Kinderangsten (7): ouders

Volgens een aantal onderzoekers worden angsten vooral bepaald door de ouders. Als je moeder bang was voor onweer word jij dat ook. Als je moeder bang is voor spinnen worden haar kinderen ook bang voor spinnen.

In bepaalde gebieden zien we ook specifieke angsten, die van generatie op generatie worden doorgegeven (bijvoorbeeld de angst voor storm in vissersdorpen, de angst voor onweer in streken met veel boerderijen met rieten daken).

Bij de behandeling bij de tandarts is het regelmatig een duidelijk gegeven: een angstige vader of moeder maakt het kind ook bang. Peuters letten heel erg op de ogen van de vertrouwde opvoeder. Ogen vormen de spiegel van de ziel, ze kunnen niet liegen. En het kind leest in die ogen de angst. Het gevolg is dat het kind ook eerder angstig zal worden.

Toch is het idee dat de angst vooral en zelfs bijna alleen door de ouders wordt doorgegeven een te weinig genuanceerde visie. Het is wél waar dat ouders medebepalend zijn voor de angsten van hun kinderen. Angstige ouders hebben vaak ook angstiger kinderen. Maar zelfs dan kun je de ‘kip-of-ei’ vraag stellen. Zijn die ouders misschien ook angstiger omdat ze zelf in aanleg angstig waren en heeft het kind die angstgevoeligheid in aanleg meegekregen?

Er zijn ook ouders die erg bang zijn voor bijvoorbeeld honden of onweer, terwijl hun kinderen dat niet zijn. Laten we het erop houden dat de angst van ouders nogal eens door het kind wordt overgenomen.

Kinderangsten (6): angstgevoeligheid

a. Er bestaan, van jongs af aan, grote verschillen in angstgevoeligheid tussen kinderen.

Een klein deel van de kinderen vertoont –zo lijkt het- weinig angst. Dat zien we o.a. bij de zgn. vermijdend gehechte kinderen. Ze komen ‘stoer’ over en durven overal in. Toch –als je beter kijkt- zie je wel degelijk dat ze angstig zijn. Hun hartslag is vaak hoger dan die van andere kinderen. We kunnen dus beter spreken van kinderen die hun angst niet laten zien. Paradoxaal genoeg zou je zelfs kunnen zeggen: deze kinderen zijn bang om hun angst te tonen….

Toch bestaan er onderling duidelijke verschillen tussen kinderen in angst-gevoeligheid. Deze verschillen zijn deels aangeboren. Steeds duidelijker wordt dat dit te maken heeft met de prikkelbaarheid van het autonome zenuwstelsel. Kinderen die gevoeliger zijn voor zintuiglijke ervaringen (bijvoorbeeld voor geluiden) zijn ook eerder angstig. Denk maar eens aan de vele geluiden om je heen. Als je die geluiden niet kunt plaatsen roept dat vanzelf al angst op. Een deel van de extreme angsten bij kinderen met autisme vindt zijn wortels in hun prikkelgevoeligheid.

b. Uit temperamentsonderzoek is gebleken dat kinderen met een zgn. moeilijk temperament eerder angstig zijn. Deze kinderen hebben vaak grote moeite met logeren, met nieuw voedsel, met veranderingen. Het is voor hun ouders (of andere opvoeders) moeilijker om pasvorm voor de opvoeding te vinden. Als ze uit hun evenwicht zijn herstellen ze zich moeizamer. De angst blijft langer hangen omdat ze moeilijker zijn te kalmeren. Ze laten zich niet snel gerust stellen.

Een andere vraag is nog in hoeverre de ouders van invloed zijn op de angst van kinderen. Daarover de volgende keer.

Borderline en hechting (2)

 In het temperaments-onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen kinderen met een moeilijk temperament en kinderen met een gemakkelijke temperament. De opvoeding van het ene kind gaat ‘stroever’ dan die van het andere kind. Oftewel: bij het ene kind is het voor ouders gemakkelijker om een pasvorm voor de opvoeding te vinden dan bij het andere kind.

Moeilijk temperament

Bij kinderen bij wie het allemaal erg precies komt, die slecht tegen veranderingen kunnen, moeilijk af te leiden zijn van lastig gedrag, erg prikkelgevoelig zijn, vaak moeilijke eters en moeilijke slapers zijn (dat zijn o.a. kenmerken van een moeilijk temperament) is het moeilijk om tot een goede vorm van samenwerking te komen. Dit betekent ook concreet dat het opvoeden van het ene kind hogere eisen stelt aan ouders dan de opvoeding van een ander kind. 

BPS 02

Pasvorm

Bij die pasvorm gebruik ik vaak een beeld. Als je brede voeten hebt maar je wilt op modieuze smalle schoenen lopen, loopt het nooit lekker. Je moet moeten zoeken naar een goede pasvorm: deze schoenen bij deze voeten, deze opvoeding bij dit kind.

Bij kinderen met een moeilijk temperament is het voor de ouders moeilijk om een pasvorm te vinden voor de opvoeding te vinden bij dit kind. Het gevolg is vaak ook dat de veilige hechting van het kind aan zijn ouders onder druk komt te staan.

Naast de moeite die het kind heeft om zijn plekje te vinden in de wereld zijn er dan óók de ouders die veel moeite hebben in het vinden van een goed contact met hun kind. Ik ken ouders die aangeven dat het voor hen erg moeilijk was om aansluiting te vinden bij hun kind. Op den duur raakten ze teleurgesteld en ontmoedigd.

Omgekeerd geven deze kinderen later vaak aan dat er zo’n afstand was tussen het kind en de ouders. Een vrouw vertelde dat ze het gevoel had dat haar ouders haar ouders niet waren.

Kijk je naar de interactie, dan zie je dat er van beide kanten vermoedelijk sprake is geweest van een grote onmacht om elkaar te kunnen bereiken. Het is deze combinatie van temperaments-eigenschappen en bemoeilijkte interactie die ook de kans op borderline-problematiek op volwassen leeftijd vergroot.

Kinderangsten (5): van 6 tot 12 jaar

a. Rond de 6 á 7 jaar zijn kinderen vaak wat onrustiger. Ze leren schoolse vaardigheden zoals lezen en schrijven, waardoor er een wereld voor hen open gaat. Maar die vaardigheden stellen ook weer hoge eisen aan hen. Ze worden veel minder afhankelijk van hun ouders: ze kunnen bijvoorbeeld dingen lezen zonder dat hun vader of moeder er bij zijn.

b. De meest bekende angst in deze leeftijd is de ‘stel je voor dat’ angst. Het kind gaat zich allerlei situaties inbeelden. Stel je voor dat pappa niet meer thuis komt, stel je voor dat het oorlog wordt, stel je voor dat ik mijn zwemspullen vergeet.

In dit kader passen de vele –soms op het eerste gezicht bizarre- rituelen van het kind op de basisschool. “Met één been op de stoep en één been op de straat”. Veel kinderen ontwikkelen op deze leeftijd een teldwang. Anderen willen persé met hun rechterbeen bovenaan de trap uit komen. Weer een ander raakt alleen de witte strepen van de zebra aan. Dat zijn allemaal bezweringen. “Als ik het niet doe gaat mijn oma dood, brandt ons huis af, heb ik een onvoldoende voor rekenen….”

c. Kinderen in deze leeftijd zijn gevoelig voor de mening van klasgenoten. Ze worden bang dat ze niet mee kunnen doen of niet meetellen, en wat later in de ontwikkeling: dat ze niet geaccepteerd zullen worden. Overgevoeligheden kunnen zijn: de kleding, het idee uitgelachen te worden, het gevoel dat je niet mee kunt doen en buiten de groep valt, je uiterlijk.

d. Een deel van de kinderen wordt faalangstig. Ze denken: ‘dat kan ik toch niet’. Sommige kinderen zijn angstig op bepaalde gebieden (bijvoorbeeld angst voor de gymles), anderen worden ‘over de hele linie’ angstig. Deze kinderen stellen zulke hoge eisen aan zichzelf dat de kans om te falen ook steeds groter wordt. Ze komen dus in een vicieuze cirkel terecht. Een deel van de leerproblemen bij kinderen is op deze angsten gebaseerd.

e. De betrokkenheid bij een groter wordende wereld waar ze weinig invloed op hebben roept ook angst op in de leeftijd van de basisschool. Kinderen worden erg vroeg via de media geconfronteerd met bijvoorbeeld de gevolgen van honger, oorlog en milieuvervuiling. Naast de feitelijke risico’s van deze mondiale problemen roepen deze situaties ook een gevoel van met machteloosheid verbonden angst op: ik kan er niks aan doen, het overkomt iedereen maar….

Kinderangsten (4): de kleuter

Iedere levensfase kent zijn eigen angsten. Die angsten zijn gekoppeld aan de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling.

Aan het einde van het derde jaar verandert er veel in het denken van jonge kinderen. Dat heeft ook gevolgen voor hun angsten. Daarom kent de kleuter andere angsten dan de peuter.

a. Een kleuter ontwikkelt een eigen voorstellingsvermogen. Opvallend is in deze leeftijd dat kinderen bang worden voor hun eigen fantasieën. Ze kunnen nog maar moeilijk onderscheid maken tussen wat ze hebben bedácht en wat er werkelijk gebeurd is. Een spannend verhaal dat wordt voorgelezen voor het slapen gaan lokt ’s nachts gemakkelijk een nachtmerrie uit.

b. Ook worden kleuters bang voor onverwachtse dingen die kunnen gebeuren. Hun vraag is dan vooral: “wat kan er met mij gebeuren?” Ze horen allerlei dingen, maar kunnen die gebeurtenissen geen concrete plaats geven. Vooral de angst voor beschadigingen aan het eigen lichaam kan in deze periode een grote rol spelen. Het is niet zozeer de pijn van een prik, maar de vraag wat er met je lichaam kan gebeuren dat angst oproept.

c. Een kleuter kan ook als als-dan-denken. Als je opeens op school nodig naar de WC moet, maar dat de juf niet ziet dat je je vinger op hebt gestoken. Dan kun je dus in je broek plassen, maar wat moet je doen als je in je broek hebt geplast?

d. De taal van volwassenen kan bij kleuters tot veel misverstanden leiden. Ze vangen gemakkelijk allerlei flarden van telefoongesprekken of van TV-program-ma’s op en geven daar een eigen betekenis aan.

e. Een bekende angst uit de psycho-analytische hoek is de angst voor liefdes-verlies. De ouders zijn erg belangrijk voor de kleuter, maar hij is ook erg bang dat hij zich niet goed zal gedragen en dat ze hem daarom niet meer lief zullen vinden. Daarom zijn kleuters vaak erg streng voor zichzelf. Ze zijn nog bijna niet in staat om te relativeren: het denken is zwart-wit.

Een kleuter van vier jaar was ziek en lustte zijn eten niet. Toch wilde hij zijn bord persé leeg eten, want anders zou zijn moeder boos op hem worden.

Puberbrein

De afgelopen jaren was er nogal wat te doen over het puberbrein.
Inmiddels is de grootste hausse alweer verdwenen en zijn er ook kritische opmerkingen geplaatst bij de wel erg neurologische verklaring van de puberale ongemakken.
Eén van de bezwaren is dat de neurologische verklaring geen antwoord wordt gegeven op de vraag waarom in de westerse cultuur de puberteit heftiger lijkt te zijn dan in andere culturen.

Bijna een halve eeuw puberen

Over die puberteit zijn duizenden onderzoeken verschenen. Wat de zin van al die onderzoeken is, is af en toe de vraag. Zo blijkt dat linkshandigen het stadium van de puberteit 4 tot 5 maanden later bereiken dan rechtshandigen. Ik ben ontzettend rechtshandig, dus kun je nagaan…

Voor mij is de intrede in de puberteit trouwens al bijna een halve eeuw geleden. Ik weet het nog: ik liep nét de trap af en ik voelde me opeens een heel ander mens. Ik was puber geworden. Op de zevende trede.

Hoewel: de ware puberteit duurt je leven lang…

Nog niet voldoende reguleren

Maar wat zou nu de belangrijkste verklaring zijn voor de ongemakken van dat puberende brein? Dat is dat bepaalde gedeelten onder de hersenpan verder zijn ontwikkeld dan andere delen. De verstoring zit vooral in de prefontale cortex. Dat is het gebied waar de regulering van het gedrag plaats vindt.
Bij bij sommige dementerende mensen kun je aan heftige ontremmingen zien dat de neurologische problemen in dat gedeelte van de hersenen zitten. De omgeving snapt er dan niets van hoe Pa, die altijd zó netjes en geordend was nu opeens compleet vloekend uit zijn dak gaat.

Bij pubers zou de communicatie tussen de emotionele structuren en de regulerende delen van de hersenen niet goed verlopen. De emoties zijn heftig, maar ze worden nog niet voldoende in bedwang gehouden door het wat meer rationele deel van de hersenen.

Korte termijn doen gaat voor lange termijn denken

Daarmee samenhangend is dat pubers vooral kortetermijndoeners zijn en minder langetermijndenkers zijn. Een instant-beloning werkt beter dan een beloning op lange termijn. Sterker nog: die laatste werkt eigenlijk niet goed.
Dit laatste betekent ook dat de meeste pubers geen enkele boodschap hebben aan bijvoorbeeld de waarschuwing van hun ouders dat excessief drinken op jonge leeftijd je hersenen aantast. Dat laatste merk je immers niet meteen? Dat is van later zorg…

Kinderangsten (3): angsten bij de peuter (vervolg)

a. De meest genoemde en meest intense angsten bij de peuter zijn (volgens een onderzoek van Verhulst en Akkerhuis):
1. angst voor haren knippen en wassen
2. angst voor honden
3. angst voor insecten
4. angst voor donker

b. Een ander type angst bij de peuter  is de verlatingsangst. Het kind ‘ontdekt’ dat het bij zijn moeder vandaan kan lopen. Het kan er zelfs tegen dat zijn moeder even niet in het zicht is (een knuffel of de voorstelling van moeder vervangen de aanwezigheid van de moeder, als je ziet hoe sommige knuffels er uit zien vraag je je vervolgens ook wel weer af hoe die moeder er uit ziet…).

De keerzijde van het zélf weglopen is echter dat het kind ook bang wordt dat mamma bij hem weg kan lopen. We noemen dit de verlatingsangst. Dit is de periode waarin een nachtlampje aan moet. En je moet als ouder een tijdje hoorbaar op de overloop staan te strijken totdat de peuter in slaap valt. Zie je gezinnen met fraai gestreken kleding lopen, dan is waarschijnlijk één van de gezinsleden ongeveer twee jaar oud.

c. Een deel van de angsten wordt veroorzaakt doordat kinderen situaties niet kunnen begrijpen. Selma Fraiberg spreekt hierbij over de magische wereld van het kind. Als het legoblokje in de stofzuiger kan verdwijnen kun jij ook door de slang opgezogen worden. Als het water door het afvoerputje van het bad verdwijnt kun jij ook zomaar door het afvoerputje verdwijnen. Ook onze taal is voor peuters volkomen onbegrijpelijk. Vader zegt: “Je eet de oren van mijn hoofd”, waarop de peuter angstig naar de oren van zijn vader kijkt.

Kinderangsten (2): baby en peuter

Als de baby ruim een half jaar oud is, is hij al redelijk voorspellen wat er gaat gebeuren. Hij hoort zijn moeder de trap op lopen en hij weet: straks gaat de deur open. Hij is gewend aan vertrouwde patronen. Wat daarvan afwijkt roept nu angst op. Andere mensen passen niet in het bekende patroon. Dat verklaart ook nog voor een deel de eenkennigheid.

Waarom het ene kind deze eenkennigheid veel sterker vertoont dan het andere kind stip ik slechts even aan. Ik vermoed zelf dat dit met name een kwestie is van temperament én van gevoeligheid voor indrukken. Hoe prikkelgevoeliger het kind is, hoe eerder het ook eenkennig zal zijn.

Wat het huilen betreft: een jonge baby huilt o.a. van ongemak. Als hij mamma niet ziet bestaat mamma ook niet meer. Maar vanaf ongeveer een half jaar krijgt het huilen een nieuwe functie. Mamma is weg, maar door mijn huilen kan ik mamma weer terug halen.

3. DE PEUTERLEEFTIJD
Als de peuter ongeveer 1½ jaar oud is beginnen zich stukjes van het ‘ik’ te ontwikkelen. Het kind ontdekt dat hij zaken kan regelen. ‘Als ik dit doe gebeurt er dat’. De keerzijde van deze ontwik-keling is dat de angsten toenemen.

De peuter wordt bang voor dingen waar hij géén controle over heeft. Het thema van de controle is wezenlijk voor het begrijpen van de angsten van peuters en kleuters, maar ook voor álle levens-fasen die volgen.

a. Een aantal angsten die bekend zijn bij de peuter:
– angst voor natuurverschijnselen (onweer, storm)
– angst voor water (vooral voor grote wateroppervlakten)
– angst voor vreemde dieren
– angst voor het donker

De meest genoemde en meest intense angsten bij de peuter zijn (volgens een onderzoek van Verhulst en Akkerhuis):
1. angst voor haren knippen en wassen
2. angst voor honden
3. angst voor insecten
4. angst voor donker

Bij deze angsten zie je heel sterk de angst voor controleverlies terug. Kijk bijvoorbeeld eens naar het haren knippen. Er wordt een stukje van je lichaam afgeknipt, je kunt het voor een deel niet zien en dan zegt je moeder ook nog eens: “stil zitten, anders knipt de kapper een stuk van je oor af”. Peuters zijn erg bang voor beschadigingen aan hun eigen lichaam. Voor hen is het dan alsof ze geamputeerd worden.

Autismemop

Een 8-jarige meisje met autisme vraagt aan mij:

“Houdt u van moppen?”
Ik zeg ‘ja!’

“Kent u die van die mummie?”
Ik zeg: “Nee, die ken ik niet!”

Zij: “Zal ik hem dan vertellen?”
Ik zeg: “Ja, vertel maar!”

Zij: “Die is ingewikkeld…!”

Ik moet lachen…
Zij vraagt: “Waarom lacht u nu?”

Kinderangsten (1)

1. OMSCHRIJVING
Bang zijn is nuttig. Het beschermt mensen tegen grote gevaren. Door bang te zijn ben je alert en door alert te zijn voorkom je ongelukken. Kinderen die niet bang zijn vormen een gevaar voor zichzelf en voor hun omgeving.

Alle kinderen zijn bang, maar er bestaan wel grote verschillen tussen kinderen onderling in de manier waarop ze met hun angst omgaan. Niet de belangrijkste vraag is of kinderen bang zijn, maar hoe ze met hun angsten om gaan.

Angsten vormen een bijzonder primaire reactie bij de mens. Je hele lichaam doet mee. Het hart gaat sneller kloppen, de bloeddruk en het suike-rgehalte stijgen, de spijsvertering stopt. Je lichaam verkeert in een alarmfase: moet ik vechten of ga ik vluchten? (fight or flight)

Er zijn echter ook mensen die blokkeren in hun angst: ze bevriezen en kunnen geen kant meer uit. “Ik was aan de grond genageld”.

Angst wordt gedefinieerd als (Verhulst, 1997): “Een onplezierig gevoel van beklemming of spanning dat zich duidelijk onderscheidt van andere onplezierige gevoelens zoals depressie, pijn en rouw. Angst gaat gepaard met typische moto-rische en fysiologische verschijnselen”.

2. ANGSTEN BIJ DE BABY

a. Al voor de geboorte reageert de baby op mogelijk gevaar. Hij reageert ook al op de angsten van de moeder. Het functioneren van het lichaam van de moeder (dus ook haar angst met alle lichamelijke gevolgen van dien) is van directe invloed op de ongeboren baby. Moeders die tijdens de zwangerschap aan veel stress worden blootgesteld hebben vaak meer prikkelbare, vaker ontregelde kinderen, met ook vaker fysieke ongemakken.

b. Na de geboorte vallen vooral de lichamelijke reacties op. De baby schrikt van harde geluiden, van plotselinge bewegingen en van lichtflitsen (bijvoorbeeld als er een foto wordt gemaakt). Als hij niet goed wordt vastgehouden (hij ervaart verlies van steun) verkrampt de baby. Er volgt ook een angstreactie op vallen en op pijn. Het is echter nog wel zo dat de baby die angsten niet kan voorspellen. We kunnen nog niet spreken van echte angst, wel van ontreddering die vooral fysiologisch bepaald is. De baby reageert direct op wat er gebeurt, maar hij kan het angstaanjagende nog niet voorspellen.

c. Een bijzondere angst is de scheidingsangst. Die angst heeft te maken met de emotionele ontwikkeling van het kind. Op de leeftijd van ongeveer 6 á 7 maanden ontwikkelt de baby de zgn. object permanentie. Hij beseft dan dat wat hij niet ziet er toch is. Tegelijkertijd gaat hij veel scherper zien. De combinatie van deze twee ontwikkelingen leidt er mede toe dat de baby opeens onrustig wordt als bekende mensen ‘verdwijnen’ en/of als vreemden in de buurt komen (eenkennigheid). Mamma ziet er anders uit dan de buurvrouw, mamma is het meest vertrouwd, de buurvrouw roept angst op.