Identificatiefase en verstoorde egostructurering (2)

Persoon in wording
De fragmenten van de persoon in wording moeten in deze fase (drie tot zeven jaar) nog geordend worden. Je kunt zeggen: de fundamenten van de persoon liggen er al, de stenen zijn ook al aangekomen, maar nu moeten ze hun plaats nog krijgen. Het ik (ego) is er dus al wel, maar het is nog te fragmentarisch.

Wat gebeurt er als de stenen niet op hun plek komen? Als kinderen om de één of andere reden (vaak een interactie tussen allerlei factoren) hun identiteit in deze periode niet goed kunnen ontwikkelen?

We spreken dan van een gestagneerde (of bij ernstiger vormen: een geblokkeerde) sociaal-emotionele ontwikkeling. In sociaal-emotioneel opzicht blijft zo’n persoon dan de kwetsbaarheid of beperktheid van een kleuter houden. Terwijl de rest van de ontwikkeling verder gaat blijven sommige mensen sociaal-emotioneel in deze fase steken. Door de intelligentie wordt dat vaak gecamoufleerd, maar met name in perioden van stress komen de zwakke plekken boveb.

Neem mevrouw Eringa. Ze lijkt heel zelfstandig. Ze heeft over alles en iedereen haar woordje klaar. Ze weet precies hoe de wereld in elkaar zit. Ze meent goed te kunnen relativeren. Maar als iemand te dicht bij haar emoties komt ‘ontploft’ ze. Nog nét niet letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk. Ze scheldt een ander de huid vol, ze smijt met spullen, ze verscheurt papieren.

Mensen die haar kennen verbazen zich er regelmatig over. Hoe kan die ogenschijnlijk wijze vrouw soms zó de controle over zichzelf verliezen? Wat is er met mevrouw Eringa aan de hand?

Wat je ziet zijn de gevolgen van een zwakke sociaal-emotionele basis. Er is sprake van veel aangeleerd gedrag, waardoor mevrouw Eringa het onder normale omstandigheden redelijk redt. Maar bij stress komt de kwetsbaarheid en het wisselvallige gedrag van een kleuter boven. Dan functioneert ze bij wijze van spreken opeens als een volwassen kleuter.

Identificatiefase en verstoorde egostructurering (1)

Tsja, dat zijn een paar moeilijke termen.
Maar ik zal het proberen uit te leggen. Daar neem ik vier bloggen de tijd voor.
Ik heb het over de periode tussen drie en zeven jaar. Zeg maar: ruim de kleuterperiode.

De basis van alle emotionele ontwikkeling ligt in de eerste drie jaar van het leven van kinderen. Dat zijn de fundamenten waarop de persoon gebouwd wordt. Daarna moet die basis verder uitgebouwd worden. Deze fase (3 tot 7 jaar) wordt wel de eerste identificatiefase genoemd.

De kleuter kan bijna alles
Kleuters hebben een goed ontwikkelde motoriek, beschikken over een goede sensorische integratie (samenwerking tussen de zintuigen), ze kunnen verbaal communiceren, ze kunnen goed waarnemen en het gevoelsleven is redelijk gedifferentieerd. Het zijn dus in zekere zin al kleine volwassenen.

De kleuter moet nog veel bijleren
Maar ze moeten nog heel wat bijleren. De losse fragmenten van het ik moeten structuur krijgen. Plannen en organiseren zijn zeker nog niet uitgekristalliseerd. Daar hebben kleuters volwassenen bij nodig. Ze moeten ervaren dat ze erkenning krijgen van die volwassenen. Die volwassenen moeten ook hun voorbeeld zijn: iemand op wie ze willen lijken.

Volgens Erik Erikson is die behoefte het sterkste richting de ouder van hetzelfde geslacht. De peuter (jongen) kan verliefd zijn op zijn moeder, maar de kleuter (jongen) wil vooral op zijn vader lijken en dingen met zijn vader doen.

Magisch denken
Kleuters denken nog sterk magisch. Ze trekken allerlei conclusies en verbanden zonder deze voldoende aan de realiteit te toetsen. Ze kunnen leven in een imaginaire wereld, een wereld die alleen in hun fantasie bestaat. Binnen die wereld voelen ze zich vaak ook almachtig.

Schone schijn
Er zijn kinderen die deze fase niet goed door komen. Dat heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat fantasie en werkelijkheid ook op latere leeftijd door elkaar blijven lopen. Aanvankelijk valt dat misschien helemaal niet zo op. De klasgenoten begrenzen zijn wereld en houden hem bij de les. Maar vooral vanaf de puberteit wordt de structuur minder en vervallen ze steeds meer in deze schijnwereld. “Keeping up appearances.”

Dat is ook de wereld waarin dictators als Nicolas Ceaucescu, Erich Honnecker en Saddam Hussein leefden. Ze misten de erkenning die  een kleuter nodig heeft om groter te groeien. Dus zochten ze zelf wanhopig naar erkenning. Ze raakten de band met de realiteit kwijt. Ze meenden dat iedereen hen waardeerde en voelden zich almachtig.
Het is ook de wereld van de oplichters van Tros Opgelicht. Ook die mensen kunnen het niet laten om te fantaseren over hun kwaliteiten. En daarmee palmen ze bijna iedereen in.

Maar dichterbij huis is het de wereld van de mensen bij wie in hun verhalen ook fantasie en werkelijkheid steeds weer door elkaar loopt. Omdat ze in willen halen wat ze gemist hebben.

Oldehove

Een paar weken geleden was ik in Oldehove. Daar schreef ik al even zijdelings over op dit weblog.

Oldehove heeft een opvallend massieve kerktoren. Die toren hoord bij de Ludgerus-kerk. Liudger (later verbasterd tot Ludgerus) was de Groningse Bonifacius. Alleen overleefde hij wél zijn zwerftocht tussen de noorderlingen.

Oude torens horen ook een klokkenspel te hebben. Soms worden de enorme klokken verwijderd, bijvoorbeeld als de toren te zwak is geworden (zoals in Uithoorn), maar daar hoef je hier niet bang voor te zijn: er bestaan maar weinig zúlke massieve torens. Daar hebben ze echt hun best op gedaan. Maar de oorspronkelijke klok van déze toren bevindt zich in het klokkenmuseum in Heiligerlee. De inwoners kregen in plaats van die klok de klok van Oterdum terug. Dat plaatsje is met de grond gelijk gemaakt als gevolg van de industrialisatie rond Delfzijl. Wat er van Oterdum over is zie je op de volgende foto.

Terug naar Oldehove. Ondanks de 1500 inwoners is het toch een kerndorp in het Groningerland. Eén van de aanwezige voorzieningen is een supermarkt. Die mis je in veel kleine dorpen. Er zijn ook drie  basisscholen, benevens drie kerkgebouwen en twee molens.

In Oldehove bevindt zich ook een Hooihotel. Dat wil zeggen dat je er bij een plaatselijke boer in het stro kunt slapen. Het ziet er allemaal heel gezellig uit. Maar ik vrees dat ik daar de hale nacht ga liggen te niesen. Daarom hebben we voor onze zomervakantie in het Groningerland een ander adres gekozen.  

Tegenovergesteld…

In de trein zitten een jonge vrouw en een jonge man.

Schuin tegenover haar zit een dertig-plussige man.

De man en de vrouw zitten met elkaar te kletsen. De meneer aan de overkant herhaalt met enige regelmaat wat de vrouw zegt. Hij lijkt zich niets aan te trekken van het feit dat beide mensen met elkaar in gesprek zijn.

” ‘s Avonds rijdt er maar één bus per uur” zegt de vrouw. “‘s Avonds rijdt er maar één bus per uur” zegt de dertig-plus meneer. Man en vrouw reageren niet op zijn interrupties.

“De importeur” zegt de meneer. “Importeur is het tegenovergestelde van exporteur”.

Even later: “Een dubbeldekker…. “Dat is het tegenovergestelde van enkeldekker”.

Dan staat hij op. Hij blijft even staan. Vervolgens doet hij een openstaand klepje van een prullenbak dicht. “Daar ga je” zegt hij tegen het klepje. Dan ziet hij meer openstaande klepjes. Steeds wacht hij even en dan doet hij het klepje dicht. En steeds spreekt hij de formule uit: ‘daar ga je”.

Dan ziet hij mij zitten. Hij vraagt: “Meneer, weet u misschien wat een importeur is? “ Ik leg het hem uit. Daarna wil hij weten wat een exporteur is. Weer leg ik het hem uit. “Dus het klopt wel dat een importeur het tegenovergestelde is van een exporteur?” zegt hij met vragende intonatie in zijn stem.

Ik zeg: “Als ik mijn fiets aan een Duitse meneer verkoop ben ik eigenlijk een exporteur”. “Dan bent u eigenlijk een exporteur” zegt de meneer. “Ja, een beetje wel, eigenlijk ja, dan bent u een beetje een exporteur”.

De meneer is helemaal het pratende stel vergeten. Hij ziet in mij een nieuwe gesprekspartner. “En boven, dat is het tegenovergestelde van beneden” zegt de meneer. “We zitten nu beneden en niet boven. We zijn dus een beetje het tegenovergestelde van de mensen die boven zitten”.

De omroep galmt door de trein. “We naderen station Alkmaar”. “We naderen station Alkmaar” zegt de meneer. “Ik woon in Alkmaar. Ja, daar woon ik. Vroeger woonde ik bij autisten. Nu woon ik op mezelf. In Alkmaar. Ik denk dat u ook in Alkmaar woont. Anders zou u nu niet opstaan. Want u gaat ook uit de trein. Weer de regen in”. 

Als we uitstappen zegt de meneer: “Regen is het tegenovergestelde van zonneschijn. Behalve ’s nachts, want de maan is het tegenovergestelde van de zon…”

Nieuwsgierig

Op een gespreksgroep de afgelopen week hadden we het er over hoe je voorkomt dat een relatie saai wordt.

Ik zeg het wat plat, want ik weet heel goed dat relaties zich niet laten dwingen.

Maar volgens mij is één van de ingrediënten dat je nieuwsgierig naar elkaar blijft.

Eén van de basisprincipes van communicatie is dat ieder antwoord in principe onvoorspelbaar is. Zo kun je natuurlijk niet leven in een relatie. Dat zou redelijk gek-makend zijn: je weet nooit wat je aan de ander hebt. Maar het gaat mij om die rand van onvoorspelbaarheid: het feit dat je er open voor staat dat een antwoord soms opeens anders kan zijn. Dat je je realiseert dat je partner opeens op een avond thee wil drinken, terwijl het al jaren lang koffie was.

Datzelfde belang van de nieuwsgierigheid zie ik op mijn werk.

Als je de boel dichttimmert met vastomlijnde diagnoses loop je vast en laat je je niet meer verrassen. Ooit hadden we een consulterend psychiater wiens stokpaardje het was om te zeggen: “De aanpak van 1990 is de aanpak van 2020”. Dat is de dood in de pot voor de creativiteit in het werk.

Soms staat er 20 jaar lang in zorgplannen dat iemand iedere ochtend een boterham met kaas, een boterham met jam en een glas melk wil. Als ik dat lees stel ik daar een vraag bij. Hoe weet je dat? Heb je het afgelopen jaar nog wel eens gevraagd wat iemand op zijn brood wil?

Als je zo werkt word het werk voor jouzelf ook leuker. Wil je plezier in je werk in de zorg houden: blijf nieuwsgierig! Dan komen cliënten beter tot hun recht en wordt het werk nooit saai!