Gevaarlijke hond en puberale kuiten


Ooit bezorgde ik kranten.
Dat was in een dorp met veel boerderijen.
Op al die boerderijen woonde een hond.
Sommige honden hadden het op mijn puberale kuiten voorzien.
Bij één adres was de hond zó venijnig (en ik vervolgens zó bang) dat ik besloot de krant voortaan maar over de sloot op het erf te gooien. Vanwege de tegenwind belandde de krant ook wel eens in de sloot.
Of de abonnee ook abonnee is gebleven weet ik niet.
Want na een paar maanden stopte ik met deze krantenwijk.
Het leren voor het eindexamen ging vóór de bijverdienste.

Advertenties

Een wereld van verschil

Hoogopgeleide mensen met kanker krijgen vaker een intensieve behandeling dan lager opgeleide mensen. Je mag verwachten dat hoogopgeleide mensen daardoor ook minder snel sterven als gevolg van kanker dan hoog opgeleide mensen. Hoe zou dat komen? Is er sprake van een klasseverschil in de gezondheidszorg.

Epidemioloog Mieke Aarts promoveerde woensdag aan het Erasmus Medisch Centrum op dit onderwerp. Ze vermoedt dat dit verschil (mede) wordt veroorzaakt door de communicatie in de spreekkamer. Hoger opgeleiden spreken meer elkaars taal. De specialist wordt beter begrepen, de patiënt vraagt meer door. Daardoor boeken hoger opgeleide mensen gezondheidswinst.

Eén van de aspecten waarbij ik bij mensen met een lichte verstandelijke beperking steeds weer de nadruk op leg is dat het meeste van wat de behandelaar zegt niet of nauwelijks wordt begrepen. Behandelaars moeten dus proberen om langzamer, met meer uitleg en door meer te visualiseren te komen tot een beter beeld voor de patiënt. Of de patiënt moet iemand meenemen die bij wijze van spreken zijn tolk is.

Er is volgens mij geen sprake van een bewuste klassen-indeling, maar wel van een taalverschil, waardoor ook de kansen van mensen (alsnog) verschillen.

Maar er is meer. Je kunt trouwens over het algemeen zeggen dat mensen met een lagere opleiding minder gezond zijn en op jongere leeftijd sterven. Dat geldt voor mensen in ‘achterstandswijken’, maar ook voor mensen met een lichte verstandelijke beperking (die trouwens veel vaker in die wijken wonen).

Aan preventieve bevolkingsonderzoeken (zoals rond borstkanker), alsmede voor meer triviale behandelingen (zoals de griepprik) nemen hoger opgeleiden veel vaker deel dan mensen met een beperkte ontwikkeling. Opnieuw is de vraag: waarom is dat zo? Vindt men het niet belangrijk? Is men veel banger voor de behandeling? Of wordt de inhoud van de oproep niet eens begrepen? Dat laatste heb ik tientallen malen geconstateerd als het bijvoorbeeld ging over kuren met anti-biotica. Ook al staat er duidelijk op de verpakking dat de kuur helemaal afgemaakt moet worden: als je geen klachten meer hebt kun je de pillen laten staan.

Ik wil daar nog een mogelijke reden aan toevoegen. Dat is de sociale interpretatie (prof. B. Orobio de Castro heeft hier bij licht verstandelijk gehandicapten onderzoek naar gedaan). Mensen met een lichte verstandelijke beperking hebben meer de neiging om de bedoelingen van de ander als vijandig te interpreteren. De sociale dienst wil je uitkering afpakken, jeugdzorg wil je kind afpakken, de medewerker van de verslavingszorg wil jou je jointje verbieden, de dokter wil jou je biertje verbieden en de tandarts wil dat jij niet snoept.

Mensen met een andere taal, die leven in een andere wereld, die kun je maar beter niet vertrouwen. Mogelijk de dokter in het ziekenhuis ook maar niet…

Wat Wad zien

De afgelopen weken zagen we meerdere malen het Groningse en één maal het Friese Wad. Op de eerste foto het wad (de kwelders) voor de zeedijk bij Hornhuizen.

Na 2½ week Groningen was ik gisteren alwéér aan zee. Deze keer zag ik het Wad bij Den Helder (Balgzand, Oostoever).

Net als bij de Groningse wadden zijn er maar weinig mensen die deze plek bezoeken. Maar in tegenstelling tot Groningen hoor je bij Den Helder wel voortdurend het geraas van autoverkeer.

Psychose en pathologie (2)

Een bijzonder verhaal dat Ed Brand beschrijft is dat van een vrouw die vanwege het horen van stemmen door haar man was afgeleverd bij een psychiatrische instelling (dat kon toen nog). Hij vond dat zijn vrouw echt gek was geworden. Door het levensverhaal van de vrouw in kaart te brengen verdwenen de stemmen ‘vanzelf’. Ze hadden een functie gehad, maar toen deze mevrouw met haar verlies kon leven waren ze ‘bij wijze van spreken’ niet meer nodig.

Zowel Tellegen als Brand benadrukken dat de biologische psychiatrie van groot belang is voor de hulp aan mensen met ernstige psychiatrische problemen. Maar het probleem is dat de neiging bestaat om alles naar het brein terug te redeneren. Daarmee verdwijnt de mens als persoon buiten beeld. En daardoor laat je tevens een belangrijk aspect van de behandelmogelijkheden liggen.

Destijds heb ik een bijscholing psychiatrie gevolgd bij psychiater Jaap Veldkamp. Hij benadrukte dat de kleur van de psychose en de waandenkbeelden en hallucinaties die iemand ervaart in de context van het levensverhaal altijd een betekenis hebben. Maar dat was nog voor (wat Ed Brand noemde) ‘de grote pathologisering van de psychiatrie’.

Ed Brand geeft aan de verwachtingen rond neurologisch onderzoek hooggespannen zijn. Men denkt bijvoorbeeld dat de psychose te verklaren is uit een overproductie van dopamine in de hersenen. En als we dát allemaal in kaart hebben zijn we ook onderweg naar de genezing. Maar zo zit de mens niet in elkaar. Een overproductie aan dopamine verklaart nog niet hoe het zo ver heeft kunnen komen. Wat heeft een persoon meegemaakt in zijn leven? Wat zijn de verlies-ervaringen en hoe is hij daarmee om gegaan. Hoe zit het met de verhouding tussen draagkracht en draaglast?

Met de concentratie op ziektebeelden en neurologische processen raakt de kleur van de persoon buiten beeld. Daarmee laat je een deel van de behandelmogelijkheden liggen. Ed Brand: “Dat is een gemiste kans in de psychiatrie.”

Naar aanleiding van: VPRO Boeken 8 januari 2012.

Besproken werd Tegen de Tijdgeest: Terugzien op een psychose. Auteurs: Egbert Tellegen, Huub Mous, Daan Muntjewerf. Uitgeverij Candide, Amsterdam.

 

 

Verboden in de kerk te komen

Dit is de zeer oude Kloosterkerk in Ten Boer (Groningen).

We stonden voor de kerk en hadden de indruk dat we niet erg welkom waren. Je ziet geen bord met een bericht dat je welkom bent in de kerk en/of een opgave van de kerkdiensten, maar wel een bord met Verboden Toegang voor onbevoegden.

In het Wetboek van Strafrecht staat als tekst bij artikel 461:

Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Noot: De eventuele boete schijnt ruim 300 euro te kunnen bedragen, exclusief administratiekosten.

In het Oude Testament waren veel mensen niet bevoegd om het tempelplein te betreden. Maar hoe zit dat nu met ons?

We hebben onszelf maar bevoegd verklaard en zijn een rondje om de kerk gelopen.

Psychose en pathologisering

Socioloog (en destijds student) Egbert Tellegen kreeg rond zijn 20e jaar een psychose. Uiteindelijk sprong hij om exact 12 uur ’s nachts in de gracht. Hij dacht dit niet te overleven, maar hij werd uit het water gevist en vervolgens gedwongen opgenomen in de psychiatrie. Hij schrijft over deze gebeurtenis in het boek ‘Tegen de tijdgeest: terugzien op een psychose’.

Tellegen kan er achteraf goed over vertellen. De opname vond hij terecht. Maar waar hij zich vooral over verbaast is dat de behandelend psychiater totaal niet begreep wat er met hem (Tellegen) aan de hand was. Hij vroeg vooral naar neurologische verschijnselen en stelde vragen als: “Viel je wel eens onverwachts als je op straat liep?”

Tellegen verklaart deze wijze van werken vanuit het medisch model. De behandelend psychiater was alleen maar in staat om psychiatrische ziektebeelden te verklaren als neurologisch verschijnsel.

Volgens Egbert Tellegen verkeerde hij destijds in een emotioneel heftige periode van zijn leven. Hij had een goede vriend verloren en was erg op zoek naar zijn eigen identiteit. In zo’n periode gebeuren er heftige dingen met je waar je geen controle over hebt. Maar al die ‘Sturm und Drang’ kwam in de gesprekken met de psychiater helemaal niet ter sprake. Hij had er totaal geen oog voor. Sterker nog: de psychiater was van mening dat al die reflectie over zichzelf allemaal onzin was.

Tellegen noemt een zekere hoogleraar psychiatrie (van der Horst) die al in 1928 stelde dat de beleving van de patient zwaar werd ondergewaardeerd in de psychiatrie. Tellegen plaatst daarbij de kanttekening dat er ook sprake is van een golfbeweging, maar dat met name sinds de jaren ’80 het accent wel erg is komen te liggen op biologische factoren die allerlei ziektebeelden zouden moeten verklaren.

Dat is uitgever en GZ-psycholoog Ed Brand helemaal met hem eens. Brand spreekt over ‘de grote pathologisering van de gezondheidszorg’. Deze ontwikkeling is enerzijds in de hand gewerkt door de successen van de biologische psychiatrie, maar anderzijds door het feit dat mensen een behandeling zonder diagnose ook niet meer vergoed wordt. Je moet dus een etiket hebben om behandeling te kunnen krijgen. 

(wordt vervolgd)

Een kwestie van temperament

Regelmatig kwam ik ze tegen als ik naar mijn werk fietste. 

Ik kende ze trouwens al toen ze peuter waren. De één was heel voorzichtig met zijn spullen, de ander speelde het liefste botsautootje.

Mark fietst rustig naar school. Hij is altijd ruim op tijd. De fiets ziet er keurig verzorgd uit. Voor-en achterlicht branden. Zijn tas is goed geordend. Hij fietst keurig aan de rechterkant van het fietspad.

Bij het schoolplein staat een bordje dat je daar niet mag fietsen. Mark stapt af, loopt naar de fietsenstalling en zet zijn fiets in het rek en op slot. Daarna loopt hij naar een paar schoolvrienden die ook op tijd zijn.

Pieter hoor je al van verre aan komen. Dat is maar goed ook, want zijn lichten zijn defect. Alles wat kan rammelen aan zijn fiets rammelt. Zijn tas bungelt half over zijn schouder, zijn pen valt op het fietspad.

Hij fietst stoep-op, stoep-af. Bij de school maakt hij nog een inhaalslag in de tijd. Hij rijdt met hoge snelheid naar de stalling, springt van zijn fiets af die hij nog een zetje geeft zodat de fiets ongeveer in het fietsenhok terecht komt. Daarna sprint hij de school in. Nét als de tweede bel gaat rent hij de klas binnen. Pieter vindt dat hij keurig op tijd is.

Je hoeft weinig verbeelding te hebben om je in te denken hoe de kamers van Mark en van Pieter er uit zien. Hoewel, soms kun je je daarin toch behoorlijk vergissen…..

Kijk je naar de motivatie van Mark en Pieter, dan zit daar niet veel verschil in. Ze fietsen allebei omdat ze naar school moeten. Hoewel je het niet zou verwachten gaan beide jongens graag naar school. Ze zijn even gemotiveerd.

Kijk je naar de capaciteiten van Mark en Pieter, dan hoeft daar ook geen verschil in te zitten. In principe kunnen ze allebei even goed fietsen.

Het verschil tussen de jongens zit in de manier waarop ze fietsen. Dat wordt wel de gedragsstijl genoemd. Die gedragsstijl vindt zijn wortels in het temperament. En dat temperament is aangeboren.

Mark en Pieter zijn totaal verschillend. Toch zijn het twee broers… Dezelfde ouders, een heel verschillend temperament.