Borderline en verstoorde hechting (2)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). Het ontstaan van borderline kun je volgens hen niet zo eenduidig toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

 Onveilige hechting

Echter: patronen die wijzen op onveilige hechtingsstijlen in het gezin laten een duidelijker verband zien met het ontstaan van een borderline persoonlijkheids-stoornis. Daarbij bestaat er correlatie tussen kenmerkende eigenschappen van mensen met borderline (problemen met intimiteit, spanning tussen autonomie en behoefte aan nabijheid) en problemen in de hechting. Bijvoorbeeld bij de angstig-ambivalente hechting: het kind wil nabijheid en wijst deze nabijheid ook af.

Omgaan met angst

Ook komt sterk naar voren dat er enerzijds sprake is van grote moeite met het beheersen van angst en anderzijds zijn relaties voor mensen met borderline complex: ze zoeken veiligheid in relaties, hopen daarin houvast te vinden, maar die afhankelijkheid is tegelijkertijd zeer beangstigend. Dat zou volgens de auteurs ook kenmerkend zijn geweest binnen het gezin: enerzijds klein moeten blijven (weinig autonomie) en aan de andere kant  bood dezelfde nabijheid ook geen veiligheid.

Rol van moeders

Opmerkelijk in dit onderzoek is dat aan de rol van de moeders in de gezinnen bij het ontstaan van borderline problematiek een duidelijk grotere rol wordt toegeschreven dan aan de vaders. Kenmerkende patronen bleken te zijn: minder sensitief (niet goed de behoeften van het kind in kaart hebben), minder zorg en aandacht en tegelijkertijd overbeschermend en wonderlijk genoeg daarnaast ook weer ‘toegeeflijk’ (‘je gaat je gang maar’).

Je zou kunnen samenvatten: weinig voorspelbaar. De ene keer zit je moeder er bovenop en de volgende keer heeft ze niet eens het idee wat er met je aan de hand is en word je ook niet gemist. De auteurs verklaren uit deze ambivalente houding het kenmerkende ‘splitting’ bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Kwaliteit van de hechting als belangrijke factor

Uiteindelijk concluderen de auteurs dat de wijze waarop het kind zich in het gezin heeft kunnen hechten een betere verklaring biedt voor het ontwikkelen van een borderline persoonlijkheidsstoornis dan traumatische ervaringen die het kind op jonge leeftijd heeft ervaren.     

Ik voeg daar nog wel aan toe dat veilige hechting tevens maakt dat een kind beter in staat is om traumatische ervaringen te verwerken. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat bij een onveilige hechting ook de impact van trauma’s groter is. Er is bij het ontstaan van borderlineproblematiek sprake van een opeenstapeling van belastende factoren vanuit de jeugd.                                              

    

Borderline en verstoorde hechting (1)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). 

 Jarenlang heeft de gedachte overheerst dat borderline stoornissen verklaard moeten worden uit emotionele trauma’s die een kind heeft opgelopen op jonge leeftijd. Op zichzelf is dat niet zo vreemd, want een kind dat fysiek, geestelijk of seksueel misbruik ervaart zal de ouders als minder zorgzaam ervaren en op basis van die ervaringen ook afwijkende gedragspatronen gaan ontwikkelen. En dat is één van de overheersende kenmerken bij borderline-problematiek.

  Toch vinden de auteurs deze focus op traumatische ervaringen te ‘smal’ om hierbij te denken aan ‘de’ verklaring voor borderline.

Andere verklaringen

De auteurs citeren verschillende onderzoeken waarbij alternatieve verklaringen naar voren komen. Enkele onderzoeken zijn gebaseerd op gestructureerde interviews met mensen die de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis hebben gekregen.

Opmerkelijk was de combinatie die één van de onderzoekers meldde: mensen met borderline vertellen aan de ene kant dat hun ouders onvoldoende zorg aan hen besteedden en anderzijds dat ze hun ouders juist als overbeschermend hebben ervaren. Mijn interpretatie is dat ze mogelijk weinig betrokkenheid hebben ervaren, maar wel veel controle (regels). Of nog meer: als de ouder boos wordt leidt dit direct tot een overkill aan regels (eerst wordt het kind niet gezien, daarna corrigeert moeder het kind, het luistert niet en vervolgens moet het een week binnen blijven). 

Psychiatrie en borderline

Een ander onderzoek ging over de vraag of er verschillen gerapporteerd worden tussen vrouwen met borderline problematiek en vrouwen die vanwege andere psychiatrische problemen werden opgenomen in een instelling.

Het bleek dat vrouwen die vanwege andere diagnoses in psychiatrische instellingen verbleven vroeger thuis veel minder vaak te maken hadden gehad met afwijzing, met verbroken relaties, met verlating en met een chaotische gezinsstructuur dan vrouwen met de diagnose borderline. Met andere woorden: ook kinderen uit redelijk harmonieuze gezinnen kunnen ernstige psychische problemen ontwikkelen, maar bij mensen met borderline lijkt wel vroeger duidelijker sprake te zijn geweest van verstoorde interacties binnen het gezin.

Nieuw onderzoek

Nickell, Waudby en Trull wilden meer onderzoek doen naar de relatie tussen de onveilige en/of verstoorde hechting en borderline. Ze maakten daarbij gebruik van de gegevens van een steekproef van bijna 400 mensen. Een deel van het onderzoeksverslag bevat de wetenschappelijke verantwoording en statistische onderbouwing van dit onderzoek.

De resultaten tonen aan dat lichamelijke en/of geestelijke mishandeling en verwaarlozing alléén onvoldoende verklaring bieden voor het ontstaan van borderline problematiek. Het ontstaan van borderline kun je dus niet per definitie alleen toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

Borderline en verstoorde hechting

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2).

Jarenlang heeft de gedachte overheerst dat borderline stoornissen verklaard moeten worden uit emotionele trauma’s die een kind heeft opgelopen op jonge leeftijd.

Op zichzelf is dat niet zo vreemd, want een kind dat fysiek, geestelijk of seksueel misbruik ervaart zal de ouders als minder zorgzaam ervaren en op basis van die ervaringen ook afwijkende gedragspatronen gaan ontwikkelen. En dat is één van de overheersende kenmerken bij borderline-problematiek.

Toch vinden de auteurs deze focus op traumatische ervaringen te ‘smal’ om hierbij te denken aan ‘de’ verklaring voor borderline.

Andere verklaringen

De auteurs citeren verschillende onderzoeken waarbij alternatieve verklaringen naar voren komen. Enkele onderzoeken zijn gebaseerd op gestructureerde interviews met mensen die de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis hebben gekregen.

Opmerkelijk was de combinatie die één van de onderzoekers meldde: mensen met borderline vertellen aan de ene kant dat hun ouders onvoldoende zorg aan hen besteedden en anderzijds dat ze hun ouders juist als overbeschermend hebben ervaren. Mijn interpretatie is dat ze mogelijk weinig betrokkenheid hebben ervaren, maar wel veel controle (regels). Of nog meer: als de ouder boos wordt leidt dit direct tot een overkill aan regels (eerst wordt het kind niet gezien, daarna corrigeert moeder het kind, het luistert niet en vervolgens moet het een week binnen blijven). 

Psychiatrie en borderline

Een ander onderzoek ging over de vraag of er verschillen gerapporteerd worden tussen vrouwen met borderline problematiek en vrouwen die vanwege andere psychiatrische problemen werden opgenomen in een instelling.

Het bleek dat vrouwen die vanwege andere diagnoses in psychiatrische instellingen verbleven vroeger thuis veel minder vaak te maken hadden gehad met afwijzing, met verbroken relaties, met verlating en met een chaotische gezinsstructuur dan vrouwen met de diagnose borderline. Met andere woorden: ook kinderen uit redelijk harmonieuze gezinnen kunnen ernstige psychische problemen ontwikkelen, maar bij mensen met borderline lijkt wel vroeger duidelijker sprake te zijn geweest van verstoorde interacties binnen het gezin.

Nieuw onderzoek

Nickell, Waudby en Trull wilden meer onderzoek doen naar de relatie tussen de onveilige en/of verstoorde hechting en borderline. Ze maakten daarbij gebruik van de gegevens van een steekproef van bijna 400 mensen. Een deel van het onderzoeksverslag bevat de wetenschappelijke verantwoording en statistische onderbouwing van dit onderzoek.

De resultaten tonen aan dat lichamelijke en/of geestelijke mishandeling en verwaarlozing onvoldoende verklaring bieden voor het ontstaan van borderline problematiek. Het ontstaan van borderline kun je dus niet zo eenduidig toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

Onveilige hechting

Echter: patronen die wijzen op onveilige hechtingsstijlen in het gezin laten een duidelijker verband zien met het ontstaan van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarbij bestaat er correlatie tussen kenmerkende eigenschappen van mensen met borderline (problemen met intimiteit, spanning tussen autonomie en behoefte aan nabijheid) en problemen in de hechting. Bijvoorbeeld bij de angstig-ambivalente hechting: het kind wil nabijheid en wijst deze nabijheid ook af.

Omgaan met angst

Ook komt sterk naar voren dat er enerzijds sprake is van grote moeite met het beheersen van angst en anderzijds zijn relaties voor mensen met borderline complex: ze zoeken veiligheid in relaties, hopen daarin houvast te vinden, maar die afhankelijkheid is tegelijkertijd zeer beangstigend. Dat zou volgens de auteurs ook kenmerkend zijn geweest binnen het gezin: enerzijds klein moeten blijven (weinig autonomie) en aan de andere kant  bood dezelfde nabijheid ook geen veiligheid.

Rol van moeders

Opmerkelijk in dit onderzoek is dat aan de rol van de moeders in de gezinnen bij het ontstaan van borderline problematiek een duidelijk grotere rol wordt toegeschreven dan aan de vaders.

Kenmerkende patronen bleken te zijn: minder sensitief (niet goed de behoeften van het kind in kaart hebben), minder zorg en aandacht en tegelijkertijd overbeschermend en wonderlijk genoeg daarnaast ook weer ‘toegeeflijk’ (‘je gaat je gang maar’).

Je zou kunnen samenvatten: weinig voorspelbaar. De ene keer zit je moeder er bovenop en de volgende keer heeft ze niet eens het idee wat er met je aan de hand is en word je ook niet gemist. De auteurs verklaren uit deze ambivalente houding het kenmerkende ‘splitting’ bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Uiteindelijk concluderen de auteurs dat de wijze waarop het kind zich in het gezin heeft kunnen hechten een betere verklaring biedt voor het ontwikkelen van een borderline persoonlijkheidsstoornis dan traumatische ervaringen die het kind op jonge leeftijd heeft ervaren.

Ik voeg daar nog wel aan toe dat veilige hechting tevens maakt dat een kind beter in staat is om traumatische ervaringen te verwerken. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat bij een onveilige hechting ook de impact van trauma’s groter is. Er is bij het ontstaan van borderlineproblematiek sprake van een opeenstapeling van belastende factoren vanuit de jeugd.

Borderline en hechting

Ik doe even een sprong voorwaarts.

Dramatisch en onvoorspelbaar

Het tweede cluster persoonlijkheidsstoornissen is het dramatische en onvoorspelbare cluster. Daaronder vallen de narcistische persoonlijkheidsstoornis, de antisociale persoonlijkheidsstoornis, de theatrale persoonlijkheidsstoornis en de borderline persoonlijkheidsstoornis.

Ik-gericht

Kijk je naar de borderline-persoonlijkheidsstoornis, dan zie je dat mensen met borderline alle trekken van de andere stoornissen binnen dit cluster kunnen vertonen. Ze kunnen heel erg ‘ik-gericht’ zijn, ze kunnen de neiging hebben om zich van maatschappelijke regels niets aan te trekken, en ze willen zichzelf nogal eens in het centrum van de belangstelling plaatsen.

Gevoelsthermostaat is stuk

Maar het meest opvallende kenmerk van borderline is de onvoorspelbaarheid. Daarom wordt het tegenwoordig ook wel een emotie-regulatiestoornis genoemd. Ik zeg wel eens: ‘de gevoelsthermostaat is stuk’. ‘Het enige voorspelbare aan de borderliner is de onvoorspelbaarheid’ schreef een psychiater. Die onvoorspelbaarheid leidt bij de opvoeding vaak tot verstoorde hechting bij kinderen. Kinderen hebben stabiele, voorspelbare ouders nodig. Als je moeder eerst heel lief tegen je doet en daarna weer zeer heftig explosief gedrag vertoont maakt dat een kind angstig: het weet niet meer wat het kan verwachten.

Spectrum van borderline stoornissen

Tegelijkertijd wordt steeds meer duidelijk dat borderline in allerlei gradaties bestaat. Dat geldt trouwens ook voor stoornissen als autisme en ADHD. Je zou eigenlijk moeten spreken van een spectrum van borderline stoornissen.

Gedesorganiseerde gehechtheid

Ik heb borderline al jaren lang in verband gebracht met gedesorganiseerde gehechtheid. Peuters en kleuters die gedesorganiseerd gehecht zijn vertonen zeer wisselend gedrag. Ze kunnen heel ‘groot’ reageren als er iets heftigs gebeurt en opeens heel dramatisch reageren – alsof de wereld vergaat – als er een steentje in de schoen zit. En dat niet eenmalig, maar jaren achter elkaar als reactiepatroon.

Jim kwam bij mij om te praten over iets wat hij had meegemaakt en waar hij heel erg van was geschrokken. Hij was ’s avonds na de disco aangevallen door een medecliënt. De gevolgen waren te zien aan zijn hand en zijn gezicht: schrammen en blauwe plekken. Ik vond het knap van hem dat hij zo goed kon vertellen wat er was gebeurd. Zat hier een jongeman bij mij op kantoor die in sociaal-emotioneel opzicht vergelijkbaar was met een peuter?

Even later werd Jim ontzettend boos. Hij begon te schelden en wilde direct weglopen. Als het zo moest sprong hij wel voor de trein. De reden: ik had geen koekje voor hem bij de koffie…

Angstig en vermijdend

Vorige week hoorde ik een lezing van iemand die is gespecialiseerd in borderline. Ook hij legde een link met onveilige hechting.  Volgens hem wisselen mensen met borderline de angstig-ambivalente hechtingspatronen af met de vermijdende hechtingspatronen. 

Bij angstig-ambivalente gehechtheid ligt het accent op het zoeken van nabijheid en de angst om alleen gelaten te worden. Bij angstig-vermijdende gehechtheid ligt juist de nadruk op het het alleen willen doen en geen hulp nodig hebben. Omdat iemand met borderline op het ene moment heel veel steun vraagt (eist is een beter woord) en op het andere moment juist weer alles zelf wil doen komt het gedrag vaak manipulatief over. Ik wil jouw advies, maar ik doe toch niet wat jij zegt, want ik wil mijn eigen gang kunnen gaan.

Hechting en trauma (2)

Het vorige blog is uiteraard niet bedoeld om de ernst van een trauma te ontkennen. Voor zover mogelijk moet het behandeld worden. Met name voor enkelvoudige trauma’s is er tegenwoordig een zeer effectieve behandeling: EMDR. Maar het is ook belangrijk dat een trauma niet dé oorzaak is van alle problemen.

De gevolgen van negatieve ervaringen op jonge leeftijd verschillen aanzienlijk. Er zijn kinderen die weinig last lijken te hebben van wat ze vroeger hebben meegemaakt, terwijl anderen een volledige ‘psychiatrische invaliditeit’ oplopen: een ernstige persoonlijkheidsstoornis of zware posttraumatische klachten. Er wordt ook wel gesproken over een spectrum van psychische klachten.

Waarom verschillend?

De vraag is waarom mensen zo verschillend reageren op vergelijkbare traumatische ervaringen? Stel dat twee kinderen uit één gezin hetzelfde hebben meegemaakt. Waarom reageert het ene kind dan tóch anders dan het andere kind? Dat heeft te maken met individuele verschillen. Eén van die factoren is het temperament: de aangeboren gedragsstijl van het kind. Kinderen met een moeilijk temperament zijn gevoeliger voor wat hen overkomt dan kinderen met een gemakkelijk temperament.

Daarnaast (maar het valt ook wel samen met het temperament) spelen neurobiologische kenmerken een aanzienlijke rol. Bij het ene kind is de ‘emotionele bedrading’ anders afgesteld dan bij het andere kind. Dat is voor een aanzienlijk deel aangeboren, maar hier komen toch ook omgevingsfactoren om de hoek kijken.

Stress tijdens de zwangerschap is bijvoorbeeld van invloed op de manier waarop de neurobiologische eigenschappen van een kind worden gevormd. En daarmee is de cirkel weer deels rond: één van de belastende factoren voor de hechting is stress tijdens de zwangerschap of in de eerste drie levensjaren.

De laatste tijd komt daar in de literatuur een nieuwe factor bij: de veerkracht van kinderen wordt voor een aanzienlijk deel bepaald door de kwaliteit van de vroege hechting. Hoe beter de hechting, hoe groter de ‘stressverwerkende capaciteit’.

Therapie

Vorige week zei ik tijdens een training dat weerstand tegen een therapeut voor een deel te maken kan hebben met verstoorde hechting. “Hoe meer affectieve verwaarlozing en hechtingsproblemen, hoe problematischer de therapeutische relatie”. Dat geldt niet alleen voor behandelaars zoals artsen, psychologen en psychiaters (en zelfs tandartsen), maar ook voor dagelijks begeleiders.

Mensen die onveilig gehecht zijn hebben sterker dan anderen de neiging om controle te willen houden over anderen. Daarbij wordt er steeds naar een oorzaak van de ellende gezocht. De behoefte aan controle komt o.a. tot uiting in weerstand tegen de behandeling of begeleiding. Gaan zij niet mee in het patroon, dan hebben zij het gedaan.

Vooral als er sprake is van een gedesorganiseerde gehechtheid “is het vermogen om te reflecteren op het eigen mentale leven en op dat van anderen verstoord” (Fonagy en Target, 1997). In de meest extreme vorm zien we dat bij de mensen met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis.  

Om meer zicht te krijgen op de mate waarin zowel trauma’s als verstoorde hechting de behandeling complexer en weerbarstiger maken ontwikkelde Draijer een model voor tweedimensionale diagnostiek. Daarbij worden zowel de ernst van het trauma als de kwaliteit van de hechting in kaart gebracht. Op die manier kan er (beter) een inschatting gemaakt worden van de duur en de zwaarte van de behandeling.

 

 

 

Hoe is de opvoeder zelf gehecht?

Hoe je als kind gehecht bent is van invloed op de manier waarop jij op jouw beurt je kinderen opvoedt. Aldus diverse auteurs, waarvan in Nederland M.H. IJzendoorn het meest bekend is geworden.

In feite is de boodschap dat je als opvoeder op een gezonde manier afstand moet hebben genomen van de eigen opvoeding. Er is een balans ontstaan tussen afstand nemen en waarderen. Dat betekent dat je een bepaalde mate van volwassenheid moet hebben bereikt. Wie zich alleen maar afzet tegen de opvoeding die hij heeft gekregen is nog met handen en voeten gebonden. Wie alleen maar kan idealiseren doet eigenlijk hetzelfde.

Ook voor professionele opvoeders in de zorg en het onderwijs geldt dat ze een bepaald emotioneel evenwicht moeten hebben bereikt. De wijze waarop ze naar hun eigen opvoeding kijken is van invloed op het vervolg: hoe begeleiden zij op hun beurt de kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd?

Tienermoeders

De tragiek van o.a. tienermoeders is dat ze bijna nooit in balans zijn, omdat ze dat evenwicht nog bij lange na niet hebben bereikt. Opmerkelijk is een bericht dat ik onlangs hoorde (ik kan het niet verifiëren, de bron weet ik niet) dat er onder tienermoeders veel moeders met borderline zijn en dat met name de dochters van tienermoeders vaak zelf ook weer borderline ontwikkelen. En dat is nu precies één van de kenmerken van de borderline persoonlijkheidsstoornis: de ambitendentie, het splitten, het idealiseren en afkraken. Dan bereik je nooit een evenwicht.

Schema

Er is een schema ontwikkeld waarin het verband wordt gelegd tussen de wijze waarop volwassenen over hun opvoeding spreken en de wijze waarop dit doorwerkt op de opvoeding van hun kinderen. Daarbij plaats ik wel als kanttekening dat het verband nooit één op één is, het is slechts een mogelijke indicatie.

1. Ouders die veilig gehecht zijn zouden op een coherente manier spreken over hun verleden. Ze zijn mild in hun oordeel, ze waarderen én ze zien dingen die minder goed zijn gegaan. Ze spreken niet zwart-wit, maar weten te nuanceren.

2. Bij een gereserveerde opvoedingsstijl wordt er op afstand gesproken over de eigen opvoeding. Je zou kunnen zeggen dat het lijkt dat de volwassene een gezin beschrijft waar hij zelf aan de buitenkant bij betrokken was, observeerde. Ouders worden voornamelijk geïdealiseerd, onprettige ervaringen worden niet benoemd. “Dat was vroeger, daar moet je niet over zeuren.”

3. Bij een gepreoccupeerde opvoedingsstijl zie je veel schuldgevoelens én boosheid. Volwassenen willen nog steeds erkenning van hún ouders, willen hen behagen. De manier waarop over de eigen opvoeding wordt verteld is uitvoerig, gedetailleerd, vaak warrig.

4. Bij een gedesoriënteerde opvoedingsstijl is sprake van veel onverwerkte emoties en mogelijk trauma’s. De signalen zijn tegenstrijdig, inconsequent en vaak heftig.

 

 

 

 

Temperament, hechting en borderline

Temperament is een aangeboren kenmerkende gedragsstijl van een bepaald persoon. Het karakter ontwikkelt zich in de loop van de jaren, de persoonlijkheid ontstaat nog later in de ontwikkeling, maar het temperament krijg je van jongs af aan mee. Net zoals de kleur van je ogen ligt je temperament verankerd in de genen.

Temperament vormt één van de risicofactoren bij het ontstaan van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarbij gaat het om het (als) moeilijk (ervaren) temperament. Kenmerkend voor deze gedragsstijl zijn: het zeer vasthoudend zijn, het moeilijk troostbaar zijn, het lang last hebben van veranderingen, het heftig reageren op gebeurtenissen en een meer negatieve grondstemming.

Temperament bij baby’s

Hoewel je bij baby’s nog niet echt kunt zien hoe het temperament zal zijn zie je bij hen vaak wel al de contouren van het (latere) temperament. Ouders met meerdere kinderen zien al snel na de geboorte het verschil tussen het ene kind en het andere kind. Sommige baby’s raken heel snel overspoeld door indrukken en prikkels en zijn nauwelijks tot rust te brengen. Dat kan een aanwijzing zijn voor een moeilijk temperament. Het vraagt van ouders een grotere investering om de goede pasvorm voor de opvoeding te vinden.

Zoals ik al schreef: temperament is aangeboren. Een kind krijgt het temperament genetisch mee. Dat houdt op zijn beurt ook weer verband met de bedrading in de hersenen. Bij het ene kind vinden activiteiten binnen de hersenen met een andere intensiteit plaats dan bij het andere kind. Op latere leeftijd zien we dat sommige kinderen veel meer moeite hebben om hun impulsen af te remmen. Ze hebben ook meer moeite om van hun emotionele ervaringen te leren. Bij sommige kinderen wordt kan deze overgevoeligheid bijgestuurd worden, bij anderen lukt dat veel minder.

Omgang met een moeilijk temperament

Kinderen die zo heftig reageren of die zo vasthoudend zijn in hun boosheid (’s avonds nog steeds boos zijn omdat het kind ’s morgens niet kreeg wat het wilde) vragen veel van de opvoeders. Uit onderzoek komt naar voren dat kinderen met een moeilijk temperament vaak minder contact hebben met hun ouders. Dat is ook wel voor te stellen. Je laat bijvoorbeeld het kind eerder zijn eigen gang gaan, omdat ieder contact ook kan leiden tot allerlei heftige conflicten die niet zomaar over zijn. Je gaat dus vermijden om ellende te voorkomen. Anderzijds wordt er -als de grens alsnog is bereikt- veel te hard(handig) ingegrepen.

Veel opvoeders reageren minder voorspelbaar 0p een kind met een moeilijk temperament, dan op een kind met een gelijkmatig temperament. Dat is heel begrijpelijk. Maar juist deze kinderen hebben heel veel contact en ook gelijkmatige contact met de opvoeder nodig om zich veilig te kunnen hechten. Naast het feit dat het kind met een moeilijk temperament het al moeilijk heeft met zichzelf komt er dus bovenop dat het kind ook nog eens te maken krijgt met bemoeilijkte opvoedingsfactoren.

Hechting

De eerste drie tot vijf jaar zijn essentieel om te leren om met emoties om te gaan, om te leren contacten aan te gaan, om empathie te ontwikkelen en een basis van zelfvertrouwen te creëren. Kinderen die die gevoelens onvoldoende ontwikkelen voelen zich vaak alleen en afgewezen. Ze worden ook extra gevoelig voor afwijzing en zullen gemakkelijk gevoelens van jaloezie ontwikkelen. Het zijn symptomen van een onveilige hechting. Deze kenmerken kunnen bij de ontwikkeling naar de volwassenheid leiden tot een persoonlijkheidsstructuur met ernstige kenmerken van borderline.

Als de ouders stabiel zijn, op één lijn functioneren, voorspelbaar zijn kan er een goede pasvorm groeien voor een kind met een moeilijk temperament. Maar omdat het temperament genetisch bepaald is komt het ook regelmatig voor dat ouders van een kind zelf ook van jongs af aan heftig reageerden op hun omgeving en zeer prikkelgevoelig waren. Het kan best zo zijn dat ook de grootouders hadden grote moeite om de pasvorm voor hun kind te vinden. Het gevolg was dat dat kind zich ook gemakkelijk afgewezen voelde. Datzelfde kind is nu volwassen en moet op zijn/haar beurt met deze emotionele bagage weer  kinderen opvoeden. Zo zie je dan dat de problemen van de ene generatie terug komen in de volgende generatie. En dat juist vaak bij ouders die zichzelf hadden beloofd dat ze heel anders zouden gaan opvoeden dan hún ouders gedaan hadden.

Vicieuze cirkel

Dit is een voorbeeld van transgenerationele problematiek. Het gaat niet om ouders die niet het goede willen voor hun kind. Maar wat je wel ziet is dat je zelf als opvoeder ook je eigen levensverhaal hebt. Als je jezelf afgewezen voelt is de kans aanzienlijk dat je dat gevoel meegeeft aan je kinderen.

Aan de andere kant realiseren nogal wat ouders zich onvoldoende dat kinderen niet maakbaar zijn. Een kind is geen appeltaart (Ter Horst).

Ieder kind wordt met een bepaalde ‘bedrading’ geboren (de binnenkant) en krijgt genetisch een bepaald temperament mee (de buitenkant). Bij het ene kind is het moeilijker om de pasvorm te vinden dan bij het andere kind. Als opvoeders zich dat bewust zijn kan een zo op het oog vicieuze cirkel alsnog doorbroken worden. Dat vraagt er dus om dat je als opvoeder in staat bent om onder ogen te (leren) zien hoe jouw kijk op jezelf van invloed is op de manier waarop je met anderen in de omgeving omgaat. Alleen op die manier kan de vicieuze cirkel een beetje worden omgebogen.

 

 

Hechting en psychopathologie

Eén van de eerste onderzoekers op het gebied van hechting, John Bowlby, vroeg zich al af of er een verband bestaat tussen onveilige hechting en psychopathologie. De afgelopen decennia is er in toenemende mate belangstelling voor dit onderwerp.

Eén van de nadelen van het klassieke onderzoek naar (on)veilige hechting is dat er vooral wordt gekeken naar de reactie van het kind op de scheiding van de moeder (de zogenaamde Vreemde Situatie, zoals opgesteld door Mary Ainsworth). Onderzoeker K. Brisch schrijft dat er veel breder gekeken moet worden. “Een hechtingsstoornis is een duidelijk afwijkende en niet bij de ontwikkeling passende sociale en persoonlijke binding, die zich voordoet in een veelheid van dagelijkse situaties.” De reactie van het kind op het ‘verdwijnen’ van de moeder en haar terugkomst vormt slechts een klein deel van dit grote geheel.

Een veilige hechting vormt de beste bescherming tegen de ontwikkeling van latere psychopathologie. Hoe veiliger het kind zich heeft kunnen hechten aan een (klein) aantal opvoeders, hoe beter het bestand is tegen heftige ervaringen. De hechting vormt het fundament voor het emotionele bouwwerk. Als die basis onveilig is loopt het hele bouwwerk risico.

Trauma’s

Er wordt nogal eens gedacht dat één concrete situatie de oorzaak is van alle ellende die een persoon ervaart. Bij de behandeling van het trauma (of niet zo lang daarna) blijkt dan dat er nieuwe problemen ontstaan. Er was geen sprake van een enkelvoudig trauma. Om in de terminologie van het huis te blijven: er wordt een verrotte balk vervangen en dan blijkt dat er in dat huis veel meer verborgen gebreken zitten. Die gebreken houden verband met het slechte fundament: de basis is niet goed.

Een onveilige hechting (één op de drie kinderen) maakt dat het kind kwetsbaarder is voor trauma’s. Diezelfde onveilige hechting vergroot ook de kans op psychopathologie vanaf de puberteit. In dat verband heb ik eerder al het vermoeden beschreven van een verband tussen gedesorganiseerde gehechtheid en borderline-persoonlijkheidsstoornissen. Inmiddels heb ik ook literatuur gevonden waarin dat verband beschreven wordt (Van Gael).

Zo wordt er ook een verband vermoed tussen onveilige hechting en allerlei angst-, stemmings- en gedragsstoornissen. Ook bij eetstoornissen en bij ADHD wordt wel gedacht aan verstoorde hechting (Rien Verdult: Hechting, risico of bescherming).

Er is echter wel een waarschuwing op zijn plaats. Het verband tussen onveilige hechting en psychopathologie is niet één-op-één. Je kunt niet zeggen dat een volwassene met ernstige psychische problematiek ‘dus’ als kind niet veilig is gehecht. Maar een onveilige hechting vormt wél een risicofactor, net zoals een veilige hechting een beschermende factor biedt.

 

Borderline en hechting (2)

In temperamentsonderzoek is ‘het moeilijke temperament’ bekend geworden. Het ene kind is gemakkelijker in de omgang dan het andere kind, bij het ene kind vind je sneller een pasvorm voor de opvoeding dan bij het andere kind.

Moeilijk temperament

Bij kinderen die fel reageren, gemakkelijk van slag raken, moeilijk af te leiden zijn van lastig gedrag, erg prikkelgevoelig zijn en slecht tegen veranderingen kunnen (dat zijn kenmerken van een moeilijk temperament) is het moeilijk om tot een goede vorm van samenwerking te komen. Dit betekent ook concreet dat het opvoeden van het ene kind hogere eisen stelt aan ouders dan de opvoeding van een ander kind. 

Dat beeld van kinderen die verschillende eisen aan ouders stellen komt tot uiting uit onderzoek rond het ontstaan van de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Er zijn aanwijzingen dat een bepaalde combinatie van gedragskenmerken bij het kind kunnen leiden tot een verstoring van de persoonlijkheidsontwikkeling. (Helaas heb ik de titel van het onderzoek niet meer in mijn computer terug kunnen vinden).

Voorspellers van risico op borderline

Kenmerken van jonge kinderen bij wie zich op volwassen leeftijd een borderline- persoonlijkheidsstoornis had ontwikkeld waren:

a) het snel boos worden,

b) in combinatie met de neiging tot impulsiviteit en

c) het opzoeken van spannende ervaringen (novelty seeking).

d) vasthoudendheid: deze kinderen konden er slecht tegen als zaken anders verliepen dan ze zélf in hun hoofd hadden.

Je kunt natuurlijk niet zeggen dat het temperament de enige factor is. Het gaat om een wisselwerking. Bovendien kan het ook zo zijn dat één van de ouders trekken van borderline-problematiek vertoont, waardoor de kans op pedagogische kortsluiting nóg groter wordt.

Pasvorm

Als je brede voeten hebt maar je wilt op modieuze smalle schoenen lopen, loopt het nooit lekker. Je moet dus zoeken naar een goede pasvorm: deze schoenen bij deze voeten, deze opvoeding bij dit kind.

Het is voor de ouders moeilijk om een pasvorm te vinden voor de opvoeding te vinden bij dit kind. Met andere woorden: een moeilijk temperament van het kind zet de veilige hechting van het kind aan zijn ouders onder druk. Naast de moeite die het kind heeft om zijn plekje te vinden in de wereld zijn er dan óók de ouders die veel moeite hebben in het vinden van een goed contact met hun kind.

Het gevolg kan zijn dat ouders investeren, toenadering zoeken en tegelijkertijd ook weer teleurgesteld worden in hun kind en afstand houden. Dat ‘model’ zie je ook weer terug in de borderline-problematiek: aantrekken en afstoten. De heftigheid van de emoties past bij het (aangeboren) moeilijke temperament. Het komt allemaal erg precies en het kind reageert erg zwart-wit als de wereld niet is zoals het in zijn hoofd had.

Bij vrouwen wordt de borderline-persoonlijkheidsstoornis veel vaker gediagnosticeerd dan bij mannen. Het zou kunnen zijn dat de uiting bij mannen anders is: meer in de richting van een anti-sociale persoonlijkheid. Er zijn ook enkele onderzoeken die een verband leggen tussen kenmerken van autisme en borderline-problematiek.

Borderline en hechting (1)

De afgelopen jaren kreeg de borderline-persoonlijkheidsstoornis veel aandacht in publicaties, tot aan de dagbladen en de Viva  toe. Een borderline-persoonlijkheidsstoornis is een ernstige psychiatrische stoornis, die gekenmerkt wordt door een diepgaand patroon van instabiele relaties en zeer snel wisselende stemmingen.

Mensen met een (niet behandelde) borderline-persoonlijkheidsstoornis zijn zó grillig in hun gedrag dat bij hen het enige voorspelbare kenmerk is dat ze onvoorspelbaar zijn.

Enkele kenmerken
Vooral opvallend bij borderline is het mechanisme van het mensen aantrekken en afstoten. Aan de ene kant wil iemand met deze stoornis overal bij betrokken worden. Aan de andere kant is hij of zij sterk geneigd om problemen te vermijden (door zich af te sluiten). Actieve stappen naar buiten worden soms afgewisseld door perioden dat iemand zich niet laat zien.

“Als mijn vriend even alleen wil zijn kan ik daar niet tegen. Als hij vraagt om hem niet op te bellen, dan ga ik hem juist bellen. Lukt contact op die manier niet, dan trek ik de stekker van de telefoon er uit. Dan sluit ik mijzelf op in de slaapkamer, met de gordijnen dicht. Zo maak ik iedereen ongerust” [Arthur Hegger in ‘Wat borderline met je doet].

Daarnaast vallen de heftige emoties op, met daarbij en daardoor een grote kans op zelfverwonding en op verslavingen. Maarten ’t Hart  beschrijft in De huismeester een vrouw met een borderline-stoornis die heel lief doet (bijna als een klein kind) en even later met knallende deuren door het huis kan razen. Zulke wisselende stemmingen zijn rampzalig voor kinderen. Dat heb ik beschreven in mijn meest gelezen blog: Borderline en kinderen.

Langduriger relaties zijn bedreigend voor mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Als het contact zich verdiept neemt ook de angst voor verlating toe. Een ander kenmerk is de ambitendentie (splitting). Iemand wordt op handen gedragen en vervolgens volkomen afgewezen: er deugt niets meer van de persoon.

Ouders de schuld?
Als dé oorzaak van de borderline-persoonlijkheidsstoornis werden jarenlang emotionele en lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik genoemd. Dat komt inderdaad in een aantal levensgeschiedenissen voor. Maar de visie sloeg ook door. Sommige therapeuten bleven zoeken naar de verdrongen trauma’s van de cliënt en gaven daarmee direct of indirect de schuld aan de ouders. Er moet immers iets in het verleden gebeurd zijn dat dit gedrag moet kunnen verklaren?
Inmiddels zijn er nieuwe publicaties verschenen die aangeven dat de oorzaak niet zo eenduidig in de richting van de ouders geschoven kan worden. Er zijn allerlei andere verklaringen mogelijk waarom kinderen ook zonder opvallende traumatische ervaringen een borderline-stoornis kunnen ontwikkelen.