Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (5)

Gaat de taal achteruit bij het ouder worden? Nee, dat valt zo mee. Ouderen kennen niet minder woorden dan toen ze jonger waren. Soms leer ik zelfs nog een nieuw woord bij... 

Wel zou er een knik in het taalgebruik zitten in de eerste jaren na pensionering. Ik weet niet meer wie dat schreef, dat heeft met mijn leeftijd te maken. Mogelijk was het André Aleman, maar als ik het fout heb heeft dat ook met mijn leeftijd te maken.

Om een al te grote achteruitgang voor mezelf uit te stellen heb ik mijn pensionering overigens ook uitgesteld. Op 31 december loopt mijn BIG-registratie af, dus volgend jaar weet ik opeens veel minder woorden.

Op een bepaald gebied is er wel sprake van verbale achteruitgang bij het ouder worden. Dat is in de eerste plaats de woordvloeiendheid (het gemak waarmee je woorden en zinnen uitspreekt). Het gaat meer haperend, alsof de zinnen over een oneffen traject hun weg moeten vinden.

In de tweede plaats heb je meer moeite met de ‘visuele benoemingstaken’. Dat wil zeggen dat je weliswaar iets ziet staan of liggen, maar dat je niet meer kunt bedenken hoe het voorwerp heet.

Vreemd genoeg wordt het (be) noemen van namen hier niet bij genoemd. Daar hoor ik veel ouderen over. En dat geldt niet in de laatste plaats mijzelf in hoogst eigen persoon al zeg ik het zelf. Dat heet een 'opdiepprobleem'. Het komt in de beste families voor. 

Cognitieve verandering bij het ouder worden (4)

Gaat het geheugen achteruit bij het ouder worden? Vaak wordt daar 'ja' op geantwoord, maar het is de vraag of dat waar is. 

Ik vergelijk mijn eigen hoofd wel met mijn bejaarde PC. Alles zit er gewoon nog in, maar er zit zóveel in, dat de computer tijd heeft om het allemaal op te diepen. Bovendien gaat het opstarten moeizamer, want je kunt minder dingen tegelijk. Het moet allemaal na elkaar.

Tegelijkertijd vraag ik me af waarom al die oude zaken nog in mijn geheugen zitten. Waarom weet ik ons telefoonnumer uit 1960 nog? Als ik al die oude gegevens weg zou kunnen gooien zou er ruimte ontstaan voor nieuwe gegevens.

Je zou kunnen zeggen: het is niet zozeer een probleem van het geheugen, maar van de opslagcapaciteit en van de verwerkingssnelheid. Het geheugen wordt minder efficiënt en gaat in zekere zin achteruit. Maar dat je de zaken wat minder gemakkelijk opdiept wil niet per definitie zeggen dat je geheugen achteruit gaat. Het antwoord is dus ‘ja’ en ‘nee’.

Hoe zit het met de visuospatiële vaardigheden en met de visioconstructie? Jawel, gooit u dat maar in mijn pet! Dit zijn de vaardigheden die het mogelijk maken voorwerpen te manipuleren door middel van mentale beelden, zowel in twee als in drie dimensies. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het berekenen of inschatten van de positie van een voorwerp als je het draait. Maar er valt ook onder: het herkennen van gezichten, van de weg, van voorwerpen in een andere omgeving. Een bekend onderzoek is de opdracht om op een blaco vel een klok te tekenen en de wijzers op kwart voor twee te zetten.

Bij simpele taken is dit voor ouderen geen probleem. Ze kunnen nog een goede inschatting maken hoe je een voorwerp al draaiend op de juiste plek kunt krijgen, gezichten herkennen in een andere omgeving is geen probleem (de naam vaak wel), de weg naar huis wordt gemakkelijk weer gevonden en de klok wordt moeiteloos getekend (behalve door iemand met autisme die die klok niet wil tekenen omdat het geen kwart voor twee is).

Maar... als het om meer complexe  visuospatiële vaardigheden gaat blijkt het voor alle ouderen allemaal ingewikkelder te worden. Daar moet bij worden aangetekend dat ook de achteruitgang van het zien en moeite met het evenwicht verstorend kunnen werken. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (3)

Hoe zit het met de aandacht en het werkgeheugen bij het ouder worden? De oudere lezers van dit blog hebben daar vast wel een idee van of bij. 

Met de aandacht is iets bijzonders aan de hand. Je zou denken dan ouderen er meer met hun hoofd bij zijn, want ze moeten wel. Welnu, dat valt een beetje tegen. Ouderen doen het op de routine goed. Als ze hun vaste loopje hebben lijkt er niets aan de hand te zijn. Maar het nadeel van dat vaste loopje is dat je ook minder goed oplet. Oftewel: je aandacht zakt te ver weg. Daardoor maak je wel je vaste loopje, maar je vergeet dat je deze keer onderweg nog een brief moest posten.

Dat heeft te maken met het zogenaamde mechanisme van de cognitieve controle. Cognitieve controle is gevoelig voor veroudering.  Dat begint al vanaf je 25e levensjaar, maar neemt substantiëlere vormen aan rond de 65. Deze effecten van veroudering op cognitieve controle hebben meerdere gevolgen.

Ten eerste hebben ouderen meer moeite met nieuwe en flexibele taken (denk aan links rijden in Engeland, hoe organiseer je dat, wat gebeurt er bij de eerste rotonde als je ook nog uit moet zoeken waar je naar toe moet).

Zolang taken een vaste, voorspelbare structuur en vaste regels hebben, die consistent en routinematig uitgevoerd kunnen worden, vormt oefening een buffer tegen verval. Ouderen profiteren door hun levenslange ervaring dan ook meer van routine dan jongeren, maar omgekeerd zijn ze juist minder efficiënt in het afwijken van die routine. Tegelijkertijd kan de aandacht gemakkelijker wegzakken, mede doordat er problemen in het gehoor en met het zicht zijn.

Het voordeel van de routine is dat je niet steeds hoeft na te denken, het nadeel is dat de aandacht onvoldoende kan zijn.

Daarnaast is er een probleem met het werkgeheugen. Dat regelt de complexe zaken, het organiseren van het handelen, het combineren van meerdere taken. Bijvoorbeeld het uit je hoofd maken van een som (18 + 22 maal 3 gedeeld door 7). Je moet dan én het ene vasthouden en doorgaan met het volgende stukje.

Voor mij is er één voordeel: dat hoofdrekenen kon ik vroeger ook al niet. Er is geen sprake van achteruitgang. Ik mag een ‘K’ scoren (karakteristiek).

Iedereen die zelf op leeftijd is en/of ouderen kent weet dat de routinematige taken meestal wel lukken, maar dat nieuwe en complexe opdrachten veel meer tijd vragen dan 'vroeger'. Daarnaast valt als nadeel op dat het hoofd nogal eens meer 'afwezig' is. Je moet als oudere jezelf bij de les zien te houden. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden (2)

De kennis gaat niet achteruit bij het ouderworden, het vermogen om complexe taken op te lossen wél. 

Hoe zit dat met de snelheid van de informatieverwerking? Die gaat wel degelijk en van hier tot gunter achteruit. Dat geldt ook voor de taal. om taal te kunnen begrijpen moet je woorden horen en die vervolgens vertalen in betekenis. Dat horen gaat nog steeds even snel, de vertraging zit in de vertaling naar betekenis. Bij ouderen hoef je niet harder te spreken, je moet langzamer spreken.

Bij ouderen moet je niet harder spreken, je moet langzamer spreken

De snelheid van informatieverwerking komt op alle terreinen van het leven terug. Denk bijvoorbeeld aan het verkeer. Er gebeuren meer ongelukken met elektrische fietsen doordat veel fietsers op leeftijd hun snelheid onvoldoende aanpassen aan het tempo van de informatieverwerking. Als je hoofd langzamer gaat moet je niet sneller willen fietsen.

De achteruitgang van de informatieverwerking zie je vooral als je observeert hoe snel jonge kinderen vaardigheden oppikken met elektronia (zoals de Ipad) en hoe veel meer tijd ouderen daarbij nodig hebben.

Maar alweer: de achteruitgang in snelheid informatieverwerking is geen kwestie van dementie, het is een kwestie van normale veroudering. Dat ouderen bijvoorbeeld langzamer gaan lopen kun je als bescherming zien: je moet niet meer zo snel willen. 

Cognitieve achteruitgang bij het ouder worden

Naarmate je ouder wordt, word je steeds dommer. Dat komt omdat bij het bepalen van het IQ  je prestaties op de IQ-test worden gedeeld door je leeftijd. 

Omdat het maximum 16 jaar is, is mijn IQ inmiddels gezakt naar 23. Zestien gedeeld door 71, maal honderd. Ik functioneer op ernstig verstandelijk beperkt niveau. Gelukkig heb ik een mantelzorger in huis.

Er bestaat een overzicht welke functies achteruitgaan bij het ouder worden. Het betreft hier de normale achteruitgang.

Fluid intelligentie en crystallized intelligentie

Eén van de meest belangrijke onderscheiden binnen het IQ is dat van de fluid intelligence en de crystallized intelligence.

‘Fluid intelligence’ betreft het vermogen tot abstract redeneren, logisch redeneren en de mate van flexibiliteit in denken en het probleemoplossend vermogen in nieuwe situaties.

‘Crystallized intelligence’ betreft het vermogen om verworven kennis, vaardigheden en ervaring te gebruiken. Deze vorm van intelligentie neemt in principe toe naarmate iemand ouder wordt (mits sprake van scholing en stimulerende omgeving) en komt o.a. tot uiting in algemene kennis en woordenschat.

Daarmee is al een antwoord gegeven: over de crystallized intelligentie hoef je je bij normale veroudering geen zorgen te maken. Er komt zelfs af en toe nog wat bij, nieuwe dingen die je leert, meer levenservaring die je hebt.

Anders ligt het bij de ‘fluid’ intelligentie. Die gaat achteruit. Met name bij de flexibiliteit van het denken en het probleemoplossend vermogen in nieuwe situaties.

Ik weet niet hoe het bij jullie zit, maar ik merk dat ik meer tijd nodig heb om bijvoorbeeld een nieuw apparaat te doorgronden. Zo heb ik sinds enkele maanden een nieuwe telefoon en ik verlang nog steeds terug naar de oude telefoon. Er zitten teveel functies op de nieuwe telefoon en ik moet tal van nieuwe stappen bedenken en doorgronden. Terwijl het toch bewust wel weer een telefoon is met dezelfde Android aansturing.

Ook hebben we een nieuwe afstandsbediening van de televisie. Wel hier, daar en gunter, ik druk steeds de verkeerde knoppen in.

Mevrouw Roorda reed op haar 85e nog fris en fruitig met haar auto door de stad. Toen kreeg ze een nieuwe auto. Opeens bleek ze de bediening nauwelijks meer op te kunnen pakken. Soms stond ze midden op straat stil omdat ze niet meer wist welk knopje ze moest bedienen of wat de bedoeling was van een bepaald knipperlichtje.

Maak je niet ongerust. Dit is dus de normale achteruitgang. Het is geen dementie. Voor de diagnose dementie gelden veel meer en ook andere criteria. 

Achterdocht bij ouderen

Voor de oudere lezers: jullie moeten nu niet achterdochtig worden door te denken dat ik het over jullie heb. Ik stel geen leeftijdsgrens vast. Je mag zelf bepalen of je bij de groep ouderen hoort.

Voor de ouderwordende lezers: ik bedoel jullie niet. Iedereen wordt namelijk elke dag een dagje ouder. Ook een baby is al ‘ouderwordend’.

Achterdocht komt bij ouderen vrij regelmatig voor. Dat is heel goed verklaarbaar als je je inleeft in de positie van ouderen. Bijvoorbeeld alleen al het gegeven dat je gemakkelijk het overzicht kwijt raakt. Daardoor raak je dingen kwijt. Of heeft er iemand aan jouw spullen gezeten? Of een slechter gehoor? Je verstaat de helft niet en je kunt zómaar denken dat jou niet alles wordt verteld.

Wat zijn redenen waarom ouderen achterdochtig kunnen zijn?
1. Het levensverhaal. Als je veel heftige ervaringen hebt meegemaakt (zoals nu bij ouderen de oorlog) kan jou dat meer achterdochtig maken.
2. Het gevolg van achteruitgang (zie boven): je wilt de confrontatie niet aan dat je zelf het overzicht kwijt bent geraakt.
3. Eenzaamheid en isolement versterken de kans op achterdocht: er zijn onvoldoende gezonde relaties meer.
4. Slecht functionerende zintuigen. Als je slecht ziet of hoort ga je invullen. Je ziet iemand praten maar hoort hem niet en je denkt dat die persoon het over jou heeft.
5. Beperkte mobiliteit. Afhankelijkheid van anderen versterkt de kans op achterdocht.
6. Waarnemingsfouten. Deze kunnen gemakkelijk optreden als je het tempo van anderen niet kunt volgen (bijv. de spraak).
7. Gebrek aan overzicht. Als je je wereld niet meer kunt overzien ga je eigen verklaringen zoeken.8. Invloed van de media. Als je steeds hoort dat je op je hoede moet zijn voor anderen kan dat de achterdocht versterken.
9. Dementie: één van de bijkomende gevolgen van dementie kan achterdocht zijn.

Grotendeels ontleend aan: Maritza Allewijn en Bere Miessen, Basisboek zorg om ouderen, Bohn, Stafleu, van Loghem, 2010. 

Weglopen (4)

Wat maakt de 'Honderdjarige die uit het raam klom en verdween' zo'n intrigerend boek of film. Ik heb al voorspeld dat ik later ook een poging ga wagen. Vooral als ik word opgesloten. Ik moet er uit kunnen...

Jaarlijks lopen in Nederland ongeveer 30.000 kinderen weg van huis of uit de instelling. Ze zijn bijna allemaal boven de 14 jaar. Opmerkelijk is dat twee maal zoveel meisjes weglopen als jongens.

Allochtone gezinnen

Daarnaast wordt gemeld dat ‘allochtone jongeren’ vaker van huis weglopen dan kinderen met Nederlandse voorouders. Een oorzaak die daarbij wordt genoemd is dat deze jongeren de cultuur binnenshuis niet kunnen ‘rijmen’ met de cultuur buitenshuis (bijvoorbeeld de mate van vrijheid). Het is voor een aantal jongeren ook één van de triggers geweest voor het ‘weglopen’ naar IS-gebieden.

Communicatieproblemen

De volgende cijfers haal ik uit een onderzoek in Vlaanderen (2005). Maar ik denk dat de cijfers niet veel zullen verschillen met die van Nederland.

Bij zeven op de tien gezinnen waar een kind is weggelopen spelen communicatieproblemen een grote rol. Kenmerkend is meestal de onmogelijkheid te communiceren binnen het gezin. Ouder en kind slagen er niet in om elkaar emotioneel te bereiken.

Opvoedingsproblemen

Bij vier op de tien gezinnen waarbij een kind wegloopt en/of bij iemand anders ‘onderduikt’ is sprake van forse opvoedingsproblemen. De ouders zijn handelingsverlegen of hebben geen idee hoe ze met puberaal gedrag om moeten gaan. Er is bijvoorbeeld sprake van dan weer strenge regels, dan weer geen regels. Of beide ouders stellen heel verschillende regels. Fysieke mishandeling en het stellen van extreem strenge regels kunnen een uitlokkend effect hebben.

Psychische problematiek

Bij drie op de tien kinderen is sprake van psychische problematiek. Zo kan het weglopen worden uitgelokt door een depressie. Maar ook het zoeken naar de eigen identiteit kan aanleiding zijn tot weglopen. Als een kind zich thuis niet gezien of gehoord voelt en als het op zoek is naar een eigen perspectief (wie ben ik? wat wil ik?) ziet het kind soms maar één oplossing: ik moet hier weg.

Verband met delinquentie

Opmerkelijk is dat aan het wegloopgedrag relatief vaak vormen van delinquentie vooraf lijken te gaan. Drie op de tien kinderen was al in aanraking gekomen met justitie, o.a. vanwege diefstal of het gebruik van drugs. Op school is frequent spijbelen een voorspeller van wegloopgedrag.

In de gehandicaptenzorg komt ook vaak wegloopgedrag voor. Dat geldt trouwens ook voor de ouderenzorg. Bij cliënten die niet kunnen overzien wat 'eigen' is en wat 'anders' is zou ik echter niet willen spreken van wegloopgedrag, maar van de neiging om te gaan zwerven omdat er geen verbinding is met wat 'thuis' is. 

Slaapbehoefte bij ouderen

De slaapbehoefte bij volwassenen is per persoon verschillend. ‘Gemiddeld’ slapen volwassen mensen 7 á 8 uur per nacht. Ook mensen die menen dat ‘ze de hele nacht geen oog dicht hebben gedaan’ blijken meestal in de praktijk toch een aantal uren te hebben geslapen.

Twee modellen: inslapen of doorslapen

Globaal genomen kun je het verloop van de slaapproblemen in twee ‘modellen’ indelen. Ze hebben mede te maken met temperament van mensen en met de wijze waarop prikkels verwerkt worden.

  1. Mensen die veel moeite hebben om in te slapen. Ze moeten eerst alle indrukken van de afgelopen dag verwerken. Dat herkennen de meeste mensen wel als ze ’s avonds op bezoek zijn geweest en veel gesprekken hebben gevoerd. Die mensen hebben dus een inslaapprobleem.
  2. Andere mensen hebben veel moeite hebben met doorslapen. Ze vallen snel in slaap (de lichamelijke vermoeidheid wint het van de geestelijke vermoeidheid), maar als ze de eerste slaapcyclus doorlopen hebben worden ze wakker uit de diepe slaap en kunnen vervolgens niet meer in slaap komen.

Ouderen en aantal uren slaap

Het beeld bestaat dat ouderen weer meer slaap nodig hebben. Dat is echter niet juist. Het slaappatroon van ouderen verandert. Ze slapen minder een hele nacht door en meer in korte stukken. Dat verklaart ook waarom een aanzienlijk deel van de ouderen een middagdutje doet.

Ouderen en slaapkwaliteit

De slaapkwaliteit van ouderen staat wél onder druk. Bij een gezonde slaap heb je een afwisseling van lichte slaap, diepe slaap en REM-slaap nodig (Rapid Eye Movements: de slaap waar je het meeste bij droomt). Ouderen slapen lichter en komen daarmee minder aan de diepe slaap toe. Om uitgerust wakker te kunnen worden en ‘de hersens gewassen te hebben’ moet je de afwisseling van de verschillende fasen ‘meemaken’.

Volgens sommige onderzoekers is bij vrouwen de overgang een forse ontregelaar in het slaappatroon. Je kunt maar beter man zijn.

Volgens een onderzoeksbureau heeft de helft van de ouderen een slaapstoornis. Als 70-plusser kan ik gelukkig melden dat ik (nog) bij de andere helft hoor.

Waarom slapen ouderen minder ‘gezond’?

Enkele factoren op een rijtje (er zijn er veel meer).

  1. Omdat ouderen lichter slapen zijn ze ook meer gevoelig voor omgevingsinvloeden, zoals geluiden van buiten, een snurkende partner of een te lichte slaapkamer.
  2. Daarnaast ‘komt de ouderdom met fysieke gebreken’. Als je vaak moet plassen, ben je vaak wakker. Maar het is ook omgekeerd: als je lichter slaapt ervaar je ook eerder een volle blaas.
  3. Een ander veel voorkomend probleem bij ouderen betreft de slaap-apneu. Het betekent dat je vele malen per nacht een zuurstoftekort hebt en daardoor uiteindelijk ’s morgens uitgeput wakker wordt. Je hebt het gevoel dat je van het in bed liggen alleen maar meer moe wordt.
  4. Ouderen hebben doorgaans een minder strak dag/nachtritme. Een goed dag/nachtritme met vaste tijden van het naar bed gaan en weer opstaan helpt bij een gezonde nachtrust.
  5. Ouderen bewegen vaak minder. Lichamelijke beweging stimuleert de nachtrust. Een ommetje ’s avonds werkt vaak beter dan een slaappil. Maar de meeste ouderen gaan ’s avonds eigenlijk liever de deur niet meer uit.
  6. Een vitamine-tekort (vitamine D, vitamine B 12, magnesium).
  7. Ouderen hebben vaker last van pijn. Als je lichter slaapt word je ook weer eerder wakker van de pijn.
  8. Tenslotte: de temperatuurregulatie. Heb je het te koud bij het in bed stappen, dan kom je moeilijk in slaap. Krijg je het daarna te warm, dan slaap je wéér niet goed en krijg je bijvoorbeeld eerder last van rusteloze benen. Maar in de loop van de nacht koel je ook weer af en kun je te vroeg wakker worden omdat je het te koud hebt. Het is dus ook nooit goed… Aan de Technische Universiteit in Delft is men bezig met innovatietechnieken die deze wisselende temperaturen kunnen reguleren (zie Somnox op You Tube).

Delier

Bij ouderen is een delier een veel voorkomend verschijnsel. Het is ook een heftige ervaring. Zo omschreef iemand die een delier mee had gemaakt dit als een 'heel erge nachtmerrie die dagen lang aanhoudt'.

Onderschatting

Toch wordt een delier lang niet altijd onderkend. Men vermoedt dat in een ziekenhuis 25% tot 50% van de delieren over het hoofd wordt gezien. Dat geldt met name voor de zogenaamde stille delieren. Dan kan iemand tijden lang apathisch zijn, passief, gedesoriënteerd, zonder dat er sprake is van gedragsproblemen. Zo iemand kan dan worden gezien als een ‘gemakkelijke patiënt’.

Heftige angsten

Een maatregel die nogal eens wordt genomen bij mensen die in een stadium van een acuut delier functioneren is een bedrek. Maar hoeveel helpt dat? Ooit zag ik de beelden van een man die een acuut delier meemaakte: hij zat vast in zijn dekbed, had zichzelf verstrikt in zijn pyjama en zag toch nog kans om over het bedrek heen te klimmen. In feite maakt zo’n bedrek de situatie nóg riskanter.

Vergiftiging

Bij een delier moet je altijd denken aan medische factoren. Er is sprake van intoxicatie. De meest voorkomende oorzaken zijn: onjuiste medicatie en infecties aan de urinewegen. Ik ben vanwege mijn werk betrokken bij een meneer waarbij we bij het ontstaan van verward gedrag bijna zeker weten dat er sprake is van een urineweginfectie. Dat komt bij hem vier tot vijf keer per jaar voor. Om het beeld scherp te krijgen en te houden hanteren we daarbij een observatieschaal om signalen voor een delier op te kunnen sporen.

Stil delier

Dat zogenaamde stille delier is veel lastiger te onderkennen. Zoals bij mevrouw De Groot. Ze woont al een halve eeuw in hetzelfde huis. Er komt geen thuisbegeleiding. Het valt haar dochter op dat moeder de afgelopen twee maanden vaak lusteloos is. Ze wil niet meer naar buiten, het hoeft voor haar allemaal niet meer. Ook maakt ze bij herhaling fouten bij het opruimen van de kleding, het opbergen van het bestek, het aanzetten van de televisie.

Moeder geeft aan dat ze geen zin heeft. Dochter vindt het wat verontrustend worden. Ze denkt dat haar moeder ‘iets onder de leden heeft’. De huisarts laat een bloedonderzoek doen, maar daar komt niets uit. Hij denkt ook aan een mogelijke depressie.

Uiteindelijk blijkt dat mevrouw De Groot een zich herhalende infectie aan de urinewegen heeft. Omdat ze daar geen last van heeft (het beeld is atypisch) heeft niemand daar aan gedacht. Na behandeling van de urineweginfectie knapt mevrouw binnen een paar dagen helemaal op. Als gevolg van de urineweginfectie trad een intoxicatie van de hersenen op, maar het beeld was zó sluipend geweest dat men de mogelijkheid van een delier over het hoofd had gezien.

Stokstaartjes

Mevrouw Bot ziet na een operatie allemaal stokstaartjes uit putdeksels tevoorschijn komen. ‘Wel alle putdeksels nog aan toe!’ zegt ze, ‘dat heb ik nog nooit gezien!’ Ze vraagt aan mij of ik ook stokstaartjes zie. Ik zeg: ‘Ik zie ze niet, maar ik heb niet zulke goede ogen als u…’ Daar moet mevrouw Bot weer om lachen. Net zoals om die stokstaartjes.

De arts stelde later een delier bij mevrouw Bot vast, maar zo'n delier is misschien nog wel grappig ook. Het moet alleen niet te lang duren. Waarschijnlijk zou mevrouw Bot 's nachts de slaap niet kunnen vatten. 

Contactangst bij ouderen

Er bestaan tal van soorten van angst. Eén van die vormen is de contact-angst. Dat is angst die ontstaat in het contact met andere mensen. Bij oudere mensen kan contact-angst een diagnostisch aspect hebben. Wat is er aan de hand?

Als een persoon altijd al wantrouwend was tegenover anderen is er niet zoveel aan de hand. Bijvoorbeeld bij iemand die geen vreemden over de vloer wilde hebben. Dan zeggen we: “Laat maar, dat hoort nu eenmaal bij haar.” Oftewel: het is karakteristiek voor de persoon.

Als iemand altijd de deur voor iedereen open had staan en nu mijdt die persoon veel mensen (‘ze houdt de deur dicht’), dan is dat een signaal dat er wél iets aan de hand is. Waarom is dat gedrag zo veranderd?

Een gezonde achterdocht hoort overigens bij het ouder worden. Als iemand vroeger ’s avonds iedereen bij de voordeur te woord stond is het op hoge leeftijd gezond om de deur niet zomaar meer open te doen en al helemaal om niet iedereen binnen te laten. Net zoals het ook passend kan zijn om twee keer voor het naar bed gaan de deuren te controleren.

Er bestaan vier soorten contact-angst:

De signaalangst. Dit is een gezonde vorm van angst. Als iemand tijdens het pinnen van geld te dicht bij je komt staan is het een gezonde angst dat je de code extra afschermt en meer alert bent.

Angst voor straf. Dit is een neurotische vorm van angst. Deze vorm van angst zit vaak al van jongs af aan in de persoon. Het is de angst of je het wel allemaal goed doet. ‘Wat zouden anderen er wel niet van denken?’ ‘Ze zijn toch niet boos op me?’ Deze ouderen vragen veel bevestiging of ze het allemaal wel goed doen. Het is alleen de vraag of het om schuld of om schaamte gaat. Vroeger was onze samenleving doordrenkt van schuldgevoelens, tegenwoordig gaat het vaker om schaamte.

Angst voor verlies van de ander (de borderline angst). Bijvoorbeeld de vrouw die niet wil dat haar man boodschappen gaat doen, want dan gaat hij er met een ander vandoor. De angst krijgt dus nogal eens paranoïde trekken. Deze angst voor verlies van de ander gaat vaak samen met het mijden van andere mensen. Dus de één moet in de buurt blijven, de ander moet uit de buurt blijven. Dat is een variant op het onderwerp ‘splitting’ : het zwart-wit denken over mensen.

De psychotische angst.  Als iemand er niet in slaagt om te scheiden wat realiteit is en wat fantasie, als het ik niet meer wordt onderscheiden van de omgeving, kan psychotische angst een rol gaan spelen. Voor mensen die psychotisch zijn is nabijheid van anderen vaak erg bedreigend.

In diepere zin betekent dit dat je eigenlijk niet meer weet wie je bent. Je bent jezelf kwijt. Het is alsof je persoon zomaar uit elkaar kan vallen: je bent de weg in je eigen bestaan kwijt. Deze angst komt nogal eens voor bij latere fasen van Syndroom van Alzheimer (en tijdelijk in een situatie van een delier). 

De genoemde angsten vragen veel van de omgeving en van de begeleiding. De moeder die steeds maar denkt dat ze het verkeerd doet en bevestiging zoekt, de echtgenote die niet toestaat dat haar man de deur uit gaat, de vrouw in het verpleeghuis die de begeleidster die naast haar komt zitten gaat bijten en slaan. Ze zijn niet boos, maar ze zijn wél bang. En zie daar maar eens goed mee om te gaan...