Lastige kwetsbaarheid (5)

De ‘behoefte’ om ziek te zijn en dus even niet op je tenen te hoeven lopen begint vaak op jonge leeftijd. Peuters willen al groot zijn en toch ook weer klein. 

De dingen waar je tegen op ziet (oftewel: waar je te groot voor moet zijn) kun je ontlopen door je ziek voor te doen, of dat nu het eten van spruitjes is, de afwas, een logeerpartij of een tentamen op school.

Als je eczeem hebt en je houdt niet van zwemmen kun je dat ook weer in je voordeel gebruiken: je hoeft niet te zwemmen. Dat wordt ook wel  ziektewinst genoemd.

In extreme vorm worden psychische problemen soms vertaald in zelfverwonding. Hulpverleners beschouwen de behoefte aan aandacht te vaak als de enige of belangrijkste functie van zelfverwonding (Vandereijcken). Inderdaad komt het voor dat mensen zich ‘exhibitionistisch’ verwonden (“kijk mij eens!”; piercings op gevoelige plekken zijn daar een variant op), maar er zijn ook veel andere verklaringen mogelijk (in mijn werk kon ik meer dan 20 verschillende ‘oorzaken’ bij mijn cliënten bedenken).

Piercings op gevoelige plekken van het lichaam kunnen een vorm van verkapte zelfverwonding zijn

 

Ook ziekte van anderen kan emotionele winst opleveren. Zo kan het voor een moeder plezierig zijn als haar kind ziek is: het is extra aan haar gebonden en gaat niet naar school. Een andere extreme uiting van onderhuidse spanning is het syndroom van Münchhausen by proxy, waar op dit blog al meerdere maken aandacht aan is besteed.

Deze moeders (meestal met enige medische scholing, bijv. verpleging)  máken hun kind echt ziek. Vaak zie je ook dat de echtgenoot het erg druk heeft (wat weer als verlating wordt ervaren). Met die ziekte kopen ze aandacht van (meestal) artsen én ze hopen hun echtgenoot te binden. Vaak krijgen ze voor hun zorg veel waardering uit de omgeving; ‘dat je dat allemaal voor je kind over hebt!’ Soms is er ook materieel voordeel: een aangepaste auto of een verbouwd huis. Er zijn situaties bekend waarbij jaren later bleek dat die voorzieningen werden getroffen op basis van een ziekte die door de moeder zélf in stand werd gehouden.

Minder extreem, maar vaker voorkomend is het verschijnsel waarbij iemand via ziekten van andere mensen aandacht vraagt. Opeens is iemand die ernstig ziek is een héle goede vriend. De boodschap is dat niet dat die ‘vriend’ ziek is, maar dat jij er zo onder lijdt.

Zwangere man

In de vakantie kreeg ik de indruk dat veel mannen zwanger zijn geworden. Vooral oudere mannen op E-bikes.

Nu blijkt dat er inderdaad mannen zijn die de verschijnselen van zwangerschap gaan vertonen. Dat gebeurt doorgaans als hun partner zwanger is. Je zou kunnen denken: ze leven zó mee met de zwangerschap dat ze dezelfde lichamelijke symptomen gaan vertonen.

Zo zijn er mannen die tijdens de zwangerschap van hun vrouw ’s morgens erg misselijk kunnen zijn. Ze doen niet alsof, ze zijn écht misselijk. Hopelijk zijn er dan twee toiletten in huis. Ook worden sterke afkeuren voor bepaald voedsel beschreven, of juist een obsessie voor bijvoorbeeld augurken. Hopelijk zijn die dan in de aanbieding.

Die verschijnselen lijken nog enigszins beïnvloedbaar, maar er zijn mannen die ook te maken krijgen met allerlei andere niet-beïnvloedbare verschijnselen, zoals bekken-instabiliteit, problemen met het plassen en grotere borsten. Zelfs de hormoon-huishouding van de man verandert en wordt meer vrouwelijk. Je houdt het allemaal niet voor mogelijk!

Er zijn mannen die zó meeleven met hun vrouw dat ze rond de bevalling weeën krijgen. Ik weet niet of er in het ziekenhuis ook tweepersoonsbedden op de kraamafdeling beschikbaar zijn. Het verschil is dat de zwangerschap bij de vrouw eindigt met een bevalling en dat het bij de man nooit zo ver komt. Althans, totnutoe. Wetenschap is altijd voorlopig.

Uiteraard hebben psychiaters zich over dit verschijnsel gebogen. Is er sprake van waanachtig denken? Nee, want de mannen die dit overkomt weten zelf heel goed dat ze niet zwanger zijn.

Psycho-analytisch georiënteerdepsychiaters houden er hun eigen verklaringen op na. Sommigen denken aan onbewuste jaloezie, gebaseerd op vroegkinderlijke ervaringen. Als er een broertje op komst was kreeg jij minder aandacht. Anderen menen dat deze mannelijke schijnzwangerschap vooral voorkomt bij mannen die getrouwd zijn met een dominante en bepalende echtgenote. Dan hebben er dus thuis twee de broek aan.

De zwangere mannen die ik op de E-bike over de Veluwe zag crossen vallen onder een andere categorie. Daar wordt vast ook nog wel een keer over geschreven. 

Freud had tóch gelijk!

De telefoon ging. Een bekend nummer. Het was dokter Jansma, alias Hajé, emeritus zielenknijper te L. 

“Goed gedaan, man!’ zei hij. Ik vroeg me af of ik iets goeds had gedaan. Althans, waar Hajé op doelde. “Je ingezonden in de Volkskrant. Je broer kwam ik ook twee keer tegen, maar dat was weer andere koek. Deventer Koek, Deventer Koek, past in iedere broek.” Voor de mensen die die laatste regels niet kennen: dat komt uit een gedicht van drs P. “En is het al wat stiller op het fietspad?” wilde Hajé weten. “Vandaag wel, want het regent” zei ik. “Och, al die mooiweerfietsers, daar kunnen we de oorlog niet mee winnen,” reageerde Hajé. “Maar gelukkig is de oorlog al geweest. Mensen menen tegenwoordig dat het allemaal oorlog is, maar je kunt zelfs met de avondklok alle kanten uit. Als je de wekker maar niet vergeet te zetten. En thee natuurlijk. Maar dat is voor mietjes. Geef mij maar een driedubbele espresso. Maar hoe is het nu met jou? Pincode nog niet vergeten? Dan hoef je nog niet naar het verpleeghuis. Henkie, Henkie is niet dom, Henkie Henkie luiertje om.”

Het was duidelijk, Hajé zat op zijn praatstoel. Hij associeerde weer eens van alles aan elkaar. Er viel geen speld in een hooiberg tussen te krijgen. De vraag naar mijn welbevinden was dan ook helemaal niet relevant. Daar hoefde ik geen antwoord op te geven. Ik vroeg me af hoe de in zijn werk behoorlijk gestructureerde dokter Jansma na zijn pensioen in zo’n verbale incontinentie had kunnen vervallen. Maar waarschijnlijk was dat een gevolg van de opruimwoede van zijn robuuste roodharige assistente.

Wachtkamer van Sigmund Freud in Wenen

De werkkamer van dokter Jansma deed mij destijds meer denken aan een Stasi kantoor dan aan de huiselijk ingerichte therapiekamer met hond en pluche kleedjes van Sigmund Freud. De robuuste roodharige assistente (Jansma sprak van ‘aardbeiblond’) had waarschijnlijk ook gefunctioneerd als zijn ambulant begeleider. Hij maakte rommel en zij ruimde het op.

Heb je nog gefietst, de afgelopen tijd? vroeg Jansma. Jazeker, zei ik, duizend kilometer per maand, antwoordde ik. ‘De neurosen bloeien weer welig’ reageerde Hajé. Gaat er iemand met pensioen, wil hij doelen behalen. Nog gekker, mijn buurvrouw telt haar stappen. Dat deed één van de patiënten ook. Ik kan je wel vertellen, die was ver heen. Zelfs met een gezinsverpakking largactil liep ze nog stappen te tellen. Waarom zou je dat moeten weten? Of je gepoept hebt, dat is belangrijk. Als dat niet meer lukt heb je een probleem. Dan moet je aan de zemelen. En mensen die zemelen zijn niet de leukste patiënten. Het is dat ik geen behang had, anders had ik ze er achter geplakt. Nu moest ik het drie kwartier zien vol te houden. Ja, daar heeft Freud al heel wat over geschreven. Dat was vakwerk.

Vasthouden of loslaten, that’s the question. Maar als je je kilometers telt dan ben je bezig vast te houden. Stop daar maar mee. Gewoon alles uit je handen laten vallen. Ga op de bank liggen en met pensioen. Maar ja, jij hebt natuurlijk een vrouw in huis rondlopen. Die vindt dat je weer iets moet doen. “Heinrich, was machtst du? Ich sitze. Aber Heinrich, du musst nicht sitzen. Gehe etwas tun! Gehe spazieren!” (voor de lezers: hier citeert Jansma de Duitse dokter Loriot).

“Jawel, stappen tellen. Zo zitten die vrouwen in elkaar. Alles onder controle, ook de man. Controle. Kontrollen. Het zit al in het woord. WC papier. 24 rollen in de Bonus bij Albert Heijn. En de vrouwtjes maar hun man op die aanbiedingen afsturen. Freud had tóch gelijk!”

Complotdenken en persoonlijkheid (6)

Mensen ontwikkelen in de loop van hun ontwikkeling schema's hoe de wereld in elkaar zit. Een voorbeeld is de zogenaamde 'sociale interpretatie'. Kun je andere mensen vertrouwen, of zijn ze per definitie niet te vertrouwen? Dat geldt ook voor de kijk op de wetenschap. 

Volgens professor Bastiaan Rutjens kleurt deze overtuiging de manier waarop je verklaart wat er in de wereld gebeurt. ‘Als jij bijvoorbeeld gelooft en vertrouwt in objectieve wetenschap, kun je ook sneller een verklaring zoeken bij die wetenschap. Dat voelt dan prettig en past in je straatje. Maar als je niets weet over wetenschap, deze vooral als de elite en establishment ziet waar jij niet toe behoort, dan kijk je niet vol vertrouwen naar de website van bijvoorbeeld de RIVM. Dan ga je op zoek naar alternatieve bronnen en andere verklaringen.’

Urk

Bij mensen die wetenschappelijke uitkomsten wantrouwen zie je ook vaak dat ze anti-establisment zijn. Om een voorbeeld te noemen: dat lijkt mij nogal eens het geval bij de inwoners van Urk. Ze zeggen zelf trouwens nog steeds ‘op Urk’, want Urk is in hun ogen nog altijd een zelfstandig eiland. En van de overheid hebben ze alleen maar problemen te verwachten. Eerst wordt het IJsselmeer dicht gegooid. Dan verzinnen ze een oplossing om alsnog op zee te vissen. En vervolgens stapelt de ene maatregel zich op de ander om hen alsnog in hun broodwinning aan te tasten. Met die overheid willen ze niets te maken hebben.

Op corona-sceptische sites wordt Urk gezien als hét voorbeeld voor Nederland. Het kleine Gallische dorpje dat zich verzet tegen de overmacht van de Romeinen. Nergens is namelijk de vaccinatiegraad zó laag als op Urk. Het was ook de plaats waar een testlocatie van de GGD in brand werd gestoken.

Er wordt beweerd dat de lage vaccinatiegraad te maken heeft met de kerkelijke achtergrond van de Urkers. Dat speelt mee, met name bij leden van de de Oud Gereformeerde Gemeente op Urk. Maar in andere dorpen met een vergelijkbare kerkelijke achtergrond ligt de vaccinatiegraad aanzienlijk hoger. En in onkerkelijke plaatsen zoals Rotterdam en Den Haag weer lager.

Ik vermoed dan ook dat het wantrouwen tegen alles wat als opgelegd door de overheid wordt ervaren een rol speelt bij de lage vaccinatiebereidheid op Urk. Dat is niet zozeer een kwestie van kerkelijke achtergrond, maar van sociale interpretatie.

Bij mijn dienstkeuring waren ook een aantal jonge Urker vissers die gekeurd moesten worden. Stoere mannen die nergens bang voor leken te zijn. Twee van hen vielen flauw bij de prik. Speelt die angst nu ook nog een rol? Daar hebben we dan in de zorg het naaldangstprotocol voor.... 

Complotdenken en persoonlijkheid (5)

‘Als ergens complotdenken ontstaat is er altijd sprake van een grote complexe gebeurtenis waarin meer factoren een rol spelen en er niet één duidelijke oorzaak is aan te wijzen of oplossing om herhaling te voorkomen’. Aldus psycholoog Bas Rutjens. 

Het viel mij destijds op hoezeer het complotdenken gevoed werd door 9/11. Dit was zó’n bizarre gebeurtenis, we hadden ons nooit voor kunnen stellen dat zoiets zou kunnen gebeuren. En ja hoor, daar ontstonden de complottheorieën.

C0mplottheorieën (anderen zeggen: samenzweringstheorieën) waren er altijd al. Zo waren het in de tijd van de pest de Joden die achter deze zeer gevaarlijke ziekte zaten.

Ze waren er in de 20e eeuw tijdens de Spaanse griep. Ze waren er ook toen de eerste mens op de maan landde, maar dat was minder bedreigend. En in Nederland ontstonden tal van complottheorieën na de Bijlmerramp. En later ook weer rond vlucht MH 17.

Kijk je naar de weblogs van complotdenkers (ik heb een hele reeks gevolgd), dan zie je ook nog eens een lijn ontstaan. De ontkenners van 9/11 (het was een actie van de Amerikanen zelf) zijn vaak ook degenen die niet geloven dat vlucht MH 17 door de Russen uit de lucht is geschoten. De Amerikaanse overheid is ‘the bad guy’, maar the good guy (de Russen) krijgt tóch overal de schuld van. Oftewel: een gevalletje ambitendentie: de één zit helemaal goed, de ander zit helemaal fout.

Overal zit een vooropgezet plan achter, maar dat wordt geheim gehouden. En dat verbindt dan weer degenen die AIDS ontkenden als een gevaarlijke epidemie met degenen die mensen dat dit vliegtuig (met tientallen AIDS-deskundigen) moest worden neergeschoten omdat er een geheim rond AIDS onthuld zou worden. En als je deze mensen met elkaar verbindt zie je ditzelfde denken ook weer rond covid-19.

Vanaf ons tweede jaar heeft alle angst te maken met controleverlies

Vanaf twee jaar heeft alle angst te maken met controleverlies. Dus als je ergens geen grip op hebt probeer je de controle terug te krijgen. Zo ontstaat bijvoorbeeld couterfobisch gedrag: opzoeken waar je bang voor bent. Alles te weten willen komen over spinnen, want als je alles weet ben je niet meer bang. Alles te weten komen over tornado’s, want als je alles weet kunnen ze je niet meer overvallen. Eindeloos in medische encyclopedieën zoeken naar mogelijke ziekten, want als je alles weet word je niet meer zo overvallen.

Als iets te groot is voor ons denken gaan we dus juist extra op zoek naar oorzaken. ‘Je wilt zo’n gebeurtenis in de toekomst graag kunnen voorspellen en voorkomen, terwijl de werkelijkheid weerbarstig is en zich moeilijk laat vangen in een simpel causaal schema’, aldus professor Rutjens.

Een virus is onvoorspelbaar. Je ziet niet aan iemand dat hij besmettelijk is. Terug naar Professor Rutjens: ‘Een complottheorie maakt de wereld voorspelbaar. Als je de boosdoener aan kunt wijzen, iemand die achter de schermen aan de touwtjes trekt, dan weet je waar het kwaad zit. Het zit niet in dat virus, maar in die samenzwering van een aantal machtige mannen en vrouwen die wereldwijd aan de touwtjes trekt. het voorspelbaar. Die presenteert bijvoorbeeld een sinistere samenzwering die aan de touwtjes trekt. Dan weet je wat je moet doen, namelijk die samenzwering vernietigen.’

Een tweede kant van het ontstaan van complottheorieën noemt Rutjens de persoonlijke morele of ideologische overtuiging of idee over hoe de wereld in elkaar zit. Als je van nature wantrouwend bent (o.a. als gevolg van de sociale interpretatie: ‘alle witte mensen zijn tegen mij’, ‘jeugdzorg is er alleen om mijn kinderen af te pakken’, ‘dokters zijn alleen maar uit op geld‘) zie je achter een gebeurtenis altijd een verstopte oorzaak. Je zoekt dus een verklaring die bij jouw emotie past.

Als je het volste vertrouwen hebt in de wetenschap zoek je verklaringen in een wetenschappelijk model. Als je denkt dat de wetenschap gestuurd wordt door een onbetrouwbaar establishment trek je je van die uitkomsten niets aan. Je gaat op zoek naar 'alternatieve feiten'. 

Vaccinatie en muggenbeten

Op grond van ruim een halve eeuw ervaring kan ik zeggen  dat Tineke tijdens al onze vakanties vaak gestoken wordt door muggen. Daar heb ik zelden tot nooit last van. Muggen vinden mij kennelijk niet aantrekkelijk.

Muggen zijn voer voor allerlei wetenschappelijk onderzoek. Zo trok ene Richard Gorham in de toendra zijn shirt uit om te kijken hoe vaak hij gestoken zou worden. Dat was in zijn geval in vijf minuten tijds 435 keer. Daarna had hij dagenlang jeuk.

Gorham berekende ook hoe lang hij zich op die manier zich bloot kon geven voordat het lichamelijk echt gevaarlijk zou worden. Hij berekende dat het vijf uur zou duren voordat hij aan een tekort aan bloed zou overlijden. Dat lijkt me geen gezonde hobby. Maar voor de wetenschap gaan mensen soms heel ver.

Een lang bestaande verklaring is dat muggen worden aangetrokken door zoet bloed. Dat is net zo’n mythe als het idee dat adellijke mensen blauw bloed hebben.

Er wordt ook beweerd dat mensen met bloedgroep O vaker worden geprikt dan anderen. Dat blijkt te kloppen. Maar het komt gewoon omdat er veel meer mensen zijn met de bloedgroep O dan met de andere zeldzamer bloedgroepen.

Zo las ik ook dat grote mensen vaker worden gestoken dan kleine mensen. Het zou met de uitstoot van kooldioxide te maken hebben. Volgens mij is er ook een eenvoudiger verklaring: grote mensen hebben meer huidoppervlak dat kleine mensen. Het heeft dus niets met de voorkeur van de mug te maken.

Ik heb niet veel verstand van muggen, maar uit wat ik gelezen heb is nog helemaal niet zo duidelijk wie waarom vaker gestoken wordt door een mug. Er zijn wel ideeën over, bijvoorbeeld rond geur, cholesterol en temperatuur, maar dat zijn globale ideeën. Worden Friezen trouwens vaker gestoken dan Belgen? Natuurlijk niet, er zijn veel meer Belgen dan Friezen. Worden conducteurs vaker gestoken dan machinisten? En leraren in het basisonderwijs vaker dan leraren in het voortgezet onderwijs?

Maar dit jaar is alles anders geworden. Ik werd vaker gestoken dan Tineke. Ik telde op onze laatste vakantiedag maar liefst 45 prikplekken. Tineke bleef steken (!) bij zo’n dertig plekken. Wat is er aan de hand?

Ik denk dat ik het weet. Het komt door de vaccinatie met een MRNA-vaccin. Het is ook opvallend dat de meeste prikken in mijn linkerarm zijn gelokaliseerd. Dat is de arm waar ik twee keer de Pfizer-prik kreeg. Dit gegeven moet beslist worden doorgegeven aan het LAREB, het instituut dat alle mogelijke bijwerkingen van geneesmiddelen en vaccinaties registreert.

Blijft de vraag waarom Tineke niet ook veel vaker is geprikt door muggen. Ze kreeg hetzelfde vaccin. Maar die verklaring laat ik graag over aan antivaxxers. Zij blijken expert te zijn in het bedenken van noodlottige gevolgen van 'de prik'. 

Cryptomnesie

Douwe Draaisma heeft veel geschreven over de werking van het geheugen. het probleem is alleen dat ik dat allemaal niet kan onthouden. Deze keer gaat het over een vorm van 'toevallig geheugen'.  Herinner je iets nu wél of niet of perongeluk. Dat heet cryptomnesie.

Stel je voor dat je iets bedenkt. Een mooi idee, een originele vondst. En je schrijft er ook nog eens een artikel over. Een paar dagen later krijg je een boze brief. Je hebt plagiaat gepleegd. Want in december 2016 heeft meneer de Boer over hetzelfde onderwerp geschreven. Wat is er dan aan de hand?

Cryptomnesie betekent letterlijk ‘verborgen geheugen’. De term werd bedacht door de Zwitserse hoogleraar psychologie Théodore Flournoy, een tijdgenoot van Sigmund Freud.

De term wordt gebruik om de bron te verklaren van ervaringen waarvan mensen geloven dat ze origineel zijn. Maar de bron blijkt te zijn dat je je iets herinnert dat je vergeten bent.

Verschillende geheugenopslag

Dat klinkt onmogelijk, maar omdat er zo’n 250 soorten geheugen bestaan kan het dus toch. Met je ene geheugen weet je absoluut niet meer dat iets is gebeurd, maar in je andere geheugen zit het gegeven nog wel opgeslagen. Bijvoorbeeld: je weet niet meer dat je iets hebt gelezen, maar als je een voorwerp ziet denk je wél opeens: ‘daar kan ik dat voorwerp voor gebruiken’. Je denkt dus een originele uitvinding te doen, maar je boort door een praktische ervaring iets aan wat al eerder bedacht is.

Een vroeger leven?

Er is een stroming in de psychologie die op deze manier verhalen over gebeurtenissen uit vroegere levens meent te kunnen verklaren. Die vorige levens zijn er niet geweest, maar datgene wat je je nu herinnert is dan iets uit je leven wat eerder is gebeurd, maar wat je jezelf niet meer herinnert.

Helderziendheid?

Datzelfde kan ook in een meer recent verleden zijn gebeurd. Zo vertelde een paragnost over twee broers die waren overleden. Hij kon ook vertellen waar dat was gebeurd en onder welke omstandigheden ze waren overleden. Later bleek dat hij een artikel over de beide broers had gelezen, maar dat hij zich dat nu meer bewust was. Hij had dus niet het overlijden van de beide broers ‘gezien’, hij had gelezen over beide broers. Dat is dus geen kwestie van helderziendheid, maar van vergeetachtigheid.

Als iemand een idee overneemt van een ander en denkt dat hij het zelf bedacht heeft hoeft dat geen (bewust) plagiaat te zijn. Het kan even goed een gevolg zijn van de manier waarop we informatie in ons geheugen opslaan. Bijvoorbeeld: een vertekend idee als gevolg van cryptomnesie.

Lastige kwetsbaarheid (5)

Groot én klein zijn lijkt een centraal thema te zijn in het leven van mensen met emotionele problemen. Groot zijn roept angst op: je moet het zelf uit zoeken. Klein zijn maakt afhankelijk én het wordt niet gewaardeerd (‘kinderachtig’).  

“Deze mensen zitten vast in een gedachtepatroon dat geen middenweg kent tussen eenzame onafhankelijkheid en kinderlijke hulpeloosheid” (Les Parrot). De stoere buitenkant is het groot zijn en ook het willen controleren van de ander. Het klein zijn zit in de slachtofferrol. Er bestaan dus eigenlijk geen volwassen verhoudingen.

Groot én klein

Het psychologische spanningsveld van de peuter (groot moeten en klein willen zijn) kan zich voortzetten bij het groter worden: het wordt een gedragspatroon en daarmee een deel van de persoon. Bij volwassenen komt dit o.a. tot uiting in het zich snel  gekrenkt voelen (vooral in het contact met ‘leidinggevenden’).

Een peuter kan pruilen als de dingen niet gaan zoals hij dacht (“jullie houden niet van me”). Ook volwassenen kunnen ‘zielig’ doen. “Ik heb me zó ingezet en nou mag ik toch niet eens mijn eigen mening zeggen” zei iemand die werd aangesproken op zijn negatieve taalgebruik over collega’s.

Opvallend is dat deze mensen zich slachtoffer voelen, maar dat ze niet actief hulp durven te vragen. De ander moet maar zien dat ze hulp nodig hebben. Hulp maakt kwetsbaar en is dus bedreigend. Hun boodschap luidt: Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt (Weisfelt).

Hechting

Veel moeilijk te hanteren gedrag bij mensen komt voort uit een onveilige hechting: er is onvoldoende vertrouwen gegroeid (dit heeft vaak ook met gevoeligheid en temperament van het kind te maken). Adriaenssens: “Veilige hechting betekent dat je iemand kunt loslaten omdat je vertrouwt dat die persoon weer terugkomt. Voor angstige peuters is langdurig huilen vaak een efficiënt wapen geworden om te voorkomen dat de ouders weg gaan”. Bij volwassenen komt deze angst o.a. terug in de behoefte om mensen in de omgeving te willen controleren en in het claimen.

De verlatingsangst herhaalt zich vaak van generatie op generatie. Adriaenssens: “Het zijn niet alleen kinderen die moeten leren om met kwetsbaarheid om te gaan, ook volwassenen moeten dit leren.”  Daarbij spelen de eigen levenservaringen een grote rol. Bastiaans (die zich specialiseerde in oorlogstrauma’s): “Sommige mensen zijn door hun vroegere als traumatisch ervaren verlatings-ervaringen voorbeschikt om later, onder nieuwe moeilijke omstandigheden, opnieuw te reageren met patronen die met die eerdere verlating verbonden zijn”. Hij voegt toe dat de uitingen heel verschillend kunnen zijn: zoals het dwars liggen, depressief worden, claimen, ‘onecht’ (theatraal) gedrag.

Lichamelijke klachten

Eerder werden al lichamelijke klachten genoemd. Vooral bij kwetsbare mensen vormen die klachten ook de uiting van het emotionele functioneren. In de psychiatrie is een breed scala van ‘onbegrepen lichamelijke klachten’ bekend. Daarmee bedoelt men dat er niet direct een bekende lichamelijke oorzaak voor de klachten gevonden kan worden. “Mensen tobben zich soms daadwerkelijk ziek, ze worden écht ziek” (Ellis & Diekstra). En daarmee zitten we meteen in een dilemma: zijn al die onbegrepen klachten aanstellerij?  

Nee, zelfs als lichamelijke klachten een psychische oorzaak zouden hebben valt dat nog niet samen met  aanstellerij. Bovendien: of het nu lichamelijk of psychisch is, je voelt je echt ziek.

Borderline en verstoorde hechting (2)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). Het ontstaan van borderline kun je volgens hen niet zo eenduidig toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.

 Onveilige hechting

Echter: patronen die wijzen op onveilige hechtingsstijlen in het gezin laten een duidelijker verband zien met het ontstaan van een borderline persoonlijkheids-stoornis. Daarbij bestaat er correlatie tussen kenmerkende eigenschappen van mensen met borderline (problemen met intimiteit, spanning tussen autonomie en behoefte aan nabijheid) en problemen in de hechting. Bijvoorbeeld bij de angstig-ambivalente hechting: het kind wil nabijheid en wijst deze nabijheid ook af.

Omgaan met angst

Ook komt sterk naar voren dat er enerzijds sprake is van grote moeite met het beheersen van angst en anderzijds zijn relaties voor mensen met borderline complex: ze zoeken veiligheid in relaties, hopen daarin houvast te vinden, maar die afhankelijkheid is tegelijkertijd zeer beangstigend. Dat zou volgens de auteurs ook kenmerkend zijn geweest binnen het gezin: enerzijds klein moeten blijven (weinig autonomie) en aan de andere kant  bood dezelfde nabijheid ook geen veiligheid.

Rol van moeders

Opmerkelijk in dit onderzoek is dat aan de rol van de moeders in de gezinnen bij het ontstaan van borderline problematiek een duidelijk grotere rol wordt toegeschreven dan aan de vaders. Kenmerkende patronen bleken te zijn: minder sensitief (niet goed de behoeften van het kind in kaart hebben), minder zorg en aandacht en tegelijkertijd overbeschermend en wonderlijk genoeg daarnaast ook weer ‘toegeeflijk’ (‘je gaat je gang maar’).

Je zou kunnen samenvatten: weinig voorspelbaar. De ene keer zit je moeder er bovenop en de volgende keer heeft ze niet eens het idee wat er met je aan de hand is en word je ook niet gemist. De auteurs verklaren uit deze ambivalente houding het kenmerkende ‘splitting’ bij mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Kwaliteit van de hechting als belangrijke factor

Uiteindelijk concluderen de auteurs dat de wijze waarop het kind zich in het gezin heeft kunnen hechten een betere verklaring biedt voor het ontwikkelen van een borderline persoonlijkheidsstoornis dan traumatische ervaringen die het kind op jonge leeftijd heeft ervaren.     

Ik voeg daar nog wel aan toe dat veilige hechting tevens maakt dat een kind beter in staat is om traumatische ervaringen te verwerken. Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat bij een onveilige hechting ook de impact van trauma’s groter is. Er is bij het ontstaan van borderlineproblematiek sprake van een opeenstapeling van belastende factoren vanuit de jeugd.                                              

    

Borderline en verstoorde hechting (1)

Bestaat er een verband tussen verstoorde hechting en het ontwikkelen van borderline problematiek? Ik meende van wel, maar kon geen literatuur vinden die die veronderstelling onderbouwt. Er blijkt echter toch wel onderzoek te zijn gedaan naar het verband tussen borderline en verstoorde hechting (in: Nickel, Waudby en Trull, Journal of Personality Disorders, 16/2). 

 Jarenlang heeft de gedachte overheerst dat borderline stoornissen verklaard moeten worden uit emotionele trauma’s die een kind heeft opgelopen op jonge leeftijd. Op zichzelf is dat niet zo vreemd, want een kind dat fysiek, geestelijk of seksueel misbruik ervaart zal de ouders als minder zorgzaam ervaren en op basis van die ervaringen ook afwijkende gedragspatronen gaan ontwikkelen. En dat is één van de overheersende kenmerken bij borderline-problematiek.

  Toch vinden de auteurs deze focus op traumatische ervaringen te ‘smal’ om hierbij te denken aan ‘de’ verklaring voor borderline.

Andere verklaringen

De auteurs citeren verschillende onderzoeken waarbij alternatieve verklaringen naar voren komen. Enkele onderzoeken zijn gebaseerd op gestructureerde interviews met mensen die de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis hebben gekregen.

Opmerkelijk was de combinatie die één van de onderzoekers meldde: mensen met borderline vertellen aan de ene kant dat hun ouders onvoldoende zorg aan hen besteedden en anderzijds dat ze hun ouders juist als overbeschermend hebben ervaren. Mijn interpretatie is dat ze mogelijk weinig betrokkenheid hebben ervaren, maar wel veel controle (regels). Of nog meer: als de ouder boos wordt leidt dit direct tot een overkill aan regels (eerst wordt het kind niet gezien, daarna corrigeert moeder het kind, het luistert niet en vervolgens moet het een week binnen blijven). 

Psychiatrie en borderline

Een ander onderzoek ging over de vraag of er verschillen gerapporteerd worden tussen vrouwen met borderline problematiek en vrouwen die vanwege andere psychiatrische problemen werden opgenomen in een instelling.

Het bleek dat vrouwen die vanwege andere diagnoses in psychiatrische instellingen verbleven vroeger thuis veel minder vaak te maken hadden gehad met afwijzing, met verbroken relaties, met verlating en met een chaotische gezinsstructuur dan vrouwen met de diagnose borderline. Met andere woorden: ook kinderen uit redelijk harmonieuze gezinnen kunnen ernstige psychische problemen ontwikkelen, maar bij mensen met borderline lijkt wel vroeger duidelijker sprake te zijn geweest van verstoorde interacties binnen het gezin.

Nieuw onderzoek

Nickell, Waudby en Trull wilden meer onderzoek doen naar de relatie tussen de onveilige en/of verstoorde hechting en borderline. Ze maakten daarbij gebruik van de gegevens van een steekproef van bijna 400 mensen. Een deel van het onderzoeksverslag bevat de wetenschappelijke verantwoording en statistische onderbouwing van dit onderzoek.

De resultaten tonen aan dat lichamelijke en/of geestelijke mishandeling en verwaarlozing alléén onvoldoende verklaring bieden voor het ontstaan van borderline problematiek. Het ontstaan van borderline kun je dus niet per definitie alleen toeschrijven aan traumatische ervaringen in de jeugd.