Peelfietsen (3)

Het oosten van Noord-Brabant is voor mij het minst bekende fietsdeel van Nederland. Daarom heb ik er nu twee dagen gefietst.
Defensiekanaal

Vanuit De Rips ben ik via de Vinkenpeel naar Vredepeel gefietst. Daar ligt het Defensiekanaal. Ik wist niet wat er hier verdedigd moest worden, maar het feit dat het kanaal in 1939 werd gegraven maakt al iets duidelijk. Hier lag een verdedigingslinie tegen de Duitsers. En die linie heeft ook even stand kunnen

Twistweg in Vredepeel

houden tegen de oprukkende Duitse troepen.

Het gebied is een stukje veenkolonie met rechte wegen en rechte vaarten. Na een haakse bocht kruis ik het Afleidingskanaal: de verbinding tussen de Vredepeel en de Maas. 

Monument en kerk in Westerbeek

De zon staat al vrij laag boven de velden als ik Westerbeek binnen fiets. ooit had ik een collega met de achternaam Westerbeek. Dankzij mijn associatieve geest wist ik wel dat het dorp bestond, maar ik was er nooit geweest. De naam van het dorp is trouwens nog geen honderd jaar oud en het dorp is nog geen tweehonderd jaar oud. Net als elders in de Peel is het ontstaan doordat turfgravers zich hier vestigden.

Het dorp maakt op mij een wat slaperige indruk, maar dat is niet bedoeld om de inwoners wakker te schudden. Het is een verstild dorp met een brievenbus en een monument ter gedachtenis aan de bemanning van een neergestorte bommenwerper. Er is ook een watertappunt, maar daar komt geen water uit. Ik zal droog verder moeten fietsen.

Molen en kerktoren in Oploo

Ik volg de weg die ongeveer parallel loopt aan de Oploosche Molenbeek en kom na vier kilometer in het dorp Oploo uit. Dat is een wat groter dorp met twee molens en een kerk. Er heeft ook een kasteel gestaan, maar dat is ingestort. Ik ken het dorp vanwege een antroposofische instelling voor mensen met een verstandelijke beperking (Bronlaak). 

Altijd heb ik de neiging om meteen ook even een kijkje te nemen op zo'n terrein, maar deze keer besluit ik toch maar om verder te fietsen. Dat doe ik in noordelijke richting zonder enig idee te hebben wat het volgende dorp is.
Advertenties

Emoties op je werk (3)

Als je dag-in, dag-uit vervelende opmerkingen naar je hoofd krijgt, maar je mag er niets van zeggen, wat heeft dat uiteindelijk voor gevolgen voor je functioneren? 'Schelden doet geen zeer' zeggen we dan. Helaas doet schelden emotioneel wél zeer...

Surface acting

Als de buschauffeur die dag-in, dag-uit geschoffeerd wordt door enkele passagiers nét doet of het hem niet raakt (‘mechanisch lachen en vrolijk doen, bijna als een robot’) wordt dat surface acting genoemd. Je vervreemdt van je emoties. Op den duur loop je het risico op een burn out.

Ik vroeg een keer aan een chirurg die heftige operaties moet uitvoeren hoe ze haar werk vol kan houden. Ze zei: "Als ik er bij na ga denken hoe heftig het voor de patiënt moet zijn maak ik fouten. Als ik dat gevoel buiten sluit kan ik mijn werk goed uitvoeren."  Ik weet niet hoe dit voorbeeld in het plaatje past. Knapt deze chirurg op den duur tóch af? Of is het op deze manier werken een manier die je lang vol kunt houden?

Uit een onderzoek (University of Michigan) bleek dat medewerkers die proberen hun emoties buiten te sluiten op den duur slechter gingen functioneren en zich ook steeds somberder voelden.

Dag-in, dag-uit had Jacob te maken met heftige agressie van één van zijn cliënten. Maar hij bleef de verantwoordelijke en altijd vriendelijke begeleider. Op een dag knapte er iets. Na weer een confrontatie met agressie kon hij opeens niet verder. Het duizelde hem letterlijk en figuurlijk. Hij stapte naar zijn leidinggevende en leverde zijn sleutels in. We hebben Jacob nooit meer terug gezien op de woning.

Deep acting

De andere manier van werken is dat je wél je emoties toelaat. Dit wordt deep acting genoemd. Dat wil niet zeggen dat de buschauffeur nu uit zijn plaat moet gaan als er een nukkige passagier in stapt. De bedoeling is dat hij zich bewust is van zijn emoties en van het verschil tussen hoe hij zich gedraagt en hoe hij zich eigenlijk zou willen gedragen. Het gaat om het zich bewust zijn van de emotionele dissonantie.

De psycholoog had ‘voor geschreven’ dat het spugen van Mathilde genegeerd zou moeten worden. Mathilde had de neiging om begeleiders te bespugen, soms zelfs midden in hun gezicht. Volgens de psycholoog was het gedrag om aandacht te krijgen, als je dat gedrag maar lang genoeg negeerde zou het vanzelf wel uitdoven.  

Hoe ga je als begeleider met dit gedrag om? Helaas werd die vraag in de casus niet gesteld. Daarom was de aanpak bijna al bij voorbaat gedoemd om te mislukken. Als deze aanpak wordt uitgevoerd moeten begeleiders zich bewust zijn en blijven van de emotionele dissonantie die het gedrag bij hen oproept. Je zou Mathilde een stevige berisping willen geven want je wordt eigenlijk heel erg boos. Maar je doet iets anders: je bewaart de rust en probeert met een lage expressed emotion te werken.

Faking

Alicia A. Grandey (2003, Academy of Management Journal) noemt beide vormen van reageren manieren om gedrag te ‘faken’. Maar er is een verschil. Surface acting is ‘faking in bad faith’, deep acting is faking in good faith’.

Mensen die (onbewust) kiezen voor surface acting hebben volgens haar minder controle over hun emoties. Ze zetten een pokerface op, omdat ze geen alternatieven hebben.

Mensen die kiezen voor deep acting zijn zich veel beter bewust van hun emoties. Ze weten dat er een spanning zit tussen a)hoe ze reageren en b) hoe ze zouden willen reageren. Juist dat a) zich bewust zijn en b) het jezelf laten voelen dat het zo is maakt dat je fitter blijft. Je hoeft niet te doen of je altijd maar geduldig en vriendelijk moet zijn en dat je nooit boos zult zijn. Natuurlijk ben je af en toe best boos.

Uit het onderzoek van Alicia A. Grandey blijkt verder dat mensen die in staat zijn tot deep acting zich vaak ook meer thuis voelen op hun werk. Ze zijn meer zichzelf, hebben het gevoel dat het werk ego-syntoon is: het past bij wie ze zijn.

Wat mensen die in staat zijn tot deep acting vervolgens doen is: naast het erkennen van de eigen emotie het zich verplaatsen in de emotie van de ander. Wat zou ik doen en hoe zou ik me voelen als ik in zijn schoenen zou staan? Oftewel: een vorm van mentaliseren...

Bloemenzee

Buiten is het voorjaar, maar binnen ook. Kijk maar eens om je heen in en rond ons huis.

Aan de voorkant staat de boom in bloei. Ik weet niet wat voor boom het is, maar hij kan dus bloeien. Vorig jaar landde er nog een drone in de boom. Die kwam er niet meer vanzelf uit. De eigenaren moesten de boom in.

Maar in de vensterbank staan ook bloemen: rozen en paarse tulpen.

Ook in de andere vensterbank staan bloemen. Ik ben de afgelopen week weer flink in de bloemetjes gezet. En ik ben niet eens ziek. Ook niet jarig trouwens.

Het dakterras wordt door Tineke ieder jaar weer omgetoverd tot een daktuin.

Maar kijk nu eens naar die tulpen op de tafel…. Die heb ik in een zak gekocht bij een bollenboer bij Den Helder. De bollen zitten gewoon nog onderaan de tulpen. Door de bloemen op deze manier buiten te zetten blijven ze maar liefst drie weken in bloei staan.

De andere tulpen zijn vorig jaar als bol gekocht, maar ook op een stads balkon komen ze uit hun schulp. En de bak met kleine bloemetjes, die kocht ik twee weken geleden op de markt. Met het warme weer kwamen de bloemen razendsnel tot bloei.

Vraag me alleen niet hoe ze heten. Daarvoor moet je bij Tineke zijn. In ieder geval is het een ware bloemenzee.

Deugsignaal

Deugsignaal. Dat woord kende ik nog niet. Althans niet als woord. Wel in de praktijk.

Een deugsignaal is een reactie die een bestuurder aan zijn achterban geeft om te laten zien dat hij deugt. Hij heeft zijn maatregelen genomen en zijn zaken prima op orde.  Maar in feite is hij een deugniet. Want een deugsignaal verwijst naar symboolpolitiek.

In de eerste plaats gebruiken mensen een deugsignaal om de aandacht af te leiden. Het ligt allemaal niet aan hen. Het was hen wel wat overvallen, natuurlijk, maar ze hebben hun maatregelen genomen.

In de zorg heerst nogal eens een angstcultuur die het gevolg is van deze deugsignalen. Er is iets mis gegaan op een afdeling. De eindverantwoordelijken schrikken zich een hoedje. Straks komen we in de pers of krijgen we op ons falie van de Inspectie. En wat doen ze? De medewerker(s) die betrokken waren bij het incident worden direct geschorst.

Dat zo’n medewerker er zelf vaak niet veel aan kon doen en moest roeien met de riemen die hij of zij had telt niet. Er moet iemand ‘sneuvelen’. Dan ben je daadkrachtig als bestuurder en heb je je zaken op orde. Dat kun je dan ook tegen de pers of tegen de Inspectie vertellen.

In de tweede plaats wordt het deugsignaal afgegeven als bewijs dat de bestuurder goed bezig is. Hij maakt goede plannen en is op van alles voorbereid. Voortaan worden de pillen door drie mensen afzonderlijk van elkaar gecheckt. Dat zit allemaal zó goed dichtgetimmerd dat er binnen onze organisatie geen medicijnvergissingen meer gemaakt kunnen worden. Het enige probleem is dat er nooit drie mensen tegelijk op de afdeling werken. Het is dus weer een vorm van symptoombestrijding.

Een deugsignaal schept valse hoop en biedt schijnveiligheid. Het is een signaal 'voor de bühne'. Heu deugsignaal deugt dus niet.

Bollenveld in Delft

Binnenkort wordt hier gebouwd.

Maar dit voorjaar levert een tijdelijk bollenveld een mooi zicht op Delft op.

Bollenveld bij station Delft met zicht op de toren van de Oude Kerk

Op de foto de Phoenixstraat, een rommeltje aan nieuwbouw uit vooral de jaren ’60 en ’70.

Daarachter de toren van de Oude Kerk, midden in het historische en beschermde stadscentrum van de stad Delft.

De foto kan alleen nog dit jaar genomen worden. Volgend jaar is het hier één en al beton...

MMSE (2)

De MMSE (Minimal Mental State Examination) is een 'snelle vragenlijst' om een vermoeden van cognitieve stoornissen vast te stellen (met name: dementie).

Meneer van Veen is steeds spullen kwijt. Hij heeft geen idee waar hij ze gelaten heeft. Hij blijft maar zoeken. Sinds zijn vrouw is overleden kan hij veel dingen niet terugvinden. Is er bij meneer van Veen sprake van dementie?

Geen idee. Dat kun je zo helemaal niet vaststellen. Wat je in de eerste plaats moet weten is hoe het gedrag van meneer van Veen vroeger was. In de vragenlijst die ik in de gehandicaptenzorg bij voorkeur gebruik (de DSVH) moet je daarbij altijd een vergelijking maken met hoe het gedrag vroeger was. En dan maar hopen dat er iemand is die de cliënt al een hele tijd kent…

Nu is er in de gehandicaptenzorg officieel sprake van een voordeel vergeleken bij de ‘rest van de samenleving’. Er wordt een basismeting gedaan op de leeftijd van veertig of vijftig jaar. Als er later sprake is van een vermoeden van dementering kun je die basismeting er bij pakken. Gaan de sociale en cognitieve scores écht achteruit? Of is dat alleen maar een idee?

Gelukkig weet de zoon van meneer van Veen wel een antwoord. Hij vertelt dat zijn vader altijd erg verstrooid was. Als hij van de kamer naar de keuken liep en hij werd afgeleid door iets anders legde hij meteen op die plek maar de schroevendraaier neer die hij in zijn handen had. Daarna liep hij door naar de keuken en hij was de schroevendraaier kwijt. Volgens zijn zoon wist zijn moeder meestal de spullen terug te vinden. Maar moeder is overleden, dus nu is Pa écht alles kwijt.

In  het geval van meneer van Veen zou ik dus moeten scoren dat het gedrag (van alles kwijtraken) karakteristiek is. Het hoort bij hem. Hij is altijd al ‘een rommelkont’ geweest. Je kunt het kwijt zijn van spullen niet direct toeschrijven aan cognitieve achteruitgang.

Trijntje geeft in een reactie op dit weblog een voorbeeld dat wél een signaal is. Als je vader altijd een kei was in (hoofd)rekenen en dat lukt helemaal niet meer, dan moet je je zorgen maken. Het klopt helemaal niet met hoe hij vroeger functioneerde. Er is op dat gebied duidelijk sprake van cognitieve achteruitgang.

“Ik kan helemaal geen namen meer onthouden,” zegt mevrouw Huizinga. Ze kan tijdens haar verhaal maar niet op namen komen van mensen uit haar omgeving. “Maar dat had u altijd al” zegt haar dochter. “Toen ik jong was had u het ook steeds over “Toe nou, hoe heet die ook alweer?” 

Als bij mij de MMSE wordt afgenomen is het redelijk karakteristiek dat ik niet zomaar kan hoofdrekenen. Dat kostte me al grote moeite toen ik twaalf jaar oud was. Ik was geen ster in rekenen en helemaal niet goed in hoofdrekenen. Het woord ‘worst’ kan ik trouwens ook niet zomaar achterstevoren spellen. Ik moet het eerst zien.

En bij veel namen moet ik eerst even nadenken. En na tien minuten plopt de naam opeens tevoorschijn. Dat had ik ook al toen ik veertig jaar oud was. Ik had een cursusjaar nodig om de namen van de cursisten te onthouden. Dat heet een opdiepprobleem.

Een test van de cognitieve vermogens van ouderen moet bij het vermoeden van beginnende dementie altijd gepaard gaan met een vergelijking met hoe het vroeger was. Anders sla je als onderzoeker gemakkelijk de plank mis.

Stille Week

Deze week is het in de kerken de Stille Week. Het is de week tussen Palmpasen en Pasen.

Op Palmpasen werd Jezus als een koning binnengehaald in Jeruzalem. Hij reed op een ezel: een teken van nederigheid.

Maar de stemming in Jeruzalem sloeg razendsnel om. Wat Hij zelf bij herhaling voorspeld had gebeurde. Nog in dezelfde week werd Hij onschuldig ter dood veroordeeld en gekruisigd.

Deze week wordt in onze kerk aan de hand van de zogenaamde zeven kruiswoorden gedacht wat er ruim tweeduizend jaar geleden gebeurde in het leven van Jezus.

Iedere avond is er een vesper, op donderdagavond wordt daarbij ook het Heilig Avondmaal gevierd.

Op zaterdag is er een ‘stiltewandeling’ (Stille Tocht) door de wijk. De wandeling begint en eindigt in stilte in het kerkgebouw.