Allergie en valkuil

Tegenwoordig geeft zo'n 30% van de bevolking aan een voedsel-allergie te hebben. Ik heb begrepen dat het werkelijke aantal rond de 2% ligt, maar dat het percentage wel toeneemt.

Maar er bestaan meer soorten allergie. Eén daarvan is de psychologische allergie die door Daniël Ofman wordt beschreven.

Een allergie is het gedrag van de ander waar je je het meest aan stoort. Bepaalde typen mensen zijn het meest allergisch voor bepaalde vormen van gedrag bij de ander.

Kernkwaliteit en allergie

We noemen het overheersende aspect in iemands gedragsstijl een kernkwaliteit. De allergie is dan het tegenovergestelde.

Voorbeelden daarvan zijn:

Kernkwaliteit: zelfverzekerd zijn. Allergie: twijfel, aarzeling.

Kernkwaliteit: verdaagzaamheid. Allergie: betweterigheid.

Kernkwaliteit: flexibiliteit. Allergie: rigide gedrag

Kernkwaliteit: analyticus. Allergie: impulsiviteit.

Maar er is ook nog een andere kant. Wat gebeurt er met jouw kernkwaliteit als hij niet blijkt te werken? Dan treedt je valkuil in werking. Daarover gaat het volgende stukje.

Valkuilen

Nog een ander aspect is dat wat er met je gebeurt als je een bepaalde kernkwaliteit hebt, maar die blijkt niet te werken. Neem als voorbeeld: je bent gewend om gemakkelijk het woord te nemen. Maar als er niet naar je geluisterd wordt heb je de neiging om te gaan schreeuwen.

Zo kan de leraar die er een bepaalde manier van lesgeven op nahoudt – als de klas protesteert – opeens een autoritaire houding aannemen: hij slaat met zijn vuist op tafel en geeft een extra ingewikkelde opdracht op.

In schema ziet het er dan bijvoorbeeld zo uit:

Kernkwaliteit: zelfverzekerd zijn. Valkuil: arrogantie

Kernkwaliteit: verdraagzaamheid. Valkuil: vermijding, ‘onderduiken’

Kernkwaliteit: flexibiliteit. Valkuil: slordigheid

Kernkwaliteit: analyticus. Valkuil: besluiteloosheid.

Een voorbeeld van hoe dit in de praktijk werkt:

Stuurders

Mensen die in één van de kwadranten van Goffman functioneren noemen we de stuurders. Ze hebben de neiging om lijnen uit te zetten en initiatieven te nemen.

Maar wat gebeurt er als de dingen niet gaan zoals ze willen? Dan hebben ze de neiging om de controle te vergroten. Dat doen ze door meer sturend te gaan worden. Ze neigen naar de vergroting van hun territorium.

Dat kan fysiek zijn (in de ruimte), door het stemgebruik, maar ook qua taalgebruik. Dat taalgebruik kan zowel in het directe contact als tegenwoordig vaak via de mail.

Een vraag wordt dan op een inquisitietoon gesteld en daarmee is het geen vraag meer, maar een boodschap waar beleefdheidshalve nog een vraagteken achter wordt gezet. "Als je nu niet doet wat ik opschrijf ben je ongehoorzaam."

“Sturende mensen hebben – als de dingen niet zo gaan zoals ze in hun hoofd hebben – dus de neiging om over de grenzen van anderen heen te gaan. Vooral verdraagzame, vriendelijke mensen hebben de neiging om zich door dit gedrag te laten ondersneeuwen.”

(Citaat uit: Marc America, Allemaal mensen 2.0, Prelum, 2016).

Ringmussen

In onze kerk komen enkele echte natuurliefhebbers.

Ze hebben kans gezien om van een wat dorre vlakte rond het gebouw een prachtige bloementuin te maken, waar ook de mensen uit de wijk van kunnen genieten.

In het vogelnestkastje dat aan een muur bevestigd is broedden vorig jaar twee koolmezen en dit jaar twee ringmussen.

Dankzij de techniek konden de mensen in de kerk volgen wat er in dat kastje gebeurde. Op veel zondagen werd er even gekeken hoe het stond met het jonge grut.

Inmiddels zijn de jonge ringmussen uitgevlogen. Twee koolmezen zijn ondertussen op zoek naar een woning en gaan daar misschien ook weer broeden.

Kokerdenken en gezinspathologie

“Waar aan herken je een persoonlijkheidsstoornis?”

Dat vroeg de psychiater aan een verzameling congresgangers. Overal zag ik hersencellen ratelen. Er kwamen ook diverse antwoorden. De meeste heb ik niet verstaan. Mijn gehoor is aan verval onderhevig.

+/-

Voor mezelf gebruik ik vaak het +/- schema. Je hebt een psychisch probleem als je alleen maar positief denkt over jezelf en negatief over de ander.

Of omgekeerd: als je alleen maar negatief denkt over jezelf en positief over de ander. Mensen die geestelijk gezond zijn denken kunnen positief naar de ander kijken, maar hebben ook een positieve kijk op zichzelf. In ieder geval zijn ze in staat om genuanceerd te kijken. Oftewel in grijstinten.

Eenzijdige oplossingsstrategie

Maar dat antwoord bedoelde de psychiater niet. Hij gaf als sleutelwoord voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis: ze kiezen een eenzijdige oplossingsstrategie.  Deze mensen zijn dus niet in staat om te variëren in hun reacties.

De narcist wordt getriggerd als hij geen aandacht krijgt en reageert daarop met boosheid. Iemand die paranoïde is denkt dat anderen het altijd op hem voorzien hebben. Een persoon die obsessief-compulsief is heeft maar één oplossing voor zijn spanningen en dat is ordenen. Iemand met borderline is zó bang voor verlating dat daar steevast met agressie (schelden, zelfverwonding) op wordt gerageerd.

Er wordt dus geen andere reactie ‘bedacht’. Het vermogen om anders te gaan denken en handelen ontbreekt.

Pathologisch gezinssysteem

Wat individueel gebeurt kan – vertelde de psychiater – ook in groepsverband gebeuren. In bijvoorbeeld sectes: wij zijn goed, de ander is fout. Wie fout zit wordt uitgebannen, een gesprek is niet meer mogelijk.

Maar ook in gezinnen. Een aantal familieleden leeft in onmin met elkaar. Daaruit ontstaat in pathologische gezinssystemen (net als bij sectes) vaak het idee van de zondebok. Eén van de gezinsleden staat ‘model’ voor de vaak onuitgesproken spanning binnen het gezin.

De reactie van de andere gezinsleden is – volgens de psychiater – vervolgens patroonmatig voorspelbaar. Er is maar één oplossing: de zondebok moet zich voegen naar de eisen van de andere familieleden of hij wordt uitgebannen.

Daarop komt er waarschijnlijk weer een andere zondebok. Want het patroon is dat de ander moet worden overheerst. Er is geen gelijkwaardige communicatie. De één bepaalt voor de ander (hoe hij moet denken of handelen). Wie dat niet doet wordt uitgesloten.

Prignitz

Toen ik nog vaak in het Ruhrgebiet fietste nam ik regelmatig de trein die werd geëxploiteerd door de Prignitzer Eisenbahn Gmbh. Pas later kwam ik er achter dat Prignitz een gebied is in de deelstaat Brandenburg, meer dan 500 km. van het Ruhrgebiet verwijderd. Deze spoorwegmaatschappij was opgericht door een ex-werknemer van de Deutsche Bahn die nota bene een concessie won in het Ruhrgebiet.

Dit jaar waren we met vakantie in de Prignitz en kwam het gebied voor mij visueel tot leven. Deze regio omvat het noordwestelijke deel van de deelstaat Brandenburg (met in het midden de vrije stad Berlijn).

Demografie

De Prignitz is de dunstbevolkte regio van Duitsland. Het gebied is iets kleiner dan de provincie Noord-Holland en er wonen 75.000 mensen, oftewel 36 inwoners per vierkante kilometer (in Noord-Holland wonen 2,7 miljoen mensen = 1040 per vierkante kilometer).

Het aantal inwoners is de afgelopen 25 jaar met een kwart gedaald. De verwachting is dat deze trend zich de komende 15 jaar door zal zetten. Dit heeft grote gevolgen voor de bevolkingsopbouw in de toekomst.

Het aantal kinderen zal nog verder afnemen (met 40%), terwijl de 65-plussers ruim 40% van de bevolking zullen vormen. Wil je hier een betaalde baan hebben, dan moet je niet in het onderwijs werken, maar in de ouderenzorg.

De grootste plaats in de Prignitz ligt helemaal aan de rand, dat is Wittenberge (17.000 inwoners). Er zijn nog twee plaatsen met meer dan 10.000 inwoners, de rest is kleiner. Het gebied deed me dan ook sterk denken aan Iowa, waar plaatsen met 5000 inwoners al een centrum-functie hebben.

Natuur

Je ziet in de Prignitz dan ook ontzettend veel natuur. Bossen, weilanden en graanvelden wisselen elkaar af. We zagen heel veel bijzondere vogels, zoals honderden ooievaars en ook kraanvogels. Vooral bij avond lopen er meer herten dan honden langs het fietspad. Ze kiezen – net als hazen – wel het hazenpad als ze een fietser zien, horen of ruiken. We zagen zelfs een wasbeer.

En die rust. Je moet er tegen kunnen, maar wij genieten er van. “Hoor je wat ik hoor?” vroeg Tineke wel eens. Het antwoord moest dan luiden: “Ik hoor helemaal niets!” Maar dat is bij mij wel vaker het geval, ook als Tineke last heeft van de geluiden van een autoweg: ik hoor niets.

Fietsen en toerisme

Het toeristisch fietsen is in de Prignitz in opkomst. Er zijn veel fietsroutes aangelegd. Af en toe kwamen we inderdaad een fietser tegen. Van de fietspaden moet je je nog niet altijd veel voorstellen. Duitse fietspaden leiden je vooral door de natuur, het wegdek vindt men minder belangrijk. We hebben ook wel hele afstanden door rul zand moeten lopen, we belandden in een korenveld en de wegen met kinderhoofdjes zijn ook weinig comfortabel.

Van het toerisme moet je je in zijn algemeenheid ook niet veel voorstellen. Berlijn en Dresden zijn ‘trekkers’, hier komen alleen natuurfreaks en die geven doorgaans ook minder geld uit. Een cynische opmerking van een inwoner: “Men denkt met het toerisme werkgelegenheid te scheppen, maar dat is maar voor drie maanden in het jaar.”

Dorpen en steden

De dorpen in de Prignitz zijn vaak verstild. Jongeren en kinderen zijn er weinig. Maar ook oudere mensen zie je weinig. De werkzame bevolking die hier nog woont werkt doorgaans in de metropool Berlijn.

De wat grotere plaatsen zijn allemaal oude steden met een schat aan historie. Deze steden hebben allemaal een bijna ronde vorm, met straten die in een cirkel rond het vierkante stadsplein lopen. Vaak is de oorspronkelijke stadsmuur nog deels (of zelfs helemaal) aanwezig. In de buitenste straten zie je nog regelmatig onbewoonbaar verklaarde woningen, maar hoe meer je in het centrum bent, des te meer kleur heeft de stad. Daar is nu bijna alles gerestaureerd, dankzij de miljardensteun uit het westen.

We konden eigenlijk maar één plaats per dag ‘aan’, zóveel valt er te zien in de verschillende mini-steden. En fiets je buiten de stad, dan zie je opeens weer een verstild dorp met een prachtig historisch kerkje en een plaatselijke poes, een landhuis of kasteel (soms verlaten). We hebben ons tijdens twee weken fietsen in deze omgeving bepaald niet verveeld.

Levensloopbestendige mondzorg

Twee zaterdagen ben ik weer - passend bij mijn leeftijd - in de weer met het thema ouderen en mondzorg. Het zijn twee drukbezette congressen van ACTA Dental Education. 

Mede doordat de Inspectie Volksgezondheid constateert dat de mondzorg voor ouderen een terrein is waar de zorg onvoldoende is trekken deze congressen veel deelnemers. Want er valt aanzienlijke winst te behalen.

Vroeger hadden bijna alle 65-plussers een ‘klapper’, zoals patiënten hun kunstgebit nogal eens noemen. Tegenwoordig is er sprake van veel betande ouderen. Hoewel ik onlangs een poging deed om toch een beetje meer in de richting van een kunstgebit te komen werd er slechts één kies getrokken.

Eén van de sprekers op het congres houdt overigens een lezing over het verband tussen het aantal tanden en kiezen en de prognose hoe oud je zult worden. In theorie maakt iedere kies die je mist je levensverwachting een beetje lager. Maar dat is een statistisch verhaal.

Ik heb overigens wél een voordeel ontdekt van mijn missende kies: ik ben sneller klaar met poetsen. Ieder vlak moet 5 seconden gepoetst worden: het scheelt me dus twee maal daags 15 seconden. Een halve minuut per dag meer tijd voor andere dingen.

Mondzorg voor ouderen is bijzonder belangrijk omdat een slechte mondzorg leidt tot veel gezondheidsproblemen. Een aanzienlijk deel van de lichamelijke problemen van ouderen houdt verband met een slechte mondverzorging.

In mijn verhalen/workshops speelt het tempo een belangrijke rol. Uit de samenvatting: “De zintuigen functioneren minder, en de informatieverwerking verloopt trager, er kan nog maar één ding tegelijk. Thuis blijkt het goed poetsen van het gebit blijkt een ingewikkelde klus te zijn geworden. Je moet goed kunnen plannen en organiseren: er moeten vier ‘kwadranten’ worden gepoetst en dat op drie vlakken.

Deze veranderingen vragen van behandelaars (tandartsen, mondhygiënisten, begeleiders) om een omschakeling bij hen zelf.  Hoe schakelen we vanuit onze hoogste versnelling terug naar ‘een tandje lager’ bij ouderen? En wat betekent het voor ons als de weerstand te groot is om te kunnen behandelen?

Zicht op Wittenberge (3)

In 1846 gebeurde er iets dat het leven in het agrarische dorp Wittenberge drastisch zou veranderen. Er werd gebouwd aan een station aan de spoorlijn tussen Hamburg en Berlijn. Dat station werd enkele decennia later vervangen door een kolossaal gebouw, in neoclassicistische stijl, met tientallen kamers en allerlei ontvangstruimtes. Alsof de Wittenbergse vissers en boeren nu allemaal op de trein zouden stappen.

Na de spoorlijn van Hamburg naar Wittenberge volgden nieuwe spoorlijnen: naar Magdeburg, naar Salzwedel, naar Schwerin, naar Wittstock an der Dosse. Wittenberge werd een knooppunt in het spoorwegnet.

Het station lag 1½ kilometer buiten het dorp. Er werd een onverharde weg aangelegd van het dorp naar het station. Steeds meer inwoners van het dorp kregen werk bij het spoor.

Geleidelijk aan werden er langs die weg huizen gebouwd. De kleine huizen maakten plaats voor grotere huizen en later voor winkels en hotels. Uiteindelijk waren er meer dan tien hotels in het dorp. De weg werd verhard en kreeg de naam Bahnstrasse (op de tweede foto een beeld hoe de straat er nu uit ziet). De straat werd zó bekend dat zelfs inwoners van Berlijn hier op een vrije zaterdag of zondag kwamen flaneren. Er kwam zelfs een landelijk bekende schouwburg.

Dwars op de Bahnstrasse ontstonden dwarsstraten. Met vaak de wat grotere huizen aan het begin van de straat. Verderop de kleine huizen met tuinen voor de werklieden. Ze verbouwden er hun eigen groenten. Deze straten waren doorgaans niet verhard en ook anno 2017 is een deel van de straten nog steeds niet verhard.

Dat werd de structuur van Wittenberge: een komdorp langs de Elbe, met daarnaast een aantal dijkhuizen, een lange en chique winkelstraat naar het station en dwarsstraten voor ‘de gewone man’. Rond de eeuwwisseling kwam daar een nieuwe en groene wijk bij, rond een enorm -en in mijn ogen bombastisch – stadhuis met een toren van 51 meter hoog. Rond dat stadhuis veel grote villa’s, die deels kenmerken hebben van de Jugendstil.

Zo bleef het tot ongeveer 1960. De industrie trok nieuwe mensen aan. Toen ontstonden er nieuwe wijken ten noorden van het oude dorp. Honderden gestapelde woongebouwen volgens de kenmerken van de DDR-Plattenbau (flats van uniforme afmetingen, bijvoorbeeld voor een gezin met twee kinderen van 52 vierkante meter). Wittenberge groeide uit zijn voegen: het telde 33.000 inwoners. Een deel van het oude dorp raakte echter in verval. De uniform georganiseerde bouw van de DDR leverde alleen betonplaten van vaste afmetingen. En er was een chronisch tekort aan andere bouwmaterialen. En ook geen geld trouwens voor restauratie. Alle aandacht ging naar de nieuwbouw.

Het station was overigens veel minder belangrijk geworden. De hoofdspoorlijn van Hamburg naar Berlijn was ‘geknipt’ als gevolg van het IJzeren Gordijn.

Na die Wende werd hard gewerkt aan de herstructurering van het station. Al snel reden er weer snelle treinen tussen Hamburg en Berlijn. Maar het dorp had er nu weinig profijt van. Maar liefst achtduizend arbeidsplaatsen gingen verloren. De oude woonhuizen die al jaren aan het verpauperen waren raakten steeds meer in verval.

Inmiddels herstelt Wittenberge van de crisis. Het westen heeft vele miljarden in de voormalige DDR gestoken. Daar worden o.a. oude panden prachtig van gerestaureerd. Je kunt hier schitterende woonhuizen kopen voor een bedrag dat in Nederland ondenkbaar is (200.000 euro voor een gerestaureerd herenhuis van 200 vierkante meter met een grote tuin).

David wordt niet tegengesproken

Toen ik op een VWO iets vertelde over de gehandicaptenzorg vroeg één van de leerlingen: "Meneer, komt 'het' vaker voor bij tweelingen?" Ik zei: "Ja, dat komt vaker voor." Daarop bulderde de hele klas van het lachen. "Zie je wel, we dachten het al!" Er zat een tweeling in de klas...

David is één van een tweeling. Hij is erg slim. Hij heeft een lichamelijke beperking, waardoor hij aan een rolstoel gebonden is. Maar het gemis aan fysieke mogelijkheden compenseert hij ruimschoots met zijn intelligentie.

Zoals in alle gezinnen met meerdere kinderen is er ook tussen David en zijn broer Jesse sprake van rivaliteit. David kan heftige discussies voeren om zijn gelijk te halen. Dat lukt hem bijna altijd. Het lijkt ook wel of hij daarmee zijn handicap wil compenseren.

David wordt in de strijd gesteund door zijn moeder. Als er weer eens een discussie is over het gelijk van de één en het ongelijk van de ander zegt zijn moeder tegen Jesse: “Wees jij nou maar de wijste. Je broer mist al zoveel.” 

Het lijkt er op dat de moeder een schuldgevoel heeft over de handicap van haar lichamelijk beperkte zoon. Ze probeert op allerlei manieren zijn leed te verzachten. Maar ook Jesse loopt een schuldgevoel op. Als hij de discussie met zijn broer aan gaat krijgt hij het gevoel mee dat hij onvoldoende rekening houdt met de moeiten die de broer in zijn leven ervaart.

Eigenlijk zijn er zelfs drie verliezers. Want op deze manier leert David niet echt om met andere mensen om te gaan. Hij leert wel om de baas te zijn. Dat helpt bijvoorbeeld bij het uitoefenen van bepaalde functies. Hij zal het straks – ondanks zijn lichamelijke beperking – met zijn intelligentie en zijn verbale gehaaidheid vast ver schoppen. Maar het maakt hem niet meer mens. In sociaal opzicht hapert zijn ontwikkeling.

Om te groeien als mens tussen andere mensen en goed samen te kunnen werken heb je nu eenmaal regelmatig ook tegenwind nodig.