Regels in de klas

Je hebt regels en regels. Sommige regels vind ik prima, met andere kan ik leven, maar er zijn ook regels die in mijn ogen wel wat erg star zijn. Daar houd ik me dan ook niet helemaal aan. Het gaat immers niet om de letter, maar om de geest van de wet.

De afgelopen week moest ik twee keer ergens een cursus verzorgen. Voor beide cursuslocaties waren tal van voorzorgsmaatregelen genomen. Zo moest ik vooraf een vragenlijst invullen (geboortedatum, IQ, of ik vega was en of ik klachten had enz) en ik diende me te ontsmetten. Ik hoefde nog nét niet onder de douche.

Verder mocht er maar één persoon tegelijk in de lift. Ook mocht er maar één persoon tegelijk naar de WC (als er maar één toilet is was dat toch al mijn gewoonte). En bij het koffieapparaat mocht geen filevorming ontstaan. Dat gebeurde ook niet, want het apparaat was buiten werking gesteld.

Maar hoe zit dat nu in de cursusruimte? Daar heb ik me dus niet aan gehouden. Er stond een katheter waar in plaats moest nemen (er zijn ook mensen die spreken over een katheder). En de bedoeling was kennelijk dat ik daar drie uur lang bleef staan…

Kijk, dat gaat mij dus echt niet lukken. Ik moet heen en weer kunnen lopen, vooral als ik met enig enthousiasme iets uit wil leggen. Ook als ik de regel in mijn oren had geknoopt, het zou me niet zijn gelukt. Ik heb op allerlei manieren gebruik gemaakt van de ruimte. Maar ik hield me wel aan de 1½ meter. Dat dan weer wel...

Afgunst in de zorgrelatie

“Je hebt een mooi beroep”. Dat is vaak wat tegen begeleiders in de zorg wordt gezegd. Maar hoe kijken cliënten aan tegen het beroep van de begeleider?

In de bundeling van zijn columns over het verblijf in een verzorgingshuis (Geen patiënten) beschrijft Jan Hein Donner hoe zijn afhankelijkheid van begeleiders leidt tot allerlei negatieve gevoelens. Je zou het een soort van Calimero-effect kunnen noemen. Zij zijn groot en ik ben klein. Als zij koffiepauze nemen moet ik wachten.

Mensen met een beperking hebben ook hun idealen. Vooral als ze het besef hebben dat ze ‘anders’ zijn kan dat schrijnend zijn. Ze willen normaal zijn, ze willen later een huis, een baan en twee kinderen. Tegelijkertijd ervaren ze dat ze die idealen nauwelijks kunnen bereiken. Het lukt meestal niet om de school af te maken, er moet eindeloos gesolliciteerd worden, de wachtlijst voor een sociale woning is ontzettend lang, relaties lopen steeds weer stuk.

En dan die begeleidster. Ze komt ’s morgens vrolijk fluitend op haar werk (een baan dus) en ze gaat aan het eind van de dienst weer naar huis, naar haar man en naar haar kinderen. Ze is geslaagd in het leven. Als cliënten zich dat bewust zijn kan het leiden tot allerlei vormen van afgunst. 

De meeste vrouwelijke cliënten met een lichte verstandelijke beperking hebben een uitgesproken kinderwens. Toen begeleidster Mirjam zwanger was bleek het contact met één van haar cliënten – Vanessa – veel moeizamer te verlopen. Momenten van betrokkenheid (‘hoe gaat het met je kindje?’) wisselden af met teruggetrokkenheid, maar ook met felle uitbarstingen. “Ik hoop dat je kind dood geboren wordt, dat is dan je eigen schuld!” Zoiets komt ontzettend heftig binnen. Mirjam ervoer deze uitspraak als een vloek over haar kind. Ze ging zelfs denken dat het werkelijk mis zou gaan met de baby.

We hebben over deze situatie gesproken. Mirjam kon wel (aan) voelen dat Vanessa het moeilijk had met deze zwangerschap. Gaandeweg was ze de Mirjam gaan vertrouwen. Soms was er misschien zelfs een teveel aan vriendschap ontstaan. Twee vriendinnen die van alles aan elkaar vertelden. Nu kwam de ongelijkheid van de relatie nadrukkelijker naar voren. Mirjam die in de ogen van van Vanessa alles had wat ze maar wilde: huisje, boompje, beestje en nu zelfs een kind. En de cliënt die steeds meer was gaan ervaren dat ze steeds weer haar doelen te hoog stelde.

Maar daarmee ben je er nog niet. Mirjam had begrip voor de uitspraken van de cliënt. Ze wilde haar er niet op aanspreken, want Vanessa miste immers al zoveel? Dan moest zij maar de sterkere zijn.

Is dat terecht? Moet je als begeleider alles maar ‘over je kant laten gaan?’ Mijn ervaring is dat het steeds maar weer moeten incasseren van pijnlijke opmerkingen op den duur steeds schadelijker wordt, steeds meer belastend. Je denkt een tijd dat je er tegen kunt, maar er kan een moment komen dat er iets ‘knapt’. Schelden doet namelijk wél zeer. En in een relatie doet het extra zeer, zeker als het schelden een persoonlijke kleur heeft en gericht is op één van jouw kwetsbare plekken.

De opmerkingen uit de zorgrelatie halen

In het kader van het mentaliseren hebben we er over gesproken wat de persoonlijke aanvallen van de cliënt voor Mirjam betekenden. We hebben de opmerkingen zoveel mogelijk uit de zorgrelatie  gehaald (‘wat zou je doen als je niet een zorgrelatie had met Vanessa maar als ze bijvoorbeeld je buurvrouw was?). Daarnaast hebben we besproken wat het voor Vanessa zou betekenen als ze op een ‘gelijkwaardige’ manier werd aangesproken op haar gedrag. Het moest geen preek worden, maar een gesprek waarbij de cliënt zelf zou inzien wat haar gedrag betekende.

Vanessa werd in een volgend gesprek erkend in haar gemis. Met die opening kon ze ook toegeven dat ze ‘best wel jaloers’ was. Daarbij kwamen de tranen al snel tevoorschijn. Vervolgens gaf ze aan dat ze ook wel blij was met het kindje dat ging komen.

Maar nu kwam er ook een nieuw dilemma naar voren: ze ging Mirjam drie maanden missen. En dat wilde ze helemaal niet. Toen de kaarten eenmaal op tafel waren geweest waren zowel Mirjam als Vanessa opgelucht. De baby verdween als belast thema van het strijdtoneel.

De eerste observatie

Mijn eerste ervaring met de bijzondere tandheelkunde was bij 'Bijter' in Rotterdam, een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Het was een toevallige ontmoeting. De daar werkzame tandarts vroeg of ik een keer bij hem in de praktijk wilde kijken. 

Er kwam een meisje van een jaar of zes langs bij de tandarts. Ze bleek een totaal verwaarloosd gebit te hebben. Volgens de moeder lag dat aan de tandwolf. Tandwolf is erfelijk, daar kun je dus niets aan doen.

Die wolf is nu op de Veluwe, maar toen is hij al waargenomen in Rotterdam. Hij bleek o.a. ’s avonds langs te komen als de dochter met een flesje met zoete limonade naar bed ging. Maar dat vertelde moeder niet.

Vanuit de behandelstoel had moeder oogcontact met haar dochter. En de dochter hield haar moeder in de gaten. De tandarts stelde allerlei vragen aan de moeder, o.a. over het eten en drinken. Moeder zei dat haar dochter maar weinig snoep kreeg. En wat krijg je ’s avonds? vroeg de tandarts aan de dochter. Voordat ze kon antwoorden zei moeder: een flesje water. Je zag aan het oogcontact tussen de twee dat dit een geheim was. Het was water met een kleurtje…

Even later moest de dochter haar mond open doen. Haar moeder keek angstig en de dochter ving de oogopslag van moeder. Meteen deed ze haar mond dicht. 

Na afloop van het consult zei ik tegen de tandarts: “Dit gaat je zo niet lukken!” De tandarts had het oogcontact niet gezien. Ook niet kunnen zien. Maar wat er aan de hand was, was duidelijk: dit verbond tussen moeder en dochter: een nog bijna symbiotische band tussen moeder en dochter. Zo’n twee-eenheid doorbreek je niet als behandelaar.

Die eerste observatie is me bijgebleven. Er gebeurt bij de tandarts veel meer dan in of rond de mond. Je kunt ook niet alles waarnemen als behandelaar, als je je dit gegeven maar bewust bent.

Het betekent dat je bij de bijzondere tandheelkunde altijd de driehoek in de gaten moet houden. In dit geval: ouder-kind-behandelaar.

Gelukkig ging de volgende behandeling goed. Niet moeder was mee, maar een stevige oudere zus. De zus ging in de stoel liggen, haar kleine zusje op schoot en de hele controle verliep goed.

Dit meisje was zó gevoelig voor de stemming in de omgeving, en vooral voor de stemming van haar moeder, dat dat de hele eerste behandeling kleurde. Het meisje zoog de angst van de moeder op en werd daardoor extra angstig.

Soms denk ik wel eens: 'niet de dochter, maar de moeder zou eerst behandeld moeten worden'. 

Diploma

Ik heb nooit een strikdiploma gehaald. Dat komt omdat ik de kleuterschool gemist heb.

Nu weet ik niet of ik de kleuterschool écht gemist heb, want ik hou niet van knippen, plakken, van zand tussen mijn vingers en van vingerverven en kleien. Of zou ik het er dan juist wel geleerd hebben om daar mee om te gaan? Op de leeftijd dat andere kinderen leerden hun veters te strikken liep ik gewoon altijd in de tropen op blote voeten. Op de één of andere manier heb ik later wél mijn veters leren strikken, maar ik heb geen idee meer hoe.

Ik ben ook niet in het bezit van een zwemdiploma. Toen ik moest diploma-zwemmen verkeerde ik in een permanente toestand van oorontstekingen. De ene ging en de andere kwam. Dat hield een paar jaar aan. Van de dokter mocht ik toen niet meer zwemmen. Het schijnt dat je spontaan kunt zinken als je een gaatje in je trommelvlies hebt en dat loopt vol.

Ook mijn HBS-B diploma heb ik nooit gehaald. Evenmin als de dienstkeuring. De keuringsarts van waren sprak de gevleugelde woorden: ‘Wat u in het dagelijks leven doet, meneer Algra, weet ik niet, maar veel bijzonders zal het wel niet zijn’.

Na deze ontwikkelingslijn in mijn leven is mij donderdag iets bijzonders overkomen. Ik kreeg een oorkonde overhandigd. Niet vanwege die vele oor-ontstekingen. Ik werd lid van verdienste van de VMBZ: de Vereniging Mondzorg Bijzondere Zorggroepen. Volgens het feestcomité zou ik mij jarenlang en met grote waarde hebben ingezet voor de mondgezondheid voor bijzondere zorggroepen.

Ik was er eigenlijk wel een beetje beduusd van.

Daarnaast kreeg ik nog bloemen, benevens champagne en een beker met daarop de omslag van mijn boek over mondzorg. 

Frederik

Jaren lang had ik niets van hem gehoord. Maar gisteren belde hij opeens. "Ja, met Frederik, ik wilde eens weten hoe het met jou gaat..."

Nu ken ik Frederik langer dan gisteren. Het zou er niet over gaan hoe het met mij ging, hij wilde kwijt hoe het met hém ging. En daar ging het gesprek dan ook een uur over. Toen moest ik een plaatselijke klus verrichten en kon ik het gesprek afsluiten.

Frederik komt uit een deftige familie. Hij groeide op in een chique plaats in Nederland. Daar drinkt men nog altijd thee uit luxe kopjes met gouden randjes en met de pink omhoog. Zijn vader was notaris en zijn moeder rechter. Frederik heeft het taalgebruik van zijn ouders keurig overgenomen, de manieren wat minder.

Frederik begrijpt de mensen niet. Daarom deelt hij ze in. Iemand met een A aan het eind van zijn naam komt uit Friesland of Groningen. Zijn 75e verjaardag (waarvoor ik van harte ben uitgenodigd) wil hij in Friesland vieren. Daar zijn de mensen aardig en niet zo gehaast. ‘Je moet wat moeite doen om er in te komen maar als je er eenmaal in bent vergeten ze je nooit meer’. Daarom wilde hij daar in die gastvrije provincie zijn verjaardag vieren. Omdat mijn achternaam met een A eindigt moest ik ook wel een Fries zijn en dus kon ik vast wel een geschikt adres voor hem regelen om zijn verjaardag te kunnen vieren.

‘De mensen in Friesland zijn heel anders dan die in Brabant. Die doen meteen alsof ze je al jaren kennen. Dat zijn Bourgondiërs. Die willen altijd samen met jou eten en drinken. Maar als het eten en drinken op is vergeten ze je meteen weer. Bovendien zijn ze Katholiek’.

‘Ja, de Friezen, die zijn wat meer Gereformeerd. Die stemden vroeger op de ARP. Dat was nog in de tijd van Zijlstra. Maar die bestaat niet meer. Dat is nu het CDA. Zeg, wat vind jij van het CDA? Dat kan toch eigenlijk niet. Die gereformeerde Friezen en die bourgondische Brabanders in één partij?’

‘Maar jullie burgemeester, die Marja van Bijsterveld, hoe bevalt die eigenlijk?’ Ik vertel dat het een prima en toegankelijke burgemeester is. ‘Maar dan kan toch eigenlijk niet, een vrouw als burgemeester van een stad met meer dan 100.000 inwoners? Dat zie ik in Amsterdam. Die Femke Halsema, dat is toch echt een miskoop. Daar hebben we toch wel heel erg spijt van’.

Naast de regio (Friezen en Brabanders) deelt Frederik de mensen in in Gereformeerden en Katholieken en in mannen en vrouwen. Vervolgens gaat hij op zoek naar de verschillen. Ook weet hij de inwonertallen van de plaatsen uit zijn hoofd, volgens de laatste stand van het handboek van het CBS.

Frederik wil graag verhuizen. Zo lang als ik hem ken wil hij graag verhuizen. Hij kan nergens zijn eigen thuis vinden. Toen ik hem voor het eerst ontmoette woonde hij in de Kop van Noord-Holland (in de jaren ’80), maar sinds die tijd heeft er er zeker tien woonadressen op zitten.

Op zijn verzoek is hij onlangs naar een nieuwbouw-appartement in Amsterdam verhuisd. Maar daar voelt hij zich niet thuis. Er wonen alleen maar yuppen, volgens hem. Die zijn asociaal. Hiervoor woonde hij in een meer volkse wijk. Maar daar was het gedrag van de mensen asociaal. Ze dronken bier op straat. En ze hielden zich niet aan de ramadan terwijl je je als je gelovig bent aan de afspraken moet houden, anders klopt het niet.

‘Maar wat denk je, kan ik niet beter naar Delft verhuizen? Kan jij eens bij voor mij bij de gemeente informeren? Delft lijkt mij wel een gezellige stad met die Oranjes in de Nieuwe Kerk enzo’.

Van die Oranjes in de Nieuwe Kerk heb je inderdaad weinig last. Vandaag belde Frederik weer of ik al een goed adres had gevonden waar hij zijn 75e verjaardag kon vieren en of ik al een huis voor hem had gevonden in Delft/ 

Steeds meer rompslomp

De wereld wordt steeds ingewikkelder. Dat doen de mensen voornamelijk zelf. Kan het ook een beetje gemakkelijker?

In feite is de toeslagen-affaire een voorbeeld van de combinatie van wantrouwen én steeds ingewikkelder wordende bureaucratie. En ook de organisatie rond het vaccineren vormt daar een illustratie van. Een derde bureaucratisch monster is de uitvoering van de Wet Zorg en Dwang in de gezondheidszorg. Je moet zóveel extra overleg inbouwen en formulieren invullen dat je aan de bewoner niet meer toekomst.

Trouwens: als je het verkeer ziet gebeurt hetzelfde.  Er gelijkwaardige kruising. Er gebeurt twee maal een botsing. Nu wordt het een voorrangskruising. Daardoor gaan de mensen op de voorrangsweg sneller rijden. Vervolgens worden er drempels aangelegd. Er raakt iemand van de weg die te snel over de drempels gaat. Nu wordt er een maximum-snelheid afgekondigd. Voordat je het weet staat er een oerwoud aan borden temidden van een overdaad aan maatregelen. En we weten inmiddels dat de meeste borden in dat oerwoud niet eens meer gezien worden. Alleen is de gemeente van de aansprakelijkheid af. 'We hadden u gewaarschuwd'. 

Onderzoekers (in het blad Nature) lieten ruim elfhonderd proefpersonen verschillende praktische problemen en puzzels oplossen. Zo was er bijvoorbeeld een vierkant bouwsel van lego, met daarop een dunne pilaar die een afdak draagt. De deelnemers moesten een manier bedenken om ervoor te zorgen dat het dak zwaarder belast kon worden. De meeste deelnemers deden dat door een extra pilaar toe te voegen, terwijl het veel eenvoudiger is om de pilaar weg te halen en de dakplaat boven op het gebouw te zetten.

Ook bij andere puzzels bleken deelnemers een voorkeur te hebben voor toevoegen dan weghalen. En archiefonderzoek bij enkele universiteiten liet zien dat een nieuw aangetreden collegevoorzitter om ideeën vroeg voor verbeteringen; slechts 11 procent daarvan ging over het schrappen van regels of commissies. De rest voegde juist nieuwe regels of bestuurslagen toe.

Volgens de onderzoekers zijn mensen er niet op gericht om dingen te vereenvoudigen. Pas wanneer zij de deelnemers met nadruk wezen op de mogelijkheid om dingen weg te halen, kozen zij vaker voor deze optie. De standaardreactie van mensen op een probleem lijkt dus te zijn ‘hoe kunnen we iets toevoegen dat het beter maakt’.

Tien jaar geleden kwam vanuit Onderdendam in Groningen een idee over regelarme zorg. Ik ben enthousiast naar de plaatselijke zorg-organisatie gefietst om hen te bedanken voor dit initiatief. Daarna zijn we ook nog in grote dankbaarheid naar Onderdendam met vakantie gegaan. Maar helaas: het idee was leuk, maar de bureaucratie was zó verstikkend dat er rond die regelarme zorg een heel systeem moest worden opgebouwd. Wég regelarme zorg en nóg meer regels.

Ooit moest ik een week lang op mijn wenken en mijn been bediend worden vanwege wondverzorging. De intake duurde een uur en een reeks formulieren en na afloop volgde er ook nog een evaluatiegesprek. De regelzaken hadden dubbel zoveel tijd gekost als de behandeling. Vervolgens belandde ik in het ziekenhuis vanwege een bacteriële infectie. Kennelijk waren de papieren niet gesteriliseerd. 

In een cultuur van wantrouwen nemen de regels hand over hand toe. Elk mogelijk risico moet afgedekt worden door een nieuwe voorraad aan regels en voorschriften. Je wordt afgerekend op een vinkje dat je niet hebt gezet. Inspectie aan je broek(rok).

Als in de zorg en het onderwijs medewerkers meer vertrouwd zouden worden zouden ze meer werkplezier hebben en hun werk beter doen. Keep it Simple!

Werken in pyjama

Welke organisatie het betrof weet ik niet meer, maar dat doet er ook niet veel toe. Het gaat om het idee. 

In de ouderenzorg komen veel bewoners bij herhaling uit bed. Dat zou eigenlijk ook gewoon moeten kunnen (vind ik). Veel thuiswonende ouderen stappen ’s nachts ook uit bed als ze niet kunnen slapen of pijn in de lendenen hebben.

Ik lag onverwachts in een ziekenhuis in Utrecht. Ik zag het niet aankomen, maar opeens werd ik daar tegen mijn wil vastgehouden. Naast mij lag de hele nacht een mevrouw te roepen: "Zuster, mijn lendenen!" De zuster werd uiteindelijk boos en riep: "Waar zitten uw lendenen dan, mevrouw de Vries?" Het antwoord weet ik nog steeds niet. De mevrouw kon haar lendenen niet aanwijzen. 

Helaas is de praktijk in de ouderenzorg vaak anders. ’s Nachts is er weinig personeel en het risico op vallen of andere ongemakken is niet denkbeeldig. De bedoeling is meestal niet dat die ouderen gaan dwalen, maar in hun bed blijven.

Gelukkig heb ik ook gezien dat het anders kon. Op het paviljoen waar ik destijds werkte mochten enkele ouderen gewoon bij de nachtdienst komen zitten. Er waren wel afspraken, zoals niet teveel kletsen en bijvoorbeeld een breiwerkje doen of bladeren in Vorsten van Nu. Helaas verdween die mogelijkheid mét de centrale nachtdienst als sneeuw voor de zon...

Maar als een bewoner uit bed komt, hoe krijg je hem (of meestal: haar) dan weer in bed? Dat is een heel gedoe. Meestal wil mevrouw dat helemaal niet. En geef haar eens ongelijk. Ik kom straks ook geheid mijn bed uit en wil dan een rondje gaan fietsen. Knappe zuster die mij dan tegen houdt.

Enkele personeelsleden besloten het anders aan te pakken. Ze gingen niet in bedrijfskleding, maar in pyjama aan het werk. En wat bleek. Tal van bewoners bleken veel toegankelijker. “Zuster, slaapt u ook al?” “Ja, ik lag net in bed!””Oh, is het al nacht dan?” “Ja, mevrouw Piersma, het is al nacht. Gaat u ook weer slapen?” Die beweging kostte nu veel minder moeite…

Dit is iets wat mijn leermeester professor Wim ter Horst zou noemen: "Herstel van het gewone leven." Het is een prachtig voorbeeld van een variant op de belevingsgerichte zorg...

Boeken signeren

Gisteren moest ik boeken signeren. De boekhandel zat nog in lock-down, dus moest ik dat signeren op een kantoor tot een goed einde zien te brengen.

Ik wilde voor iedereen een persoonlijk dankwoord schrijven. Maar ik moet zeggen: dat viel nog niet mee. Dat kwam niet omdat ik niet voor iedereen iets kon bedenken, maar omdat ik niet meer zo gewend ben om met hand & pen veel te schrijven. Ik kreeg na een paar uur signeren pijn in mijn hand.

Hier was ik op de helft…

Nu wil ik het niet over mijn fysieke klachten hebben. Het leven boven de veertig gaat nu eenmaal gepaard met bijkomend fysiek ongemak.

De eerste veertig jaar heb je te maken met groeipijnen en de tweede veertig jaar heb je last van pijnen vanwege chronische slijtage van tal van fysieke en soms ook neurologische onderdelen. Lang opgaan, even blinken en daarna langdurig verzinken.

Maar in ieder geval: na vier uur signeren kon ik het pand weer verlaten. In de tussentijd heb ik op kosten van de zaak twee koppen koffie en twee bekers chocomel genuttigd.

En nu zit ik nog even te typen. Dat gaat me inmiddels beter af dan schrijven met de hand. 

Het Syndroom van Munchhausen (3)

Een simulant misbruikt een ziekte om bijvoorbeeld een bepaalde taak te kunnen ontwijken. Je hebt hoofdpijn en dus kan je examen worden uitgesteld. Simulanten zoeken niet de dokter op.

Het somatiseren (je ziek voelen) gebeurt onbewust. Je kijkt in de Medische Encyclopedie en opeens weet je het: je bent érg ziek. Deze mensen zoeken wel de dokter op, want ze voelen zich ziek en ze maken zich zorgen. Ze hebben niet een doel voor ogen om bepaalde situaties te ontwijken.

Het Syndroom van Munchhausen is nog een andere tak van sport. Mensen met het Syndroom van Munchhausen willen het niet over hun voorgeschiedenis hebben. Ze komen als onbeschreven blad bij de eerste hulp. Opeens is hen iets overkomen en ze hebben acuut hulp nodig. Deze mensen zijn medische zwervers. Ze ‘hoppen’ van de ene behandelaar naar de andere.

Zo kwam er op de vrijdag voor Pinksteren een man 'aangewaaid' op mijn werk. Ik had dienst en moest me op het zadel van mijn fiets hijsen teneinde een inschatting te maken wat er met meneer aan de hand was. Meneer was blij dat er eindelijk een echte (...) psycholoog verscheen, want hij  had allerlei ingewikkelde psychische klachten. Ik ben geen psychiater, maar er was wel een bed vrij. We besloten om hem onderdak te verlenen. In het weekend hield hij het personeel volop bezig met ingewikkelde klachten. Het waren weer andere klachten dan die mij verteld waren. Nu had hij ook medische klachten en hij had medicijnen nodig. Ook de dokter verscheen op het terrein. Ook de dokter kwam niet tot een sluitende verklaring, terwijl het toch een erg deskundige dokter was. Niemand wist (zeker) wat er met hem aan de hand was. Voor de zekerheid werd hem wel onderdak geboden. Was dit iemand met het Syndroom van Munchhausen?

Opvallend was zijn (vermoedelijke) zwerfgedrag. Hij was zomaar aan komen waaien. Ook opvallend waren de wisselende klachten. Wat psychisch begon werd de volgende dag medisch. Verder kon hij geen enkele naam noemen van vorige behandelaars. Ook de naam van zijn huisarts kon hij niet noemen. Sterker nog: hij kwam nooit bij de dokter, want hij was nooit ziek. Maar nu opeens… ging het helemaal mis. Dat zijn allemaal signalen voor het Syndroom van Munchhausen.

Op de dinsdag na Pinksteren werd duidelijk waar de man vandaan kwam. Hij was ingezetene van een psychiatrische instelling in het noorden des lands. Maar hij fietste heel Nederland door met verhalen over plotseling optredende ziektebeelden. Tot zover was het inderdaad Munchhausen. We besloten om hem er niet uit te zetten, maar om te zeggen dat het niet allemaal gratis was: hij mocht nog een nacht blijven voor 50 gulden inclusief ontbijt. Daarop gooide hij een stapel borden stuk en vertrok. Het was dus ook een vorm van simuleren: het voorwenden van een ziekte in de hoop gratis te kunnen overnachten.

Voor mij kreeg dit bezoek van de man ook nog een staartje... In het hoofdgebouw stond een vaas met enorm grote gladiolen. Ik besloot om ze mee naar huis te nemen, voor Tineke, vanwege de eenzame avond. In het hoofdgebouw was niemand die de komende dagen zou kunnen genieten van die gladiolen. Toen ik het hoofdgebouw uit liep liep ik de beveiliging tegen het lijf. Ik zei dat ik werknemer was, maar ze geloofden mij niet. Ik werd bijna in de boeien geslagen. Ze besloten om de 'functionaris van dienst' te bellen. Even later ging de telefoon in mijn jaszak. Ik nam op en raakte in gesprek met de mannen die naast mij stonden...

De directeur centraal

De directeur had het licht uitgevonden. Hij meende dat hij meneer Anton Philips Himself was.

Alles wat vroeger was geweest was helemaal verkeerd. Vanaf nu werd de zorg goed op poten gezet. Daar was hij voor ‘ingehuurd’.

De nieuwe directeur timmerde publicitair stevig aan de weg. Er kwam een nieuwe visie. Daarbij zou de cliënt eindelijk eens echt centraal komen te staan. En bij een nieuwe visie paste natuurlijk ook een nieuwe methodiek . Alle medewerkers moesten die nieuwe werkwijze via een eigen scholingsbureau tot zich nemen.

De oude inrichtingen waren natuurlijk ook verleden tijd. De bewoners waren natuurlijk geen bewoners, maar cliënten. Ze moesten allemaal geïntegreerd worden in de samenleving. Het was ook geen instelling meer, maar een leefgemeenschap.

Op een dag fietste ik in de buurt van deze leefgemeenschap met de directeur die in Hoogst Eigen Persoon het Licht had uitgevonden. Ik dacht: ‘laat ik eens kijken hoe Anders het hier is’. Per slot van rekening was ik een ouderwetse orthopedagoog die niet mijn zijn tijd mee was gegaan.

Tot mijn verbazing stonden er hoge ijzeren hekken om het terrein. Dat terrein was maar van één zijde toegankelijk. Een doorlopende straat was er niet bij.

Bij de ingang stond een groot bord. Bezoekers waren welkom van zonsopkomst tot zonsondergang. In de winter ging deze woonwijk dus erg vroeg dicht.

Wat wel redelijk normaal was, was dat de nieuw gebouwde huizen vrij dicht op elkaar stonden. Wat dat betreft leek het niet meer op een instellingsterrein. De ruimte was volgebouwd.

Later kwam ik er nog een keer. Ja, de woonwijk was behoorlijk geïntegreerd. Een vrouw met wie ik in het verleden te maken had gehad zat vooral op haar kamer. In het verleden was ze verhuisd naar een instellingsterrein omdat daar meer ruimte was. Ze schreeuwde nogal en daar waren klachten over gekomen vanuit de wonwijk. Nu de instelling zoveel mogelijk op een gewone wijk was gaan lijken was dit opnieuw een probleem geworden. Mevrouw was in haar bewegingsruimte ingeperkt. Gelukkig stond de cliënt nog steeds centraal.

De directeur gaf een ronkend interview in een tijdschrift dat door de organisatie zelf werd uitgegeven. De medewerker die het vraaggesprek leidde en versloeg stelde geen kritische vragen. Nee, ze viel rechtstreeks onder de leiding van deze directeur.

Sinds zijn komst was alles drastisch verbeterd. Cliënten en familie waren veel meer tevreden. Maar waarschijnlijk stond niet de cliënt, maar de directeur centraal. Op het terrein bloeiden de narcissen welig.