Weglopen: @ Helen, @ Anita

@ Helen: ik ken je zoon natuurlijk niet…
Je verhaal ken ik wel. Het komt steeds vaker voor. Logeerhuizen waar men om financiële redenen ieder gaatje vult, zodat het een komen en gaan is van kinderen. Dat is een zware klus voor de kinderen zelf, maar ook voor de begeleiders. Het is een voortdurend elkaar leren kennen en ook ieder moment moet er een nieuw evenwicht tussen elkaar gevonden worden. Dat leidt regelmatig tot onzekere begeleiders en tot onrustige kinderen.

Je zou dus kunnen vermoeden dat je zoon – die vermoedelijk gevoelig is voor onrust en behoefte heeft aan een stabiele, voorspelbare omgeving – al deze veranderingen niet aan heeft gekund en daarom is weggelopen. Het zou dan ‘3’ zijn (maar dan in plaats van het gezin: het logeerhuis) of (vergelijkbaar) de 9e vorm van weglopen.

@ Anita: de eerste drie jaren zijn cruciaal voor de hechting. Voor de latere jaren bestaan er wel zgn. inhaalstrategieën. Maar dat zijn altijd hulpmiddelen. Bij Kees ging het goed zo lang de vertrouwde begeleiders werkten. Maar bij veranderingen in het team kreeg hij altijd weer een sterke terugslag, waar zelfs af en toe de politie aan te pas moest komen. Bij veilig gehechte kinderen zou het gedrag veel stabieler zijn geweest.

Lupine, dementie en ouderdomsvergeetachtigheid…

Vandaag hadden we beiden drie uur nodig om op de naam te komen van een paar nieuwe bloemen in de tuin. Die naam lag bij wijze van spreken op het puntje van onze tong. Maar we hadden allebei een opdiepprobleem.

We konden maar niet op de naam komen. Uiteindelijk wist ik het: lupine. Maar vanavond wist ik het alwéér niet. Gelukkig wist Tineke het nu nog wel. Anders blijven we aan de gang.

Moeten we ons daar als zestig-plussers zorgen over gaan maken? Nee, dat hoeft niet. We hebben het allebei op dit moment erg druk en dat betekent dat het hoofd vol zit. Daardoor ontstaat dan een opdiepprobleem. Hoe ouder je wordt, des te eerder wordt het punt bereikt dat het hoofd vol zit. Je moet dan bij wijze van spreken eigenlijk eerst weer iets vergeten voordat er weer iets nieuws bij kan…

Dementie

Wanneer is er sprake van dementie? Dat is o.a. het geval als je bepaalde grotere gebeurtenissen helemaal kwijt bent. Je weet bijvoorbeeld helemaal niet meer dat je vorige week een dag naar je dochter bent geweest. Het gaat dus niet om de (detail)vraag wie er op bezoek is geweest of om wat iemand heeft gegeten, maar om duidelijk gemarkeerde grote gebeurtenissen. 

Het gevolg van dementering is dat het hele leven ontregeld raakt. Dementering is namelijk ook een denkstoornis. Je trekt onjuiste conclusies (de postbode liep vannacht over het dak) en je bent helemaal kwijt hoe je alledaagse handelingen -zoals aankleden – moet doen (apraxie).

Maar het meest ingrijpende bij dementering is uiteindelijk de onmogelijkheid om nieuwe informatie op te slaan. Je hebt alleen nog maar een verleden omdat alles wat je nu hoort of ziet niet meer vast wordt gehouden.

Ouderdomsvergeetachtigheid

Dat alles is heel wat anders dan ouderdomsvergeetachtigheid. Dat hoort gewoon bij de leeftijd. Hoe ouder je wordt,  hoe minder het werkgeheugen wordt. Het dagelijks leven wordt er niet door verstoord, het gaat allemaal wel langzamer. Je bent vaker dingen kwijt, kunt moeilijker op woorden en op namen komen en het leren van complexe handelingen wordt lastiger.

Bij ouderdomsvergeetachtigheid vergeet je niet de hele gebeurtenis, maar wel meer details. Je weet dat je naar je dochter bent geweest, maar je weet niet meer dat je dochter jou een nieuw boek heeft laten zien. Maar nog opvallender is dat je vaak wel weet dát er iets was, maar je weet niet wát dat was. Daar kun je dus niet meer opkomen. Je hebt een opdiepprobleem.

Karakteristiek en concentratie

Er zijn nog twee thema’s ook van belang. De eerste is wat karakteristiek voor iemand was. Als iemand altijd al alles kwijt raakte heeft dat dus niet met achteruitgang te maken: het hoort gewoon bij de persoon.

Het tweede is de problemen met de concentratie. Iemand die moeite heeft met concentratie zal ook eerder dingen vergeten. Maar dat heb je dan eerder vaak ook al geconstateerd. Zo hoorde ik onlangs van iemand dat hij dement zou zijn, maar hij had al zijn hele leven last van concentratieproblemen als gevolg van een beeld dat op ADD leek. Doordat hij ouder werd vergat hij nu nóg meer. Maar dat was eerder een gevolg van de gebrekkige concentratie.

Wat onze lupines betreft: we wisten de naam bijna, we wisten zéker dat ze net in de grond stonden, we hadden alleen een opdiepprobleem. Dat heeft vooral met de leeftijd – al dan niet in combinatie met de drukte – te maken.

Nivea!

Misschien wel één van de meest ingewikkelde dingen in het relatie-verkeer is dat we zo gemakkelijk voor de ander bedenken wat hij of zij nodig heeft. Of dat we weten wat de ander wil.

Je denkt dat de ander een bepaald TV-programma wil kijken. Je denkt dat de ander graag aspergesoep wil. Je denkt dat de ander het te druk heeft, dus doe jij het maar alvast.

Allemaal natuurlijk goed bedoeld. Maar veel mensen hebben toch de neiging om het wel érg vaak voor de ander in te vullen.

Laatst hoorde ik de term: Nivea! Niet Invullen Voor Een Ander! En die werkt aardig. Je hoort iemand zeggen dat ‘we’ van plan zijn om op de fiets te gaan. Of dat we op tijd willen vertrekken. Jouw reactie: “Nivea!”

Als de term eenmaal is ingeburgerd hoef je meer niet te zeggen. De ander reageert met “Oh ja, sorry, wat wil jij eigenlijk?”

Schijnwerkers

Je man verlaat om half acht het huis.

Tas mee. Broodtrommeltje mee.

Om zes uur is hij weer thuis. Het broodtrommeltje is leeg. En s’avonds zit hij nog even boven. Nog wat klusjes voor zijn werk doen.

Je hoort hem nooit over zijn collega’s. Hij vertelt geen anekdotes. Hij zegt dat hij het thuis niet over zijn werk wil hebben vanwege zijn vervelende baas.

Pas na jaren kom je er achter dat hij helemaal niet naar zijn werk is geweest. Hij heeft geen baan. Maar hij durft het niet te zeggen. Hij houdt de schone schijn op.

In een nummer van uit 2007 van  HP/De Tijd werden deze mannen schijnwerkers genoemd. Schijnwerken komt namelijk bijna alleen bij mannen voor. Vrouwen hebben weer andere fantasieën (zoals het Syndroom van Munchhausen bij proxy: je kind ziek verklaren om daardoor aandacht te krijgen, dat komt alleen bij vrouwen voor).

Er wordt in HP/DeTijd zelfs een man beschreven met een luxe lease-auto. Af en toe moet hij vanwege zijn werk naar de USA. Totdat zijn vrouw er achter komt dat het door hem genoemde vluchtnummer niet eens bestaat.

Schijnwerken komt veel vaker voor dan we denken.

Nu nog afwachten of  Tineke gaat onderzoeken wat ik gisteren heb uitgespookt.

Ik nam de trein naar Hoorn, maar ben helemaal niet op mijn werk aangekomen…

Visualiseren

Jongens zijn meer visueel ingesteld dan meisjes.

Meisjes volgen hun moeder meer met het horen. Jongens meer met het zien. Maar dat is natuurlijk een gemiddelde. Je hebt ook meer auditief ingestelde jongens en meer visueel ingestelde meisjes.

Veel mensen met autisme ‘doen’ het goed op het zien. Ze hebben grote moeite met het horen. Deels omdat ze auditief overgevoelig zijn. Voor een ander deel omdat ze de betekenis van de woorden niet snel genoeg kunnen oppakken. En het is vaak al helemáál moeilijk als er verschillende geluiden door elkaar heen zijn (meerdere gesprekken in één ruimte, muziek bij de buren). Wat dan vaak helpt is: laten zien, visualiseren.

Ja ja, ik weet het wel. Nu komt er een vraag uit de cursusgroep: ‘Dus mannen zijn meer autistisch dan vrouwen’. “Autism is a part of the male brain” (Simon Baron Cohen). Op dat ‘gevoelige’ thema ga ik nu even niet in….

Hoeveel punten houd je van mij?

Volgens mij was het Oek de Jong die in Opwaaiende Zomerjurken de relatie van de hoofdpersoon beschrijft met een vriendin. Hoe vaak ze ook zegt: ‘ik hou heel veel van jou’, het is niet genoeg. De hoofdrolspeler wil concreter weten waar hij aan toe is. Dus maakt hij een 100-puntsschaal. Daar kan zijn vriendin iedere ochtend op noteren hoeveel punten ze van hem houdt. Een soort waterstanden, maar dan in een relatie. Ze vult 65 punten in, dan is het weer duidelijk.

Jessica Park

Oliver Sacks volgt in een TV-documentaire een Amerikaanse vrouw met autisme: Jessica Park (haar moeder schreef het boek ‘Het beleg’). Jessie kan maar niet vasthouden wat ze lekker vindt, wat de smaak van iets is, en hoe goed of slecht de dagen zijn. Ze kan (dan nog) niet spreken. Maar ze gaat tekenen. Een zon met 24 stralen is een prima dag, een zon met 12 stralen is een middelmatige dag. De smaak van een bepaald soort pudding in combinatie met hoe lekker het is wordt de kleur rose met 16 stralen. Bloemkool is geel met 6 stralen.

Goede en slechte dagen visualiseren

Dit visualiseren is een manier van werken die vaker wordt toegepast. Soms bedenken mensen voor zichzelf een systeem. Maar een therapeut kan het ook adviseren. ‘Geef eens een cijfer voor de dagen die je meemaakt. Bewaar die cijfers en kijk ze aan het eind van de maand nog eens door. Maak eens een bak met goede dagen en met slechte dagen. Heb je een goede dag, dan doe je daar een schepje zand in. Heb je een slechte dag, dan doe je in de andere bak een schepje zand’ (bij zand kun je nog aanvullen met meer of minder, al naar gelang van de kwaliteit van de dag).

Ook bij de opvoeding kun je trouwens goed gebruik maken van visualiseren. “Hij doet nooit wat ik zeg”. “Zij eet nooit haar eten op”. Ga dat maar eens in beelden vastleggen. Klopt het wel wat je zegt? Het helpt je om te ordenen.

We zouden vaker deze concrete, zichtbare beelden moeten gebruiken. Praatjes alléén vullen geen gaatjes. Zeker voor mensen voor wie emoties moeilijk te hanteren zijn en die daardoor van de weg kunnen raken. Het zichtbaar vastleggen is dan een manier om die emoties te kanaliseren. Het is een houvast bij de emotionele hectiek van alle dag.

Fantaseren (2)

Er zijn ook mensen die altijd ‘op de eerste rang zitten’.

Als er een ongeluk gebeurd is hebben zij het toevallig zien gebeuren. Als iemand ernstig ziek is geworden zagen zij al een paar maanden geleden dat die persoon ‘iets onder de leden had’. Ik ken iemand die al een paar keer een vliegtuig-ongeluk aan had zien komen. Jammer dat hij het niet van tevoren heeft gezegd, misschien had dat veel verdriet gescheeld…

Deze mensen ontmoeten vaak ook allerlei belangrijke mensen. Dat ontmoeten is dan hooguit het langs de lijn hebben gestaan als de koninklijke stoet langs kwam. Maar voor hen zijn ze bij Koningin Beatrix persoonlijk op de thee uitgenodigd.

Ook bij mensen met hechtingsstoornissen zien we vaak veel fantasie (strikt genomen kun je ook theatraal gedrag en narcisme vanuit hechting verklaren). Ze lijken vaak niet geland te zijn, alsof ze steeds wat buiten de werkelijkheid functioneren. Deze mensen hebben hun fantasie nodig om de leegheid van binnen te bestrijden. Zo ken ik iemand die ieder weekend niet thuis is. Hij is dan volgens eigen zeggen naar zijn vriendin. Inmiddels weten we dat hij dan onderdak heeft bij de daklozenopvang. Op zondagavond komt hij weer terug in zijn eigen huis.

Soms heeft de fantasie te maken met het spanning zoeken. Tot hoe ver kan ik gaan? Medewerkers zeggen soms dat ze een dagtaak hebben aan het uitzoeken van wat er waar of niet waar is bij een cliënt.

Tenslotte zijn er een reeks fantasieën die te maken hebben met ernstige stress. Zo zijn er vrouwen die zeker weten dat ze zwanger zijn (geweest) en daar zelf in zijn gaan geloven. Ik heb wel eens geschreven over iemand die zelfs allerlei afspraken in het ziekenhuis had gemaakt. Achteraf bleek ze helemaal niet in verwachting te zijn…

Er vallen nog veel meer voorbeelden te bedenken. Maar als ik teveel schrijf gaan de lezers misschien fantaseren. Om het allemaal toch een beetje draaglijk te houden stop ik er nu mee anders vertrouw je misschien je eigen waarneming ook niet meer…

Fantasie is nodig, is nuttig, maar soms wordt diezelfde fantasie ook een valkuil…

Fantaseren (1)

Fantasie hoort bij kinderen, maar ook bij volwassenen.

We dagdromen allemaal. En ook voor volwassenen is het een manier om het leven hanteerbaar te houden.

Wát we fantaseren is per persoon verschillend. In trainingen moest ik (om me te kunnen ontspannen) nogal eens (verplicht) fantaseren over witte stranden met palmbomen. Maar als ik í­ets erg vind, dan zijn dat witte stranden met palmbomen. Die docent sloot dus bepaald niet aan op mijn belevingswereld. Die van mij zit meer in de richting van eeuwige fietspaden langs orgelconcerten.

Van volwassenen mag je wél verwachten dat ze fantasie en realiteit in redelijke mate kunnen scheiden. Hoewel ook daar het onderscheid gradueel is. Als iemand zichzelf een groot dichter noemt omdat hij niet onverdienstelijk Sinterklaasgedichten schrijft is dat wel een beetje vreemd, maar nog niet echt abnormaal. Je hoeft er in ieder geval niet voor in behandeling.

Er zijn allerlei psychiatrische stoornissen waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Berucht zijn de wanen en hallucinaties van psychotische mensen (een beetje te vergelijken met het ijlen vanwege hoge koorts). Maar ik beperk me verder tot fantasie bij mensen bij wie de waarneming niet echt verstoord wordt.

Er zijn echter ook (andere) volwassenen voor wie de fantasie een werkelijkheid is geworden. Dat zie je bijvoorbeeld bij de theatrale persoonlijkheid. Je zou deze mensen verslaafd kunnen noemen aan het fantaseren. Ze zijn daar zó ver in gekomen dat ze vaak zelf overtuigd zijn van hun eigen beweringen.

In de politiek werd Tara Singh Varma bekend. Ze verscheen zelfs in een rolstoel in de Tweede Kamer en nam officieel afscheid omdat ze kanker in een ver gevorderd stadium zou hebben. Dat bleek allemaal niet waar. Achteraf bleek dat er al veel eerder allerlei kwesties waren geweest die vragen opriepen. Was ze een daarmee een leugenaar? Nee, ze wist zelf niet meer dat ze niet de waarheid sprak. Ze was in haar eigen fantasie gaan geloven.

Andere mensen weten nog wel het verschil tussen realiteit en fantasie, maar ze gaan zó ver in hun fantasie dat het wel echt lijkt. En dan toch: op den duur geloven ook zij echt in hun fantasie. Een voorbeeld iemand die als arts jarenlang patiënten behandelde zonder ooit een studie medicijnen te hebben gevolgd. Zelfs het feit dat hij geen diploma’s kon overhandigen en dat zijn diploma ook nergens was geregistreerd overtuigde hem niet. Hij was dus uiteindelijk in zijn eigen fantasie gaan geloven.

Ook narcistische mensen hebben de neiging om hun leven draaglijk te maken door zichzelf veel beter en ‘meer’ voor te doen dan ze zijn. Ze gebruiken andere mensen om hun doel te bereiken. Deze mensen zijn verslaafd aan waardering. In wezen zijn narcistische mensen zó kwetsbaar dat die waardering voortdurend nodig hebben om hun eigen zwakke ego op te vijzelen. Dat wat de omgeving ziet als een groot ego blijkt dus in de praktijk juist een kwetsbaar klein ego te zijn.

Bij narcistische mensen zie je vaak dat ze neerzien op anderen, bijvoorbeeld op mensen die volgens hen minder intelligent zijn of die uit een lagere sociale klasse afkomstig zijn. Een dure sportauto en een mooi huis zijn ingrediënten die het verkrijgen van status gemakkelijker maken. Maar narcistische mensen blijven er even eenzaam door.

(wordt vervolgd)

Borderline en kinderen (2)

Moeders met borderline-persoonlijkheidsproblematiek kunnen vooral voor baby’s goede moeders zijn.

Tenminste: als er geen bijkomende problematiek is, zoals een verslaving (zoals alcohol, nicotine, drugs), of veel onvoorspelbaar en heftig gedrag.

Ook de tweede fase van de emotionele ontwikkeling van kinderen gaat vaak nog goed. De eenkennige baby, die sterk gericht is op zijn moeder, streelt het ego van menige moeder.

Om zich veilig te kunnen hechten hebben met name jonge peuters een voorspelbare moeder nodig. Eén van de kenmerken van borderline-persoonlijkheidsstoornis is nu juist het zeer wisselende en heftige gedrag. Er wordt wel gezegd: “het enige voorspelbare aan iemand met borderline is het onvoorspelbare”. Dat is een zeer duidelijke contra-indicatie voor een veilige hechting.

Maar er kan zich nog een ander probleem voordoen. Dat zit in de interactie en in de ontwikkelingsdynamiek. Als het kind groter groeit en een eigen ‘ik’ ontwikkelt (en dus nee zegt en verder bij mamma vandaan gaat) kan de angst voor verlating weer op gaan spelen. Want die peuter die bij jou wegloopt confronteert jou als moeder met je eigen angst. Zelfs door mijn eigen kind kan ik verlaten worden! De peuter die liever bij pappa op schoot zit of graag bij de buren speelt… Daar kan zo’n moeder zeer heftig op reageren. Het verklaart ook waarom moeders met borderline bij een (v)echtscheiding soms alles in het werk stellen om het kind bij de vader vandaan te houden.

Het hoort bij de gezonde ontwikkeling van kinderen dat ze zich gaan verzetten tegen de opvoeder. Moeders met een borderline-stoornis kunnen dat gedrag als een krenking ervaren. Sociaal-emotioneel functioneert iemand met ernstige borderline-problematiek namelijk met name bij grote stress zoals een kind. Je hebt dan dus (in emotioneel opzicht) een kind dat een kind op moet voeden. Dat kan leiden vormen van kleineren, mishandelen of passief maken van het kind. Niet zelden gebeurt dat onder het mom van goede zorg.

Er zijn heel wat voorbeelden bekend van kinderen die op basis van medische argumenten allerlei pedagogische teisteringen moesten ondergaan.

Er lijkt dan ook een verband te bestaan tussen het Syndroom van Münchhausen by proxy en (ernstige) borderline problematiek. Deze moeders gaan net zo lang door totdat ze een dokter vinden die gevoelig is voor hún verhaal. Ik heb zelfs meegemaakt dat er door een moeder in de medische gegevens van de specialist was ‘geknoeid’, zodat voor de omgeving duidelijk was dat het kind extra zorg nodig had.

De combinatie van de behoefte om de ander onder controle te houden én de angst voor verlating maakt dat met name de peutertijd een riskante periode is voor kinderen van ouders met borderline-stoornissen. Wat gebeurt er als jij als moeder extra lekker hebt gekookt en als je peuter toch dat eten weigert op te eten? Als je dat gedrag als krenking ervaart is de kans aanzienlijk dat je vérgaande maatregelen treft. Dan kan er gebeuren wat Savanah is overkomen: het ging allemaal van kwaad tot erger. Hoe meer straf, des te dwarser de peuter. Hoe dwarser de peuter, des te meer straf van de kant van de opvoeder.

Ik moet aan dit blog toevoegen: er zijn vele gradaties in borderline-problematiek. Er zijn mensen met lichte trekken van borderline en er zijn mensen met een ernstige borderline persoonlijkheidsstoornis. Als die ernstige stoornissen niet worden behandeld, waardoor een ouder geen zelfinzicht ontwikkelt (niet leert om te mentaliseren) vormt de opvoeding van kleine kinderen naar mijn mening een aanzienlijk risico.

Daarnaast zijn er steeds betere behandelmogelijkheden voor mensen met een borderline-persoonlijkheidsstoornis. Als mensen ‘met borderline’ zich laten behandelen (dat is een langdurig en zeer intensief proces) biedt dat perspectieven voor de toekomst omdat de problematiek milder wordt. Wél is het zo dat je tijdens het opgroeien van de kinderen als opvoeder altijd weer tegen je eigen kwetsbaarheden oploopt.

Tegenwoordig is er veel discussie over verstandelijke beperking en kinderwens. Dat is terecht. Dat was de aanleiding voor dit blog. Maar ik vind het niet terecht als alleen van ouders met een verstandelijke beperking wordt gezegd dat de opvoeding van kinderen met grote risico’s gepaald gaat. In de loop van een lange reeks van jaren heb ik helaas ook moeten constateren dat ook ouders met (onbehandelde) psychiatrische problematiek (en daarbij de vaker voorkomende verslavingen) een groot gevaar voor de geestelijke gezondheid van kinderen kunnen zijn.

Borderline en kinderen (1)

Het lijkt totaal anders.

Het lijkt wel of mensen met een borderline-stoornis steeds weer bezig zijn om de ander af te wijzen.

Maar die geharnaste en afstotende houding moet de innerlijke onzekerheid camoufleren.

Mijn overtuiging is steeds meer geworden dat mensen met een klassieke borderline persoonlijkheidsstoornis vooral bezig zijn met één vraag: ‘Wat vindt de ander van mij?”

Op het moment dat ze alleen al vermoeden dat de ander wel eens kritisch zou kunnen zijn zetten ze hun stekels op. En dan gaat het vaak niet zozeer om wát er gezegd wordt, maar om hoe het gezegd en geinterpreteerd wordt.

Je ziet aan dit gegeven dat je -om gezond met de ander om te kunnen gaan – eerst jezelf geaccepteerd moet voelen. “Hebt uw naaste lief als uzelf”. Als je jezelf niet geaccepteerd voelt, hoe kun je dan de ander onvoorwaardelijk accepteren?

Eén van de mechanismen die mensen met borderlinestoornissen ‘hanteren’ is de controle over de ander. Dat zie je vaak aan al het begin van een relatie. Partners geven dan later aan dat het hen allemaal véél te snel ging, alsof ze gevangen werden genomen. 

Eén van de grootste angsten voor mensen met borderline-problematiek is de verlatingsangst. Het centrale thema is de behoefte aan autonomie in combinatie met de angst voor verlating. Dat betekent dat de borderline-problematiek in ontwikkelingsdynamisch opzicht zijn kern vindt in de leeftijd tussen 1½ jaar en 3 jaar. In sociaal-emotioneel opzicht worstelen mensen met borderline-problematiek met dezelfde problemen als de peuter. Ik wil alles zelf bepalen, maar ik ben altijd bang dat ik verlaten word. Hun thema is: “Kom eens wat dichter bij mij uit de buurt…”

Bij vrouwen met borderline-problemen zie je vaak al heel snel een kinderwens. Niet zelden worden er dan ook al heel snel kinderen geboren. Je vraagt je vervolgens af: gaat dat dan wel goed?

Welk type werknemer ben jij?

Onlangs was ik op een bijeenkomst waar allerlei moeilijke dingen besproken werden. Ik heb in ieder geval weer heel wat nieuwe woorden gehoord.

Maar er was ook een vreemde eend in de bijt. Om je hersenen te activeren heb je namelijk soms een heel andere prikkeling nodig. Dus was er een Amerikaanse trainer ingevlogen die in sneltreinvaart onze werkhouding kwam analyseren. Ze had ook een boek geschreven: ‘Healing with compliments’. Naar goed Amerikaans gebruik maakte ze daar ook stevig reclame voor.

We moesten een vragenlijst invullen. Achteraf kwam daar een profiel uit. Er zijn vier soorten werknemers:

a) De QBT’er. Dat betekent: Quit By Tea. Deze mensen zien bijeenkomsten en vergaderingen als momenten die je zo snel mogelijk weer moet verlaten. Je herkent ze aan de jassen die ze meenemen de zaal in. Zodra er een theepauze is sluipen ze weg. Daarom wordt tegenwoordig op congressen de syllabus pas na het laatste programma-onderdeel uitgedeeld.

b) De LAS’ser. Dat betekent: Look and See. Die mensen zitten liefst achterin. Ze stellen zich verdekt op. Ze verwachten weinig van het programma en al helemaal niet van hun collega’s. Bij interactieve opdrachten duiken ze weg onder de bank.

c) De BTW’er. Zij gaan uit van het principe Better Than Work. Een congres is een dagje uit. Niet op vrijdag, liefst op woensdag, dat breekt de week. Als ze hun werk verzuimen komt dat omdat het werk niet genoeg lijkt op de vrije tijd.

d) De ETL’er. Dit zijn de medewerkers die in hun kerstpakket geen potje ragout willen, maar een studieboek. Ze houden van korte pauzes en praten dan bij voorkeur over hun werk. De afkorting betekent Eager To Learn. Deze mensen stellen veel vragen en maken voortdurend aantekeningen. Ze zijn blij als ze op hun werk zijn. Mogelijk hebben ze een vervelend privé-leven.

Welk type werknemer ben jij?