Agendaperikelen

Oude tijden herleven weer. Destijds had ik regelmatig drie afspraken tegelijk op één avond. Dat had zo zijn voordelen.

Ik kon dan namelijk bij alle afspraken zeggen dat ik elders moest zijn. Omdat ik zelf geen oorzaak was van die dubbele afspraken (ze werden gewoon ingepland) hoefde ik me ook niet zo schuldig te voelen. Dat leverde dan vervolgens een vrije avond op. Maar dit excuus lukt me nu niet.

Mijn agenda is inmiddels aan lager wal geraakt en dat leidt tot nieuwe problemen. Juist op een leeftijd dat het geheugen dramatisch achteruit gaat moet je zorgen dat je je agenda goed bijhoudt. Zodra je dat niet doet gaan er zaken mis.

Van Tineke, die ik verdenk van een stalen geheugen (net als haar vader) had ik agendafouten niet verwacht, maar zij had gistermorgen toch drie afspraken tegelijk staan, terwijl ze in fysiek opzicht maar op één plek kon zijn.

Van mezelf kon ik voorspellen dat een agenda wel handig zou zijn, maar ik paste mijn gedrag niet aan. De meeste afspraken staan op de kalender in de woonkamer, maar ik ben daar niet helemaal consequent in. Vooral als er een datumprikker in omloop is heb ik niet in de gaten wat me boven het hoofd hangt.

Zo moest ik gisteren een cursus geven. Dat wist ik nog. Het stond ook genoteerd. Die cursus zou plaatsvinden in de middag, zo had ik bedacht. Dat leek me wel een mooie tijd. Langzaam opstarten in het kader van het leeftijdsvriendelijke ouderenbeleid. Daarna als een speer cursus geven. En ’s avonds weer geleidelijk uitdoven.

Helaas bleek de cursus ’s avonds gegeven te worden. Ondertussen had ik ook een datumprikker voor een vergadering rondgestuurd. En ik had zelf besloten dat de dinsdagavond de meest geschikte avond was. Vervolgens meldde Tineke dat ik verwacht werd vanwege een activiteit van huishoudelijke aard wegens het feit dat haar oudste zus een halve eeuw is getrouwd met de één of andere Jan.

Tineke heeft ook een broer die Jan heet. Dat is weer iemand anders. Die was net voor coronatijd ook een halve eeuw getrouwd. Dat hebben we hier in huis op gepaste wijze gevierd, inclusief een vrouwelijke burgemeester, liederengezang en taart. En het voordeel van twee Jannen in de familie is dat je minder moeite hoeft te doen voor het bedenken van de goede naam.

Maar nu had ik dus weer drie afspraken op één avond. De Zoomvergadering moest ik met gekleurde kaken van schaamte afzeggen. Dan gaat de vergadering alsnog door. Ik ben niet de voorzitter, maar slechts een schermheilige op afstand.

De familiebijeenkomst: daar kon ik bij zeggen dat ik slechts een aangetrouwde versie van de familie ben en dus onmogelijk verder kom dan een bijrol aan de zijlijn. Aan de familie van Tineke kan ik toch niet tippen.

Maar de cursus die ik moet geven kon ik moeilijk afzeggen. De cursisten komen uit het hele land en dan voor niets naar Rotterdam.

Bovendien gaat de cursus over het geheugen en geheugenproblemen. Oftewel over vergeetachtigheid. Hooguit zou ik door mijn afwezigheid een treffende illustratie kunnen zijn van wat er gebeurt als mensen vergeetachtig worden... 

Een nieuwe groep

Ik maak kennis met een nieuwe groep studenten. Het zijn er twaalf. Omdat ik graag wil weten wat voor cursusvlees ik in mijn kuip heb laat ik ze zichzelf voorstellen. 

Martin vertelt dat hij met gehandicapten werkt. Hij houdt van actie en van onvoorspelbaarheid. Vooral het werken met mensen met een lichte verstandelijke beperking vindt hij een uitdaging.

Marieke heeft een gehandicapte broer. Ze heeft veel voor hem gezorgd. En nu werkt ze op een verzorgingsgroep in een instelling.

Rick vertelt dat hij in de ICT werkte. Daar kwamen de muren op hem af. Hij wilde meer vrijheid. Hij is ambulant begeleider.

Jim zegt: “Ik ben Jim, en ik woon in Landsmeer. Mijn hobbies zijn wielrennen, muziek maken en gamen. Ik heb geen vast contract, maar val overal in.”

Christa is nauwelijks te verstaan. Ze praat zacht en tijdens het zich voorstellen maakt ze zich kleiner.

Chayenne vertelt dat ze uit Curacao komt. Haar moeder is twee keer gescheiden en moet van een kleine uitkering leven. Ze wil graag haar moeder financieel ondersteunen. Bovendien wil ze een goed voorbeeld voor haar jongere zusje zijn.

Merel heeft tal van vrienden en vriendinnen die in de problemen zijn geraakt. Ze wil andere jongeren helpen om het niet zo ver te laten komen. Ze wil graag sportinstructrice worden. Want met sport voorkom je veel ellende. Ze wil ook graag een wereldreis maken voordat ze zelf kinderen krijgt. Maar eerst wil ze een betere kamer, ‘dus als jullie nog iets voor me weten…’

Wendy is getrouwd met Peter. Ze heeft twee ‘kids’ van 9 en 6 jaar. Ze zorgt graag voor anderen. Ze voelt zich als een vis in het water in de gehandicaptenzorg. Ze vindt het heerlijk om te ervaren hoe blij de bewoners zijn als ze binnen komt.

Koen wil graag veel leren. Hij wil weten hoe mensen in elkaar steken. Hij is benieuwd waarom mensen psychische stoornissen ontwikkelen. Hij bekijkt allerlei colleges die online op internet te vinden zijn. Maar hij vindt het moeilijk om die kennis toe te passen in de praktijk van zijn werk bij een groep mensen met ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’. Hij hoopt dat het met mijn lessen allemaal wat duidelijker gaat worden.

Dat waren ze niet allemaal. Opvallend is het grote aantal mannen in de klas: de helft. Meestal zitten er maar één of twee mannen in de groep.

De eerste kennismaking geeft al een beeld van wie er in zo’n groep zitten. Vooral als je iedereen voor de vuist weg laat vertellen wat er in hem of haar opkomt.

Het begint al met de vraag wie zich het eerste voorstelt. In dit geval ging het vanzelf, de groep ging op het rijtje af. Alleen zag ik bij Christa dat ze desondanks twijfelde. ‘Spreek ik niet voor mijn beurt?’

Als je kijkt naar de voorrang die denken, voelen of handelen krijgen, dan zie je dat Koen zich in de kennismaking ontpopt als de denker. Hij wil graag veel weten. Ik verwacht dat hij veel vragen gaat stellen waar hij nog meer te weten kan komen. Hij zal me ook vragen gaan stellen waar ik geen antwoord op weet, over video’s die ik nooit heb gezien en sprekers waar ik nog nooit van heb gehoord. Het is de kunst om er geen wedstrijd van te maken wie het meeste weet.

Wendy is vooral een gevoelsmens is en Marieke waarschijnlijk ook. Ze zullen heel intensief gaan luisteren naar de verhalen die ik ga vertellen over hechting, over verstoorde hechting en over de vraag hoe je als begeleider een steentje kunt bijdragen in de opbouw van (alsnog) een stukje hechting. Ze zullen daarbij wel zichzelf tegen komen en ook af en toe emotioneel op de rem moeten staan.

Merel en ook Martin houden van actie. Ze zijn handelaars, en daarmee ook oplossingsgericht. Ze houden zich niet aan protocollen, dat is allemaal flauwekul. Als het werkt is het goed. Ze schudden de boel op. Ik moet ook zorgen dat de lessen voor hen spannend genoeg blijven door bijvoorbeeld op de persoon af te vragen wat ze met een bepaald idee zouden kunnen doen.

Moet ik me zorgen maken over Christa? Ik denk dat dat wel meevalt. Ze heeft de tijd nodig. Ik hoop dat ze een veilige werkplek heeft waar ze rustig kan groeien in haar werk.

Het wordt vast een leuke cursusgroep. Net zoals een team met denkers, mensen die voelen en mensen die oplossingsgericht zijn tot mooie resultaten in de zorg kan komen. Mits het team veilig genoeg is en iedereen zijn woordje kan doen en met zijn specifieke talenten aan bod kan komen. 

Splitting (4, slot)

Bij splitting wordt de één op een voetstuk gezet en de ander wordt de zondebok. Hoe valt dat principe vanuit de sociaal-emotionele ontwikkeling te verklaren?

Kinderpsychiater Margareth Mahler bouwde een theorie op rond de hechting en het ontwikkelen van een eigen identiteit van jonge kinderen. Het draait bij haar rond de termen van separatie en individuatie. Je kunt pas los komen van je moeder (separatie) als je ik voldoende ontwikkeld is (individuatie). Die ontwikkeling vindt volgens Mahler vooral plaats in de fase van de object-constantie  (24 tot 36 maanden, oftewel vooral tussen twee en drie jaar).

Vier stappen in het leren loslaten

  1. Eerder heeft het kind al geleerd dat een moeder weg kan zijn en er ergens toch nog is. Nu leert het kind: ook als ik mijn moeder niet zie is ze toch nog voor mij beschikbaar.

2. Het tweede wat kinderen in deze fase leren is: ook als mijn moeder boos op me is mag ik er toch nog zijn. De moeder wordt als een constante factor gezien, de boosheid is iets wat tijdelijk is, maar wat wel weer over gaat.

3. Het derde wat kinderen leren is alvast een beetje in grijstinten denken. Ook lieve mensen kunnen heel boos doen. Toch blijven ze lief. En ook: mamma kan heel erg boos zijn, maar ook een beetje boos. Als ze een beetje boos is is dat geen afwijzing, ze is gewoon even een beetje boos.

4. Ook leren peuters te oefenen in afstand en nabijheid. Dankzij dit oefenen kan het kind leren dat het geen ramp is als mamma niet in de buurt is. En als mamma weg is, is dat geen verlating. Ze is even weg en zo komt straks weer terug.

Geen grijstinten

Als mensen splitten komen ze kennelijk niet aan die derde fase toe: het denken in grijstinten. Mijn vrouw is nu even onbereikbaar, maar straks komt ze weer thuis. Of in de andere dimensie: de ander is er helemaal voor mij óf hij is tegen mij. Het emotionele denken is zwart-wit. De één doet alles goed en de ander kan nooit iets goeds doen.voorafgaande fase steken.

In die voorgaande fase leert het kind geleidelijk aan om zijn moeder te ‘missen’. Als mamma er niet is kan het kind verdrietig zijn, maar dat hoeft niet te ontaarden in heftige driftbuien, in bijtgedrag, in destructie. En als mamma weer terug komt is alle leed geleden. Het kind zoekt troost en daarna is het weer helemaal goed.

Ziehier het principe van de stalkende echtgenoot die op elk moment van de dag wil weten waar zijn of haar partner is. Het gevoel geen controle te hebben wordt ervaren als verlating.

Bij volwassenen is het vaak geen mamma meer, maar bijvoorbeeld de partner. Het valt niet te verdragen dat de partner aandacht geeft aan een ander. Dat wordt niet in de context geplaatst (hij praat nu even met de buurvrouw, maar straks is hij weer bij mij): de gedeelde aandacht staat gelijk aan verlating. Een zeer heftige reactie tot en met een overvliegend servies kan het gevolg zijn. De partner heeft nu de positie van de moeder ingenomen. Hij moet er helemaal voor mij zijn, want anders voel ik me leeg en ben ik verlaten.

Varianten op het splitten

Er zijn veel meer vormen van splitting mogelijk in heel andere omstandigheden:

  • Berend gedraagt zich op de woning redelijk, maar zodra hij bij zijn ouders thuis komt loopt het gedrag direct helemaal uit de hand
  • Met Martine is bij haar moeder geen land te bezeilen, maar als haar vader thuis komt is er opeens niets meer aan de hand
  • Bas heeft intensief contact met zijn zus Merel en met zijn broer Steven, maar met twee andere gezinsleden wil hij geen enkel contact
  • De ouders willen alleen spreken met begeleider Kees, de andere teamleden vinden ze maar niets
  • De broer van Esmee wil alleen spreken met de manager of de orthopedagoog, maar niet met de teamleden

Daar zou ook nog veel meer over te schrijven zijn, maar dan wordt het verhaal te lang. Eerst maar weer even over iets anders na gaan denken…

Deze serie blogs werden geschreven vanuit ervaringen in de gehandicaptenzorg. Daaruit geef ik de volgende literatuursuggesties mee: 
* E. de Belie en F. Morisse: Gehechtheid en gehechtheidsproblemen bij personen met een verstandelijke beperking (Garant, 2007) 
* Erik de Belie en Geert van Hove: Wederzijdse emotionele beschikbaarheid (Garant, 2013)

Splitting (3)

Marjanne heeft een begeleidster die op een voetstuk wordt gezet (Sanne) én ze heeft een begeleidster die het niet goed kan doen (Dorien). 

Soms zie je dit verschijnsel ook bij opvoeders. Het ene kind wordt op een voetstuk gezet, het andere is per definitie de zondebok. Wat er dan gebeurt is dan een ouder kennelijk niet in staat is om in grijsdenken te denken en te voelen. Elk kind roept pretttige dingen op, maar kan jou ook confronteren met vervelende herinneringen.

Stel dat het gedrag van je dochter je aan je moeder doet denken en je hebt negatieve herinneringen aan je moeder en misschien zelfs wel elk contact met haar verbroken: loopt er opeens een kopie van je moeder door het huis... 

Een ouder hoort volwassen genoeg te zijn om hier over na te kunnen denken en in te zien dat je dan de boosheid op je moeder projecteert op je kind. Helaas zijn tal van ouders daar niet toe in staat. En zeker niet als ze een stevig emotioneel rugzakje met zich meedragen dat hun sociale en emotionele ontwikkeling heeft belemmerd. Je krijgt dan eigenlijk een kind dat een kind moet opvoeden.

Projectieve identificatie

Het gedrag van Marjanne wordt in de literatuur wel beschreven als projectieve identificatie. De term werd voor het eerst beschreven door psycho-analytica Melanie Klein (1946). Het gaat er om dat het zelf en de ander worden opgeplitst in goede en slechte delen. De slechte delen worden niet verdrongen, ze worden geparkeerd. Werkt Sanne, dan worden de slechte herinneringen op de parkeerplaats gezet. Werkt Dorien, dan komen de slechte herinneringen opeens als een duveltje uit een doosje tevoorschijn.

Het betekent dus niet (zoals veel te vaak wordt gedacht) dat Dorien haar werk niet goed doet en dat Sanne daarentegen een heel goede begeleider is. Als je ‘zo’ denkt doe je mee in het systeem van de splitting.

Bij projectieve identificatie ontstaat altijd tegenoverdracht: het gedrag doet iets met jou. Zoals bij Dorien, die zich na een dienst door Marjanne leeggezogen voelt. Eigenlijk voelt ze zichzelf uiteindelijk misschien wel net zo slecht als hoe Marjanne zichzelf eigenlijk voelt.

Psycho-educatie

Wat is er nodig? “Als de dynamiek van het splitten niet verdragen en begrepen wordt leidt dit tot spanningen tussen opvoeders en conflicten binnen het team” (Van Gael, 2007).

  1. In de eerste plaats psycho-educatie voor begeleiders. Ze moeten kunnen en leren begrijpen welke processen hier een rol spelen.
  2. Het tweede is dat Dorien zich gesteund moet voelen door het team. Collega’s moeten Dorien laten ervaren dat ze empathisch zijn en begrijpen dat het moeilijk is om in zo’n situatie het hoofd boevn water te houden.
  3. Daarnaast moeten begeleiders uit het oordeel stappen. De boodschap is dus niet dat zij misschien niet consequent genoeg is, niet communicatief genoeg, ‘het niet goed doet’, maar de boodschap is dat ‘de zwarte Piet’ past in het verhaal van Marjanne. Collega’s moeten ook beseffen dat zij net zo goed de zwarte Piet hadden kunnen zijn of alsnog kunnen worden.
  4. Hoewel het extra haar best doen door Dorien leidde tot meer probleem-gedrag bij Marjanne ligt hier toch een ingang voor contact. Wel is het zo dat eerst de emotionele lading er af moet (een lage expressed emotion). De optimale houding is: ‘dit gaan we doen, je ziet maar wat je er van vindt’.
  5. Daarnaast zou begeleider Sanne kunnen inzetten op bijvoorbeeld het benoemen van negatieve gevoelens van Marjanne. “Ik heb begrepen dat je gisteren boos was weggelopen. Wat was er gebeurd?” Daarmee wordt het voor Marjanne meer gewoon dat ze niet meer een mooi plaatje van zichzelf hoeft op te houden bij Sanne.
Twintig, dertig, veertig jaar levensverhaal laten zich niet wegpoetsen door begeleiders die komen en gaan. Het is wel mogelijk om af en toe een steentje bij te dragen zodat de wereld misschien iets minder zwart-wit wordt.

Splitting (2)

Splitting is één van de meest kenmerkende psychologische verschijnselen bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Het komt ook veel voor bij kinderen uit disfunctionele gezinnen. 

Bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis zie je dat de één op een voetstuk wordt gezet en dat de ander nergens voor deugt. Echter: degene die op het voetstuk gezet wordt kan er ook heel gemakkelijk weer afgegooid worden. De val is vervolgens diep. Van de beste dokter die er ooit geweest is word je opeens de slechtste huisarts van Nederland. Wat zeg ik? Van de héle wereld!

Gisteren schreef ik over Marjanne. Ze heeft een favoriete begeleider én ze heeft iemand die het nooit goed kan doen. Sterker nog: als begeleidster Dorien binnen komt staat het gezicht van Marjanne meteen op ‘zwart’. De hele dienst door blijft ze mokken, negatief gedrag vertonen, en ze weigert elk verzoek van Dorien. Marjanne is voor haar de zwarte Piet (dat schijn je niet meer te mogen zeggen en schrijven, maar als ik me daar ook al druk over moet gaan maken…).

Marjanne’s vader was zeer onvoorspelbaar in zijn gedrag De ene keer kwam hij boos thuis uit zijn werk en was er niets goed. De andere keer kwam hij thuis en had hij direct positieve aandacht voor zijn dochter. Het gevolg was dat Marjanne eigenlijk altijd op haar hoede was.

De combinatie van die twee ‘vaderbeelden’ is voor Marjanne niet te vatten. ze heeft voor zichzelf de wereld voorspelbaar gemaakt door de ene begeleidster op een voetstuk te zetten, te idealiseren. De andere begeleidster symboliseert de kwade vader, voor wie nooit iets goed was.

Anja: twee werelden                                                                                                                 

Anja is een vrouw van middelbare leeftijd met een matige verstandelijke beperking. Ze vertoont op de woning veel gedragsproblemen. Dagelijks zijn er stevige incidenten. Regelmatig verscheurt ze haar kleren, gooit met spullen (‘verplaatst meubilair op horizontale wijze door de ruimte’ staat er dan eufemistisch in de rapportage) en vertoont fysieke agressie naar met name de begeleiding. Op het dagcentrum gaat het echter altijd goed. Ze heeft een goede band met activiteitenbegeleider Saskia.

Geleidelijk ontstaat er spanning tussen wonen en de dagbesteding. Op de dagbesteding verwijt men de woning dat er te zware maatregelen worden ingezet bij de begeleiding van Anja. Dagelijks krijgt ze straf. Dat wordt als barbaars ervaren. Anja klaagt ook dagelijks op de dagbesteding over de begeleiders op de woning. Het gevolg is dat begeleider Saskia een steeds negatiever beeld krijgt van de medewerkers op de woning. Ze doen wel aardig, maar eigenlijk zijn het beulen.

Splitting tussen personeel

Wat je in het verhaal van Anja ziet is dat de splitting in het gedrag van Anja leidt tot splitting tussen medewerkers. De ene medewerker is goed, de andere is fout. En dat is precies het in pedagogisch opzicht meest desastreuze effect voor de begeleiding van cliënten met complexe hulpvragen.

Ik zag Anja regelmatig uit de dagbesteding naar de woning lopen. Je kon aan haar motoriek zien dat het eigenlijk maar nét goed ging. Ze sloot zich helemaal af van de buitenwereld, want ieder contact zou de vlam in de pan kunnen doen slaan. Eenmaal op de woning gebeurde dat dan ook meerdere malen per week. Eén opmerking van een personeelslid (‘wil je je jas even ophangen?’) kon al tot gevolg hebben dat het gedrag van Anja totaal escaleerde.

Wat er in feite gebeurde was dat Anja koste wat het kost het positieve beeld van de begeleidster Saskia vast wilde houden. Dat kostte haar zóveel energie dat ze eigenlijk mentaal helemaal uitgeput raakte. Het ging nog maar nét goed. Eenmaal op de woning móest alle spanning eruit. Met heftige gevolgen….

Twijfelen aan jezelf

Dan nu terug naar begeleider Dorien. Wat betekent het gedrag van Marjanne voor Dorien?  Ze voelde zich als begeleider steeds minder ‘competent’ en ging steeds meer twijfelen aan zichzelf. De relatie tussen Dorien en Marjanne stond steeds minder centraal, het zelfbeeld van Dorien raakte er door besmet. Was ze eigenlijk wel een goede begeleider? Had ze wel het goede vak gekozen?

Paradoxaal genoeg: om zichzelf te beschermen ging ze extra haar best doen. Ze wilde extra proberen om de relatie met Marjanne meer op orde te krijgen. Maar Marjanne liet zich niet helpen. Hoe meer Dorien haar best deed, des te dwarser werd het gedrag van Marjanne. Precies zoals de peuter de groente nog méér weigert als mamma extra lekker heeft gekookt…

Opnieuw een paradox: juist het feit dat Dorien extra haar best deed maakte dat de angst bij Marjanne toenam. Het betekende voor haar niet: het is gezellig, maar: straks is het niet meer gezellig. Alsof je een verjaardag niet leuk mag vinden omdat je morgen niet meer jarig bent.

Splitting (1)

Elke hulpverlener kent het verschijnsel wel: de ene begeleider wordt op een voetstuk gezet, de ander deugt voor geen meter. En hoe goed je het ‘splitten’ ook kent, je komt ook altijd weer de valkuilen bij jezelf tegen. Want als je als behandelaar op een voetstuk wordt gezet, dan streelt dat je ego.

Per persoon en door de tijd

Splitting komt binnen het team voor: de één is erg goed, de ander moet direct ontslagen worden. Het verschijnsel kan zich ook door de tijd heen voordoen. Eerst ben je een topper en een half jaar later krijg je een klacht aan je broek(rok).

Als medewerker in de zorg moet je alert zijn als iemand jou op een voetstuk zet: de kans is bepaald niet denkbeeldig dat je er vervolgens heel hard afvalt. Hoe meer je op een voetstuk wordt gezet, des te groter zal de kans zijn dat je er af valt.

(Te) hard je best doen

Een andere valkuil is dat de complimenten verslavend werken. Je wilt de relatie immers goed houden. De (onderbewuste) boodschap van de cliënt is: ‘als jij altijd voor mij klaar staat ben jij de beste behandelaar die ik ooit heb gehad’. De manier waarop je op die boodschap reageert is dat je hard wilt werken om aan de verwachtingen te kunnen blijven voldoen. Doe je dat niet, dan val je inderdaad zómaar van je voetstuk.

Splitting en hechting

Naar mijn mening heeft splitting vaak te maken met hechting. Bij de zogenaamde angstig-ambivalente hechting spelen drie tendensen een rol:

  • De behoefte aan nabijheid,
  • De angst voor verlating en
  • De boosheid om de verlating.

Een andere vorm van verstoorde hechting die zich kan uiten in splitting is de zogenaamde gedesorganiseerde gehechtheid. Hierbij is vooral sprake van een onvoorspelbaar patroon van reacties. Je komt tien minuten te laat op de afspraak en er is niets aan de hand. De volgende keer kom je twee minuten te laat en het huis is te klein.

Casus Marjanne   
Marjanne woont op een woning met zes andere cliënten met een lichte verstandelijke beperking. Ze woont met vrij stevige begeleiding, omdat het steeds weer mis ging toen ze begeleid zelfstandig woonde. Marjanne is het helemaal niet eens met alle afspraken die (voor haar) gelden op de woning.  Opmerkelijk is dat ze zich in aanwezigheid van haar persoonlijk begeleider Sanne redelijk ‘aangepast’ gedraagt: er zijn opvallend weinig conflicten. Ze toont zich meegaand en soms zelfs opvallend coöperatief.  Bij begeleidster Dorien laat Marjanne heel ander gedrag zien. Er zijn continu botsingen. Ze is het niet eens met de afspraken, wil zich er absoluut niet aan houden en trekt zich vaak mokkend terug op haar kamer. Wat is er aan de hand?

Zwart-wit

Marjanne heeft in de loop van haar leven veel negatieve ervaringen gekend. Ze is gefrustreerd geraakt en door het leven getekend. Toch heeft ze nog steeds een ideaalbeeld van hoe anderen zouden kunnen of moeten zijn. Er is dus wel een stukje hechting op gang gekomen, maar het is ambivalent. Aan de ene kant is er dus het ideaalbeeld: dat is Sanne geworden. Ze wil Sanne koste wat het kost te vriend houden en het positieve beeld in stand houden.

Maar Marjanne heeft ook veel negatieve ervaringen meegemaakt. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat betekent o.a. dat ze ‘langzaam lerend’ was en daardoor anderen vaak niet goed kon volgen. Het tempo van haar ouders lag bijvoorbeeld te hoog: ze was hen vaak ‘kwijt’. Eén van de gevolgen is vaak een verstoorde hechting.

Dat is volgens de criteria van Boris en Zeanah (2005) bij Marjanne op jonge leeftijd ook al duidelijk geweest. Op volwassen leeftijd laat ze veel kenmerken van een borderline-persoonlijkheidsstoornis zien.

Regels in de klas

Je hebt regels en regels. Sommige regels vind ik prima, met andere kan ik leven, maar er zijn ook regels die in mijn ogen wel wat erg star zijn. Daar houd ik me dan ook niet helemaal aan. Het gaat immers niet om de letter, maar om de geest van de wet.

De afgelopen week moest ik twee keer ergens een cursus verzorgen. Voor beide cursuslocaties waren tal van voorzorgsmaatregelen genomen. Zo moest ik vooraf een vragenlijst invullen (geboortedatum, IQ, of ik vega was en of ik klachten had enz) en ik diende me te ontsmetten. Ik hoefde nog nét niet onder de douche.

Verder mocht er maar één persoon tegelijk in de lift. Ook mocht er maar één persoon tegelijk naar de WC (als er maar één toilet is was dat toch al mijn gewoonte). En bij het koffieapparaat mocht geen filevorming ontstaan. Dat gebeurde ook niet, want het apparaat was buiten werking gesteld.

Maar hoe zit dat nu in de cursusruimte? Daar heb ik me dus niet aan gehouden. Er stond een katheter waar in plaats moest nemen (er zijn ook mensen die spreken over een katheder). En de bedoeling was kennelijk dat ik daar drie uur lang bleef staan…

Kijk, dat gaat mij dus echt niet lukken. Ik moet heen en weer kunnen lopen, vooral als ik met enig enthousiasme iets uit wil leggen. Ook als ik de regel in mijn oren had geknoopt, het zou me niet zijn gelukt. Ik heb op allerlei manieren gebruik gemaakt van de ruimte. Maar ik hield me wel aan de 1½ meter. Dat dan weer wel...

Afgunst in de zorgrelatie

“Je hebt een mooi beroep”. Dat is vaak wat tegen begeleiders in de zorg wordt gezegd. Maar hoe kijken cliënten aan tegen het beroep van de begeleider?

In de bundeling van zijn columns over het verblijf in een verzorgingshuis (Geen patiënten) beschrijft Jan Hein Donner hoe zijn afhankelijkheid van begeleiders leidt tot allerlei negatieve gevoelens. Je zou het een soort van Calimero-effect kunnen noemen. Zij zijn groot en ik ben klein. Als zij koffiepauze nemen moet ik wachten.

Mensen met een beperking hebben ook hun idealen. Vooral als ze het besef hebben dat ze ‘anders’ zijn kan dat schrijnend zijn. Ze willen normaal zijn, ze willen later een huis, een baan en twee kinderen. Tegelijkertijd ervaren ze dat ze die idealen nauwelijks kunnen bereiken. Het lukt meestal niet om de school af te maken, er moet eindeloos gesolliciteerd worden, de wachtlijst voor een sociale woning is ontzettend lang, relaties lopen steeds weer stuk.

En dan die begeleidster. Ze komt ’s morgens vrolijk fluitend op haar werk (een baan dus) en ze gaat aan het eind van de dienst weer naar huis, naar haar man en naar haar kinderen. Ze is geslaagd in het leven. Als cliënten zich dat bewust zijn kan het leiden tot allerlei vormen van afgunst. 

De meeste vrouwelijke cliënten met een lichte verstandelijke beperking hebben een uitgesproken kinderwens. Toen begeleidster Mirjam zwanger was bleek het contact met één van haar cliënten – Vanessa – veel moeizamer te verlopen. Momenten van betrokkenheid (‘hoe gaat het met je kindje?’) wisselden af met teruggetrokkenheid, maar ook met felle uitbarstingen. “Ik hoop dat je kind dood geboren wordt, dat is dan je eigen schuld!” Zoiets komt ontzettend heftig binnen. Mirjam ervoer deze uitspraak als een vloek over haar kind. Ze ging zelfs denken dat het werkelijk mis zou gaan met de baby.

We hebben over deze situatie gesproken. Mirjam kon wel (aan) voelen dat Vanessa het moeilijk had met deze zwangerschap. Gaandeweg was ze de Mirjam gaan vertrouwen. Soms was er misschien zelfs een teveel aan vriendschap ontstaan. Twee vriendinnen die van alles aan elkaar vertelden. Nu kwam de ongelijkheid van de relatie nadrukkelijker naar voren. Mirjam die in de ogen van van Vanessa alles had wat ze maar wilde: huisje, boompje, beestje en nu zelfs een kind. En de cliënt die steeds meer was gaan ervaren dat ze steeds weer haar doelen te hoog stelde.

Maar daarmee ben je er nog niet. Mirjam had begrip voor de uitspraken van de cliënt. Ze wilde haar er niet op aanspreken, want Vanessa miste immers al zoveel? Dan moest zij maar de sterkere zijn.

Is dat terecht? Moet je als begeleider alles maar ‘over je kant laten gaan?’ Mijn ervaring is dat het steeds maar weer moeten incasseren van pijnlijke opmerkingen op den duur steeds schadelijker wordt, steeds meer belastend. Je denkt een tijd dat je er tegen kunt, maar er kan een moment komen dat er iets ‘knapt’. Schelden doet namelijk wél zeer. En in een relatie doet het extra zeer, zeker als het schelden een persoonlijke kleur heeft en gericht is op één van jouw kwetsbare plekken.

De opmerkingen uit de zorgrelatie halen

In het kader van het mentaliseren hebben we er over gesproken wat de persoonlijke aanvallen van de cliënt voor Mirjam betekenden. We hebben de opmerkingen zoveel mogelijk uit de zorgrelatie  gehaald (‘wat zou je doen als je niet een zorgrelatie had met Vanessa maar als ze bijvoorbeeld je buurvrouw was?). Daarnaast hebben we besproken wat het voor Vanessa zou betekenen als ze op een ‘gelijkwaardige’ manier werd aangesproken op haar gedrag. Het moest geen preek worden, maar een gesprek waarbij de cliënt zelf zou inzien wat haar gedrag betekende.

Vanessa werd in een volgend gesprek erkend in haar gemis. Met die opening kon ze ook toegeven dat ze ‘best wel jaloers’ was. Daarbij kwamen de tranen al snel tevoorschijn. Vervolgens gaf ze aan dat ze ook wel blij was met het kindje dat ging komen.

Maar nu kwam er ook een nieuw dilemma naar voren: ze ging Mirjam drie maanden missen. En dat wilde ze helemaal niet. Toen de kaarten eenmaal op tafel waren geweest waren zowel Mirjam als Vanessa opgelucht. De baby verdween als belast thema van het strijdtoneel.

De eerste observatie

Mijn eerste ervaring met de bijzondere tandheelkunde was bij 'Bijter' in Rotterdam, een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Het was een toevallige ontmoeting. De daar werkzame tandarts vroeg of ik een keer bij hem in de praktijk wilde kijken. 

Er kwam een meisje van een jaar of zes langs bij de tandarts. Ze bleek een totaal verwaarloosd gebit te hebben. Volgens de moeder lag dat aan de tandwolf. Tandwolf is erfelijk, daar kun je dus niets aan doen.

Die wolf is nu op de Veluwe, maar toen is hij al waargenomen in Rotterdam. Hij bleek o.a. ’s avonds langs te komen als de dochter met een flesje met zoete limonade naar bed ging. Maar dat vertelde moeder niet.

Vanuit de behandelstoel had moeder oogcontact met haar dochter. En de dochter hield haar moeder in de gaten. De tandarts stelde allerlei vragen aan de moeder, o.a. over het eten en drinken. Moeder zei dat haar dochter maar weinig snoep kreeg. En wat krijg je ’s avonds? vroeg de tandarts aan de dochter. Voordat ze kon antwoorden zei moeder: een flesje water. Je zag aan het oogcontact tussen de twee dat dit een geheim was. Het was water met een kleurtje…

Even later moest de dochter haar mond open doen. Haar moeder keek angstig en de dochter ving de oogopslag van moeder. Meteen deed ze haar mond dicht. 

Na afloop van het consult zei ik tegen de tandarts: “Dit gaat je zo niet lukken!” De tandarts had het oogcontact niet gezien. Ook niet kunnen zien. Maar wat er aan de hand was, was duidelijk: dit verbond tussen moeder en dochter: een nog bijna symbiotische band tussen moeder en dochter. Zo’n twee-eenheid doorbreek je niet als behandelaar.

Die eerste observatie is me bijgebleven. Er gebeurt bij de tandarts veel meer dan in of rond de mond. Je kunt ook niet alles waarnemen als behandelaar, als je je dit gegeven maar bewust bent.

Het betekent dat je bij de bijzondere tandheelkunde altijd de driehoek in de gaten moet houden. In dit geval: ouder-kind-behandelaar.

Gelukkig ging de volgende behandeling goed. Niet moeder was mee, maar een stevige oudere zus. De zus ging in de stoel liggen, haar kleine zusje op schoot en de hele controle verliep goed.

Dit meisje was zó gevoelig voor de stemming in de omgeving, en vooral voor de stemming van haar moeder, dat dat de hele eerste behandeling kleurde. Het meisje zoog de angst van de moeder op en werd daardoor extra angstig.

Soms denk ik wel eens: 'niet de dochter, maar de moeder zou eerst behandeld moeten worden'. 

Diploma

Ik heb nooit een strikdiploma gehaald. Dat komt omdat ik de kleuterschool gemist heb.

Nu weet ik niet of ik de kleuterschool écht gemist heb, want ik hou niet van knippen, plakken, van zand tussen mijn vingers en van vingerverven en kleien. Of zou ik het er dan juist wel geleerd hebben om daar mee om te gaan? Op de leeftijd dat andere kinderen leerden hun veters te strikken liep ik gewoon altijd in de tropen op blote voeten. Op de één of andere manier heb ik later wél mijn veters leren strikken, maar ik heb geen idee meer hoe.

Ik ben ook niet in het bezit van een zwemdiploma. Toen ik moest diploma-zwemmen verkeerde ik in een permanente toestand van oorontstekingen. De ene ging en de andere kwam. Dat hield een paar jaar aan. Van de dokter mocht ik toen niet meer zwemmen. Het schijnt dat je spontaan kunt zinken als je een gaatje in je trommelvlies hebt en dat loopt vol.

Ook mijn HBS-B diploma heb ik nooit gehaald. Evenmin als de dienstkeuring. De keuringsarts van waren sprak de gevleugelde woorden: ‘Wat u in het dagelijks leven doet, meneer Algra, weet ik niet, maar veel bijzonders zal het wel niet zijn’.

Na deze ontwikkelingslijn in mijn leven is mij donderdag iets bijzonders overkomen. Ik kreeg een oorkonde overhandigd. Niet vanwege die vele oor-ontstekingen. Ik werd lid van verdienste van de VMBZ: de Vereniging Mondzorg Bijzondere Zorggroepen. Volgens het feestcomité zou ik mij jarenlang en met grote waarde hebben ingezet voor de mondgezondheid voor bijzondere zorggroepen.

Ik was er eigenlijk wel een beetje beduusd van.

Daarnaast kreeg ik nog bloemen, benevens champagne en een beker met daarop de omslag van mijn boek over mondzorg.