Achterdocht bij ouderen

Nu ik 70 ben geworden gaan de blogs over ouderen eigenlijk over mijzelf. Als ik achterdochtig ben (geworden): hoe valt dat dan te verklaren?

Achterdocht komt bij ouderen vrij regelmatig voor. Dat is wel logisch als je je inleeft in de positie van ouderen. Stel je voor dat je bijvoorbeeld steeds dingen kwijt bent, dan ga je gemakkelijk denken dat de ‘schoonmaakster’ iets verplaatst heeft. Je zoekt dus een verklaring omdat het toch wel erg confronterend is als je moet ontdekken dat je zelf van alles zoek hebt gemaakt.

Wat zijn nog meer redenen waarom ouderen achterdochtig kunnen zijn?
1. Het levensverhaal. Als je veel heftige ervaringen hebt meegemaakt (zoals nu nog bij de hoogbejaarde ouderen de oorlog) kan jou dat meer achterdochtig maken.
2. Het gevolg van achteruitgang (zie boven): je wilt de confrontatie niet aan dat je zelf het overzicht kwijt bent geraakt.
3. Eenzaamheid en isolement versterken de kans op achterdocht: er zijn onvoldoende gezonde relaties meer die het denken kunnen corrigeren.
4. Slecht functionerende zintuigen. Als je slecht ziet of hoort ga je invullen. Je ziet iemand praten maar hoort hem niet en je denkt dat die persoon het over jou heeft. Je kunt nergens meer je bril vinden: die is door iemand meegenomen.
5. Beperkte mobiliteit. Afhankelijkheid van anderen versterkt de kans op achterdocht.
6. Waarnemingsfouten. Deze kunnen gemakkelijk optreden als je het tempo van anderen niet kunt volgen (bijvoorbeeld als iemand snel handelt en jij hebt geen idee meer wat die persoon aan het doen is).
7. Gebrek aan overzicht. Als je je wereld niet meer kunt overzien ga je eigen verklaringen zoeken. Dit heeft met de zogenaamde executieve functies te maken. Die gaan bij het ouder worden achteruit.

8. Invloed van de media. Als je steeds hoort dat je op je hoede moet zijn voor anderen – en met name voor oplichters en overvallers – kan dat gemakkelijk de achterdocht versterken.
9. Dementie: één van de bijkomende gevolgen van dementie kan achterdocht zijn.

Grotendeels ontleend aan: Maritza Allewijn en Bere Miessen, Basisboek zorg om ouderen, Bohn, Stafleu, van Loghem, 2010).

Treinreis zonder mondkapje

Ik mag weer op bezoek in het verpleeghuis. Wel vind er eerst een screening plaats. Of ik me wel goed voel enzo. 

Veel afdelingen psycho-geriatrie kenmerken zich door gesloten deuren. Je kunt er wel in, maar niet meer uit. En als je eenmaal binnen was kun je de deur naar buiten niet meer vinden. Die is bijvoorbeeld gecamoufleerd als boekenkast.

Ik ken verpleeghuizen met nagebootste bushaltes. Daar kun je eindeloos wachten, want de bus komt niet.

Er zijn ook verpleeghuizen waar je op een hometrainer door je woonplaats kunt fietsen. Naarmate je sneller fietst gaan de beelden ook sneller bewegen. Probleem is wel dat het recente opnames zijn. Als je als gevolg van het oprollend geheugen bij Alzheimer weer in de jaren ’50 bent beland klopt er niets meer van en fiets je door een onherkenbare futuristische omgeving.

In dit verpleeghuis was een treincoupé nagebootst. Al zittend op de rode banken (eerste klasse) zag je een zomers landschap aan jou voorbij trekken. Je hoefde niet in te checken, want de meeste oudere bewoners hadden niet de OV-chipkaart (bewust) meegemaakt. Een mondkapje was ook niet verplicht.

Mocht ik ooit vanwege verregaande ‘teloorgang’ (zoals het wel eens wordt genoemd) op een gesloten afdeling terecht komen, dan zou dit mogelijk nog een afleiding voor mij kunnen zijn. Of anders beelden, gemaakt door een fietscamera, van Den Helder, Alkmaar of misschien ook nog van Delft. 

Woon ik op de begane grond, dan loopt de begeleiding de kans dat ik weer een honderdjarige ben die uit het raam klimt en verdwijnt...

De ontwikkeling van het zelfbeeld (10)

Tenslotte is er nog het existentiële zelfbeeld (9 en 10). Dit zelfbeeld raakt je hele bestaan: wat je doet klopt met wie je bent en hoe je over jezelf denkt is in overeenstemming met je levensplan. 

Er zijn twee vormen van existentieel zelfbeeld: het persoonlijke zelfbeeld en het algemene zelfbeeld. Maar dat wordt te ingewikkeld. Ik kan het althans zelf nauwelijks uitleggen. Dus heb ik het maar over het existentiële zelfbeeld.

Dit zelfbeeld raakt aan wat Erik Erikson ‘generativiteit’ en ‘rijpheid’ noemt bij oudere mensen. Dat heeft alles met zingeving te maken. Zie je, ook als je fysiek achteruit gaat, nog ‘zin’ in het leven. Ben ik het waard geweest om geleefd te hebben? Heb ik voldoende zin ontdekt in mijn leven om dat aan een volgende generatie door te geven?

Prof. R.E. Abraham noemt in dat verband het decentreren: het vrijwillig terugtreden uit allerlei verbanden. Daar hoort ook een levenshouding bij: je verwacht niet perse meer allerlei dankbaarheid van anderen omdat je goed gehandeld hebt: je doet gewoon zo omdat ze zo bent en omdat dat past in de manier waarop je in het leven staat. Vraagstukken uit je leven heb je een plek kunnen geven.

Het voorgaande heeft alles met zingeving te maken. Deze fase kan voor mensen nauw verweven zijn met hun geloof, met de levensovertuiging. Daar heeft psychiater Prof. H.C. Rümke al in 1939 een boek over geschreven dat tientallen herdrukken beleefde. Je bent er niet toevallig. Er is meer tussen hemel en aarde. Je maakt als mens deel uit van een veel grotere werkelijkheid.

Relatie tot anderen: je bent jezelf in relatie tot anderen en de manier waarop je naar anderen kijkt past bij je levensvisie of je levensovertuiging. Hoe je bent, hoe je je voelt, klopt met wie je bent. Dat laatste wordt ook wel ego-syntoon genoemd.

Literatuur:

  • R.E. Abraham: Het ontwikkelingsprofiel (Van Gorcum, 2005)
  • Lies Claes, Anne Verduijn e.a. Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking (Garant, 2013)
  • Prof. Dr. H.C. Rümke: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof (1e druk 1938)

Ouderen en medische zorg (2)

Mijn buurvrouw in het ziekenhuis was thuis zelfstandig, maar hier begreep ze zelfs eenvoudige instructies niet. Ze leek helemaal gedesoriënteerd. "Als u iemand nodig hebt drukt u op de knop..." Ze had werkelijk geen idee...

De werking van de knop was aan mijn buurvrouw in het ziekenhuis wel degelijk uitgelegd. Maar daar waar jongere mensen meestal direct door hebben waar die knop voor is bedoeld (en ook meestal assertief genoeg zijn om hem te gebruiken) lag dat bij deze mevrouw kennelijk toch anders. Bij ouderen heb je – wat ik noem – de Croma-aanpak nodig. “Je moet er even bijblijven voor het beste resultaat”.

Een ander probleem is dat met name bij kwetsbare mensen het communicatie-niveau bij stress daalt. Je begrijpt veel minder omdat alle energie in het overleven gaat zitten.

Doe-modus

Begeleiders en behandelaars zitten meestal in de doe-modus: er moet iets gebeuren. Maar als je in die doe-modus zit raak je vaak het contact met ouderen kwijt. Eén van de problemen in de zorg is dat er vooral contact is in verband met handelingen die verricht moeten worden. Er moet een kies worden getrokken, er moet een bed worden verschoond, en moet gewassen worden, er moet een sonde worden aangebracht. Er moet dus een handeling worden verricht. Natuurlijk moet dat allemaal gebeuren, maar als er geen ruimte meer is voor het even contact kunnen maken voelen veel ouderen zich een buitenstaander, iemand die alleen maar tot last is.

Eerst contact, pas daarna behandelen

Bij de tandarts

Tijdens het observeren van behandelingen van ouderen bij de tandarts valt mij steeds weer op hoe belangrijk het (tijd nemen voor) contact is. Eigenlijk kun je pas goed behandelen als je eerst contact hebt gemaakt. Sla je die fase in de behandeling over, dan overkomt de behandeling de patiënt. Het gevolg is meer desoriëntatie, vaak ook meer angst voor de tandarts en regelmatig ook verzet.

Het bijzondere is dat eerst contact maken vaak helemaal niet zo vertragend werkt, uiteindelijk verloopt de behandeling soepeler. Bovendien blijkt ook nog eens dat de behandelaar dan vaak veel meer plezier ervaart in zijn werk. Het gaat immers om mensen en niet om gebitten.

Van der Meide: “Je kunt in een ziekenhuis veel winnen met het creëren van een thuisgevoel, verbondenheid (John McGee: companionship) en vertrouwdheid. Dat vraagt vooral om goede communicatie en de tijd nemen om toe te lichten waarom dingen in het ziekenhuis gaan zoals ze gaan.”

Naar aanleiding van: J.W. van der Meide: Why frailty needs vulnerability. A care ethical study into the lived experiences of older hospital patients, dissertatie Tilburg University, 6 mei 2015

Ouderen en medische zorg (1)

In 2015 promoveerde Hanneke van der Meide (antropologe en ethica) op een onderzoek naar ervaringen van ouderen in het ziekenhuis. Waarom komen ouderen vaak slechter uit het ziekenhuis dan ze ‘er in gingen’?

Hospitalisatie

Het onderzoek van Van der Meide deed mij denken aan een onderzoek dat dr. Spitz in 1905 (!) deed naar de hoge sterftecijfers van kinderen in het stadsziekenhuis van Düsseldorf. Spitz concludeerde dat het lang niet alleen medische factoren waren die deze hoge sterftecijfers konden verklaren. Hij vermoedde dat kinderen veel kwetsbaarder waren door het missen van de belangrijkste opvoeders. Dat verschijnsel noemde hij destijds ‘hospitalisatie’. De link naar het onderzoek van Van der Meide zou kunnen zijn: is er bij ouderen in het ziekenhuis ook sprake van hospitalisatie? Zijn het niet alleen de medische aspecten die hen kwetsbaar maken, maar vooral (bijvoorbeeld) het missen van de vertrouwde omgeving of het missen van persoonlijk contact?

Kwetsbaarheid

Een ziekenhuisopname is een ingrijpende en gevaarlijke gebeurtenis is voor veel ouderen, zowel in functioneel als in psychosociaal opzicht. Aldus de promovenda. Ze heeft hun ervaringen onderzocht door mee te lopen met patiënten van 70 jaar of ouder van opname tot ontslag (variërend van 2 tot 22 dagen). Voor ‘insiders’: het betreft een zogenaamde fenomenologische ‘shadowing study’.

Daarnaast heeft Hanneke van der Meide onderzocht hoe het ziekenhuis ‘kijkt’ naar ouderen. Ziekenhuizen zijn gericht op medische kwetsbaarheid (frailty). Haar studie beschrijft de zorg voor ouderen in een breder perspectief van kwetsbaarheid. Hoe voel je je als oudere en hoe voel je je als oudere in de vaak nog meer bedreigende context van een ziekenhuis?

Twee maal ziekenhuis

Toen ik enkele jaren geleden in het ziekenhuis belandde kwam ik naast een mevrouw van 85 jaar te liggen. Ze was eerder die dag ontslagen uit het ziekenhuis, waar ze was opgenomen vanwege longproblemen. De taxi had haar thuis afgeleverd. Ze zou net een kopje koffie gaan zetten in de keuken. Helaas kwam ze ten val en brak haar heup. Ze vertelde dat ze normaal wel dacht aan het opstapje, maar dat ze nog van slag was van het ziekenhuisverblijf. Daardoor lette ze even niet goed op. Ze had al haar ziekenhuisspullen nog in haar tas zitten. “Dat was een geluk bij een ongeluk” vertelde ze met gevoel voor ‘understatement’ (‘ieder nadeel heb zijn voordeel’ zou Johan Cruyff hebben gezegd).

De knop

Wat me opviel was dat deze mevrouw thuis zelfstandig functioneerde en ook liever geen hulp wilde hebben. Maar al die ‘kordaatheid’ leek weg te vallen in het ziekenhuis. Ook kreeg ze in de week dat ik daar lag geen bezoek, terwijl ze toch twee zoons had. Ze wilde haar kinderen niet lastig vallen met haar problemen. Ze wilde ook de zusters niet tot last zijn. Als ze naar de WC moest wachtte ze net zo lang totdat het bijna niet meer te doen was. De knop was voor noodgevallen en niet om zomaar de zuster te bellen. Ik had gehoord dat de verpleegkundige had gezegd: “Als er iets is, drukt u op deze knop…” Maar die informatie was voor de mevrouw kennelijk onduidelijk geweest. Want wanneer is er iets? “Die zusters hebben het al zo druk” zei ze.

Het zijn precies deze ervaringen die Hanneke van der Meide beschrijft in haar onderzoek. Van der Meide: “Ouderen voelen zich buitenstaander in het ziekenhuis. Ze worden alleen gelaten met hun onzekerheden. Ze zijn weg van alles wat hun vertrouwd is. Ze komen terecht in een drukke omgeving, waarin voortdurend hectiek is. En het meeste ontgaat heb, omdat niemand goed uitlegt waarom wat gebeurt”.

Naar aanleiding van: J.W. van der Meide: Why frailty needs vulnerability. A care ethical study into the lived experiences of older hospital patients, dissertatie Tilburg University, 6 mei 2015

Achterdocht bij ouderen (3)

Waarom dacht de man in Minnertsga dat zijn buurvrouw een ventilator tussen het plafond had geplaatst om hem te pesten? Waarom dacht de vrouw uit Amstelveen dat haar buurman met een hengel tegen haar raam tikte om háár te treiteren?

‘Life-events?’

Een tipje van de sluier lijkt te zijn opgelicht als blijkt dat de man uit Minnertsga zijn vriendin een haal jaar geleden verloren heeft. Hij beweert dat hij daar niet zo onder gebukt gaat (‘ik ben een Einzelgänger’), maar het is toch wel een ‘life-event’.

Daarnaast heeft hij geklaagd dat de buurvrouw ’s nachts de radio zo hard aan heeft staan. Ze heeft meteen besloten de radio zachter te zetten. Maar nu denkt de man wel dat ze boos op hem is. De buurvrouw wilde hem niet tot last zijn, maar de man denkt dat ze uit boosheid gehandeld heeft. Er onstaat een variant op het zogenaamde ‘betrekkings-idee’: ze heeft het op mij gemunt, ze neemt wraak.

Bij de vrouw uit Amstelveen zou je kunnen denken dat de verhuizing haar parten speelt. Haar man is overleden en nu is ze in haar eentje naar een nieuwe woning verhuisd. En in die woning hoort ze allerlei geluiden die ze niet thuis kan brengen. Die betrekt ze op de buurman, die ze niet goed kent. Bovendien – zo lijkt het – doet de buurman ‘lacherig’ over zaken die ze noemt. Bij mensen die achterdochtig zijn werkt zo’n reactie nóg meer achterdocht in de hand.

Het mysterie van de ventilator

De buurvrouw van de man uit Minnerstga blijkt één ventilator in huis te hebben, maar die doet het niet. De afzuiger in de badkamer gaat twee keer in de week aan: als de thuiszorg komt. En verder maakt het aquarium wat geluid. Maar al die geluiden veroorzaken niet het oorverdovende geluid dat de buurman ervaart.

Kan er ook een medische verklaring zijn? Dat kan zeker? Tinnitus bijvoorbeeld. Geluid kan ook ervaren worden als gevolg van bepaalde medicatie. Maar dat zou allemaal betekenen dat het geluid bij meneer zelf in zijn hoofd zit. Daar gelooft hij niets van. Hij is toch niet gek?

Maar die wind dan? Er wordt onderzoek uitgevoerd. Het blijkt dat er veel ‘trek’ is van de slecht geïsoleerde zolder naar het raam in de woonkamer. Die luchtstroom gaat achter de stoel van meneer langs. Zou het kunnen zijn dat de wind die van de ventilator van de buurvrouw zou komen in werkelijkheid de tocht in het eigen huis is?

Welk bewijs er ook wordt aangedragen: meneer gelooft het niet. Maar gelukkig: hij belooft wel zijn leven te beteren. De buurvrouw krijgt van hem niet meer de schuld.

De tikkende hengel

En dat ramen tikken in Amstelveen? Proefondervindelijk wordt geprobeerd of het inderdaad mogelijk is om met de hengel tegen het slaapkamerraam van mevrouw te tikken. Dat blijkt niet te kunnen. Mevrouw is niet overtuigd. Ze heeft het immers zelf gehoord? Bovendien gaat het buitenlicht steeds – vlak voor het tikken – aan. En ze heeft meneer een keer betrapt. Dus het móét wel waar zijn! De vriendin van meneer zegt dat hij de hele nacht in bed ligt, maar dat is geen betrouwbaar getuigenis volgens mevrouw, het zijn twee handen op één buik.

Er komt een geluidsexpert aan te pas. Twee weken lang wordt het geluid gemeten in het appartement van mevrouw. Volgens de buurvrouw heeft de man zich twee weken gedeisd gehouden, omdat hij wist dat er geluidsopnamen werden gemaakt. En toch: op gezette tijden tikt er iets. Maar het heeft steeds dezelfde kracht. Bij menselijk ingrijpen moet de tik wisselend van intensiteit zijn.  Daarnaast zijn er slaapgeluiden van mevrouw te horen. Dat ze geen oog dicht doet lijkt niet te kloppen: ze slaapt bijna de hele nacht door.

Iets mechanisch? Dat kan kloppen. Het krimpen en weer uitzetten van de verwarmingsbuizen in de flat. Om 11 uur ’s avonds (de CV gaat uit) en om 7 uur ’s morgens (de CV gaat aan). Om 5 uur ’s nachts is niet duidelijk, maar het is de buurman niet, volgens de geluids-expert. Daar gelooft mevrouw niets van, want ze heeft hem zelf gezien en betrapt op het balkon.

Ook mevrouw is door de feitelijke informatie niet overtuigd. Paranoïde denkbeelden worden zelden ingetrokken door feitelijke bewijzen. Maar ook mevrouw zal niet meer klagen. En wie weet ontdekt de in de zomer, als de CV niet aan en uit gaat, dat het toch wel erg stil is bij de bovenbuurman.

Achterdocht bij ouderen (2)

Achterdocht komt bij ouderen vrij regelmatig voor. De man en de vrouw die gisteren in een blog genoemd werden vormen zeker geen uitzondering.

Dat ouderen achterdochtig kunnen worden is verklaarbaar als je je inleeft in hun positie. Stel je voor dat je bijvoorbeeld steeds dingen kwijt bent, dan ga je gemakkelijk denken dat de ‘schoonmaakster’ iets verplaatst heeft. Je zoekt dus een verklaring omdat het toch wel erg confronterend is als je moet ontdekken dat je zelf van alles zoek hebt gemaakt.

Wat zijn nog meer redenen waarom ouderen achterdochtig kunnen zijn?
1. Het levensverhaal. Als je veel heftige ervaringen hebt meegemaakt (zoals nu bij ouderen de oorlog) kan jou dat meer achterdochtig maken.

2. Het gevolg van achteruitgang (zie boven): je wilt de confrontatie niet aan dat je zelf het overzicht kwijt bent geraakt.

3. Eenzaamheid en isolement versterken de kans op achterdocht: er zijn onvoldoende gezonde relaties meer.

4. Slechter functionerende zintuigen. Als je slecht ziet of hoort ga je invullen. Je ziet iemand praten maar hoort hem niet en je denkt dat die persoon het over jou heeft.

5. Beperkte mobiliteit. Afhankelijkheid van anderen versterkt de kans op achterdocht.

6. Waarnemingsfouten. Deze kunnen gemakkelijk optreden als je het tempo van anderen niet kunt volgen (bijv. de spraak).

7. Gebrek aan overzicht. Als je je wereld niet meer kunt overzien ga je eigen verklaringen zoeken.

8. Verlieservaringen. Verlies kan een heftige emotionele inbreuk betekenen. Daarbij kun je denken aan een overlijden in de omgeving, een echtscheiding, maar ook aan een verhuizing.

9. Invloed van de media. Als je steeds hoort dat je op je hoede moet zijn voor anderen kan dat de achterdocht versterken.

10. Dementie: één van de bijkomende gevolgen van dementie kan achterdocht zijn.

Grotendeels ontleend aan: Maritza Allewijn en Bere Miessen, Basisboek zorg om ouderen, Bohn, Stafleu, van Loghem, 2010).

Achterdocht bij ouderen (1)

Gisteren fietsten we door Wijnbergen. Dat is een dorpje in de rook van Doetinchem. Dat komt doordat het dorp inmiddels helemaal is ingesloten door de uitgestrekte bedrijventerreinen van de stad Doetinchem.

In Wijnbergen is de Rijdende Dierendokter gevestigd. En op de parkeerplaats van de Rijdende Dierendokter stond de auto van meester Frank Visser geparkeerd. Vroeger was hij de Rijdende Rechter, maar sinds hij ‘commercieel’  is geworden mag hij die naam niet meer voeren. Meester Frank Visser bevond zich op dat moment aan de overkant van de weg, bij het kerkje van Wijnbergen dat na eeuwenlange trouwe dienst zojuist buiten de bediening is gesteld. Je ziet hem op de foto links (in het blauw) met gevaar voor eigen leven de plaatselijke dorpsstraat over steken.

Het passeren van meester Frank Visser in Hoogst Eigen Persoon bracht bij mij twee herinneringen aan recente uitzendingen boven. De beide uitzendingen vertoonde opmerkelijke parallellen. Ze gingen beide over oudere en eenzame mensen die de buren verdachten van een inbreuk op hun privé leven.

Ventilator

Het eerste geval betrof een alleenwonende oudere man in het Friese Minnertsga. Deze man betichtte de buurvrouw er van dat zij een ventilator had ingebouwd tussen de vloer van haar bovenverdieping en het plafond van zijn woonkamer. Daardoor moest hij zelfs in de zomer de CV aanzetten. Hij voelde een voortdurende koude wind achter zijn rug langs gaan. Ook had hij oordoppen in vanwege het geluid van de ventilator.

Tikkende hengel

Het tweede geval ging over een ouderwordende alleenstaande vrouw in Amstelveen. Zij beweerde met grote stelligheid dat de bovenbuurman het op haar voorzien had. Elke nacht tikte hij een aantal malen per nacht met zijn hengel tegen haar ramen. Dat gebeurde deels op vaste tijden, zoals om 11 uur  s avonds, om 5 uur ’s nachts en om 7 uur ’s morgens. Ze vond dit zo storend dat ze naar eigen zeggen geen oog meer dicht deed en stiekem (de bovenbuurman mocht niets merken) op een matras in de woonkamer was gaan slapen.

Zowel de buurman in Minnertsga als de buurvrouw in Amstelveen eisten dat het gedoe per direct afgelopen moest zijn. De buurvrouw moest de ventilator verwijderen, de buurman moest stoppen met het elke nacht tikken tegen het raam van de benedenbuurvrouw.

En dan moet een rechter uitspraak doen. Je kunt wel op je klompen (of als je die niet draagt: op je hoge hakken of je pantoffels) aanvoelen dat er iets anders aan de hand moet zijn.

Vreemde ideeën

Welke buurvrouw komt nu op het idee om een ventilator tussen het plafond te installeren teneinde de buurman dwars te zitten.

En welke buurman tikt vanaf het balkon op gezette tijden met zijn hengel tegen het raam van de slaapkamer van de beneden-buurvrouw? En bovendien: hoe moet die buurman dat voor elkaar krijgen? Het balkon van de bovenbuurman steekt vér uit, om bij de slaapkamer te kunnen komen moet hij een vreemde zwaai naar binnen toe maken met de hengel.

Toch waren beide ouderen er stellig van overtuigd dat de buurvrouw respectievelijk buurman het op hen gemunt hadden. Daar bestond bij hen geen enkele onzekerheid over.

Het is voor mij overigens nog wel de vraag in hoeverre je de mensen die zo'n zaak aankaarten niet tegen zichzelf moet beschermen. De verhalen zijn zó vreemd dat ook de omgeving zal gaan twijfelen over de geestesgesteldheid van deze mensen.

Dementie en wonen

Een aantal jaren geleden was ik op bezoek bij een woonvoorziening voor ouderen die helemaal is opgezet in  samenwerking met het Breincollectief.

Het Breincollectief meent dat een deel van de bekende problemen bij dementerende ouderen aanzienlijk milder kan worden als:

a) de woonomgeving wordt aangepast aan de behoeften van de ouderen

b) de bejegening aansluit op de behoeften van een ouderen.

Ook op mijn vroegere werk rond ouderen maakte ik gebruik van deze inzichten. Alleen stond het gebouw er toen al en dan loop je al meteen een achterstand op.

Nieuwbouw

Veel nieuwbouw voor ouderen is helemaal niet ingesteld op het wonen door ouderen. In een architectuurgids las ik: de woningen zijn gebouwd voor ouderen, maar niet geschikt voor de doelgroep. Veel organisaties lijken te denken dat met een gelijkvloerse woning ouderen voldoende tot hun recht komen. “Als er maar een rolstoel in kan.” 

Die manier van denken tekent de houding van directies en besturen. Zou je begeleiders met visie en kennis een gebouw mee laten helpen ontwerpen, dan zou het er al direct heel anders uit gaan zien. En zit je eenmaal vast aan het gebouw, dan kom je er niet zomaar uit.

In de Randstad was ik in een gebouw dat ’s zomers enorm heet wordt, dankzij de enorme lichtkoepel op de zuiden. Maar van de architect mocht er niets veranderd worden: het is immers zijn gebouw? Hoezo? Hij had zijn huiswerk niet eens goed gedaan. Hij dacht vermoedelijk een subtropisch zwemparadijs te hebben ontworpen.

Eigenlijk vind ik het onbegrijpelijk als ik zie hoe sommige organisaties voor ouderenzorg er in slagen om gebouwen neer te zetten die nauwelijks zijn ingesteld op de behoeften van ouderen. Er is aan van alles gedacht, behalve aan de oudere zelf. Soms ziet de buitenkant er architectonisch aardig uit, maar eenmaal binnen moet je direct aan de pillen tegen depressiviteit. Het is er donker en onpersoonlijk. Het meubilair is niet passend. En wat te denken van ouderen die vanuit hun woning geen mensen op straat kunnen zien lopen? Ze zijn direct het contact met de buitenwereld kwijt.

Laagbouw

De voorziening die ik bezocht bestaat uit laagbouw. Alle ouderen kunnen direct vanuit hun appartement de tuin in. Nu is ruimte een schaars goed, dus ik kan het billijken dat laagbouw niet altijd valt te realiseren. Maar het is voor de kwaliteit van bestaan erg belangrijk dat dementerende ouderen buiten iets te zien hebben. Ze moeten niet worden opgesloten in een voorziening zonder contact met de buitenwereld. Dat is vragen om problemen, aldus het Breincollectief. Mensen gaan dolen, zoeken, roepen,friemelen, tikken.

In de voorziening volgens met model van het Breincollectief kun je inpandig een rondje om lopen. Dat is belangrijk voor ouderen die graag in beweging zijn. Overal langs de wandelroute is afleiding ingebouwd, zitjes, dingen om naar te kijken, bewegende attributen. De zintuigen worden voortdurend geprikkeld. En dat is nu juist iets wat in veel van de huidige bouw voor ouderen niet gebeurt. Saaie lange gangen waar ouderen soms nog door heen sloffen. Zo’n persoon wordt apathisch, of gaat probleemgedrag vertonen.

Samen aan tafel

Maar het gaat ook om de bejegening. Zo zie je vaak dat het samen aan tafel gaan een bron kan zijn van veel problemen. Bewoners zitten lang aan tafel voordat het eten er is, begeleiders moeten nog van alles doen. Stop daarmee! schrijft geriater Anneke van der Plaats.

Want wat doen dementerende ouderen? Ze letten vooral op bewegende voorwerpen en mensen. Zodra er iemand heen er weer loopt trekt dat de aandacht. Ze komen niet meer aan eten toe. De ‘dynamische prikkels’ trekken de aandacht weg en het bord, het kopje, het brood worden niet meer waargenomen. Of er loopt iemand over de gang: weer is de aandacht weg.

Op die manier wordt het eten een complexe gebeurtenis. Vanaf het moment dat het eten start zit iedereen, inclusief de begeleiding aan tafel. Geen heen-en-weer lopen meer. Er komt ook niemand meer binnen. Dat vraagt goede voorbereiding, maar het resultaat is aanzienlijk. Begeleiding moet ook zeker geen andere dingen doen tijdens de maaltijd.

Maar die dynamische prikkels (bewegen) kun je ook positief inzetten. "Zien eten doet eten."  Samen eten is niet verkeerd, als je de dynamiek maar kent. Als begeleiding tijdens de maaltijd rapportage bijhoudt verstoort dat het eten. Gaat de begeleiding ook een boterham smeren, dan zullen ouderen eerder tot deze activiteit komen. Het houdt hun redzaamheid meer op peil en geeft hen meer gevoel van eigenwaarde.

Semantische dementie

Ik had er wel eens van gehoord. Maar ik was het inmiddels weer vergeten. Dat kan natuurlijk aan mijn leeftijd liggen... Gelukkig herinnerde een artikel mij aan deze zeldzame vorm van dementie. Ik heb het over semantische dementie.

Bij de meest bekende vorm van dementie, Alzheimer, vergeten mensen vooral recente informatie (het zogenaamde ‘oprollende geheugen’). Over vroeger kunnen ze van alles vertellen, maar wat er onlangs is gebeurd lijken ze niet eens te hebben meegemaakt. Ze vergeten dus ook hun afspraken, zelfs met visuele ondersteuning.

Bij semantische dementie vergeten mensen hun afspraken niet. Het zijn goede klokkijkers, tot aan obsessieve vormen toe (de koffie moet om stipt 10 uur klaar staan). Die obsessie is begrijpelijk, want ze raken wel de grip op de wereld kwijt.

Het verlies van die grip zit bij mensen met semantische dementie in het taalgebied. Zoals de mevrouw die in het artikel wordt beschreven en die de moeilijkste sudoku’s op kan lossen, maar woorden maar niet kan bedenken. En op den duur raakt ze ook de betekenis van de woorden kwijt en ontwikkelt haar eigen vaagtaal: ‘feitelijk is er dit en dat aan de hand’.

Iemand met semantische dementie kan jou niet vertellen wat een kalender is, want hij of zij weet niet meer wat een kalender is. Maar informatie in en rond getallen blijft wel intact (hoeveel dagen zitten er in een week, hoeveel uren in een etmaal). Iemand met semantische dementie weet wat even en oneven getallen zijn en kan vaak ook nog redelijk hoofdrekenen.

De oorzaak van semantische dementie zit in een ander hersengebied dan dat van het rekenen (voor de neurologisch geïnteresseerden: taal zit in de temporale kwabben en getallen zitten in de pariëtale kwabben).  Semantische dementie verstoort de werking van het semantische geheugen: kennis die in woorden wordt omgezet.  Je ziet een stoel en je zegt: “Dat is een stoel”.

Mensen met semantische dementie kunnen hun beperking camoufleren door steeds dezelfde zinnen te zeggen. Zoals een mevrouw die bijna standaard zegt: “Wat een weer!” En een meneer die steeds weer als reactie geeft: “Leuk!” Dat klinkt leuk, totdat je ontdekt dat hij niets anders meer weet te zeggen.

Semantische dementie is wat anders dan een opdiepprobleem. Dat je moeilijker op woorden en namen kan komen heeft vaak te maken met de leeftijd, maar ook met drukte. De bovenkamer van oudere mensen zit af en toe te vol. Heb je je hoofd wat meer geordend, dan komt het woord vanzelf weer terug. Mensen met semantische dementie raken die kennis echt kwijt...