De 101-jarige

Zaterdag werd hij 101 jaar oud.
Mijn vroegere hoogleraar theoretische pedagogiek aan de Vrije Universiteit.
 
De enige docent waar de studenten bij zijn binnenkomst van de collegezaal in de roerige jaren ’60 nog voor opstonden. Door vrijwel alle studenten, van links tot rechts, werd hij gewaardeerd.
 
Prof. Dr. J.W. van Hulst.

Als directeur van de Hervormde Kweekschool slaagde hij er in om samen met docenten en leerlingen ongeveer 500 Joodse kinderen uit handen van de Duitse bezetter te houden. Hij kreeg daarvoor de Yad Vashem-onderscheiding.

Zondag was hij te gast bij Ivo Niehe. En het was of hij nog helemaal niet was veranderd. Zijn spraak, zijn interessen, zijn analyse van de wereld…

Hoe wordt je zo 101 jaar oud? Volgens Van Hulst helpt het in ieder geval als je veel leest en meerdere malen per week schaakt…

Kriebeltrui en andere ongemakken

In mijn cursussen besteed ik aandacht aan zintuiglijke over-en ondergevoeligheden. Dat is vooral het vakgebied van de Sensomotorische Integratie (SMI), maar ik heb er ook een graantje van meegepikt.

Zowel vanwege de cursussen die ik geef over hechting als die over autisme kan ik niet om de werking van de zintuigen heen. Ik noem de zintuigen ook wel de voertuigen van de hechting.

Als er iets ‘mis’ is met de zintuigen heeft dat consequenties voor de hechting. Een kind dat niet aangeraakt wil worden heeft veel meer moeite om zijn moeder te leren kennen, een kind dat niet hoort mist de stem van zijn moeder, een kind dat een overgevoelig gehoor heeft kan last hebben van de stem van zijn moeder. Kinderpsychiater Stanley Greenspan heeft over dat laatste aspect in zijn boeken op indrukwekkende aandacht aan besteed.

Als ik naar de zintuigen kijk, zit ik meestal aan de overgevoelige kant (hypersensitief). Dat leidde als kind tot veel last met kriebeltruien, borstrokken, wollen sokken en andere kledingstukken die rond 1960 als warm en dus gezond door gingen. Ik had goede tijden (zonder kriebels) en slechte weken (mét al die kriebeltoestanden). De halve winter jeuk… En dan heb ik het nog niet over pap met klonten… Dat is weer een andere (over)gevoeligheid.

Maar nu las ik in een artikel een wel erg interessante hypothese over handenarbeid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Mensen met Syndroom van Down houden van dikke wollen draden, mensen met autisme hebben een grote voorkeur voor dunne niet kriebelende touwtjes. Het zou (althans in zijn algemeenheid) best eens waar kunnen zijn…

Ik ben twee en ik zeg nee…

De sociaal-emotionele basis van het kind is klaar als het drie jaar oud is.

Daar kwamen vragen over. Want waarom is dat zo? En wat gebeurt er als er in die eerste drie jaar van alles mis gaat?

Die eerste drie jaar heeft alles te maken met hechting. Een veilige hechting betekent dat het levenshuis een fundament heeft. De rest van het leven wordt er aan de emotionele ontwikkeling verder gebouwd op basis van dat fundament. Bij kinderen met een onveilige hechting zitten er scheuren in dat fundament. Dat betekent dat alle volgende fasen van de ontwikkeling moeizamer verlopen. 

Tegenwoordig bestaan er zgn. inhaalstrategieën voor kinderen die zich in de eerste drie jaar niet goed hebben kunnen hechten. Het zijn intensieve vormen van behandeling waarbij de therapeut terug gaat naar dat wat het kind in de eerste drie jaar gemist heeft. Er moet alsnog geheid worden om het emotionele fundament steviger te maken. Maar dat is dan wel een intensieve therapeutische kunstgreep die soms jaren duurt. Het huis is in aanbouw en dan moet er ondertussen ook nog gesleuteld worden aan het fundament.

Symbiose en loslaten
In de eerste acht maanden groeit het kind steeds meer naar de moeder toe. Uiteindelijk ontstaat er een vorm van symbiose: moeder en kind zijn heel sterk met elkaar verbonden. Dat betekent ook dat mensen niet meer inwisselbaar zijn: wij horen bij elkaar. De vader doet ook wel mee, trouwens, maar bij bijna alle kinderen is de moeder op deze leeftijd nog de meest intensieve hechtingspersoon. 

Maar het kind moet ook weer leren los te laten.  Inmiddels ben ik van mening dat dat de meest complexe emotionele opdracht voor het kind is. Maar het is ook een noodzakelijke stap. Want alleen dan kan het kind een eigen ‘ik’ ontwikkelen. Dat eigen ‘ik’ vormt op zijn beurt weer de basis voor de verdere ontwikkeling richting puberteit.

Eigen ik

De periode van de ontwikkeling van het eigen ‘ik’ is een lastige periode omdat de peuter eigenlijk steeds groot én klein wil zijn. Net zoals de puber trouwens die wil dat zijn moeder zijn brood smeert én die zelf wil bepalen hoe laat hij thuis mag komen…

Op tweejarige leeftijd weet de peuter nog niet goed wat hij wél wil. Het is”: ‘Ik ben twee en ik zeg nee’.

Op driejarige leeftijd is het kind beter in staat om plannen te maken. Dan wordt het: ‘Ik ben drie en ik wil de regie’. De peuter wil bepalen wat er gaat gebeuren. Dat kan ook lastig zijn, hoewel ik het als vader ook een boeiende periode vond. Sommige ouders vragen zich in deze periode af of er toch niet behangen moet worden met tegelijk een peuter achter het behang.

Maar deze ‘dwarse’ periode is opnieuw noodzakelijk voor de verdere groei. Zonder eigen ‘ik’ durft de peuter onvoldoende op onderzoek uit te gaan (de vierde stap in de Cirkel van Veiligheid, blog van 18 januari).

Kinderen zonder voldoende ‘ik’-ontwikkeling leren vaak onvoldoende om eigen denken en handelen te organiseren. Want om dat te leren moet je steeds weer oefenen met afstand, nabijheid en spel, ook als je ouders niet zo dicht in de buurt zijn…

Pubers opvoeden, kan dat?

Tijdens lezingen over opvoeding (dat doe ik trouwens zelden meer sinds hier in huis geen kinderen meer fysiek aanwezig zijn & aan een Poes valt nu eenmaal niets op te voeden…) zeg ik altijd: “Met twaalf jaar gaan je kinderen de deur uit.”

Met andere woorden: wie daarna nog een stevig potje wil gaan opvoeden is te laat. De opvoeding is ‘klaar’ als kinderen twaalf jaar oud zijn. De emotionele basis voor kinderen is al klaar als kinderen drie jaar oud zijn.

Van de Deense gezinstherapeut Jesper Juul citeer ik regelmatig uit zijn boeken over opvoeding. Maar hij heeft zich nu ook gewaagd aan de opvoeding van pubers.

Juul: “Als kinderen twaalf jaar oud zijn, zijn ze te oud om ze nog op te voeden. Dat vertellen ze ons ook, maar wij horen dat meestal niet.”

Dat wil niet zeggen dat ouders niet belangrijk zijn voor pubers. Alleen de rollen zijn anders geworden: ouders zijn volgens Juul sparringpartner geworden.

Over de vraag hoe dat er uit ziet gaan maar liefst 150 van de 200 bladzijden die het boek telt. Daarin geeft Juul antwoord op brieven van bezorgde ouders en daarin worden ook therapie sessies beschreven die hij met hele gezinnen voerde. Een veel voorkomend ‘probleem’ is daarbij de door de ouders ervaren ‘luiheid’ van het kind (niets opruimen, niet leren op school) en het gebruik van drank of het zich niet houden aan regels.

Het gaat Juul bij pubers om de dialoog (dat is nog wel wat anders dan een onderhandelingscultuur). Communicatie betekent letterlijk: iets samen delen.

Of Juul op alle punten gelijk heeft? Ik ga nog wel een paar kritische vragen stellen (ik moet het boek nog recenseren). Maar dat de puberteit om een andere rol van ouders vraagt, dat ben ik helemaal met Jesper Juul eens.

Jesper Juul: Pubers opvoeden, kan dat? Uitgeverij Forte, 192 blz., E 17,95

Sociaal-emotionele basiskleur

Er zijn mensen die beweren dat het onmogelijk is om het sociaal-emotionele niveau van mensen in kaart te brengen. Eén van die mensen beweert dat dat niet kan omdat je de emotionele ontwikkeling niet goed kunt meten.

Andere mensen beweren dat je het emotionele niveau prima kunt meten. Ze hebben het over het Emotionele Quotiënt. Dat quotiënt zou ook leerbaar, trainbaar zijn.

In mijn werk heb ik het veel over de sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij alle cliënten heb ik al vrij snel een idee hoe het sociaal-emotionele beeld er uit ziet. En dat bepaalt weer voor een groot deel de draagkracht van de persoon. Maar die ontwikkeling zie ik niet als iets wat ‘bereikt’ kan worden. Het gaat vooral om, wat Jesper Juul noemt, de eigenwaarde, het fundament waarop iemand zich gedragen weet. Ik noem dat de sociaal-emotionele basiskleur. Die bepaalt een groot deel van de persoon in relatie tot zichzelf en tot anderen.

Die basis is al rond het derde jaar van kinderen helemaal klaar. Wat er daarna gebeurt aan persoonlijke ontwikkeling bouwt voort op die eerste drie jaar.

Iedereen groeit na zijn derde jaar verder. De vaardigheden groeien en daarmee ook de mogelijkheden tot ‘coping’, tot het kunnen hanteren van spanning en stress. Maar diezelfde vaardigheden kunnen ook jarenlang de sociaal-emotionele kwetsbaarheid camoufleren.

Bij chronische stress, als de draaglast langdurig zwaarder is dan de draagkracht, lukt het allemaal opeens niet meer. Dat komt omdat het kúnnen (zie het blog van een paar dagen geleden) het áánkunnen jaren lang heeft gecamoufleerd. Het is aangeleerd gedrag dat geworteld is in onvoldoende sociaal-emotionele basis.

Mensen die zo lang op hun tenen moeten lopen verbruiken vaak ontzettend veel energie. Erik Erikson noemt dat ‘waden door de stroop’. Je probeert wel vooruit te komen, maar het schiet maar niet op. Daarom voelen deze mensen zich ook vaak ontzettend moe.

Pas als kunnen en áánkunnen beter op elkaar afgestemd raken ontstaat er ook weer nieuwe energie…

Bijtgedrag bij kinderen

De meeste ouders lopen wel eens rond met de tanden van hun kinderen in arm of been. Want als je een gebit hebt moet je dat ook kunnen gebruiken. En wat is er nu lekkerder dan zo’n hapje mals pappa- of mamma-vlees?

Trouwens, af en toe hoor ik ook wel eens een moeder met bijtneigingen. Die zegt dan tegen haar kind: “Ik kan je wel opeten, zó lief vind ik je…” Vaders heb ik dat nooit horen zeggen. Misschien zit het kannibalisme dus meer in de vrouw.

Bijtgedrag van kinderen roept vaak een heftige reactie bij opvoeders op. Die schattige peuter die jou opeens zo’n pijn doet!

Dat je heftig reageert is logisch, want het doet vaak erg zeer. Bovendien voelt het emotioneel als belastend: bijtgedrag (en spugen) komen dichterbij dan een klap die je oploopt.

Bovendien hebben we in onze reflex ook nog eens de neiging om precies te doen wat niet handig is: je arm snel wegtrekken. Dan heb je echter juist een grotere kans op verwondingen…

Waar komt dat bijtgedrag vandaan? In de ontwikkeling van baby’s en peuters zie je twee momenten. De eerste is als de tanden door komen en ontdekt worden.

De tweede piek is als kinderen al wel beter kunnen denken, maar nog onvoldoende in staat zijn om te praten. De frustratie van het ‘meer kunnen bedenken dan uitleggen’ leidt nogal eens tot bijtgedrag. Dat bijtgedrag gaat bijna altijd weer over als kinderen met woorden beter kunnen uitleggen wat ze bedoelen.

Bijtgedrag komt heftig binnen. Het is nodig om dit gedrag te begrenzen. Maar bedenk wel dat een jonge peuter nog geen idee heeft dat hij de ander pijn doet.

Auditieve overgevoeligheid en autisme

Ik heb er al veel vaker over geschreven.
Eén van mijn stellingen in cursussen en besprekingen is dat opvoeders veel meer over de zintuigen van kinderen moeten weten.

Via de zintuigen nemen we de wereld waar. Als de zintuigen niet goed werken raakt ons beeld van de wereld verstoord.

De problemen met de verwerking van informatie via de zintuigen vormen waarschijnlijk de kern van de problemen die mensen met autisme hebben.

Daarbij is vermoedelijk de auditieve overgevoeligheid het meest belastend. Een moeder zei over haar dochter: “Mijn dochter heeft geen oorpijn, maar hoorpijn!” Alle geluiden deden haar pijn.

Gevoelige oren kunnen mensen creatief tot grote hoogte brengen, want je hebt auditieve gevoeligheid nodig voor muziek. Maar tegelijkertijd klagen mensen die auditief gevoelig zijn ook vaak dat geluiden pijn doen aan hun oren.

Er zijn zelfs mensen die beweren dat er een sterk verband bestaat tussen muzikaliteit en autisme. Maar om nu te zeggen dat het Concertgebouworkest uit autisten bestaat, dat gaat ook weer een beetje te ver.

De Amerikaanse kinderpsychiater Stanley Greenspan heeft de gevoeligheden van de zintuigen geleidelijk aan steeds verder in kaart gebracht in zijn boeken.

Een voorbeeld dat hij beschrijft is een meisje dat steeds haar hoofd afwendde als haar moeder in de buurt kwam. De moeder was daardoor steeds onzekerder geworden, ze voelde zich falen als moeder. De vader had met zijn dochter een goed contact.

Bij nader onderzoek bleek dat het meisje een zeer scherp gehoor had en haar moeder een scherpe stem. Die twee dingen gaan moeilijk samen.

Toen de moeder leerde om donkerder tegen haar dochter te spreken verbeterde het contact tussen moeder en dochter… De dochter had niets tegen haar moeder. Ze kon niet tegen de stem van haar moeder. De moeder was geen verkeerde moeder. Ze moest alleen haar stem iets anders gaan gebruiken…

Is het alléén autisme?

Henny Struik stelt in het boek ‘Niet ongevoelig’ (over vrouwen met autisme) dat veel vrouwen met autisme ten onrechte een andere diagnose krijgen, zoals borderline. Volgens haar missen de diagnostici van de GGZ veel te vaak de diagnose autisme bij vrouwen, omdat ze bij autisme aan een mannelijke stoornis denken. Bovendien ziet autisme er bij vrouwen anders uit dan bij mannen.

Voor een stukje zou Struik gelijk kunnen hebben, maar voor een ander deel pakt ze haar verhaal ook weer te massief op. Ze lijkt veel te veel vanuit het autisme te willen verklaren. Maar het is niet óf-óf, veel vaker is het én-én. Maar daarbij kan het wel best eens zo zijn dat er inderdaad in de vroege jeugd al sprake was van autistische kenmerken.

Doordat de omgeving onvoldoende ingesteld was op het autisme ontwikkelde zich vervolgens een persoonlijkheidsstoornis. Of depressieve kenmerken of een burn-out als gevolg van overvraging.

Henny Struik noemt bijvoorbeeld een vrouw die van jongs af aan het gevoel had dat ze geadopteerd was. Ze hoorde er niet echt bij. Alsof ze een vreemde was in het gezin.

Een andere mevrouw kan tot in detail allerlei jeugdherinneringen vertellen. Mensen met autisme hebben vaak een fotografisch geheugen dat veel verder terug gaat dan bij andere mensen. Iemand met autisme kan soms dingen vertellen van wat er gebeurde op 2½ jarige leeftijd, zonder dat dit verhaal gekleurd is door verhalen van anderen. Mensen zonder autisme weten die gebeurtenissen niet, of ze hebben het van horen zeggen en kleuren het vervolgens als hun eigen ervaring in.

Of de mevrouw die minitieus over geuren kan vertellen. Ze heeft daarnaast buitengewoon scherp gehoor. Iedere nacht wordt ze om 03.20 wakker van een goederentrein die het dorp passeert.

Bij al deze vrouwen waren en zijn enkele kenmerken van autisme aanwezig. Maar ze hebben in de hulpverlening een andere diagnose gekregen. Vreemd is dat niet. Zo kun je bij de eerste mevrouw ook denken aan een hechtingsstoornis. Of aan een schizotypische ontwikkeling.

Mensen met een ijzersterk geheugen hebben ook een probleem. Je kunt maar beter af en toe wat vergeten. Want deze mensen hebben de neiging om alles (maar ook: iedereen) onder controle te houden. Dat kan leiden tot trekken van borderline.

Kijk je op een ontwikkelingsdynamische manier naar deze ontwikkeling, dan zie je kwetsbare kinderen (met trekken die bij autisme passen), die een speciale omgeving nodig hebben. Maar de gemiddelde omgeving is niet zo speciaal. Het gevolg is dat ze in hun ontwikkeling vastlopen, met bijvoorbeeld naast hun autisme een persoonlijkheidsstoornis, een depressie, een hechtingsstoornis, enzovoorts.

Het is dus én-én, en niet óf-óf.

Asperger: jonger of ouder

Het voorstel is dat de aparte diagnose Syndroom van Asperger gaat vervallen in het komende spoorboekje van de psychiater: de DSM-V.

Het Syndroom van Asperger is één van de diagnoses die vallen onder het zogenaamde autistisch spectrum. Mensen met Asperger hebben vaak een goed taalgebruik, waardoor ze hun beperkingen op sociaal gebied vaak camoufleren.

Er wordt beweerd dat austisme (en daarmee ook het Syndroom van Asperger) vooral bij mannen voor komt (75% zou man zijn). Henny Struik stelt in haar boek ‘Niet Ongevoelig’ dat dit syndroom net zo veel bij vrouwen voor komt.

De laatste jaren krijgt de diagnose Asperger veel aandacht. Ten onrechte wordt vaak beweerd dat hoogbegaafdheid en Asperger samen zouden vallen.

Ook een misverstand is dat kinderen met Asperger het liefste alleen zijn en niet met anderen samen willen of kunnen spelen. Vaak willen ze erg graag contact, maar hoe maak je contacten met mensen die per definitie onvoorspelbaar zijn? Ik maak hierbij wel de kanttekening dat autisme (en ook Asperger) in allerlei gradaties bestaat.

Kinderen met Asperger maken vaak contact via bepaalde meer intellectueel getinte thema’s die tot obsessies kunnen worden. Ze vinden elkaar bijvoorbeeld in het bestuderen van sterrenbeelden, prehistorische dieren of treinen.

Daarnaast valt vaak op dat ze met jongere kinderen spelen. Met leeftijdgenoten contact opbouwen is voor hen veel moeilijker. Soms zie je een kind met Asperger de leiding hebben over een aantal jongere kinderen. Dat komt doordat ze over jongere kinderen controle kunnen hebben. Het spel gaat goed zolang zij maar de controle hebben.

Aan de andere kant zijn er kinderen met het Syndroom van Asperger die sterk naar volwassenen trekken. Ze bezoeken graag hun opa en oma en kunnen daar hun verhalen kwijt aan iemand die luistert. Ook in deze situatie gaat het uiteindelijk om de controle.

Iets echt samen doen en samen delen (communicatie betekent letterlijk: iets samen delen), dat is voor mensen met autisme erg moeilijk. Dat is geen onwil, maar onmacht.

(FI) – ADHD en het eliminatie-dieet

“Een dieet? Ik begin er niet aan. Dat is me veel te veel werk”. Aldus de moeder van twee zoons die ADHD zouden hebben.

Eerder in het gesprek had de moeder gezegd dat haar kinderen echt gehandicapt waren door hun afwijking en dat ze daarom ook echt medicijnen nodig hadden.

Ik vroeg me af hoe de moeder zou reageren als haar kinderen een ernstige lichamelijke beperking zouden hebben. Zou ze dan ook zeggen: “Een rolstoel? Ik begin er niet aan! Dat is me veel te veel werk!”

Maandag promoveert – als ze tenminste dit weekend niet van de trap valt – Lidy Pelsser op een onderzoek naar ADHD en dieët. Eerder al haalde ze de kranten met een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift The Lancet.

Volgens dat onderzoek zou twee op de drie kinderen met ADHD baat hebben bij het zogenaamde eliminatie-dieet. De verbeteringen treden trouwens ook op bij het zogenaamde oppositionele gedrag (ODD).

Het eliminatie-dieet begint met een heel streng diëet (dat inderdaad ingrijpend is voor een gezin), maar daarna worden er steeds voedingsstoffen toegevoegd om te kijken wáárop het kind nu precies reageert. Bij het ene kind kom je uiteindelijk op een weinig ingrijpend dieet uit, het andere kind vertoont mogelijk meer reacties op allerlei voedingsstoffen. Dan zit je dus aan een meer ingrijpend dieet vast.

Opmerkelijk is dat Pelsser niet op het spoor zit dat jaren lang werd gevolgd: suiker en kleurstoffen zijn de boosdoeners. Dat blijkt helemaal niet in die mate het geval te zijn bij ADHD en ODD.

Pelsser stelt dat het overgrote deel van het gedrag dat ADHD en ODD wordt genoemd te maken heeft met voeding: (food-induced – FI) ADHD of ODD, waarbij een dieet veel beter werkt dan pillen.

Daar is de farmaceutische industrie niet blij mee, want Ritalin en aanverwante artikelen vormen een goudmijn. ADHD is dan ook de meest gestelde kinderpsychiatrische diagnose.

Ook de oudervereniging Balans was zeer kritisch over de resultaten van het onderzoek. Waarom dat zo is zou op zichzelf al een nader onderzoek waard kunnen zijn. Vertrouwt men het onderzoek niet? Leunt Balans teveel op de farmaceutische industrie? Vindt men dat je het ouders niet moeilijk moet maken? (een pilletje is gemakkelijker dan een dieet). Overkomt Balans hetzelfde als wat Alvin Gouldner beschreef in zijn artikel The secrets of Organisations? (een verborgen agenda hanteren om de belangen van de vereniging veilig te stellen). Je mag best verwachten dat een oudervereniging kritisch is, maar ze mogen toch ook blij zijn met iedere mogelijk zicht op verbetering.