Affectfobie (3)

Er zijn gevoelens die voor een kind zó taboe waren dat ze afgeweerd worden en daarmee op den duur ook niet meer herkenbaar zijn.

Veel mensen hadden moeite met mevrouw De Jong. Zij was erg claimend. Ook op feestdagen (als haar familie op bezoek was) wilde ze toch aandacht. Later bleek dat mevrouw De Jong als kind naar een pleeggezin was geplaatst omdat haar moeder niet tegen haar vrolijk drukke gedrag kon. Ze had verdrietig moeten zijn om haar overleden zusje. Eigenlijk werd ook zij als kind niet gezien. En nu eiste mevrouw De Jong alle aandacht op. De emotionele pijn zit waarschijnlijk in het zich schuldig voelen vanwege de verwijten van haar moeder. Misschien ook in de boosheid dat ze uit huis werd geplaatst. De afweer zit ook bij mevrouw De Jong is het eisende gedrag. Ze is bang dat ze er niet mag zijn en nu wil ze alle aandacht zodat ze op die manier alsnog gezien wordt.

Personendriehoek

Mc Cullough ontwikkelde in dit kader ook een personendriehoek. De personen uit het verleden zijn bepalend voor de manier waarop iemand in het heden met anderen om gaat. Daarom schrijft ze in het kader van de therapie ook voor dat de mensen van vroeger ‘in beeld’ zijn.

Hoe was het gezin waar in je opgegroeid bent? Welke broers en zussen, en hoe waren die contacten? Hoe waren de relaties met de rest van de familie? Hoe wordt er gesproken over vroegere vrienden, over onderwijzers, over de kerk enzovoorts. De wijze waarop je als kind tegenover belangrijke anderen stond bepaalt voor een aanzienlijk deel hoe je nu met andere mensen in je omgeving om gaat.

Peter had een moeder die alles in de gaten hield. Hij had voortdurend het gevoel dat hij geen kant uit kon. Als het niet precies ging zoals zijn moeder in haar hoofd had werd ze erg boos. Om te voorkomen dat zijn moeder boos werd probeerde hij het haar zoveel mogelijk naar de zin te maken. En verder had hij nog een andere strategie ontwikkeld: hij maakte zichzelf onzichtbaar en ging vooral zijn eigen gang. De remming zit bij Peter in het gevoel dat hij het nooit goed genoeg kan doen. Daarop heeft hij een disadaptieve reactie ontwikkeld: hij duikt onder. Een andere vorm van afweer is dat hij zich voortdurend gecontroleerd voelt. Daardoor reageert hij heftig op mensen waarvan hij het gevoel heeft dat ze een oordeel over hem kunnen hebben. Dat leidt regelmatig tot conflicten met zijn baas, sommige collega’s en familieleden.

De reden waarom Peter zo gevoelig is voor reacties uit de omgeving is hij zich eigenlijk niet bewust. Hij weet dat hij ‘allergisch’ reageerde op zijn moeder. Maar hij had geen enkel idee dat dat ook in andere relaties een rol speelde.

Hoe was het vroeger en hoe is het nu?

De therapeut roept tijdens de behandeling deze gevoelens in een veilige context opnieuw op. Wat taboe was geworden moet nu opnieuw boven komen. Wat gebeurde er precies thuis? Welke gevoel riep dat op? (ik doe het altijd verkeerd, ze ziet ook alles, ik heb er toch geen invloed op). Hoe was het gedrag in de thuissituatie? (erg zijn best doen, proberen het zijn moeder naar de zin te maken, veel zijn eigen gang gaan). 

Is dat allemaal herkenbaar in de situatie van het hier-en-nu? Door vooral in te zoomen op de oplossing wordt voorkomen dat er een herhaling van zetten ontstaat. Die herhaling zou bijvoorbeeld kunnen zitten in het zich slachtoffer voelen (‘ik kon niks doen tegen mijn moeder, ik kan niks doen tegen mijn baas’).  

Een passende reactie van de therapeut is: “Als kind wist u zich geen raad met de situatie. U wilde uw moeder niet boos zien en daarom deed u erg uw best. Maar dat was niet vol te houden. Daarom ging u ook vaak uw eigen gang. Maar nu bent u volwassen en hebt ú de regie. Het kan best zijn dat u correcties van mensen vervelend vindt, maar ze zijn uw moeder niet. U kunt leren om er op een bij u passende manier mee om te gaan. Kunt u een voorbeeld bedenken wat er in uw omgeving gebeurt? Wat voor gevoel roept dat bij u op? En hoe zou u zó kunnen reageren dat u het gevoel hebt zelf invloed te hebben op uw situatie?”

NB: deze snelle 'scan' van de affectfobie en de mogelijke behandeling met AFT (AffectFobieTherapie) heb ik ontleend aan een artikel van Quin van Dam en Marc Hamburger in het Tijdschrift voor Psychotherapie, 2014 (40). 

Affectfobie

Nu even iets anders. Straks weer verder met de 'borderline-samenleving'. Maar ik maak het jullie niet gemakkelijk. Het onderwerp 'affectfobie' kan ook knarsen onder het schedeldak. 

Bij een fobie denk je aan een angst voor iets buiten de persoon. Er zijn mensen bang voor spinnen, anderen zijn bang voor kleine ruimtes. Er zijn ook mensen bang voor honden, of mensen die bang zijn om te vliegen. Weer anderen zijn bang voor de tandarts of voor injecties.

Een fobie gaat overigens dieper dan een angst: een fobie beheerst je hele leven. Je kunt ook bang zijn om te vliegen, maar gewoon bedenken dat je dan dus maar niet gaat vliegen. Dan gaat het leven daarna wel weer verder. Je ziet ze alleen af en toe vliegen.

Van een affectfobie wordt gesproken als er spanningen zitten in de persoon. Het is dus geen externe fobie, maar het zit van binnen. Er zijn emoties die taboe zijn. De afweer om deze emoties te kunnen vermijden roept veel angst op.

Volgens de Amerikaanse psychotherapeute Leigh McCullough ontstaan deze spanningen in de loop van de ontwikkeling van het kind. Je maakt als kind bepaalde emoties mee, waar je niet over na kunt of durft te denken, of er zijn emoties die taboe zijn binnen het gezin. Die emoties leiden tot ‘afweer’, de emoties en gevoelens worden onderdrukt en dat beïnvloedt de manier waarop de persoon naar zichzelf en naar de ander kijkt.

Verboden gevoelens

Als een kind in de loop van zijn ontwikkeling leert dat bepaalde gevoelens (zoals woede, verdriet of opwinding) niet geaccepteerd worden, dan worden deze verbonden met angst-, schuld-, of schaamtegevoelens (Quint van Dam en Marc Hamburger, Tijdschrift voor Psychotherapie 2014, nummer 40). De woede, het verdriet of de opwinding worden omgezet in een disadaptieve reactie.

Voorbeelden van dergelijke reacties zijn zelfhaat, onverwachtse woede-uitbarstingen, slachtoffergedrag. Deze reacties worden disadaptief genoemd omdat het gedrag juist het omgekeerde bewerkt van wat de persoon in kwestie zou willen. In plaats van nabijheid gaan anderen de persoon mijden, ze raken gefrustreerd, de persoon in kwestie wordt eenzaam of gaat zich wanhopig voelen.

Cluster C

De afweer tegen de emoties die niet gevoeld mogen worden kan zich uiten in gedrag, maar ook in gedachten of gevoelens. Bij depressies of angststoornissen en bij persoonlijkheidsstoornissen waarbij angst op de voorgrond staat (cluster C: afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, obsessieve-compulsieve persoonlijkheidsstoornis). Mensen met deze stoornissen hebben last van sociale vermijding, dwangmatig handelen en ze hebben de neiging om veel te ‘leunen’ op anderen. De omgeving zegt bij hen vaak: ‘er komt veel minder uit dan er in zit’. Volgens Leigh Mc Cullough zou dat ‘onderpresteren’ met de afweer te maken kunnen hebben. ‘De energie gaat in de verkeerde dingen zitten’.

Chris

Een voorbeeld is Chris. Hij voelde zich als kind niet gezien en niet erkend. Zijn moeder maakte jaren van rouw mee door de ziekte en het overlijden van één van de kinderen. Chris had het gevoel dat het overleden kind op de eerste plaats kwam. Zijn reactie was dat hij zich emotioneel af sloot en zich terug trok. Hij kon en durfde als kind niet boos te zijn op zijn moeder en zijn eigen plek op te eisen. Hij wilde zijn moeder ook beschermen, want ze had het al zo moeilijk (‘parentificatie’).

Nu Chris volwassen is spelen die patronen nog steeds mee, maar op een heel andere manier, in de relatie tot zijn vriendin. Chris durft nu wel gezien worden, maar zijn gedrag is uit balans. Hij eist van haar alle aandacht op. Als ze op een verjaardag veel met vriendinnen praat kan hij daar helemaal niet tegen en wordt hij ontzettend boos en jaloers. Het gevoel als kind niet gezien te zijn vertaalt zich nu in verlatingsangst: hij wil en kan geen aandacht delen.

Alleen als Chris alle tijd en aandacht van zijn vriendin krijgt kan hij zich gezien voelen. Dat er onder dit gedrag een zich eenzaam voelend jongetje schuilt is een emotie die Chris zich niet bewust is.

Afweermechanismen (5)

Kees vroeg naar de uitspraak van Marc Rutte dat hij ergens 'geen actieve herinnering aan had'. Ik heb er ook geen actieve herinnering aan waar Marc Rutte geen actieve herinnering aan had. Maar was dat nu een afweermechanisme? Je zou er wel aan kunnen denken. 

Ik heb niet van de pindakaas gesnoept

Maar eerst de kinderlijke ontwikkeling. De ontwikkeling van afweermechanismen begint al op jonge leeftijd en loopt deels parallel aan de gewetensontwikkeling. Een beroemd voorbeeld uit het levensverhaal van Tineke is dat ze – toen haar moeder uit de keuken kwam – aan tafel spontaan zei: “Ik heb niet van de pindakaas gesnoept.” Dat noemen we loochening.

Is dat dan liegen bij kinderen? Nee, dan leg je er een te zware lading op. Kinderen kunnen nog niet goed liegen. Een deel van de kinderen kenmerkt zich als ‘heelmaker’. Iets wat niet klopt moet ‘gerepareerd’ worden. Tineke had van de pindakaas gesnoept, maar dat gegeven was te belastend voor het ik dat nog in ontwikkeling was. Daardoor klopte haar wereld niet meer. Ze probeerde het te herstellen door een verklaring te vinden. Je spreekt pas van liegen als je de waarheid bewust omzeilt en daarbij allerlei denkmechanismen inzet.

Een ander deel van de kinderen reageert vooral vanuit angst voor straf. Als ik het meteen ontken heb ik het niet gedaan en krijg ik dus ook geen straf. Ook dat is nog geen liegen.

Het niveau waarop de afweer tegen de verdenking van het van de pindakaas snoepen vond deed mij denken aan een cliënt die zich voor mij wilde verstoppen. Hij stopte zijn hoofd in de kast. De rest van zijn bijna twee meter lange lichaam was buiten de kast. 

Rijpe afweer

Wat Marc Rutte betreft citeer ik psychologe Nicole Honnef (dan heb ik het tenminste niet geschreven….): “De meeste mensen ontwikkelen zich, wanneer ze ouder worden, op allerlei terreinen en hun afweer ontwikkelt meestal mee. Laten we nu eens opnieuw naar het voorbeeld uit de vorige paragraaf kijken waarin een kind betrapt werd. We vervangen in dit nieuwe voorbeeld echter het kind met minister president Marc Rutte en confronteren hem met een eerdere uitspraak: “Ik heb hier geen actieve herinnering aan.”

Rutte probeert net als het kind met zijn reactie een vorm van ‘straf’ te vermijden. Hij doet dat echter op een doordachte, subtiele en psychologisch geraffineerdere manier. Er is geen speld tussen te krijgen. Hij herinnert het zich niet meer. Tja, wat moet je dan?

Ga je bewijsmateriaal voorleggen van het tegendeel: een foto van zijn mond met chocolade er omheen? ;). Zelfs dan houdt zijn verweer stand, want hij kan het zich niet herinneren. Hij ontkent het dus niet, althans niet op de primitieve manier. Marc Rutte hanteert rationalisatie (ook wel intellectualisering) als afweer. Hij geeft als het ware voor een onaanvaardbare situatie een logische ‘aanvaardbare ’verklaring.  Dit valt onder rijpe afweer en is lastig te weerleggen en daarmee heel effectief.” Aldus Nicole Honnef.

Je zou de reactie ook kunnen opvatten als een Gish-gallop. Daar heb ik eerder over geschreven. Een Gish-gallop verandert (net zoals een klein tikje tegen de bal op het voetbalveld) onverwachts de discussie in een richting die je niet had verwacht waardoor de ander even achter staat. 

Weglopen (slot)

Weglopen: het zit mogelijk in ons allemaal. Verre reizen naar verlaten oorden zijn misschien ook gebaseerd op de behoefte aan weglopen. Even weg van alle drukte en van alle verplichtingen. 

Angst voor straf

Weglopen blijkt een drietal uitlokkende factoren te hebben. De eerste is de angst voor straf. Als je weet dat je een week binnen moet blijven verkies je misschien je vrijheid boven die week huisarrest. Dat het later nog ingewikkelder wordt neemt een puber zelden direct mee in de afwegingen.

Ruzie

De tweede reden is een crisis of een ruzie. De situatie in huis is zó heftig en/of onvoorspelbaar dat het kind weg wil wezen. Bedenk daarbij dat pubers ook zeer sensitief kunnen zijn en dat een voor volwassenen te hanteren mate van spanning voor hen al snel teveel kan zijn.

Prikkelgevoeligheid

Een derde reden is de behoefte aan rust. Vooral in de tijd dat kinderen geen eigen plekje hadden in gehorige huizen liepen er nogal eens kinderen weg die gewoon de drukte niet aan konden: hun hoofd raakte te vol. Dus hoe drukker het in huis was, des te meer was er de behoefte om weg te lopen om het hoofd weer leger te krijgen.

Opeenstapeling

Maar er kan ook een kleine gebeurtenis zijn die op zichzelf niet veel te betekenen lijkt te hebben. Dan kan het weglopen het gevolg zijn van een opeenstapeling van vervelende gebeurtenissen waardoor de emmer alsnog over loopt.

Waar naar toe?

Waar lopen de jongeren naar toe? Vier op de tien jongeren bedenken zelf onderdak of hebben dit van tevoren geregeld: bij vrienden of kennissen. Opmerkelijk is ook de rol van grootouders waar sommige kinderen zich kennelijk nog veilig voelen. Een andere groep jongeren loopt weg, maar ‘zien wel’. Ze stappen op de trein, slapen op het strand of komen uiteindelijk iemand tegen die hen onderdak biedt.

(G) een avontuur

Het weglopen voor een avontuur komt naar verhouding weinig voor. Er zijn maar weinig jongeren die ‘zoek’ raken om iets spannends mee te kunnen maken. Was het een halve eeuw geleden nog een topprestatie om al liftend in Parijs terecht te komen en dan toch maar een keer op een avond je moeder te bellen dat je nog in leven was, tegenwoordig lijkt dit type van weglopen minder gebruikelijk te zijn.

Weglopen als signaal

Weglopen is een signaal. “Kinderen lopen niet weg om hun ouders pijn te doen” schrijft het blad J/M. Kinderen lopen meestal weg als er een communicatieprobleem is. Straf en boosheid na het weglopen werken meestal averechts omdat je dan de communicatie nog meer blokkeert.

Het belang van goede communicatie

Geef als opvoeder wél aan dat je je zorgen hebt gemaakt, maar ook dat je blij bent dat het kind weer thuis is. Probeer de draad van de communicatie weer op te pakken. Geef aan dat weglopen niet de oplossing is, maar dat je graag wilt werken aan een oplossing waar het kind zich ook in kan vinden.

"Weglopen kun je niet tegenhouden. Werken aan goede communicatie is de meest effectieve manier om de kans op weglopen te verminderen."

Weglopen (4)

Wat maakt de 'Honderdjarige die uit het raam klom en verdween' zo'n intrigerend boek of film. Ik heb al voorspeld dat ik later ook een poging ga wagen. Vooral als ik word opgesloten. Ik moet er uit kunnen...

Jaarlijks lopen in Nederland ongeveer 30.000 kinderen weg van huis of uit de instelling. Ze zijn bijna allemaal boven de 14 jaar. Opmerkelijk is dat twee maal zoveel meisjes weglopen als jongens.

Allochtone gezinnen

Daarnaast wordt gemeld dat ‘allochtone jongeren’ vaker van huis weglopen dan kinderen met Nederlandse voorouders. Een oorzaak die daarbij wordt genoemd is dat deze jongeren de cultuur binnenshuis niet kunnen ‘rijmen’ met de cultuur buitenshuis (bijvoorbeeld de mate van vrijheid). Het is voor een aantal jongeren ook één van de triggers geweest voor het ‘weglopen’ naar IS-gebieden.

Communicatieproblemen

De volgende cijfers haal ik uit een onderzoek in Vlaanderen (2005). Maar ik denk dat de cijfers niet veel zullen verschillen met die van Nederland.

Bij zeven op de tien gezinnen waar een kind is weggelopen spelen communicatieproblemen een grote rol. Kenmerkend is meestal de onmogelijkheid te communiceren binnen het gezin. Ouder en kind slagen er niet in om elkaar emotioneel te bereiken.

Opvoedingsproblemen

Bij vier op de tien gezinnen waarbij een kind wegloopt en/of bij iemand anders ‘onderduikt’ is sprake van forse opvoedingsproblemen. De ouders zijn handelingsverlegen of hebben geen idee hoe ze met puberaal gedrag om moeten gaan. Er is bijvoorbeeld sprake van dan weer strenge regels, dan weer geen regels. Of beide ouders stellen heel verschillende regels. Fysieke mishandeling en het stellen van extreem strenge regels kunnen een uitlokkend effect hebben.

Psychische problematiek

Bij drie op de tien kinderen is sprake van psychische problematiek. Zo kan het weglopen worden uitgelokt door een depressie. Maar ook het zoeken naar de eigen identiteit kan aanleiding zijn tot weglopen. Als een kind zich thuis niet gezien of gehoord voelt en als het op zoek is naar een eigen perspectief (wie ben ik? wat wil ik?) ziet het kind soms maar één oplossing: ik moet hier weg.

Verband met delinquentie

Opmerkelijk is dat aan het wegloopgedrag relatief vaak vormen van delinquentie vooraf lijken te gaan. Drie op de tien kinderen was al in aanraking gekomen met justitie, o.a. vanwege diefstal of het gebruik van drugs. Op school is frequent spijbelen een voorspeller van wegloopgedrag.

In de gehandicaptenzorg komt ook vaak wegloopgedrag voor. Dat geldt trouwens ook voor de ouderenzorg. Bij cliënten die niet kunnen overzien wat 'eigen' is en wat 'anders' is zou ik echter niet willen spreken van wegloopgedrag, maar van de neiging om te gaan zwerven omdat er geen verbinding is met wat 'thuis' is. 

Weglopen (3)

Ik merk dat het onderwerp 'weglopen' me wel raakt. Ik voel me verwant aan sommige weglopers. Gelukkig mag ik af en toe aan de 'fietszwerf'.

Mevrouw Jongsma sluit de gordijnen

Maar je kunt ook weglopen door gewoon thuis te blijven. Zoals mevrouw Jongsma, die de deur op slot deed, de gordijnen dicht deed en geen telefoon beantwoordde. Toen ze er later op terug keek zei ze: “Daarmee maakte ik iedereen ongerust“. De bedoeling was dus hetzelfde als bij die man die zich in de bosjes verstopte en vervolgens ging kijken of mensen hem gingen zoeken.Het is een vorm van gezien willen worden.

Dit gedrag komt o.a. voor bij mensen die trekken van een borderline- stoornis vertonen. Ze vertellen in goede perioden dus zelf dat ze -als ze niet lekker in hun vel zitten- de deur dicht doen en niet op de bel en de telefoon reageren.

Samenvattend

De in het tweede blog genoemde vormen van weglopen waren het weglopen als gevolg van 1) een bodemloos bestaan, 2) als outcast, zondebok, 3) vanwege de chaos in het gezin, 4) vanwege de te strenge regels, 5) als uittesten, en 6) als manier om duidelijkheid te krijgen.

Lichamelijke oorzaak

Er zijn ook vormen van weglopen die organisch/ neurologisch bepaald zijn. Er gebeurt iets in het lichaam of in de hersenen waardoor de behoefte aan weglopen (onbewust) gestimuleerd wordt.

Dit zien we o.a. 7) bij epilepsie. De persoon weet eigenlijk niet eens dat hij weg loopt. Er gebeurt iets in zijn lichaam waardoor hij weg moet lopen.

Bij meisjes wordt 8) het pre-menstrueel weglopen genoemd. De hormonale veranderingen leiden tot een veranderde prikkelgevoeligheid.

Bij 9) snel overprikkelde kinderen zie je weglopen soms als vluchtgedrag. In de drukte van het gezin of van de instelling is de enige manier om rust te krijgen: weglopen. Je kunt je verstoppen op de WC, je gaat op de zolder zitten, of je loopt het dorp uit. Dit kan op den duur een patroon worden dat moeilijk te veranderen valt.

Er is ook een vorm van 10) psychotisch weglopen. Bij een psychose staan lichaam en geest onder invloed van ‘vreemde’ belevingen. Je ziet bijvoorbeeld dingen die er niet zijn of je hoort stemmen. Deze mensen kunnen zeer gevaarlijk en roekeloos weglopen omdat hun denken gestuurd wordt door vreemde belevingen. Daarbij hebben ze o.a. de neiging om counterfobisch gedrag te vertonen: opzoeken waar ze zelf bang voor zijn.

Tien vormen van weglopen. Maar er valt nog meer over te schrijven. Daarom volgt er nog een blog. Ik hoop alleen dat de bloglezers niet weglopen...

Weglopen (2)

Weglopen kan verschillende oorzaken hebben. Sommige kinderen hebben niet eens in de gaten dat ze weglopen. Anderen lopen doelgericht weg. In dit tweede blog noem ik enkele vormen van weglopen.

1) Kinderen met een ‘bodemloos’ bestaan hebben -soms al heel jong- de neiging om weg te lopen. Ze lopen niet ergens naar toe. Het is een onbestemd weglopen. Zo ken ik iemand die als kind regelmatig zoek was. Dan liep hij ergens in zijn eentje te dagdromen. Vaak was hij ook helemaal de tijd vergeten. Soms was onderweg zijn aandacht getroffen door iets bijzonders. Daar bleef hij dan steken. Omdat hij zijn huis niet als een thuis ervoer was de drijfveer om naar huis te komen nauwelijks aanwezig. Hij was een zwerver die zich overal en nergens kon bevinden.

2) De wat oudere kinderen, pubers en volwassenen kennen het outcast-weglopen. Dit is ook een vorm van weglopen omdat het kind geen bodem ervaart. Maar nu komt er nog iets bij: het kind heeft het gevoel verstoten te worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij kinderen die geen aansluiting vinden in de groep. Soms is er binnen het gezin ook een kind dat als zondebok wordt gezien (of dat denkt dat het de zondebok is). Dat kind heeft veel sterker dan de anderen de neiging om weg te lopen.

3) Er zijn ook kinderen die weglopen omdat ze de chaos en structuur-loosheid van het gezin niet aankunnen. Kinderen hebben naast een relatie met de opvoeder (ad 1) ook een structuur nodig die hen houvast geeft. Dat bouwt zich al in de vroege peutertijd op: structuur van ruimte, tijd en persoon. Een vaste plek, een vaste tijd en enkele vaste personen. Als een kind helemaal geen grip ervaart, als het verloop van de dag onvoorspelbaar is, als eten en naar bed gaan op volstrekt willekeurige momenten plaatsvinden raakt het kind zoek in een structuurloos bestaan. De paradox is dat het dan door weg te lopen enige controle over zijn leven krijgt.

4). Het omgekeerde komt ook voor. De structuur binnen het gezin (of de instelling) is dermate strak dat het kind geen enkele ruimte meer rest. De regels houden geen rekening met het individuele karakter van het kind. Binnen dit strakke regime zal het kind spanning op gaan bouwen. Op een bepaald moment móét het wel vluchten. De kinderen in de eerste en derde groep zullen niet zo gedreven weglopen, ze zwerven meer en verdwijnen dan. Bij de tweede en vierde groep overheerst de boosheid. Deze kinderen proberen vaak zo snél mogelijk zo vér mogelijk weg te komen: de spanning is te groot geworden.

5) Bij de eerste vier vormen kun je zeggen dat er (te) weinig relatie is met de opvoeder of dat de regels de relatie in de weg zitten. Maar er zijn ook kinderen die weglopen om de relatie uit te testen. Het weglopen wordt als psychologisch wapen gebruikt. Dat zie je al op jonge leeftijd (de peuter die wegloopt en omkijkt of iemand hem zoekt).

Kees loopt soms weg en verstopt zich dan in de bosjes. Vanuit die bosjes kijkt hij of hij wel gemist en gezocht wordt.

Peter woont een jaar op de instelling. Nu hij begint te wennen aan het wonen constateert de begeleiding dat hij sterk de neiging krijgt om weg te lopen. De angst voor binding leidt tot de behoefte om weg te lopen en tegelijkertijd de relatie uit te testen.

6) De laatste vorm die ik noem is het kind dat wegloopt om duidelijkheid te krijgen. Dat klinkt tegenstrijdig, maar in de relatie gebeurt er na het weglopen vaak iets vreemds. Opvoeders worden namelijk opeens weer erg duidelijk. De regels worden opnieuw helder. Het kind forceert dan dus met zijn gedrag meer duidelijkheid. Dat zie je soms ook bij kinderen die de geboden vrijheid eigenlijk niet goed aankunnen. In zekere zin is er een overlap met de derde genoemde vorm.

Er zijn nog meer varianten op het thema weglopen. Dus volgen er nog twee wegloopblogs.

Weglopen (1)

Volgens mijn leermeester Jacques Heijkoop is mijn fietsverslaving een vorm van 'legaal weglopen'. Dat houd ik nu al 66 jaar zo vol. In plaats van schoenzolen verslijt ik fietsbanden. En wel vanaf het eerste moment dat ik een fiets kreeg. Ik was toen acht jaar oud.

Toen ik een jaar of tien was fietste ik soms 60 kilometer op een vrije middag. Zonder geld, zonder plakspul, zonder drinken, zonder telefoon. En dat terwijl mijn moeder alle kinderen goed in de gaten wilde houden.

Je hoeft maar naar ‘Vermist’ te kijken, of je weet dat er nogal wat mensen weglopen. Ze verdwijnen en laten soms niets meer van zich horen. Vaak willen ze wel, maar durven ze niet (meer). Maar ook gebeurt het dat iemand niets meer te maken wil hebben met het thuisfront.

Weglopen wordt vaak als een afwijking gezien. Maar wie kent niet de innerlijke drang om alles achter te laten en gewoon op reis te gaan? Niet voor niets was Swiebertje jarenlang één van de meest populaire personen op de televisie. Hij was geen echte zwerver, maar liet zich zeker ook niet ‘vastpinnen’ op één adres. Swiebertje deed een appel op onze behoefte aan vrijheid en ongebondenheid: gaan en staan waar je wilt. Een romantisch ideaal dat in de praktijk heel wat minder romantisch is dan het oogt.

Ook de gesloten behandelinstellingen kennen het verschijnsel van het weglopen. Er is zelfs een paradox aanwezig: hoe meer gesloten de instelling is, des te sterker de behoefte om weg te lopen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het niet (willen) weglopen ook een signaal kan zijn dat er iets mis is met het kind.

Kijk je naar het weglopen zélf, dan zie je vaak een ambivalente houding. Er spelen tegengestelde bewegingen. Eerst wint het niet willen blijven, maar geleidelijk wordt de kracht om terug te gaan sterker. Het snelle weglopen verandert in een langzamer tempo en uiteindelijk staat het kind in twijfel stil: teruggaan of verder gaan? Veel kinderen willen wel weer terug, maar de angst voor straf weerhoudt hen.

Ik kan me uit mijn jeugd één keer herinneren dat ik bewust ben weggelopen. Ik herinner me van dat weglopen inderdaad de spanning: verder weg gaan of toch maar terug gaan? Mijn vader kwam me achterna. Ik kon sneller lopen dan hij, maar dat deed ik niet. Hoe dichter hij me naderde, hoe langzamer ik ging lopen…

Bij kinderen die tóch niet terug gaan hoor je vaak dat ze allerlei redenen bedenken. Het kind werd mishandeld, gepest, er werd streng gestraft, het eten was slecht. Bij sommige media gaan die verhalen er in als koek. Maar omgekeerd zie je ook vaak dat de instellingen het weglopen als een krenking ervaren. Er wordt niet geluisterd naar de klacht van het kind omdat er te zeer van tevoren vanuit wordt gegaan ‘dat deze kinderen nu eenmaal graag fantaseren’.

In ‘Vermist’ zie je vanuit de achterblijvers een tweetal reacties. Het meest komt de zorg voor de wegloper naar voren. Waar ben je en hoe gaat het nu met je? Maar ook de andere reactie komt vaak voor: de krenking, het verwijt, de boosheid. “Je had mijn nummer, waarom heb je nooit contact opgenomen?” Die laatste reactie maakt het voor de wegloper juist moeilijker om het contact weer te herstellen.

In het volgende blog worden enkele vormen van weglopen genoemd. Hoe je met het weglopen om moet gaan hangt mede van de vorm af. 

Splitting (8)

De één wordt op een voetstuk gezet en de ander kan het nooit goed doen. Dat is kenmerkend voor het verschijnsel 'splitting'. Het is één van de meest bekende karakteristieken van borderline, maar je ziet het ook breder bij o.a. narcisme. 

Het is belangrijk dat opvoeders die met kinderen met verstoorde hechting werken zich realiseren dat deze processen onder het complexe gedrag van aantrekken en afstoten – liggen.

De kinderen zijn er op uit om datgene wat ze al eerder in hun leven mee hebben gemaakt zich te laten herhalen. Ze ‘testen the limit’ omdat ze al veel vaker weggestuurd zijn. Op die manier heb je toch nog controle. En het zwart-wit denken heeft daarbij te maken met de onzekere binnenwereld: eigenlijk mag ik er zelf niet zijn, maar het is veel te bedreigend als ik mezelf dat gevoel toesta.

Affecthonger

Desondanks zie je vaak dat een deel van deze kinderen naar volwassenen trekt. Ze hebben een grote affecthonger. In een instelling doen ze een appèl op begeleiders om er toch vooral voor hen te zijn. Bijvoorbeeld als je dienst er op zit willen zij jou nog nét iets vertellen wat hen dwars zit. Ze kunnen zelfs zó ver gaan dat ze tegen je zeggen dat jij de enige bent aan wie ze dit vertellen en dat je ook de enige bent die hen zó goed  begrijpt. Ze gaan er vanuit dat de begeleider altijd voor hen klaar moet staan.

Deze kinderen zijn zeer gevoelig voor aandacht die naar andere kinderen gaat. Ze voelen gedeelde aandacht als afwijzing, al is dat niet zo sterk als bij kinderen van wie de sociaal-emotionele ontwikkeling in de eerste helft van de peutertijd geblokkeerd is geraakt.

Je wilt dus als begeleider nét naar huis, en dan roept Mariska jou. Je bent moe en eigenlijk zou je naar huis willen gaan. Bovendien heb je beloofd om op tijd thuis te zien. Maar kun je die vraag van Mariska laten liggen? Ze heeft jou immers nodig?  Het gevolg kan zijn dat je een  beklemmend gevoel krijgt. Je voelt je letterlijk klem gezet. En je gaat tóch maar in op de vraag van het kind.

Dat is een klempositie waarin vooral opvoeders terecht komen die zelf ook emotionele tekorten hebben ervaren en het daardoor extra goed willen doen. Dat is een mooi mechanisme, maar het werkt juist bij deze kinderen averechts. Je moet op een vriendelijke manier jezelf beschermen en de grens stellen. 

Splitting (6)

Bij het verschijnsel 'splitting' speelt het eigen levensverhaal een grote rol. de ervaringen uit het verleden worden 'uitgespeeld' in het heden. 

“Mensen met verstoorde hechting spelen op basis van hun eigen geschiedenis, beleving en ervaring in op de persoon van de hulpverlener” (Luk Steemans).

Twee voorbeelden uit de praktijk van mijn werk:

Zwart-wit

Marjanne heeft in de loop van haar leven veel negatieve ervaringen gekend. Ze is gefrustreerd geraakt en door het leven getekend. Toch heeft ze nog steeds een ideaalbeeld van hoe anderen zouden kunnen of moeten zijn. Er is dus wel een stukje hechting op gang gekomen, maar het is ambivalent. Aan de ene kant is er dus het ideaalbeeld: dat is Sanne geworden. Ze wil Sanne koste wat het kost te vriend houden en het positieve beeld in stand houden.

Maar Marjanne heeft ook veel negatieve ervaringen meegemaakt. Ze heeft een lichte verstandelijke beperking. Dat betekent o.a. dat ze ‘langzaam lerend’ was en daardoor anderen vaak niet goed kon volgen. Het tempo van haar ouders lag bijvoorbeeld te hoog: ze was hen vaak ‘kwijt’.

Daarnaast was haar vader onvoorspelbaar in zijn gedrag: de ene keer kwam hij boos thuis uit zijn werk en was er niets goed. De andere keer kwam hij thuis en had hij direct positieve aandacht voor zijn dochter. Het gevolg was dat Marjanne eigenlijk altijd op haar hoede was.

Die negatieve ervaringen uit haar leven uit Marjanne op haar zwarte Piet. Dat is begeleidster Dorien geworden. Wat betekenen deze ervaringen voor Dorien? Maar eerst ga ik even door naar Anja, een ander verhaal waarbij splitting een rol speelt.

Anja: twee werelden

Anja is een vrouw van middelbare leeftijd met een matige verstandelijke beperking. Ze vertoont op de woning veel gedragsproblemen. Dagelijks zijn er stevige incidenten. Regelmatig verscheurt ze haar kleren, gooit met spullen (‘verplaatst meubilair op horizontale wijze door de ruimte’ staat er dan eufemistisch in de rapportage) en vertoont fysieke agressie naar met name de begeleiding. Op het dagcentrum gaat het echter altijd goed. Ze heeft een goede band met activiteitenbegeleider Saskia.

Geleidelijk ontstaat er spanning tussen wonen en de dagbesteding. Op de dagbesteding verwijt men de woning dat er te zware maatregelen worden ingezet bij de begeleiding van Anja. Dagelijks krijgt ze straf. Dat wordt als barbaars ervaren. Anja klaagt ook dagelijks op de dagbesteding over de begeleiders op de woning. Het gevolg is dat begeleider Saskia een steeds negatiever beeld krijgt van de medewerkers op de woning. Ze doen wel aardig, maar eigenlijk zijn het beulen.

Splitting tussen personeel

Wat je in het verhaal van Anja ziet is dat de splitting in het gedrag van Anja leidt tot splitting tussen medewerkers. De ene medewerker is goed, de andere is fout. En dat is precies het in pedagogisch opzicht meest desastreuze effect voor de begeleiding van cliënten met complexe hulpvragen.

Ik zag Anja regelmatig uit de dagbesteding naar de woning lopen. Je kon aan haar motoriek zien dat het eigenlijk maar nét goed ging. Ze sloot zich helemaal af van de buitenwereld, want ieder contact zou de vlam in de pan kunnen doen slaan. Eenmaal op de woning gebeurde dat dan ook meerdere malen per week. Eén opmerking van een personeelslid (‘wil je je jas even ophangen?’) kon al tot gevolg hebben dat het gedrag van Anja totaal escaleerde.

Wat er in feite gebeurde was dat Anja koste wat het kost het positieve beeld van de begeleidster Saskia vast wilde houden. Maar ook zelf dat beeld wilde bevestigen: het moest goed gaan.

Dat kostte haar zóveel energie dat ze eigenlijk mentaal helemaal uitgeput raakte. Het ging nog maar nét goed. Eenmaal op de woning móest alle spanning eruit. Met heftige gevolgen….