Transactionele analyse (2)

3. Positieverdeling

Je kunt nooit zeggen dat iemand vanuit één positie reageert. In onze communicatiepatronen zitten altijd de drie posities. Wel bestaat er binnen relaties een bepaald zwaartepunt. De meeste mensen zéggen een gelijkwaardige positie na te streven, maar in de praktijk blijkt de één meer de kind-positie te kiezen en de ander de ouder-positie. Die ‘positieverdeling’ heeft ook gevolgen voor het evenwicht binnen de relatie (zoals binnen teams of in het huwelijk).

Zo zegt de ene partner vaak hoe het ‘moet’, terwijl de ander zich afhankelijker opstelt. De spanning die zo’n asymmetrische relatie met zich mee brengt wordt in humoristische films vaak uitvergroot (bijv. in films met in de hoofdrol John Cleese, of met de klassiekers van Laurel en Hardy). Uit het feit dat we er zo om moeten lachen blijkt wel dat we ons of anderen er in herkennen. Deze posities binnen relaties kunnen overigens -naar gelang van de situatie- wisselen.

 Maarten bepaalt in het gezin hoe het geld besteed wordt, wanneer er een nieuwe auto komt, waar men heen gaat met vakantie en van welke omroep het gezin lid is. Als de vraag speelt welke boodschappen er gehaald moeten worden heeft hij geen enkel idee, hij begint er niet eens aan om daar over na te denken. “Zeg jij het maar, ik weet het niet” zegt hij tegen Marieke. Op dat moment functioneert Maarten ‘opeens’ in de kindpositie. Het voorbeeld laat zien dat de positie die iemand binnen een relatie inneemt ook sterk afhankelijk is van de situatie waarin die persoon op een bepaald moment verkeert..  

 Als mensen binnen een relatie steevast volgens voorspelbare patronen en vanuit bepaalde posities op elkaar reageren hoeft dat voor de betrokkenen zélf geen probleem te zijn. Je kunt ook zeggen dat de kracht van de één de zwakte van de ander aanvult. Wel kun je je afvragen in hoeverre iemand tot zijn recht komt als een ander zoveel invloed heeft op zijn of haar leven.

 Vaak worden de posities in de loop van een relatie verder aangescherpt. Vera wil in huis alles bepalen. Zij kiest de meubels uit, ze bepaalt wat er gekocht wordt. Ze heeft direct haar woordje klaar als haar echtgenoot Joost zich niet goed    kleedt of gedraagt. Naarmate ze meer bepaalt in het gezin trekt Joost zich meer terug. Voor Vera is dat hét bewijs dat Joost niet voor zichzelf kan zorgen. Ze gaat nog meer voor hem bepalen, heeft nóg eerder haar woordje en haar oordeel klaar. Joost voelt zich ongemakkelijk, maar hij weet niet wat er aan de hand is. Omdat de relatie al zo lang volgens dit patroon verloopt slaagt hij er niet in om onder woorden te brengen waarom hij zich niet prettig voelt. Voor Vera ligt er op dat moment weer een actie klaar: ze stuurt er op aan dat Joost zich ziek meldt, want hij kan niet goed voor zichzelf zorgen [1].

 Ook bij dit voorbeeld moet benadrukt worden dat het niet om ‘goed’ of ‘fout’ gaat. De reactie van de één lokt altijd een reactie – een transactie- van de ander uit. Op het onderzoek naar die wederzijdse beïnvloeding is de T.A. gebaseerd.

 
[1]  Er wordt in dit verband wel gesproken over projectieve identificatie: eigen negatieve gevoelens worden op de partner geprojecteerd (“ik wil niet voor hem bepalen, maar ik moet wel, want hij kan niet kiezen”). Vervolgens wordt in dit voorbeeld door de ziekmelding Joost ook nog eens aan huis gebonden (Vera krijgt daarmee de controle terug). Daarnaast heeft de ziekmelding nóg een functie. Dat het niet goed gaat met Joost ligt niet aan de onderlinge relatie tussen Joost en Vera, maar aan de werkdruk. Zie: Johan Cullberg, Moderne Psychiatrie, Ambo 1994.

Transactionele analyse (1)

1. Ter introductie

Een manier om te kijken naar de omgang tussen mensen is de zgn. trans-actionele analyse. Deze manier van kijken was in de jaren ’80 erg populair [1]. Helaas is de methodiek onvoldoende wetenschappelijk getoetst. Toch kun je er in de hulpverlening wel ‘voorzichtig’ gebruik van maken. De transactionele ana-lyse (T.A.) kan bepaalde patronen van omgang tussen mensen verhelderen.

Wat nu volgt is een vrij technisch verhaal. Toch waag ik het er op. Kijk door de theorie heen! Waarom verlopen bepaalde contacten stroef? Hoe gaan we met elkaar om? Zetten we elkaar klem door onze manier van omgang met elkaar?   

 2. Ego-posities

Binnen de transactionele analyse gaat men er van uit dat mensen in de communicatie met andere mensen bepaalde ego-posities innemen, een manier van denken, voelen en handelen ten opzichte van de ander. Je plaatst jezelf ten opzichte van de ander (bewust of onbewust) in een rol, waarbij je je vaak kleiner of groter dan de ander opstelt. Die rollen worden respectievelijk de kind-positie en de ouder-positie genoemd. Daarnaast is er ook nog de volwassen-positie: je bent gelijkwaardig aan de ander [2].

 a) In de ouder-positie gedragen we ons als een ouderfiguur of autoriteit (de aangeleerde levensopvatting). Wij bepalen hoe de ander zich moet gedragen. Deze positie komt aan de ene kant naar voren in formeel, oordelend, bekritiserend gedrag en aan de andere kant in een verzorgende houding.

 * Je weet wat de regels zijn. Daar heb je je aan te houden. Als je dat niet kunt vertrek je maar.

* Trek je wel een dikke jas aan? Je weet hoe gauw je kou vat!

b) In de kind-positie komen onze aangepaste gevoelens én onze onbevangenheid naar boven (de gevoelsmatige levensopvatting). In de aangepaste gevoelens laten we ons leiden door een volwassene; we ervaren onszelf ten opzichte van de ander als afhankelijk en hulpeloos. Als ze moeten veranderen kunnen ze dat niet zelf, de ander moet dat regelen (‘zo ben ik nu eenmaal’). De onbevangenheid komt o.a. tot uiting in onze primaire reacties (direct reageren op ons gevoel). Mensen die veel in een kind-positie zitten reageren vaak emotioneel, intuïtief en primair.

 * Zeg jij maar hoe het moet. Ik kan het toch niet….

* Ik ben gewoon eerlijk. Als ik boos ben uit ik dat direct. Ik heb nu eenmaal het hart op de tong en zeg dus direct wat ik voel.

 c) In de volwassen-positie proberen we uit, we ontdekken, en we maken uiteindelijk onze keuzes (de getoetste levensopvatting). Informatie ‘van binnen’ en ‘van buiten’ wordt dus gecombineerd en daarop stemmen we onze reactie af. De reacties zijn vaak wat uitgesteld omdat het overdenken vooraf gaat aan het doen. Opmerkelijk is binnen de transactionele analyse dat men meent de volwassen-positie al bij de baby  ontwikkelt; de ontwikkeling van het ‘zelf’ begint al voor de eerste verjaardag [3].

 * Mijn eerste reactie was dat ik het een onhaalbaar voorstel vond. Maar als je er beter naar kijkt zit er toch wel wat in. Is het een idee als we met elkaar de voor-en nadelen op een rijtje zetten?

 [1]  Dit kwam o.a tot uiting in de verkoopcijfers van de bestseller ‘Ik ben O.K, jij bent O.K’, van T.A. Harris. Later verscheen van E. Berne: Mens erger je niet (Bert Bakker, Amsterdam, 1991).

[2]  Het is van belang om hierbij te vermelden dat de transactionele analyse op zichzelf geen oordeel uitspreekt over deze posities, het kan adequaat zijn om vanuit de ouderpositie of vanuit de kindpositie te reageren.

 [3]  Zie voor de ontwikkeling van het ‘zelf’: Rita Kohnstamm, Kleine Ontwikkelingspsychologie, deel 1, hoofdstuk 7. Uitgave: Van Loghum Slaterus.

Slaap (38) : in slaap vallen

Vannacht viel ik in slaap, maar ik werd ook weer met een klap wakker. Over deze slaapschok hebben allerlei slaapdeskundigen naar een verklaring gezocht. Carl Jung dacht dat je dan dreigde te gaan dromen over iets waar je niet aan herinnerd wilt worden. Je bewuste houdt dan je voorbewuste tegen.

Meer voor de hand liggend is de neurologische verklaring. Als je gaat slapen ontspannen de spieren zich. Je lichaam krijgt een schrikreactie, want het wil de boel onder controle houden. Je lichaam denkt dat je plat gaat en het roept weer op om rechtop te gaan staan.

Deze ‘hypnagoge’ slaapschok doet zich dan ook voor bij het inslapen. Herinnerd worden aan dingen waar je niet aan herinnerd wilt worden: dat zou de hele nacht kunnen gebeuren, zeker als je lichter slaapt (aan het eind van de nacht). Het lichaam laat wel stuiptrekkingen zien in de loop van de nacht, maar niet zulke heftige hypnagoge schokken. Die komen alleen voor tijdens het inslapen.

Het thema waar je bij die slaapschok van droomt is vaak hetzelfde: het heeft met vallen te maken. Vandaar het gezegde ‘in slaap vallen’. Je valt niet om, je valt niet uit bed, je valt ín slaap. Vannacht had ik wel een bijzondere variant: ik zat op de fiets en mijn stuur brak af. Ik ging stuurloos een vallende ondergang tegemoet. Van schrik was ik weer klaar wakker.

Slaap (37) : dromen

Je hebt mensen die de hele dag lopen te dromen. Ze zijn niet erg bij de les.

De meeste mensen dromen voornamelijk in bed. En dan ook nog eens als ze slapen. En ook nog eens gedurende een klein deel van de slaap: de REM-slaap.

Het schijnt dat mensen gemiddeld vijf tot tien keer per nacht dromen en dat zo’n droom meestal minder dan 10 minuten duurt. Toch ligt de gemiddelde westerling in totaal 6 jaar van zijn leven te dromen.

Er zijn mensen die nooit zeggen te dromen. Dat kan dus niet. Alle mensen dromen hun dromen.

Er zijn ook mensen die van alles bedenken als betekenis van hun dromen. Daar moet je erg voorzichtig mee zijn. Op internet circuleren veel voorspellers die je best even uit willen leggen wat je droom te betekenen heeft. Ze hebben vaak een opvallende duim en een iets langere neus. Oftewel: ze kletsen uit hun nekharen.

Toch is het verklaren van dromen ook niet helemaal onzin. Zo vind je in het Oude Testament (Jozef, Daniël) dromen met een voorspellende waarde. Toch zou ik er -zeker in onze tijd – mee uit willen kijken. Zodra mensen zich er op gaan voorstaan dat ze dromen (voor anderen) kunnen uitleggen en de toekomst kunnen voorspellen, dat er dan een ‘luchtje’ aan komt te zitten.

In de westerse wereld was het Sigmund Freud die voor het eerst uitgebreid publiceerde over droomduiding. Dat is dus wat anders dan voorspellen. Het gaat bij droomduiding om een verklaring waarom je droomt wát je droomt. Later trad Gustav Jung in zijn voetsporen. Hij ging veel verder in zijn droomuitleg en was daarin ook veel speculatiever.

Maar die zes jaar die je in je leven besteedt aan dromen: dat is toch niet voor niets? De meest voor de hand liggende verklaring voor dromen is dat ze het mogelijk maken om emoties te verwerken. Volgens Freud borrelt dan je voorbewuste naar boven.

Omdat je tijdens de droom je verstand niet laat sturen kom je in een droom tot allerlei associaties die je anders nooit bedacht zou hebben (omdat er een rem op zit: je wilt niet overal aan denken).

Los daarvan is bijvoorbeeld van Albert Einstein bekend dat enkele van zijn creatieve wetenschappelijke ideeën zijn ontstaan tijdens een droom. Je moet dus wel een beetje opletten tijdens je droom (wie weet win je een wetenschappelijke jackpot).

Vastgelopen denken

Mario tekent een gezicht.

Tenminste, daar begint het mee. Eerst lijkt het gezicht aardig te kloppen. Maar na een tijdjeontstaan er allerlei bizarre lijnen en krullen. Het lijkt wel of tijdens het tekenen zijn denken ontspoord raakt. Alsof de rem er af is.

Minke schrijft een brief aan haar oom. “Lieve Oom Piet, hoe is het met u? Met mij gaat het goed. In spin, de bocht gaat in, uit spuit, de bocht gaat uit, in spin de bocht gaat in, uit spuit de bocht gaat uit.” Daarna volgen er nog vele blaadjes met steeds weer dezelfde zinnen. Ze kan niet meer uit deze spiraal komen.

John vertelt mij een verhaal. Het begint redelijk navolgbaar. Over wat hij vandaag heeft gedaan en wat hij vanavond van plan is. Maar al snel moet ik grote moeite doen om hem te volgen. “In de bus moet ik mijn vervoersbewijs bewijzen. Ik moet met de bus, want mijn rijbewijs is verloren gegaan. Ik kan dat bewijs niet meer bewijzen. Ik ben een functioneel burgereigenschap karakter, dat heb ik. Toen ik daar was zijn er ook radioactieve radars geketst op de grond. Daarom heb ik ze tegen gehouden. Verwoest was anders Amsterdam.”

Gerrit gaat na het avondeten vaak naar buiten. Hij heeft dan de gewoonte om de straat te gaan vegen. De eerste minuten gaat het goed. Maar al snel blijft hij op dezelfde tegels steken. Als je zijn gedrag niet stopt blijft hij daar de hele avond vegen, ook als het gaat regenen en als het donker wordt.

Mario, Minke, John en Gerrit hebben vroeger de basisschool en vervolgonderwijs met goed gevolg doorlopen. Aan het eind van de puberteit liep hun ontwikkeling helemaal vast.

Ze raakten ontspoord in de chaos van hun denken of ze verstarden in diezelfde chaos. De samenleving is voor hen veel te complex. Zonder voortdurende begeleiding zouden ze tot niets meer komen.

Mass Psychogenic Illness

Als iemand vertelt dat hij hoofdluis heeft krijgt de rest van het gezelschap vaak acuut last van jeuk.

Dat idee ligt ten grondslag aan MPI, de Mass Psychogenic Illness. Een paar mensen worden onwel en direct krijgen andere mensen last van dezelfde verschijnselen.

Dorpse voorbeelden in het groot zijn: men wist het in Oude Pekela  zéker: er waren allerlei clowns in het dorp die kinderen misbruikten. En in Emmer Compascuüm wist men het óók zeker: er waren horror-kelders onder de plaatselijke basisschool. Zelfs toen ‘diepgravend’ onderzoek uitwees dat er géén kelders waren bleef een aantal inwoners er heilig van overtuigd dat die kelders er tóch waren.  Maar dergelijke verschijnselen komen niet alleen in de veenkoloniën voor.

In 1999 werden Belgische schoolkinderen massaal ziek na het drinken van cola. Het kan natuurlijk zo zijn geweest dat daar een paar blikjes tussen zaten die bijvoorbeeld over datum waren. Maar het vreemde was dat vervolgens in heel België mensen zich ziek gingen voelen na het drinken van cola.

Stress is de belangrijkste reden waardoor zo’n massale psychogene uitbraak van ziekteverschijnselen zich voor kan doen.  Want wie onder psychische spanning staat ziet of hoort allerlei dingen. Een krakende balk vanwege een storm wordt een spook.

Dezelfde patronen zie je overigens ook terug in ‘hypes’ rond bepaalde ziektebeelden. Daarmee wil ik niet zeggen dat de ziektebeelden niet bestaan. Maar ze komen periodiek in een veel hogere frequentie voor dan verklaarbaar is. Iedere arts, tandarts en specialist kan je vertellen over een reeks van patiënten die plotseling met dezelfde klacht naar de behandelaar komt. Een voorbeeld is bijvoorbeeld RSI. Zelfs bepaalde psychiatrische gedragsbeelden lijken (deels) beÏnvloed te worden door de omgeving.

De Franse socioloog Gustave le Bon schrijft dat individuen in de massa hun kritiische vermogen verliezen. In de tijd dat mensen bang waren voor een uitbraak van SARS heb ik gezien hoe panisch mensen in een volle metro reageerden op een stevige niesbui van één van de reizigers. Wil je ruimte voor jezelf in een overvolle metro, ga na zulke berichten uitgebreid zitten niezen.

We zijn allemaal gevoel voor collectieve beïnvloeding. Als je in één ruimte zit met twee niesende collega’s die ook nog zeggen dat ze zich steeds beroerder voelen heb je grote kans dat je beroerder naar huis gaat dan dat je binnen kwam op je werk.

Daarnaast is het belangrijk dat je je realiseert dat het niet om aanstellerij gaat. De mensen voelen zich beroerd. Maar als je iets meer weet van het mechanisme kun je je misschien ook iets nuchterder opstellen….

Dat scheelt al de helft…..

Presteren onder druk

Volgens Skinner is een goede maatschappij het resultaat van effectief belonen en straffen. Als je het goede gedrag maar beloont en het verkeerde gedrag bestraft krijg je vanzelf een perfecte samenleving. Om dat te bewijzen leerde hij duiven pingpongen.

We weten volgens mij bijna allemaal dat dit idee van Skinner op zijn minst naïef was. De wereld en de mensen op de wereld zitten zo niet in elkaar. Een vraag die achter deze kwestie opduikt is de volgende: als de de druk maar genoeg opvoert, gaan mensen dan vanzelf beter presteren? Er zijn veel mensen die menen dat dat inderdaad het geval is. Ze weten over zichzelf te vermelden dat ze pas presteren als de deadline bijna bereikt is.

Soms lukt dat trouwens ook. Iemand die een kind uit een brandend huis weet te redden, een ander die precies op het juiste moment een goede reanimatie weet toe te passen. Zulke druk kan vleugels geven. Maar vaak gaat het anders…

Eerlijk gezegd ben ik niet zo’n drukpresteerder. Ik moet het meeste van mijn werk af hebben, de laatste 20% kunnen op het laatste moment. Maar ik denk ook dat ik niet de enige ben. Bovendien: als ik echt onder druk sta heb ik de indruk dat ik minder ga presteren. De stress kost zóveel energie dat ik onder ga presteren.

Er zijn voorbeelden te over:

* Als er iemand op mijn vingers kijkt tijdens het typen ga ik veel meer typfouten maken

* Als er mensen kijken hoe ik een motorisch ingewikkelde klus moet klaren is de kans groot dat ik het niet goed ga doen. Mijn gymleraar slaagde er zelfs in om mij van de bok te laten kletteren en mijn arm te breken. Van hem moest de sprong perfect zijn en dus ging het mis.

* Als er op een stotteraar wordt gelet gaat deze meestal veel meer stotteren

* Als er erg veel van een sollicitatie afhangt ga je tijdens het gesprek meer fouten maken.

* Berucht zijn ook de missers in de sport op cruciale momenten (schaatsen, voetballen). De ogen van de halve wereld zijn op je gericht en dat vergroot de kans dat het mis gaat.

Waarschijnlijk is het niet  zo dat je beter presteert als je meer moet presteren. Waarom dat zo is, daar heeft psycholoog dr. Erik Bijleveld (Rijksuniversiteit Utrecht) onderzoek naar gedaan.

Hij vermoedt  dat het werkgeheugen bij deze processen een grote rol speelt. Met dat werkgeheugen moet je snel tot oplossingen zien te komen. Maar onder druk wordt het werkgeheugen juist afgeleid door irrelevante gedachten (“Als ik deze baan niet krijg ben ik de komende jaren werkloos”).

Maar ook tijdens de sport doen zich wonderlijke verschijnselen voor. Zo lang je maar niet nadenkt over je bewegingen gaat er veel automatisch. Maar op het moment dat je na gaat denken gaat het mis. Om het met een voorbeeld uit de Bijbel te parafraseren: toen Petrus ging twijfelen kon hij niet meer op het water lopen, maar verdween hij onder water.

Als ik op de fiets op een gladde weg rijd, maar niet na denk (of het zelfs niet door heb) is de kans groot dat ik niet val. Op het moment dat ik na ga denken over mijn fietsbewegingen en allerlei irreële gedachten ga krijgen over botbreuken wordt de kans dat ik mijn been weer eens breek opeens aanzienlijk groter. “Bewuste aandacht verstoort de vloeiende uitvoering van goed-aangeleerde bewegingen”, aldus Erik Bijleveld.

Sociale informatieverwerking (1)

Je rent naar de bus.

Er stappen nog mensen in. Nét als jij op de bushalte komt sluiten de deuren.

Je ziet nog in de spiegel het gezicht van de chauffeur. Hoe reageer je dan?

Dat vroeg Professor B. Orobio de Castro aan het verzamelde publiek (de professor heeft wel een moeilijke naam, maar in de dagelijkse ontmoetingen heet hij gewoon Bram).

De één ziet een lachje en denkt: ‘hij lacht me vierkant in mijn gezicht uit’.

De ander denkt: ‘hij lacht me vriendelijk toe’.

De derde denkt: ‘het is een verontschuldigend lachje van ‘sorry, ik moet me aan de dienstregeling houden en er staat alweer een bus achter’.

De vierde denkt: hij kijkt stoicijns, hij had het helemaal niet door.

De vijfde kijkt niet eens. Hij is alleen maar verbaasd dat de bus wegrijdt en wacht op de volgend bus.

(Voor mensen die geen OV gebruiken: dit kan ook bij de kassa van de supermarkt gebeuren, die opeens sluit als jij in de rij staat).

Deze verschillende reacties hebben te maken met onze sociale waarneming. Voor iedereen is de sitiuatie hetzelfde. Toch interpreteren we allemaal verschillend.

Het is natuurlijk erg interessant om er achter te komen hoe dat nu komt….

Hoe je waarneemt bepaalt vervolgens ook nog eens je gedrag….

Mannen kunnen niet zoeken…

Tineke weet heel vaak dingen te liggen.
Ondertussen zoek ik me de mikmak. Ik loop tien minuten te zoeken en Tineke vindt het binnen één minuut.

Waarom weet Tineke na een verbouwing precies waar alles ligt? Waarom trek ik de komende tien jaar steevast de verkeerde laden open? Dat kan ik wel een beetje verklaren. Tineke heeft haar eigen systeem van ordenen. Dat wordt toegepast in het hele huis. Mijn manier van ordenen is anders. Dus kost het me meer moeite om de weg te vinden.

Maar ook in nieuwe situaties weet Tineke sneller de weg. Dat geldt niet voor vreemde plaatsen, maar wel voor onbekende huishoudens.

Hoe komt het dat Tineke veel sneller dan ik zoekgeraakte voorwerpen weet te vinden? Of waarom weet ze beter waar spullen liggen. Ben ik een verstrooide professor en is zij een geboren padvinder?

Volgens Psychologie Magazine (december 2013) komt dit omdat ik een man ben. Mannen zoeken anders dan vrouwen. We deden meteen maar een testje: zoek binnen één minuut op een complexe plaat vier voorwerpen op. Ik had er geen één gevonden, Tineke had er drie gevonden.

Op zichzelf is dat wel opmerkelijk, omdat mannen van mannen wordt gezegd dat ze meestal een beter ruimtelijk inzicht hebben dan vrouwen. Maar volgens het artikel in Psychologie Magazine oriënteren vrouwen zich op herkenningspunten (bij de bakker linksaf, bij de school rechtsaf). Mannen houden zich meer aan de kompasrichting (die kant uit).

Aan een kompasrichting heb je niet veel als je op zoek bent naar je bril. Dan moet je onthouden wat waar ligt.

Opmerkelijk uit een ander onderzoek is dat vrouwen systematischer zoeken. Ze maken steeds grotere cirkels om een sleutel te vinden. Mannen lopen lukraak van de ene hoek van de kamer naar de andere hoek, dan naar de zolder en dan weer naar de schuur. De meer systematische wijze van zoeken door vrouwen schijnt efficiënter te zijn.

Overigens hebben zowel Tineke als ik mijn fietssleutel nergens in huis meer kunnen vinden. Dat blijft een raadsel, of je nu willekeurig of systematisch zoekt.

Slaap (13) : slechte slapers

Prof. Eus van Someren is een Nederlands slaaponderzoeker. Dat lijkt me een heerlijke baan. Je kunt gewoon op je werk in slaap vallen en dan zeggen dat je met je onderzoek bezig bent.

Eén van de thema’s waar Van Someren zich mee bezig houdt is slaap bij ouderen. Hij vroeg zich af waarom dementerende ouderen zo vaak hun dag/nachtritme kwijt raken. Overdag zitten ze te dutten en ’s nachts zijn ze aan het spoken. Daar zijn allerlei oorzaken voor, maar de reden waar Van Someren de schijnwerper op zette was het tekort aan daglicht. Vervolgens maakte hij het mogelijk dat er meer daglicht (overdag) was. Het gevolg was dat het dag/nachtritme van deze ouderen verbeterde.

Echter: ook de stemming verbeterde. En zelfs de achteruitgang van het geheugen verminderde. Zijn advies: “Pas het omgevingslicht in zorgcentra aan. Bouw groepsruimtes met grote ramen en voldoende lampen. En stap vooral af van die gezelligheid met dichte gordijnen en schemerlampjes”. 

Van Someren wilde ook weten wat kenmerken zijn van (jongere) slechte slapers. Hij noemt drie kenmerken:

1. Slechtere slapers hebben minder goed door of ze ‘goed liggen’.  Dat heeft met de hersenen te maken. Je slaapt in in een slechte slaaphouding (maar signaleert dat niet) en je wordt daardoor eerder wakker (weinig slaapcomfort).

2. Slechtere slapers zijn langer van slag na een negatieve emotionele ervaring. Je slaat overdag een blunder en ’s nachts blijft dat in je hoofd spoken. Omgekeerd: omdat je minder slaapt heb je er ook meer last van. Want de slaap wist ook een deel van je geheugen en haalt in ieder geval wat scherpe kantjes van je herinnering weg.

3. Slechtere slapers zijn meer gevoelig voor alcohol, cafeïne of theïne. Terwijl goede slapers ‘s avonds best een aantal glazen tot zich kunnen nemen werkt dat bij slechte slapers juist omgekeerd: ze slapen minder door het gebruik van alcohol. En er zijn mensen die vijf uur voor het slapen gaan geen druppel koffie of thee meer moeten nemen. Want dan kunnen ze het slapen wel vergeten…