Volwassene speelt met kind, moet daarna iets anders doen > kind is woedend. Voelt zich als persoon afgewezen door een oppermachtige en bedreigende omgeving.

B2. Angst camoufleren door zichzelf groot te maken: brutaal zijn tegen Zwarte Piet

C. Ieder kind is uit op controle. Controle is ook: herhaling van patronen: wéér straf krijgen.

Verschil tussen narcisme en borderline

Mensen met narcisme zijn controlerend ten opzichte van de partner; ze willen de ander onder controle houden. Dat verklaart ook de stalking die zo kenmerkend is voor mensen met narcistische trekken. Het feit dat de ander er niet voor de persoon is (op afstand is) wordt als afwijzing en als krenking ervaren.

Bij mensen met borderline zie je een andere dynamiek in de relatie: die van aantrekken en afstoten: “Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt.” Aan de ene kant is er de neiging om veel ruimte op te eisen, aan de andere kant is het ook weer bedreigend als de ander afstand neemt. Dat leidt weer tot ‘claimen’: op allerlei manieren proberen de ander terug te halen. Dat gaat korte tijd goed en daarna begint het afstoten weer omdat nabijheid ook als bedreigend wordt ervaren.

Opmerkelijk is dat uit verschillende studies blijkt dat mensen met narcisme en mensen met borderline elkaar aantrekken. Maar je ziet dus tegelijkertijd ook het mechanisme van afstoting, waarbij de narcist koste wat het kost toch de nabijheid van de partner wil behouden.

Het oordeel over de ander wisselt daarbij van 'de beste man/vrouw die ik ooit ontmoet heb' tot 'de meest wrede potentaat met wie ik ooit te maken heb gehad'. Dat iemand goede en slechte kanten heeft past niet binnen dit denken. 

Reacties op ‘splitting’

Henk R stuurde een link naar een artikel van Annemarie de Clerq. Ik haal daar enkele punten uit, en verwerk ze op mijn eigen manier. Ze gaan over de vraag hoe je jezelf kunt beschermen tegen 'splitters'. Daarna stop ik even met de serie over splitting en pak ik even een paar andere losse onderwerpen. Anders ga ik mezelf nog splitsen. 
  1. Geef jezelf de schuld niet. Mensen die splitten verdraaien gemakkelijk de werkelijkheid, dat zit in hun ‘systeem’. Een thema dat daarbij past is de cognitieve dissonantie. Maar dat is hun zorg en niet die van jou. Je hoeft hen niet te overtuigen van het tegendeel.

2. Probeer de ideëen en de gedachten van de ander niet op allerlei manieren te veranderen. Gedraag je dan ook niet als gedachtencontroleur. Dat werkt niet. Naarmate we verder in de strijd zitten zetten we vaak meer manipulatieve technieken in. Dat werkt niet. Bedenk dat iedereen op zijn eigen manier naar een zaak kijkt. “Iedereen heeft recht op zijn eigen ongelijk”.

3. Al weet de ander nog zo zeker dat de één een topper is en dat de ander nergens voor deugt: geef je eigen realiteit over een persoon of groep niet op. Isoleer je niet van gezonde vriendschappen, familie, sociale groepen, alleen maar om ‘de vrede te bewaren’.

4. Meningsverschillen horen erbij. Zo zit het leven nu eenmaal in elkaar. Probeer de ander dus niet op allerlei manieren te overtuigen. Probeer de koers te varen van ‘dit vind ik, dat vind jij’.

5. Aansluitend daarop: Respecteer het recht op een eigen standpunt (ook al weet je voor 95% dat het niet waar is) en geef ook aan dat jij recht hebt op een eigen kijk. “Dank je wel voor het uiten van je mening, maar ik heb duidelijk een verschillende mening over dit onderwerp”.

6. Ga er echter ook niet automatisch vanuit dat alles wat de ander gelooft of zegt, per definitie niet waar is. Dan maak je dezelfde fout als de ‘splitter’.

7. Ik heb al vaker geschreven over de Expressed Emotion. Een hoge betrokkenheid bij een onderwerp is een valkuil, waar iemand die ‘split’ gemakkelijk misbruik van maakt. “Lower your voice”. Probeer zo rustig en objectief mogelijk te blijven. Dus: een lage EE.

8. Je kunt de splitter niet overtuigen van het tegendeel. Dat moet dus ook niet het doel van het gesprek zijn. Agree to disagree. Probeer ermee akkoord te gaan dat we het nu eenmaal met elkaar oneens zijn.

Vrij naar een blog van de Vlaamse orthopedagoge Annemie Declerq, met dank voor de verwijzing door blogvolger en vroegere collega Henk R. 

Splitting (2)

Je bent met een peuter aan het spelen. Bijna elke peuter vindt één op één contact  geweldig. Maar je hebt niet de hele dag de tijd. Er moet ook nog gewerkt worden.  Je bouwt het spel af. Hoe reageert de peuter?

A. De peuter is teleurgesteld. Dat is een normale reactie. Je kunt het vergelijken met het uit bad halen van de baby. Vanuit het warme water de koude wereld weer in. In het geval van de peuter: hij is even teleurgesteld, maar gaat daarna weer verder met dit spel of met een ander spel. Het kind kan het stoppen van het contact verdragen en herstelt zich weer.

B. De peuter is boos. Als er sprake is van ik-ontwikkeling is het een signaal van het zich afgewezen voelen. De peuter voelt zich als persoon afgewezen door een oppermachtige en bedreigende omgeving. Soms komt hij uit boosheid en frustratie ook niet meer tot constructief spel. Er zijn kinderen die vervolgens passief worden, maar de boosheid vertaalt zich in bijvoorbeeld fanatiek duimzuigen of wiebelen (‘rocking’).

C. De peuter is boos, maar ook bang. Boosheid en angst liggen als emoties vlak naast elkaar en zijn voor peuters nauwelijks van elkaar te scheiden. Hij camoufleert zijn angst door zichzelf groot te maken. Hij kan bijvoorbeeld erg brutaal reageren en iets uithalen wat niet mag. In de broek plassen is ook een bekend fenomeen bij peuters.

D. Elk kind wil graag controle (alle volwassenen trouwens ook). Bij het gedrag van kinderen kan zich dat uiten in uitdagend gedrag. De herhaling van patronen: ervoor zorgen dat je (opnieuw) straf krijgt.

Bij volwassenen kun je dit gedrag terug zien bij mensen die zich snel terkort gedaan voelen. Even wat minder aandacht wordt ervaren als afwijzing. Deze reactie past o.a. in sterke mate bij de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Eigen hechting en opvoeding (3)

Van de verschillende soorten hechtingsstijlen vanuit de opvoeder leidt de gedesorganiseerde gehechtheid tot het meest sterke gevoel van emotionele onveiligheid bij het kind.

De ouder is niet de bron van veiligheid voor het kind, maar de ouder vormt juist de bron van onveiligheid, van angst. Toch blijven alle kinderen – zeker de jongere kinderen – de veiligheid bij de ouder zoeken. Kinderen zijn oneindig loyaal, totdat ze uiteindelijk de moed opgeven.

De ouder is onvoorspelbaar: het kind weet niet waar het aan toe is. De ene keer reageert de ouder met liefde en met troost, de andere keer krijgt het kind er juist erg van langs terwijl het zich op dezelfde wijze als op een eerder moment gedroeg.

Het wisselende beeld dat de opvoeder laat zien is voor kinderen in emotioneel  opzicht nog schadelijker dan een kille, maar voorspelbare opvoeding.

De ouder vertoont sterk wisselende emoties, die vaak een extreme kleur krijgen. Van hyper-positief en warm tot extreem kil, en dat kan binnen enkele minuten omslaan. Grijstinten (een beetje blij, een beetje boos) bestaan niet. Het kind is daardoor altijd op zijn hoede.

In dat verband schreef ik het verhaal over Johan, 'de jongen onder de tafel'. Johan ging altijd onder de tafel zitten als zijn vader de trap van de Amsterdamse bovenwoning op kwam. Van onder de tafel observeerde hij dan eerst hoe de stemming van zijn vader was. Was de stemming negatief, dan liet Johan zich uren lang niet zien. 

Opmerkelijk is dat ze opvoeder zich als Redder ziet (‘Ik vecht als een leeuwin voor mijn kinderen’ zegt de ‘pannenkoekenmoeder’ in een TV-documentaire over de Jeugdzorg). De opvoeder weet het ook altijd beter dan anderen, zoals de leerkracht op school. Soms weet een ouder het ook echt beter, maar kenmerkend voor deze ouders is dat ze alle controle willen houden en geen andere mening toelaten. Ernstiger is dat dezelfde ouder als het er op aan komt niet beschikbaar is voor het kind.

Het gevolg van deze opvoedingsstijl is dat kinderen altijd op hun hoede zijn. Ze ontwikkelen gedragskenmerken waarbij afhankelijkheid en vijandigheid door elkaar lopen. Ze ontwikkelen ook geen emotionele stabiliteit, er is sprake van voortdurende onrust. De 'gevoelsthermostaat' is en blijft van slag. De psychopathologie die met dit gedrag verband houdt is die van de borderline persoonlijkheidsstoornis. 

Neurose, psychose en borderline

Soms pak ik in de haast een oud aantekenblok mee waar ik dan ook weer oude aantekeningen vind die weer als nieuw voor mij zijn. Kennelijk is mijn bovenkamer wat poreus geworden.

Het volgende schema vond ik wel aardig.

1. Bij een neurotische persoonlijkheid is:

a) de identiteit geïnternaliseerd: je weet wie je bent.

b) de afweermechanismen die gehanteerd worden zijn redelijk passend bij de persoon. Je hebt ze wel opvallend veel nodig om staande te blijven. De energie gaat dus in de verkeerde dingen zitten. Vandaar dat veel neurotische mensen zich vaak moe voelen.

c) Ook de realiteitstoetsing is in orde. Je ziet niet steeds dingen die er niet zijn, fantasie en werkelijkheid lopen niet voortdurend door elkaar. Het is dus nog niet zo gek om neurotisch te zijn.

d) Conflicten worden bij voorkeur vermeden of ontkend, vermijding van lastige situaties en uitstel van beslissingen komen veel voor.

2).  Als er sprake is van psychotische kenmerken zien we dat:

a) de identiteit onsamenhangend is: de persoon ‘fragmenteert’, hij kan tegelijkertijd zeer wisselende gedaantes aannemen. Een criterium is dat de omgeving de gesprekken als ‘bizar’ ervaart, men raakt in verwarring.

b) de afweermechanismen zijn primitief

c) de realiteitstoetsing is afwezig: slechts de eigen beleving klopt (wanen en hallucinaties).

d) bij spanningen kunnen almachtsgevoelens een rol gaan spelen: de persoon denkt dat hij de wereld kan besturen of omgekeerd: dat iedereen het op hem voorzien heeft (paranoïdie).

3. Bij de borderline persoonlijkheid is:

a) de identiteit diffuus: de persoon in kwestie heeft een zeer wisselend beeld van zichzelf en ook de omgeving staat steeds voor verrassingen: wie hebben we nu voor ons? Zo zag ik onlangs een paar keer achter elkaar een persoon met deze diagnose die zich zó verschillend aan had gekleed dat ik me steeds weer opnieuw moest afvragen wie het nu eigenlijk was: van heel stoer tot superkinderlijk, met pikzwart haar tot en met heel blond.

b) de afweermechanismen die gehanteerd worden zijn primitief, passend bij een jongere leeftijd (bijvoorbeeld het splitten of het onderscheid maken tussen een goed stuk zelf en een stout stuk zelf; zoals de peuter het kan hebben over een ‘stout handje’).

c) de realiteitstoetsing is wisselend, deze kan intact zijn, maar op bepaalde momenten kunnen fantasie en werkelijkheid ook weer totaal door elkaar lopen.

d) bij spanningen en conflicten kunnen alle remmen los gaan, het kan er zeer heftig aan toe gaan, maar ook komt voor dat er zwart-wit schema’s ontstaan (splitting), waarbij de één dé boosdoener is en de ander op een voetstuk wordt gezet of als bondgenoot er bij wordt gehaald (“jij vindt dat ik fout zit, maar Johan vindt mij de beste medewerker van de organisatie”). Opnieuw is kenmerkend bij borderline dat de reactie zo wisselend kan zijn (‘het enig voorspelbare bij een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis is het onvoorspelbare’).

Vraag je me nu waar ik deze informatie vandaan heb: helaas, dat weet ik niet meer… Een gevalletje verdringing misschien?