Kinderangsten (13): omgang met angsten

Angst lezen

Als een peuter iets ziet wat hij niet kent en wat hij als eng ervaart checkt hij bijna altijd even bij de opvoeder of het OK is.  Dat doet hij door te kijken naar de ogen van de opvoeder. Als mamma zegt dat het OK is, het eventueel benoemt wat het kind ziet en als de ogen rustig blijven staan voelt een kind zich veel zekerder. Kinderen zijn dus erg goed in het vertalen van non-verbale informatie, van mimiek. De belangrijkste manier om de angst van het kind te beperken is de rust van de opvoeder. 

Uit een onderzoek onder tandartsen komt naar voren dat patiënten het meest bang worden als de tandarts zelf tegen de behandeling op ziet. Een duidelijke benadering waarbij de tandarts zelf de regie in handen heeft en de overtuiging heeft dat wat er gedaan moet worden goed is werkt het meest angstreducerend voor de patiënt.

Denk ook maar eens aan de bemanning van een vliegtuig. Veel passagiers zijn bang, maar als de bemanning rust uitstraalt is de angst aanmerkelijk minder. Als de passagiers merken dat de bemanning in paniek raakt neemt ook bij hen de angst enorm toe.

Gedeelde angst is halve angst

In besprekingen vergelijk ik het hanteren van angsten door opvoeders vaak met judo. Je gaat als opvoeder even mee om daarna bij te buigen. Juist door het delen van angsten creëer je een brug, waardoor gedeelde angst halve angst wordt.

Een vorm van het delen van de angst is het verwoorden van wat je aan het kind ziet. “Ik zie dat je bang bent. Dat begrijp ik best……” Soms speel je ook even mee en jaag je die rare kerel even weg uit de tuin. Dat wil echter niet zeggen dat je in de angst van het kind op moet gaan. De ouder die mee bang wordt versterkt de angst van het kind.

Sensitief en responsief

“Een sensitieve, maar tevens eisen stellende opvoedingshouding” (M.M.W. Oosterhof-van der Pol) is de meest doeltreffende manier om angsten de baas te worden. Van vermijden leert een kind niet veel, vaak wordt het zelfs banger en wordt de drempel de volgende keer hoger.

John McGee spreekt over ‘stretchen’: net iets verder gaan als opvoeder, zonder de grenzen van het kind te overschrijden.

Advertenties

Nanny-Management

Er schijnt een nieuwe vorm van management te bestaan, gebaseerd op beginselen vanuit de ortho-pedagogiek. Men spreekt van nanny-management. Of overtreders dan ook op hun naughty chair moeten gaan zitten is mij niet bekend.

Helaas kan ik geen bronvermelding geven bij dit vermakelijke cartoon van Bas. Ik scheurde deze tekening uit een tijdschrift dat ik in de trein vond en ik vond het cartoon eigenlijk te leuk om niet te plaatsen…

Angsten (12): het effect van vermijding

Je moet naar de tandarts. Je durft de stap niet te nemen. “Gelukkig” heb je een kou’tje gevat. Dat is voldoende reden om de tandarts af te bellen.

Eerst ben je opgelucht. Daarna neemt de spanning toe. Je moet immers een nieuwe afspraak maken? Dat stel je uit, want je ziet er tegenop. Uiteindelijk bel je op. Het antwoordapparaat meldt dat de tandarts de komende twee weken met vakantie is. Opnieuw ben je opgelucht. Daar ben je voorlopig vanaf.

Na ruim twee weken begint de spanning weer te knagen. Je ziet nu nóg meer tegen de afspraak op. Niet alleen tegen de afspraak met de tandarts, ook tegen het máken van die afspraak.

Bovendien word je ook nog eens bang dat de tandarts een opmerking zal maken dat je zo’n tijd niet geweest bent. Zo stapelen allerlei angsten zich op. Het vermijden van de afspraak maakt –na een zeer korte opluchting- de angst alleen maar groter.

Kinderen vertonen veel vermijdingsgedrag. Enge dingen zijn immers niet leuk. Bovendien overzien ze de consequenties vaak niet. ‘Als je nu niet gaat, word het later nog lastiger’. Dat hebben kinderen vaak niet door omdat ze vooral bij de dag leven.

Volwassenen kunnen wel de consequenties overzien. Maar ook zij zijn geboren vermijders als er dingen op hun pad komen die ze eng vinden… Zo zijn er mensen dertig jaar niet bij de tandarts geweest doordat vermijding zich op vermijding stapelde… En als je dan uiteindelijk tóch moet, dan staat ook het schaamrood je nog eens op de kaken…

Angsten (11): verschillende typen angst

Nu volgt een klassieke indeling van angsten, gebaseerd op Sigmund Freud.

Sommige mensen denken dat Freud alleen maar over sex heeft geschreven, maar hij heeft van alles bedacht. En ook een eeuw later doen veel therapeuten daar nog hun voordeel mee.

a. Reële angst kun je aantonen. Het kind heeft zich gebrand aan het strijkijzer en kijkt de volgende keer met angstige ogen naar dat strijkijzer. Deze angst is nuttig, omdat er ongelukken mee worden voorkomen.

b. Neurotische angst is de angst dat je je driften niet kunt beheersen of niet aan de eisen kunt voldoen. Je bent bijvoorbeeld bang dat je je agressie niet tegen kunt houden. Die angst vertaalt zich vaak in allerlei dwangmatigheden.

c. Morele angst houdt in dat je bang bent dat je in strijd zult handelen met je geweten. Kleuters kunnen erg streng voor zichzelf zijn, om te voorkomen dat ze een fout zullen maken. Dat is een voorloper van de morele angst bij volwassenen. Iemand die alleen maar loopt te denken aan ‘Ik mag niet’ of aan ‘ik moet’ of  ‘eigenlijk’ wordt mogelijk belast door deze morele angst.

Op mijn verjaardag geboren

Martin (6 jaar oud) zit de kalender te bekijken.
Naast zich heeft hij een boek met foto’s van hemzelf als baby en als peuter.
Opeens worden zijn ogen groot van enthousiasme.
Hij heeft een grote ontdekking gedaan.
Hij roept zijn moeder. “Mamma kom eens gauw! Weet je wat ik gevonden heb! Een grote ontdekking! Ik ben op mijn verjaardag geboren!!!”

Een echte ontdekking op de grens van kleuter en groter groeien…

SMART-doelen

Eén van de hypes in de zorg is dat doelen SMART moeten worden geformuleerd.
Op zichzelf is er niets mis mee dat zorgverleners kritisch kijken naar hun doelen. Aan een vaag doel als “Richard krijgt meer aandacht” heb je natuurlijk niets. Een jaar later kom je weer bij elkaar in een bespreking en je ontdekt dat je helemaal niet weet of het doel gerealiseerd is.

Maar het SMART-formuleren van doelen is tegenwoordig teveel een doel op zichzelf geworden. Door de SMARTe formulering raken we de persoon achter het doel kwijt. Soms is het zo dat wie kennis vermeerdert, SMART vermindert en wie SMART vermeerdert, vermindert kennis over een persoon.

Nog even ter toelichting: wat betekent SMART ook alweer?

1. Specifiek
2. Meetbaar
3. Aanvaardbaar
4. Realistisch
5. Tijdgebonden

In een ziekenhuis kun je best SMART formuleren. Mevrouw Janssen heeft haar been gebroken en het is de bedoeling dat ze in vijf dagen op krukken het ziekenhuis verlaat. Je bekijkt nog even hoe oud mevrouw Janssen is en wat haar fysieke gesteldheid is en je formuleert vervolgens een tijdpad en een doel dat realistisch is. Ze loopt niet als een kievit, maar gekrukt. Na vijf dagen mag mevrouw Janssen naar huis. Doel bereikt.

Zo gaat het in de ‘cure’. Maar in de ‘care’ (zoals de ouderenzorg en de gehandicaptenzorg) is dat allemaal veel lastiger. Prof. Jan Hoogland spreekt van ‘langzame zorg’. Dat verhoudt zich veel moeizamer tot het formuleren van strakke doelen. Toch wordt ook daar steeds meer geëist dat doelen SMART worden geformuleerd.

In een behandelplan van een puber in een observatiekliniek las ik het volgende (volgens de opstellers SMART geformuleerde) doel: “Over één jaar is de sekuele behoefte van Jill met 50% afgenomen.”

De instelling dacht dat men het doel voor Jill nu heel SMART had geformuleerd. Het klinkt in ieder geval heel meetbaar. Maar meetbaarheid is slechts één van de aspecten van SMART. Maar zelfs als je denkt dat je nu een meetbaar doel hebt gesteld, het is het natuurlijk totaal niet. Denkt Jill nu in plaats van iedere minuut eens in de twee minuten aan sex? Je kunt een behoefte immers niet meetbaar meten? Je kunt namelijk niet in zijn hoofd kijken.

Bovendien is het doel allerminst realistisch. Een puberende jongen als Jill is met seksualiteit bezig. Misschien dat je met libido-remmers de behoefte iets minder kunt maken, maar dat is ook zeer de vraag.

Voor mezelf heb ik ook een doel gesteld. “In augustus 2012 is mijn fietsbehoefte 48% minder dan in juli 2012”. Lekker SMART. Alleen ben ik vergeten om in juli een basismeting te doen…

Voor een kritische beschouwing van de SMART-principes, zie bijvoorbeeld: http://www.markensteijn.com/smart.htm

Van Goes naar Brussel (4)

Aan de overkant van de Schelde ligt een mooi en afwisselend gebied met water, bos, af en toe een kasteel, akkerbouw en veeteelt.

Nog steeds heb ik voor mezelf geen fietsdoel gesteld. De kaart wordt niet gebruikt, ik laat me verrassen en zie wel waar ik uit kom. Wel zal dat bij een station moeten zijn, want naar Alkmaar fietsen gaat niet meer lukken.

Deze streek wordt wel Klein-Brabant genoemd: een landelijk gebied tussen de agglomeraties van Antwerpen (900.000 inwoners) en Brussel (1,3 miljoen inwoners). De stad is hier ver weg en zelfs autowegen hoor je niet. Je vindt er een lappendeken aan dorpen, meestal de karakteristieke Belgische lintbebouwing, met samen nog geen 20.000 inwoners. Er wordt wel nieuw gebouwd, maar niet in de vorm van hele wijken, zoals in Nederland het geval is. De wegen lopen ook kris-kras door het land. Ik heb dan ook geen enkel idee waar ik steeds weer uit zal komen, maar na tien minuten fietsen ben ik weer in het volgende dorp, waarbij ik opnieuw niet weet waarheen de weg mij verder zal leiden. Maar dat zong Mieke Telkamp ook al: “Waarheen leidt de weg die wij moeten gaan?”

Zo kom ik ook op een voormalige spoorlijk uit: de spoorlijn van Londerzeel naar Aalst. De rails zijn inmiddels vervangen door asfalt, dat rijdt tot comfortabeler dan de karakteristieke Belgische betonwegen.

In Londerzeel (onderste foto) heeft de fietsteller er 100 km. bij opgeteld. Ik wil mezelf tracteren op een Belgische bonbon, maar het wordt een Belgische ijswafel. Dat past beter bij het zomerse weer van vandaag.