Fietsprovincie (8): Noord-Holland

Nergens heb ik zóveel fietskilometers liggen als in de provincie Noord-Holland.

Dat is geen wonder, want ik heb meer dan een halve eeuw in Noord-Holland gewoond. In de Zaanstreek, Amsterdam, Den Helder en Alkmaar. Ik weet zeker dat ik door alle buurtschappen, dorpen en steden ben gefietst. Ik denk zelfs ook dat ik de meeste buitenwegen wel heb befietst. De woonwijken is een ander verhaal.

Vanuit Den Helder werd het op den duur een beetje saai: voordat je een beetje in de provincie was moest je altijd eerst door een stuk (te) bekend fietsgebied fietsen. Met maar weinig keuzemogelijkheden. Toch – als ik nu weer in de Kop van Noord-Holland ben – geniet ik elke keer weer van het open land, ook al wordt er ook hier op tal van plekken gebouwd.

Het meeste genoot ik van de vroege ochtendritten, voor zonsopkomst. Soms stapte ik in de zomer om 4 uur op de fiets om de zon ergens boven de weilanden op te zien komen.

Dit is een foto die ik rond half vijf maakte in de polder Egmondermeer bij Alkmaar.

Noord-Holland is een prima fietsprovincie. Je vindt er de langste kuststrook van Nederland, die je grotendeels autovrij (via de LF 1 route) kunt befietsen. Met daar achter nog veel redelijk authentiek landschap met tal van fietsvariatie-mogelijkheden. Alleen rond het Amsterdamse havengebied en Schiphol: daar kun je maar beter niet fietsen...

Even de provincie uit (3)

Het langgerekte Roelofarendsveen is eigenlijk een lintdorp langs het water. Achter de lintbebouwing liggen nieuwere wijken.

Vanuit het centrum van Roelofarendsveen fiets ik naar de noordelijke rand van het dorp. Daar gaat de weg over de Ringvaart van de Haarlemmermeer. En daarmee ben ik de provincie uit & in Noord-Holland.

Ik volg de weg drie kilometer tot de volgende brug. Als ik die over fiets ben ik weer in Zuid-Holland. Rechts ligt het dorp Leimuiden, links liggen de Westeinderplassen. Over de Herenweg fiets ik in de richting van Kudelstaart. Onderweg koop ik bij een bollenboer een grote voorraad tulpen voor het thuisfront. Even later fiets ik Noord-Holland weer binnen.

Kudelstaart is een uit de kluiten gewassen dorp, met als bekendste inwoner André van Duin. De naam ‘Kudelstaart’ heeft ook wel iets humoristisch in zich. Aan de noordzijde van het dorp ligt een fort dat sinds 1880 dienst uitmaakte van de linie aan forten rond Amsterdam, de zogenaamde Stelling van Amsterdam. Deze stelling van 130 kilometer lang omvat 45 forten en is één van de Nederlandse werederfgoederen.

Maar mijn doel is de watertoren van Vrouwentroost. Het is één van de mooist gelegen watertorens van Nederland. Hij doet echter niet meer dienst als watertoren. De toren is rijksmonument en de gemeente Aalsmeer is eigenaar van de toren, maar men weet eigenlijk niet wat de bestemming zou moeten worden. Op zó’n locatie zou je kunnen denken aan een hotel, maar daar zijn de omwonenden tegen.

Direct na Vrouwentroost volgen de uitgestrekte nieuwbouwwijken van Aalsmeer. Hoewel de tuinbouw erg belangrijk is is het ook een forensendorp. Veel inwoners werken op en rond Schiphol. Het oude station van Aalsmeer staat er nog, compleet met een zogenaamde Sik voor de deur. De spoorlijn is in 1953 opgeheven. Daar heeft men nu weer spijt van. Eén trein kan 50 keer zoveel reizigers vervoeren als een streekbus. Die rijden in de spits dan ook bijna zelf als een file.

Aan de noordzijde van Aalsmeer beland ik opeens in de Randstedelijke drukte. Corona-crisis of niet: het is hier lang wachten bij de verkeerslichten vanwege de spitsdrukte. Ook een groot aantal wielrenners met ‘weinig rust in de kont’ maken het verkeer er niet eenvoudiger op. Eentje komt hardhandig in aanvaring met het blik van een auto.

Bij de Ringvaart sla ik linksaf. Nu fiets ik weer over de dijk langs de Ringvaart, alleen heb ik nu de wind mee. Rechts de kilometerslange bebouwing van het tuindersdorp Rijsenhout. Er werd gevreesd dat dit dorp plaats zou moeten maken voor een start-en landingsbaan van Schiphol, maar die claim lijkt van de baan te zijn. Er wordt zelfs geïnvesteerd in een nieuwbouwproject.

Het is lekker zoeven met de wind mee bij een laagstaande zon. Na bijna tien kilometer ben ik weer bij de brug van Leimuiden. Daar steek ik de Ringvaart weer over en dan ben ik ook weer in de provincie Zuid- Holland. 

Amsterdam Light Festival

Het Amsterdam Light Festival is een kunst- en lichtfestijn aan het water dat is uitgegroeid tot één van de belangrijkste toeristische attracties van Amsterdam. Het Festival trok dit jaar meer dan één miljoen bezoekers.

De meeste bezoekers varen per boot langs de oplichtende kunstwerken. Het gevolg is dat er in de grachten een enorme file aan boten ontstaat. Er zijn ook mensen die de bijna zes kilometer lange route lopend of op de fiets afleggen. Dan krijg je meer tijd om de objecten te bekijken. En het is nog eens gratis ook.

Ik geef een serie foto’s weer die ik maakte van de kunstwerken langs het water in Amsterdam. De route ging deze keer door het oostelijk deel van de stad, o.a. via de Universiteit van Amsterdam en om Artis heen.

Eén van de thema’s was het wassende water, oftewel de gevolgen van de stijgende zeespiegel voor steden aan het water, zoals Amsterdam.

Een ander deel betrof de geschiedenis van dit voormalige Joodse deel van Amsterdam. Zo verstopten zich Joodse mensen op de zolders boven de dierenverblijven van Artis, terwijl beneden de wolven (lees: nazi’s) op jacht waren naar Joden die afgevoerd moesten worden… (onder aan deze serie, de foto naast de verlichte kraan).

Het Amsterdam Light Festival eindigt vandaag. In november 2020 krijg je een nieuwe kans...

Eindpunt Alkmaar

Ik kan in Uitgeest op de trein stappen. Er rijdt een rechstreekse trein van Uitgeest naar Rotterdam. Rotterdammers verbazen zich wel eens over de trein die daar op het station staat met als bestemming Uitgeest. Ze hebben geen idee waar dat ligt.

Maar het is leuker om nog even naar Alkmaar door te fietsen. Dan heb ik twee van onze woonplaatsen met elkaar verbonden.

Uitgeest is meer bekend van het Van der Valkhotel, dan als plaats zelf. De naam zegt het al: ‘geest’ van geestgrond. Uitgeest ligt op een oude strandwal, net zoals Oegstgeest. Deze strandwallen waren de oudste bewoonde delen van West-Nederland. Tussen de strandwallen lagen geulen. Bij hoog water stroomde het achterliggende land vol zeewater. Mogelijk is zo ook het Alkmaardermeer ontstaan.

Uitgeest bestaat uit enkele straten die parallel aan elkaar lopen in noordelijke richting als je vanuit het zuiden komt. Kom je vanuit het noorden, dan lopen ze ook parallel, maar dan in zuidelijke richting. Het is maar hoe je het bekijkt. Langs die oude klinkerstraten staan nog tal van historische huizen. Maar het meest historisch is het pleintje bij de kerk, die net als in Heemskerk een helemaal stenen torenspits heeft. De kerk dateert uit de 14e eeuw.

Na Uitgeest fiets ik richting Akersloot, om al snel westwaarts af te buigen, naar Limmen. Ook dat dorp ligt op een oude strandwal. Limmen is heel lang een agrarisch dorp geweest met zelfs tot ver in de 20e eeuw een aantal onverharde wegen. De agrarische sector leeft tegenwoordig vooral van de bollenteelt. Limmen is ook bekend als bedevaartsoord: de kapel van Onze Lieve Vrouw ter Nood. Er ligt ook een stationnetje waar tijdens bedevaarten de trein een extra stop maakte.

Ik volg een route parallel aan de Rijksstraatweg. Want ook Limmen bestaat in historisch opzicht uit lintbebouwing langs enkele parallel aan elkaar lopende straten. Pas vlak voor Heiloo fiets ik een eindje langs de Rijksstraatweg om al weer snel af te slaan naar een ‘fietsstraat’die naar het station van Heiloo leidt. De zaken gaan in fietskundig opzicht vooruit in Heiloo.

Over Heiloo heb ik vaker geschreven. Het is een heel oud dorp. De naam betekent “Heilige Hoogte.” Het zogenaamde Witte Kerkje ligt op een duin (dus niet op een terp, zoals in Friesland). Willibrord zou rond het jaar 690 Heiloo als plaats van aanbidding hebben genoemd. Wat dat betreft is het een oudere plaats dan de grote noorderbuur Alkmaar.

Ook Heiloo telt tal van parallelwegen die soms dichter bij elkaar komen en dan weer van elkaar wijken. Hoewel het dorp inmiddels een echte forensengemeente is heeft het zijn dorpse karakter behouden. Ik hobbel door de smalle, beboomde en beklinkerde straten en kom uiteindelijk in het Heilooërbos uit. Hier zetten nogal wat fietsers de gang in de fietstocht, want in het donkere bos kan een krakende boomtak natuurlijk ook iemand zijn die het op jouw spullen heeft voorzien…

Het Heilooërbos dringt diep de bebouwde kom van Alkmaar binnen: je bent al bijna in het centrum als je het bos uit komt. Ik fiets nog even langs de Grote Kerk, die baadt in het licht. Ook de kerstverlichting is al opgehangen.

Na de foto van de Grote Kerk fiets ik rechtstreeks naar het station. De trein brengt mij weer terug naar onze hudige woonplaats. De fietsteller heeft er vandaag 135 kilometer bij opgetelt.

Het kanaal over…

Veer Buitenhuizen is bedoeld voor voertuigen die niet door de tunnels mogen of kunnen. Zoals wagens met paarden, explosieve vrachtauto's, fietsers en mensen met tunnelvrees.

De pont zet dit bonte gezelschap af aan de overkant van het Noordzeekanaal. Het land is hier van oorsprong identiek aan dat van de zuidzijde: ooit waren het uitgestrekte polders met voornamelijk de teelt van graan dat de orkaan heeft doorstaan.  Maar ten zuiden van het kanaal rukten de havens van Amsterdam op en wat overbleef aan agrarisch gebied werd vooral omgebouwd tot recreatiegebied.

Aan de noordzijde heeft het land nog wat meer zijn authentieke karakter kunnen behouden. Dwars door het land liggen ook nog de authentieke dijken van tal van inpolderingen. Maar ook hier worden op allerlei plekken aanslagen gepleegd op het resterende land.

Het IJ spleet vroeger Noord-Holland dwars door midden. Alleen bij Beverwijk kon je nog van noord naar zuid en omgekeerd. Later -halverwege de 19e eeuw – werd het hele gebied ingepolderd. Om vervolgens toch weer gespleten te worden, en wel door het Noordzeekanaal.

Ik zoek weer mijn eigen weg, tussen de dorpen Westzaan en Assendelft door. Westzaan is één van de meest karakteristiek gebleven Zaanse dorpen. Het is echt een omweg waard.

Assendelft is een dorp dat de combinatie vormt tussen de Drentse hoofdstad en onze huidige woonplaats. Het heeft de langste Dorpsstraat van Nederland: 7,4 kilometer lang. Een plaatselijk grapje is dat je te laat bent omdat je op de verkeerde halte van de Dorpsstraat bent uitgestapt.

Uiteindelijk kom ik toch nog in Assendelft terecht, maar ik doorkruis het dorp niet in de lengte, maar in de breedte, van oost naar west. Aan de westzijde van het dorp fiets ik in de richting van Heemskerk. Overal in dit gebied liggen forten van de Stelling van Amsterdam.

Er staan protestborden tegen de aanleg van een nieuwe snelweg dwars door dit laatste stuikje ruimte. Inderdaad zou dat de doodssteek betekenen voor dit laatste stukje groen. Links van mij rookt TataSteel. Iets meer naar het westen gaat de zon richting de horizon.

Ondanks de nabijheid van grote bedrijventerreinen en Vinexlocaties ervaar je op deze polderwegen toch nog de ruimte: een klein fietsertje onder een koepel van blauw licht.

Gat in de dijk (Spaarndam)

Er zijn verschillende manieren om Haarlem te verlaten. Ik kies de verkeerde manier.

Aan de oostzijde van Haarlem bevinden zich veel bedrijventerreinen. Dat zijn de lelijkste bebouwde delen van Nederland. Hier heeft de ‘verdozing’ het meest ernstig toegeslagen. Ik begrijp niet dat een architect die zijn vak serieus neemt nog met plezier zo’n doos ontwerpt.

De wijk Waarderpolder is voor de meeste mensen vooral bekend als de plek waar de TV toren staat en waar IKEA is gevestigd.

Vroeger liep de weg hier dood, maar omdat borden de richting wijzen van Spaardam lijkt het erop dat zich inmiddels een oplossing heeft aangediend. En die is er: een brug die hoog over het Buiten Spaarne leidt. Daarna kan ik aan de westzijde van het Spaarne in de richting van Spaardam fietsen. Slechts een klein stukje resterend weiland scheidt Haarlem Noord van de bebouwing van Spaardam en de Vinexwijk Velserbroek. 

Vlak voor Spaarndam bevindt zich één van de forten die Amsterdam moesten beschermen tegen mogelijke vijanden, onderdeel van de zogenaamde Stelling van Amsterdam.  

Spaarndam heeft een historisch centrum met één van de oudste sluizen van Nederland: de Kolksluis uit 1280. Het westelijk deel van Spaarndam is beschermd dorpsgezicht en valt onder de gemeente Haarlem. Het oostelijke deel is een weinig zeggende nieuwbouwwijk uit de jaren ’80 en ’90 en valt onder de gemeente Haarlemmermeer.

Omdat Spaarndam ook iets aan het toerisme wilde doen heeft men hier een monument voor Hans Brinker opgericht. Hij stak zijn vinger in de lekkende zeedijk en werd daarmee een voorbeeld voor alle Nederlandse jongeren. Dat alles wordt in ronkende taal op het monument verkondigd.

Na twee maal een bijna aanrijding met een te snelle E-bike fiets ik langs het Zijkanaal C in de richting van het veer Buitenhuizen. Van het oorspronkelijke landschap is hier niets meer over. Het recreatiegebied Spaarnwoude is een soort Amsterdamse Bos, kunstmatig aangelegd met bospartijen en grote groene velden, benevens uiteraard weer een golfterrein.

Na ruim een kwartier fietsen ben ik bij Veer Buitenhuizen, één van de gratis veerdiensten over het Noordzeekanaal. Enkele stoere forensen op de gewone fiets staan te wachten voor de volgende overtocht.

"Een E-Bike?" zegt één van die fietsers. Hij fietst dagelijks tussen Krommenie en Haarlem. "Geen denken aan, dan ben ik in één seizoen mijn conditie kwijt."

Haarlem

In Haarlem moet ik het fietsverkeer nauwlettend in de gaten houden. Het is weliswaar geen Amsterdam of Delft, maar de fietshectiek is niet onaanzienlijk.

Haarlem is een prachtige provinciehoofdstad. Je hebt er mooie parken, statige ‘paleizen’, grachten en veel historische panden. De stad heeft een beschermd stadsgezicht. Dat betreft niet alleen de gebouwen, maar ook het stratenpatroon en de ligging aan het water. Het is dus niet de bedoeling dat één of andere brokkenpiloot hier nog een keer een doorbraak voor het verkeer forceert.

De beschermheilige van Haarlem is (Sint) Bavo. Omdat hij is overleden weet ik niet of hij nog veel invloed heeft op het welzijn van de stad. Wel zijn er twee prachtige kerken naar hem genoemd, de Rooms-Katholieke Sint Bavo en de Grote of Sint Bavokerk in het centum.

Vanuit de hele wereld komen mensen speciaal naar het enorme orgel in de Grote Kerk kijken en luisteren. Hoe ze het geteld hebben weet ik niet, maar het schijnt het meest afgebeelde orgel van de hele wereld te zijn. Met een hoogte van dertig meter is het alleen al om te zien een indrukwekkend muziekinstrument. Als je hier naar een orgelconcert luistert voel je de trilling van het orgel zich soms door de lucht verplaatsen.

Niet dat ik tijdens mijn fietstocht in de Grote Kerk naar binnen ga. Het is vijf uur en ik ga er vanuit dat de kerk dan net dicht gaat. Ik fiets richting Spaarne. De rivier maakt hier een scherpe bocht waardoor je steeds weer een ander zicht hebt op de oude binnenstad van Haarlem. Ik fiets even langs de Bakenesserkerk, waar mijn vader vroeger regelmatig preekte (de toren rechts op de foto).

Haarlem heeft iets met boeken en met boekdrukkunst. De stad legt de claim op het uitvinden van de boekdrukkunst. Ook is de oudste nog bestaande krant van de wereld hier gevestigd: De Opregte Haarlemsche Courant. Het was een krant zonder fakenews. Maar het is ook opvallend hoeveel beroemde schrijvers de stad heeft voortgebracht. Alsof ze niets anders te doen hadden. Het zijn bijvoorbeeld: Willem Bilderdijk, Nicolaas Beets, Lodewijk van Deyssel, Godfried Bomans, Harry Mülisch, Doeschka Meijsing en Joost Zwagerman. Volgens mijn lerares Nederlands was Godfried Bomans geen literatuur, hij mocht ook niet op de lijst van mijn eindexamen. Maar ik noem hem hier expres tóch!

Na de Bakenesserkerk fiets ik weer terug naar het Spaarne. Aan de overkant staat molen de Arend. De mensen die in het verleden regelmatig Haarlem bezochten weten dat hier helemaal geen molen stond. Dat klopt: deze molen is de herbouw van het vorige exemplaar dat in 1932 afbrandde. Het heeft zeventig jaar geduurd voordat er – ondanks de herbouwplicht – een nieuwe molen stond. Haarlemse molens malen soms langzaam.

Haarlem heeft ook één van de mooiste stations van Nederland. Maar daar ga ik nu niet naar toe. De teller heeft er honderd kilometer op zitten. Ik vind dat ik nog wel een eindje kan fietsen.

Van de duinen naar de stad

Vanuit Zandvoort fiets ik het brede duingebied tussen deze badplaats en Aerdenhout in. Het is een autovrije route die deels over een golfterrein loopt.

Ik begrijp niet waarom er hier een golfterrein moest worden aangelegd. Op de Noordzee zijn al genoeg golven. Ze zeggen dat golfen en natuur prima samen gaan, maar dat betwijfel ik. Door zo’n terrein wordt er aardig wat overhoop gehaald. Bovendien trekt het autoverkeer aan. En er kan zomaar een golfbal op je kop stuiteren.

Genoeg gemopperd. Ik lijk dokter Jansma wel (…). De weg loopt – ze bedenk ik me later – over het tracé van de voormalige tramlijn van Amsterdam via Haarlem naar Zandvoort. Het was een roemruchte lijn, die gereden werd met de zogenaamde Kikkers (vanwege de kleur, de grote lampen en de schommelende gang). De tram was hét vervoermiddel voor de Amsterdammers naar het strand. Helaas blokkeerde de gemeente Amsterdam de modernisering van de lijn: het autoverkeer had prioriteit. Na de zomer van 1957 werd de tramlijn opgeheven.

Hoe dan ook: het is een mooie fietsroute geworden. Het fietspad loopt achter de dure woonhuizen van Bentveld langs. Ik heb even gekeken op Funda of het echt allemaal zo duur is. Welnu: de meeste huizen die te koop staan hebben een vraagprijs van meer dan één miljoen euro. Het goedkoopste huis kost 650.000 euro, voor het duurste huis moet je drie miljoen euro neertellen. Daar kan ik heel wat fietsen voor kopen.

Omdat ik uiteindelijk op een grote weg dreig uit te komen sla ik linksaf: Aerdenhout is. Bedenk wel dat het met ae is. Je hoort de plaatsnaam uit te spreken met de chique ‘ae’ zoals Marquis de Cantecleer uit de Bommelserie kan spreken. “Verrak, zag kaerel, ben jij het!”  Net als in de chique plaatsen rond Antwerpen wonen de mensen hier temidden van hoge bomen, achter hoge hekken met alarminstallaties en is er parkeerplek voor minimaal twee bolides.

De plaats blijkt nog duurder te zijn dan Bentveld. De meeste huizen staan voor ruim boven de één miljoen euro te koop; het duurste huis kost meer dan 15 miljoen euro.. Je krijgt er een zwembad, een dagverblijf voor de tuinman en een wasbak voor de automobielen bij.

Het zijn bedragen waar ik eerlijk gezegd nog nooit over na had gedacht. Ik zal er eens met de collectebus langs de deur gaan.

De wegen lopen hier niet recht, maar ik bevind mij in een toestand van permanente bochten. Rechttoe-rechtaan hoort er niet bij. Het is iedere keer weer een verrassing in welke richting ik uiteindelijk op een zijstraat stuit. Na Aerdenhout kom ik in het natuurgebied van Huize Elswout terecht. Dit is het Ramplaankwartier. Ik dacht dat hier vaak ongelukken zouden gebeuren, dus ik houd me gedeisd. Het tuindorp is echter genoemd naar de familie Ramp die hier ooit veel grond bezat. Blijft de vraag waarom de familie Ramp zo heet.

Het Ramplaankwartier ligt ingeklemd tussen Overveen, Aerdenhout en natuurgebieden, aan de oostelijke zijde ligt Haarlem. Die plaats kan qua uitbreiding geen kant uit, er moet dus vooral ingebreid worden (bouwen tussen de bestaande bebouwing).

Ik fiets door het centrum van Overveen, met nog een paar smalle oude straten en kom na de westelijke rondweg van Haarlem echt in het stadse verkeer uit. Bovendien is het de spits. Het is gedaan met de rust.

Vier Hollandse steden vergeleken

De boerderijen in Weipoort heten Ons Genoegen, Bouwlust en Welvaart. Op het land waar het leven goed is...en de boeren demonstreren in Den Haag. Als dat maar goed komt. De oplossing: allemaal een stikstofzuiger aanschaffen tegen de overtollige stikstof.

“Het apparaat is een soort zilveren doos ter grootte van een bestelbusje. Het zal naar verwachting eind januari worden neergezet in het centrum van Kiel,  dichtbij een meetstation voor stikstofoxide” (AD, 12 januari 2019).

Fiets ik rechtdoor, dan kom ik in de Randstedelijke drukte terecht. Ik houd het nog even koest: bij De Grote Molen (een wipwatermolen uit 1626) sla ik linksaf: het Molenpad in. In dier voege kom ik na twee kilometer in Zoeterwoude-Dorp. Het eigenlijke dorp laat ik links liggen.

De oude weg langs de Vrouwenvaart is helaas afgesloten als gevolg van de aanleg van een autoweg. De weg naar de Vliet is eveneens afgesloten. Blijft over: de drukke N 206. Gelukkig kan ik dit fietspad al snel weer verlaten, na twee maal bijna een aanrijding te hebben gehad met een te snelle E-bike.

Voor de bebouwde kom van Leiden kruis ik het Schiekanaal (dat ook langs ons huis in Delft loopt; ik had ook de fietsroute langs dit kanaal kunnen nemen). En dan ben je in Leiden, maar Leiden is hier in last. Wat een eindeloos bedrijventerrein. De economie moet natuurlijk wel door gaan, maar dat hoeft toch niet allemaal vanuit zulke foeilelijke bedrijfsgebouwen te gebeuren?

Na station Leiden Lammenschans (waar de laatste tijd volop gebouwd is) fiets ik door een jaren ’30 woonwijk. Met een wijde boog fiets ik de Leidse binnenstad in.

Leiden heeft een prachtige binnenstad. Onwillekeurig maak je een vergelijking met andere provinciesteden, zoals Delft, Gouda en Alkmaar. Maar ik kan echt niet kiezen wat de mooiste plaats is, ze hebben alle vier hun bijzonderheden. Daarbij zijn Delft en Leiden tevens studentensteden. Dat zie je aan de vele blauwe voorbanden van de fietsen. Het straatbeeld is levendig en ook chaotisch, want veel studenten kennen de verkeersregels nog niet.

Omdat Delft en Leiden studentensteden zijn, zijn de fietsenstallingen bij het station daar gratis. Alkmaar en Gouda zijn geen echte studentensteden, daar betaal je voor het stallen van de fiets. Maar ze hebben er wel weer veel meer kaas.

In Alkmaar mag je in de grachten vissen, dat mag in Leiden weer niet, vanwege het leed dat vissen wordt aangedaan (motie door de gemeenteraad aangenomen in 2017). Delft en Leiden liggen aan het Schiekanaal, maar Alkmaar en Gouda weer niet, die liggen aan een ander kanaal. Je kunt niet alles hebben.

Delft en Alkmaar hebben maar één stadsmolen, Gouda telt er twee en Leiden drie. Leiden heeft zeven boekhandels in de binnenstad, Delft telt er vier, Gouda en Alkmaar hebben maar één (algemene) boekhandel in het oude centrum.

Delft heeft een grote historische kerk met de op één na hoogste toren van Nederland, Gouda heeft een grotere historische kerk, maar met een niet zo hoge toren, Alkmaar heeft een nog grotere historische kerk, maar zonder echte toren en Leiden heeft een nog aanzienlijk grotere historische kerk maar ook al zonder echte kerktoren. Hoe groter de kerk, hoe kleiner de toren…

Gouda, Delft en Alkmaar hebben één ziekenhuis, maar Leiden telt er twee. Alkmaar heeft een ingestort voetbalstadion en dat hebben Gouda, Leiden en Delft niet. Leiden en Delft hebben nieuwe hypermoderne en soms lekkende stations, en dat hebben Gouda en Alkmaar weer niet. Kortom, verschillen moeten er zijn.

Ik fiets wat zigzaggend door het centrum van Leiden. Deels is het voetgangersgebied, ik moet goed uitkijken waar ik wél en niet mag fietsen, want je schijnt hier zómaar een bon te kunnen krijgen.

Leiden telt maar liefst 35 hofjes. Daarom werd hier ook het kinderlied gecomponeerd: “Klein klein kleutertje, wat doe je in mijn hof?”  Er  is zelfs een wandelroute langs die hofjes. Dan moet je even achterom door een steegje en kom je op een aardig en verstild binnenpleintje.

Het station van Leiden is tegenwoordig beter bereikbaar. De drukke weg die voor het station langs loopt is ondergronds gedaan. Het Stationsplein is het domein geworden van voetgangers, fietsers, skaters en rolkoffers. Ik loop door de passage onder het station (een kwestie van inchecken en weer uitchecken).

Tot slot nog even een anekdote. Oudere mevrouw vraagt aan een reiziger op het perron: "Meneer, gaat deze trein over()Leiden?" Reiziger: "Dat hoop ik niet mevrouw, want dan komt u niet aan op de plaats van bestemming."

De Z is van Zaandam

In Zaandam bracht ik een deel van mijn middelbare schooltijd door. De school stond aan de Parkstraat, een zijstraat van de Westzijde.

Het was een houten noodgebouw, met ongeveer 200 leerlingen. Naast de school was een stuk weiland. In de lente hebben we daar wel eens een lammetje geboren zien worden. De aandacht voor de les Nederlands was toen zoek. Achter het weiland stonden houten huizen. Dat alles is niet meer.

Zaandam ging in de jaren ’60 grootscheeps op de schop. De gracht in het centrum werd vervangen door een winkelpassage die al snel zieltogend werd. Aan de oostzijde van de Zaan werd een enorme nieuwbouwwijk gebouwd, met aan de rand een muur van flatgebouwen. Een deel van die nieuwbouw is inmiddels tot Vogelaarwijk gepromoveerd (de wijk Poelenburg). Een vlogger zorgde hier voor media-aandacht.

Ooit was Zaandam één van de belangrijkste industriële centra van Nederland. De keerzijde was grote armoede. In de jaren ’50 stemde één derde van de inwoners op de communistische partij.

Wat is Zaandam nu? Men heeft er hard aan gewerkt om het winkelcentrum weer vitaal te maken en voor een deel is dat nog gelukt ook. Panden uit de jaren ’60 en ’70 werden afgebroken en er kwam meer beschutte nieuwbouw voor in de plaats. Tegenover het station werd een hotel gebouwd dat over de hele wereld in architectonisch opzicht de aandacht heeft getrokken.

Langs de Zaan werden duizenden appartementen gebouwd. Een deel van de industrie is opgedoekt, er kwamen andere bedrijven voor in de plaats. Een ander deel is naar de industrieterreinen rond het Noordzeekanaal verhuisd.

De Zaan bevatte in de jaren ’60 soms nauwelijks zuurstof. In de plaatselijke krant stonden wekelijks de zuurstofcijfers vermeld. Geen vis overleefde dit stinkende water. Maar inmiddels kan er weer rijkelijk gevist worden.

Na de afbraak van de jaren '60 en '70 en de wildgroei die daarna volgde krijgt de stad weer een beetje een centrum.