Sociaal-emotionele basiskleur

Er zijn mensen die beweren dat het onmogelijk is om het sociaal-emotionele niveau van mensen in kaart te brengen. Eén van die mensen beweert dat dat niet kan omdat je de emotionele ontwikkeling niet goed kunt meten.

Andere mensen beweren dat je het emotionele niveau prima kunt meten. Ze hebben het over het Emotionele Quotiënt. Dat quotiënt zou ook leerbaar, trainbaar zijn.

In mijn werk heb ik het veel over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij alle cliënten heb ik al vrij snel een idee hoe het sociaal-emotionele beeld er uit ziet. En dat bepaalt weer voor een groot deel de draagkracht van de persoon. Maar die ontwikkeling zie ik niet als iets wat ‘bereikt’ kan worden. Het gaat vooral om, wat Jesper Juul noemt, de eigenwaarde, het fundament waarop iemand zich gedragen weet. Ik noem dat de sociaal-emotionele basiskleur. Die bepaalt een groot deel van de persoon in relatie tot zichzelf en tot anderen.

Die basis is al rond het derde jaar van kinderen helemaal klaar. Wat er daarna gebeurt aan persoonlijke ontwikkeling bouwt voort op die eerste drie jaar.

Iedereen groeit na zijn derde jaar verder. De vaardigheden groeien en daarmee ook de mogelijkheden tot ‘coping’, tot het kunnen hanteren van spanning en stress. Maar diezelfde vaardigheden kunnen ook jarenlang de sociaal-emotionele kwetsbaarheid camoufleren.

Bij chronische stress, als de draaglast langdurig zwaarder is dan de draagkracht, lukt het allemaal opeens niet meer. Dat komt omdat het kúnnen (zie het blog van een paar dagen geleden) het áánkunnen jaren lang heeft gecamoufleerd. Het is aangeleerd gedrag dat geworteld is in onvoldoende sociaal-emotionele basis.

Mensen die zo lang op hun tenen moeten lopen verbruiken vaak ontzettend veel energie. Erik Erikson noemt dat ‘waden door de stroop’. Je probeert wel vooruit te komen, maar het schiet maar niet op. Daarom voelen deze mensen zich ook vaak ontzettend moe.

Pas als kunnen en áánkunnen beter op elkaar afgestemd raken ontstaat er ook weer nieuwe energie…

Kunnen en áánkunnen

Dat is de titel van een tweedaagse cursus die ik af en toe geef.
Maar datzelfde thema vormt ook de kijkrichting op mijn werk.

Bijna altijd wordt er gekeken naar wat mensen kúnnen. We hebben het dan over de vaardigheden. Je kunt jezelf aankleden, je kunt je brood klaar maken, je kunt je veters strikken, je kunt een rekensom maken, je kunt zelfstandig met de trein reizen.

Maar wat veel belangrijker is, is wat je áán kunt. Dan hebben we het over het sociaal-emotionele niveau van functioneren.

Ook dat begrip is inmiddels gedevalueerd. Dat komt door de hype van een aantal jaren geleden rond het EQ: het Emotionele Quotiënt. Maar als je naar dat EQ kijkt, dan gaat het in feite wéér om vaardigheden. Terwijl het bij het sociaal-emotionele niveau van functioneren niet om vaardigheden gaat, maar om draagkracht.

“Eigenlijk zouden we van al onze cliënten een inschatting moeten hebben van het sociaal-emotionele niveau van functioneren” zei een cursist vrijdag tegen mij. “Precies” zei ik, “dat zou mijn ideaal zijn. Dan zouden we veel minder in de valkuil van de overvraging trappen. Vooral bij cliënten die goed kunnen praten. Die worden altijd overschat.”

Zelf heb ik vaak al vrij snel een beeld van de sociaal-emotionele basiskleur van mijn cliënten. Dat klinkt misschien wat eigenwijs, maar ik ben ook al 20 jaar lang zo aan het kijken. Maar ook ik vergis me toch nog regelmatig.

Wat er gebeurt als iemand steeds wordt aangesproken op zijn kunnen, terwijl er geen rekening wordt gehouden met het áánkunnen? Dat zie je op het plaatje. Zo iemand is niet bezig om te leven, maar om te overleven. Dat leidt op den duur altijd tot overbelasting, met alle gevolgen van dien…

Nederlandse Vereniging ter Systematisering van de Chaos

Ooit was ik lid van de ‘Nederlandse Vereniging ter Systematisering van de Chaos’. Die vereniging bestond niet echt, maar dat maakte de chaos alleen nog maar interessanter. Hoe laat je een niet bestaande vereniging een chaos systematiseren?

Ieder mens heeft zijn eigen ordeningsprincipes. De meeste mannen doen geen dopje op de tandpasta en de meeste vrouwen ergeren zich daar aan. Eigenlijk vind ik het trouwens al een hele winst áls mannen hun tanden poetsen. Laten we daar maar eens mee beginnen.

Persoonlijk kan ik wel enige ordening gebruiken. Doordat mijn hoofd snel overprikkeld raakt moet ik er voor zorgen dat mijn omgeving er niet al te losbandig uit ziet. In tegenstelling tot Xiwel geef ik dus de voorkeur aan een opgeruimd bureau. Dat wil niet zeggen dat mijn archief ook optimaal geordend is, maar ik moet in ieder geval niet zien dat het niet geordend is. Van zichtbare chaos raak ik mijn concentratie kwijt.

Het is voor jezelf belangrijk om te weten hoe je ordent. Wat geeft jou rust in je hoofd? Kijk maar eens naar boekenkasten. De één sorteert op grootte, de ander op kleur, de derde op thema, de vierde op alfabet van de auteur.

Het wordt lastig als je één huishouden gaat voeren met iemand die heel anders ordent. Een musicus had zijn duizend CD’s geordend op geboortejaar van de componist, maar hij trouwde met een musicale echtgenote met al bijna evenveel CD’s die op typen compositie ordende.

Als de relatie geen musica was geweest was het probleem niet zo groot geweest. Dan had de muzikale echtgenote gewoon gezegd: je gaat je gang maar! Maar nu ging het om een thema dat voor beiden erg belangrijk was.

De eerste vijf jaar bestond hun relatie dan ook deels uit het er over eens zien te worden hoe er nu geordend moest worden. Het eindigde in twee aparte kamers met ieder een eigen ordeningsprincipe….

Zo heb ik dan ook op mijn studeerkamer mijn eigen boekenkasten en Tineke heeft haar boekenkasten beneden en op zolder…

Borderline en Rupsje Nooit Genoeg

Iedereen gaat wel eens over de grens van de ander.
Je schat een situatie verkeerd in, je maakt een opmerking die iemand ‘raakt’, je stelt een vraag die niet gepast is.

Eén van de kenmerken van mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis is dat het overschrijden van grenzen van anderen een patroon geworden is.

Iemand met een borderline-stoornis heeft er grote moeite mee dat de dokter, de dominee, een andere hulpverlener, de buurvrouw, een familielid niet altijd beschikbaar is. Ze hebben de neiging om juist op onmogelijke momenten contact te zoeken. Daarmee moet zo’n persoon dan bewijzen dat hij om de ‘borderliner’ geeft. De grensoverschrijding zit er in dat iemand met borderline de relatie definieert als ‘altijd beschikbaar zijn’. Als je niet altijd beschikbaar bent, ben je geen goede hulpverlener en geen goede vriend.

Een subtiele vorm van grensoverschrijding is de volgende zin: “Je begrijpt me niet.” Mensen ‘tegen wie zo’n zin wordt gezegd worden vaak direct actief. Want dat wil je niet. Je doet toch ontzettend je best om de ander te begrijpen?

De grensoverschrijding is dat mensen met borderline de relatie definiëren als een contact waarin ze altijd begrepen worden.

Er bestaan geen contacten waarin mensen elkaar altijd zullen begrijpen. Ook als je 40 jaar getrouwd bent begrijp je de ander maar voor een deel.

Voor mensen met een ernstige vorm van borderline-stoornis is de titel van een boek typerend. Rupsje Nooit Genoeg. Mensen in de omgeving worden emotioneel opgegeten. Maar als dat genoeg was, viel er misschien nog mee te leven. Het is ook nooit genoeg. Als de één het niet meer redt, volgt er weer een ander….

Tenzij…

Lichaamstaal

Er wordt wel beweerd dat 80% van onze communicatie non-verbaal is. Dat wil zeggen dat maar 20% van wat we communiceren door middel van woorden gebeurt.

Daarom is het erg belangrijk om bij het kijken naar menselijk gedrag en bij het luisteren op de lichaamstaal te letten.

Wat wil het zeggen als iemand in zijn neus knijpt tijdens een gesprek? Of als iemand in zijn nek wrijft?

Het is ook belangrijk om te letten op tegenstrijdigheden. Zoals de mevrouw die zei dat ze ergens totáál niet mee zat, dat was geen énkel probleem voor haar. Alleen al de nadruk waarmee ze het zei deed vermoeden dat er wél iets aan de hand was. Maar toen ik zag hoe ze ondertussen wiebelde met haar benen wist ik wel voor 90% dat wat ze zei niet klopte met de feitelijke beleving.

Lang niet alle mensen nemen goed lichaamstaal waar. Neem nu de mannen. Zij snappen er vaak niets van. Uit een onderzoek aan de Harvard Universiteit bleek dat mannen maar 42% van sociale situaties in combinatie met lichaamstaal goed inschatten.

Bij vrouwen blijkt dit 87% te zijn.

Gelukkig blijken mannen in de zorg wél vaak non-verbale signalen in sociale situaties goed in te schatten. Zij ‘presteren’ ongeveer net zo goed als vrouwen.

En laat ik nu een man zijn die al 38 jaar in de zorg werkt. Zou ik het dus eindelijk ook een beetje begrijpen?

Maffe gewoontes

De meest hilarische les die ik ooit heb gehad was toen we met zijn allen gingen uitwisselen welke rituelen we er op na houden.
Dat kun je natuurlijk ook alleen maar bespreken als de groep veilig is. Dan is er niets meer (te) gek.
We kennen allemaal de rituelen en dwanggedachten uit de leeftijd van de bovenbouw van de basisschool. Met één been op de stoep en één been op de straat. Met je rechterbeen boven aan de trap uit komen, want anders… Die rituelen zijn gebaseerd op de stel je voor dat-angst.

Eén van de cursisten vertelde dat ze rond een jaar of tien altijd in lantaarnpalen klom als er een auto aan kwam. Want als ze met de schoenen op de tegels zou staan zou haar moeder een ongeluk krijgen. Ze vertelde dat ze deze gewoonte inmiddels had afgeleerd, maar er waren andere voor in de plaats gekomen…

Ik meld hier drie van mijn ongevaarlijke, maar ook weinig betekenisvolle gewoontes:

1. De wektijd moet altijd met het eerste cijfer en het laatste cijfer gelijk staan, anders klopt ‘het’ niet. Meestal staat hij op 6.56 en in het weekend bijvoorbeeld op 7.57 of op 8.28 (de wekker moet ook altijd tien minuten voor lopen, trouwens).
2. In een tweepersoonsbed moet ik altijd aan de rechterkant slapen. Nu is dat maar net hoe je het belijkt. Ik moet gemakkelijk met mijn rechterbeen uit bed stappen. Anders stap ik niet met mijn goede been uit bed…
3. In de trein moet ik altijd rechts het raam hebben.

Zó maf is het natuurlijk ook weer niet. Het maffe is alleen dat je je afvraagt wat de zin van zulke gewoonten is.
Je hebt natuurlijk een probleem als je levensgezel (m/v) ook rechts uit bed wil stappen en tegen het raam rechts in de trein wil zitten.
Maar Tineke heeft zich aan mijn eigenaardigheden aangepast…

Mannen, vrouwen en calorieën

Op een verpakking lees ik: “Gemiddelde caloriebehoefte voor een volwassen persoon per dag:
* Man 2500 kcal
* Vrouw 2000 kcal”

In de eerste plaats vraag ik mij af waar dat verschil door komt. Ik heb de indruk dat vrouwen regelmatig fysiek zwaarder werk doen dan mannen. Mannen zie ik trouwens bijna nooit werken, want op de teams waar ik bij betrokken ben werken 80 vrouwen en 3 mannen… (vorig jaar was dat maar één man). En die 80 vrouwen staan beslist hun mannetje…

Dus waar komt dat verschil in behoefte aan kCal vandaan? Is dat een oud idee rond fysiek zwaar werk? Of verbrandt de man anders dan de vrouw, slurpt hij meer energie?

In ieder geval biedt mijn geschatte verbranding nu wel mogelijkheden. Zo mag ik 3 kroketten per dag extra nuttigen. Of 2 picolientjes per dag (de kleine gevulde koek van Albert Heyn). Tineke mag er alleen naar kijken…

 Daar zal de diëtist op mijn werk het niet mee eens zijn. Maar zij is ook een vrouw…

Derek Ogilvie ontmaskerd? (2)

Mammalien vertelt dat mensen zo blij kunnen zijn van de antwoorden die Derek Ogilvie geeft.
Daar heeft ze helemaal gelijk in. En je vraagt je dan ook af: moet ik iemand dat geluk afpakken?

De kracht van Ogilvie is dat hij inderdaad precies weet wat mensen nodig hebben. De verslaggever van de Vara is nerveus. Geen wonder, ze wil hem er in laten tuinen, maar je weet toch niet zeker of hij dat door heeft. En waar speelt Ogilvie op in? Op haar onzekerheid. Hij voelt een enorme hoeveelheid energie en liefde en hij laat haar opa zeggen dat ze vertrouwen in zichzelf moet hebben en haar eigen keuzen moet maken. Dan voel je je toch echt gesteund en je bent Ogilvie dankbaar dat hij dat contact voor jou heeft gelegd.

Zesde zintuig

Derek Ogilvie heeft als het ware een zesde zintuig ontwikkeld om precies aan te voelen waar mensen mee zitten. Dat zesde zintuig ontwikkelen kleine kinderen vooral tussen de 6 en 18 maanden. Bij mijn cliënten die op die sociaal-emotionele leeftijd zijn blijven steken zeg ik wel eens: “Het zijn de beste psychiaters van Nederland, ze voelen feilloos aan hoe wij ons voelen.”

Bewonderaars

Ik denk en vrees ook een beetje dat Derek Ogilvie die gave bezit. Psychiater J.S. Reedijk schrijft in zijn inmiddels klassiek geworden werk Psychiatrie het volgende: “Het contact met mensen gaat gepaard met veel vertoon van charmes. De persoon heeft behoefte aan bewonderaars, hij kan niet zonder het constante applaus van volle zalen.

Een deel van deze mensen leeft van het succes dat de zelfverzonnen verhalen hebben. Het gaat hierbij om mensen die als het ware verslaafd zijn geraakt aan het fantaseren en die daardoor overtuigd zijn geraakt van de juistheid van hun beweringen.”

Eenzaam

In feite, zegt Reedijk, zijn deze mensen heel alleen. Hun gedrag is een gevolg van de onmacht om werkelijk persoonlijk contact te maken. Als hun schijnwereld ontmaskerd wordt gaan ze óf op een andere manier tóch door, óf ze reageren met een diepe depressie als het gefantaseerde gebouw instort.

Ziehier de wereld die we iedere keer zien in Opgelicht. Charmante mensen waar iedereen in gelooft en die ondertussen de ander financieel en emotioneel kaal plukken.

Als ik de uitzendingen van Derek Ogilvie zie kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de kans groot is dat ook hij fantasie en werkelijkheid behoorlijk door elkaar laat lopen….

http://www.youtube.com/watch?v=Rr4brd4lF4k

Auditieve overgevoeligheid en autisme

Ik heb er al veel vaker over geschreven.
Eén van mijn stellingen in cursussen en besprekingen is dat opvoeders veel meer over de zintuigen van kinderen moeten weten.

Via de zintuigen nemen we de wereld waar. Als de zintuigen niet goed werken raakt ons beeld van de wereld verstoord.

De problemen met de verwerking van informatie via de zintuigen vormen waarschijnlijk de kern van de problemen die mensen met autisme hebben.

Daarbij is vermoedelijk de auditieve overgevoeligheid het meest belastend. Een moeder zei over haar dochter: “Mijn dochter heeft geen oorpijn, maar hoorpijn!” Alle geluiden deden haar pijn.

Gevoelige oren kunnen mensen creatief tot grote hoogte brengen, want je hebt auditieve gevoeligheid nodig voor muziek. Maar tegelijkertijd klagen mensen die auditief gevoelig zijn ook vaak dat geluiden pijn doen aan hun oren.

Er zijn zelfs mensen die beweren dat er een sterk verband bestaat tussen muzikaliteit en autisme. Maar om nu te zeggen dat het Concertgebouworkest uit autisten bestaat, dat gaat ook weer een beetje te ver.

De Amerikaanse kinderpsychiater Stanley Greenspan heeft de gevoeligheden van de zintuigen geleidelijk aan steeds verder in kaart gebracht in zijn boeken.

Een voorbeeld dat hij beschrijft is een meisje dat steeds haar hoofd afwendde als haar moeder in de buurt kwam. De moeder was daardoor steeds onzekerder geworden, ze voelde zich falen als moeder. De vader had met zijn dochter een goed contact.

Bij nader onderzoek bleek dat het meisje een zeer scherp gehoor had en haar moeder een scherpe stem. Die twee dingen gaan moeilijk samen.

Toen de moeder leerde om donkerder tegen haar dochter te spreken verbeterde het contact tussen moeder en dochter… De dochter had niets tegen haar moeder. Ze kon niet tegen de stem van haar moeder. De moeder was geen verkeerde moeder. Ze moest alleen haar stem iets anders gaan gebruiken…