De bovenste lip bewimpelen

Ook in Bijbelse tijden kwamen al epidemieën voor. Om dat te voorkomen had God regels ingesteld. Het Joodse volk mocht geen onreine dieren houden . Het waren dieren waarvan werd verondersteld dat ze een gevaar konden opleveren voor de volksgezondheid. 

De Joodse wet telt heel veel regels om besmetting tegen te gaan, zoals de vele reinigings-en spijswetten. Tijdens de epidemieën in de Middeleeuwen ging de ziekte nogal eens aan de Joden in de stad voorbij. In plaats van dat de bevolking zich af vroeg wat de Joden anders deden dan de rest van de stad keerde zich dit soms tegen de Joodse inwoners: ze waren door de duivel bezeten. Een soort van Middeleeuwse complottheorie dus.

Een beruchte ziekte was de melaatsheid (in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald met huidvraat, maar dat zegt me eigenlijk veel minder). Melaatsheid verspreidt zich – net als bij corona – door de lucht: niesen, hoesten, praten of zingen. De Bijbel heeft het niet over aerosolen, daar hadden ze toen nog nooit van gehoord.

Er werd ook diagnostiek gepleegd. Dat gebeurde niet door de dokter. Er waren ook nog geen teststraten. De priester deed onderzoek. Als iemand een verdachte oneffenheid had op de huid volgde een diagnostisch onderzoek door de priester. Was er duidelijk sprake van melaatsheid, dan kreeg de persoon het label ‘onrein’.

Als de huiduitslag voor twijfels zorgde moest die persoon zeven dagen in quarantaine. Daarna volgde een hertest. Bleef de uitslag onduidelijk, dan moest je nog een keer zeven dagen in quarantaine. Na uiterlijk 14 dagen volgde de definitieve diagnose. Het was een sneltest: je kreeg meteen de uitslag.

Melaatse mensen moesten duidelijk herkenbaar zijn. Ze moesten hun kleren scheuren, mannen moesten hun baard laten staan, ze moesten bij de nadering van anderen roepen dat ze onrein waren zodat anderen de 1,5 meter afstand in acht konden nemen.

En... ze moesten de bovenste lip bewimpelen (Leviticus 13 vers 45). Zou dat Oudtestamentische taal zijn geweest voor het dragen van een mondkapje? 

Preek in coronatijd

Met wie voel jij je het meest verwant? Met Martha of met Maria? Martha die als een ijverige Truus de Mier de voeten van alles gasten wast als teken van gastvrijheid? Of bij Maria, die aan de voeten van Jezus zit? 

Martha doet enorm haar best om voor haar naasten te zorgen. Dat is immers het tweede gebod uit het christendom (‘God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf’). Tegelijkertijd ergert Martha zich eraan dat ze het allemaal alleen moet doen. En wij ergeren ons misschien weer aan haar ergernissen. Of we denken: “Mens, ga toch zitten, tutjeladeur!”

Voor de corona-maatregelen onze kerk elke zondag vol, maar momenteel mogen er maar ruim dertig kerkgangers komen. De kerkdiensten worden op zondag ook via de ‘live-stream’ uitgezonden

Onlangs verscheen bij uitgeverij Van Wijnen het boekje ‘Niet voor, maar bij’. Het is geschreven door Samuel Martin Bailey Wells, vicaris van St Martin-in-the-Fields in het centrum van Londen en gasthoogleraar christelijke ethiek aan King’s College London. 

Wells grijpt in zijn boekje terug naar het verhaal over Hertog László en Catherine (verfilmd in the English Patiënt). Catherine raakt ernstig gewond in de woestijn. László draagt haar naar een grot in de woestijn. Maar hij ziet dat ze dringend medische hulp nodig heeft. Die is in de woestijn in geen velden of wegen te bekennen. Hij trekt de woestijn in, op zoek naar een arts of een ziekenhuis. Terwijl hij hulp zoekt sterft Catherina … alleen …

Na dit verhaal neemt Wells de lezer mee naar tal van dagelijkse situaties in ons leven. Zoals: je hebt een verjaardag met veel gasten georganiseerd. Emails zijn over en weer gevlogen. Alles is geregeld. Je hebt het hele huis op orde gemaakt: alles ziet er schoon uit voor de gasten. De verjaardag loopt op rolletjes met op tijd koffie en thee, een gebakje, een borrel met zoutjes. En bij het afscheid zeg je: "Wat jammer dat we elkaar niet gesproken hebben..."

Wat is daar aan de hand? Je bent er wel vóór de gasten, maar je bent niet bij de gasten. Het iets doen heeft de plaats ingenomen van het er zijn.

Vertaald naar de hulpverlening: je kunt allerlei acties voor andere mensen opzetten. Dat is ook hard nodig. Maar ze schieten hun doel voor bij als je niet ook bij de mensen kunt zijn.

In twee weken tijds stierven in Bergamo - een stad zo groot als Alkmaar of Delft - tweeduizend inwoners. De ziekenhuizen waren overvol, mensen lagen in de gangen of zelfs buiten in tenten. Al die mensen waren besmet met covid-19. Onder de overledenen waren zes priesters. Ze waren er voor hun parochianen, maar ze waren ook bij hun parochianen. Ze wilden niet dat er ook maar iemand alleen zou sterven. Eén van de priesters stond 'zijn' beademingsapparaat af aan een jonge moeder. Diezelfde dag nog stierf hij, op 71-jarige leeftijd. 

Er voor iemand zijn is een opdracht in de Bijbel. Martha was er voor de gasten. “Voor is een prachtig (‘werk’) woord, maar het heft de onvrede niet op, het overbrugt geen misverstanden, het lost de vervreemding niet op, het haalt ons niet uit ons isolement”. Je kunt je de hele verjaardag inspannen voor je gasten, maar na afloop voel je je leeg en alleen, want je was er voor de gasten, maar je nam niet de tijd om bij de gasten te zijn.

"Voor is niet het hart van God. Het hart van God is bij mensen willen zijn. Het kernwoord van de Bijbel is 'wij'." Aldus Samuel Wells. 

Barmhartige Samaritaan

Ook mensen die niet in de Bijbel lezen kennen vaak wel (ongeveer) het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Oftewel, om een klasgenootje uit klas 4 van de lagere school op een opstel te citeren: 'de barmharige sambaritaan'. 

De geschiedenis wordt vaak verkeerd uitgelegd in preken, maar ook op school. De priester zou een hoogmoedige man zijn geweest, die zo ver mogelijk uit de buurt van die verfoeide Samaritaan (een allochtoon) wilde blijven. Maar in de grondtekst staat dat Jezus vertelt dat die overvallen man ‘voor dood langs de kant van de weg lag’.

De priesters hadden strenge wetten in het belang van de volksgezondheid en hun publieke functie. Een lijk kon gemakkelijk besmettelijke ziekten overbrengen. Dus het was voor de priester streng verboden om deze man aan te raken. Hij deed dus wat de Joodse wet voorschreef.

Daarna komt de leviet. Je zou kunnen zeggen: een hulppriester. Levieten waren ook op de hoogte van de wetten, maar ze waren er minder streng aan gebonden dan de (dienstdoende) priesters. Het kan best zijn dat de leviet aarzelde: moet ik nu nog gaan kijken of die man dood is? Maar als ik hem aanraak en hij is overleden ben ik zelf onrein. Dan moet ik in quarantaine. Ik loop tóch maar door…

Chiesa della Medaglia Miracolosa (de parabel van de Goede Samaritaan), Casa di Ospitalità Collereale in Messina

Dan komt de Samaritaan. Ook Samaritanen waren wel op de hoogte van de Joodse Thora, waar o.a. de reinheidswetten in staan. Maar de Samaritaan gaat wél kijken bij de man. Hij constateert dat de man leeft en neemt hem op zijn ezel mee naar een plek waar hij verzorgd kan worden.

Waren die priester en die leviet dus slechte mensen? Het waren heel gewetensvolle mensen. Ze hielden zich aan de regels. En die regels waren er ook niet voor niets. In onze tijd met besmettingsrisico’s weten we heel goed hoe precies het allemaal komt om te voorkomen dat je besmet raakt en vervolgens: dat je daardoor anderen kunt besmetten. Eigenlijk zijn dat ook de regels van het Oude Testament.

Wat Jezus zegt met deze gelijkenis is niet: wat een foute mannen, die priester en die leviet! Ze doen uit de hoogte en willen geen Samaritanen helpen. Nee, ze houden zich aan de regels. Maar Jezus gaat dieper: barmhartigheid gaat voor op de regels. Als de ander in nood verkeert worden er soms van jou stappen gevraagd die niet stroken met de regels die je in en uit principe hanteert. Dan moet je soms andere keuzen maken. Soms ook in corona-tijd.

De P is van Pingjum

In Pingjum kom ik af en toe. Er wonen vrienden en af en toe heb ik er een werkklusje.

Pingjum ligt tien kilometer ten zuidoosten van Harlingen. Bij de Amerikanen is het beter bekend dan bij de Nederlanders. Dat zou niet zo moeten zijn, want het is al een heel oud plaatsje. Het ligt hier al meer dan 900 jaar. Als je dan nóg niet weet waar Pingjum ligt…

Regelmatig komen er Amerikanen naar Pingjum. Dat komt door de doopsgezinde kerk die hier staat (voor de Amerikanen: Mennonite Church). Ooit was Menno Simons, een stichter van dit kerkgenootschap, hier werkzaam.

De Doopsgezinde kerk ziet er niet uit als kerk, maar het is wél een kerk: een schuilkerk. Doopsgezinde kerken mochten eeuwenlang niet als kerk herkerbaar zijn. De bijeenkomsten werden getolereerd, mits men maar geen reclame maakte voor eigen parochie. Deze Vermaning (de oude naam voor een doopsgezinde kerk) trekt duizenden bezoekers, waarvan de helft uit het buitenland.

De Doopsgezinde kerk van Pingjum

Pingjum heeft een beschermd dorpsgezicht. Het is een prachtig plaatsje. In het midden staat de Hervormde Dorpskerk: de Victoriuskerk. Die mocht wel zichtbaar zijn. De Hervormde Kerk was ‘officieus’ de staatskerk. Zijdelings in het dorp staat (ook weer op een karakterstiek beeld in Friese dorpen) de Gereformeerde Kerk. Ook die kerk werd (in de 19e eeuw) gedoogd, maar mocht niet teveel opvallen.

Pingjum heeft geen winkels meer. Overdag komt er nog wel een buurtbus, voor als het te hard waait met de fiets. Het openbaar vervoer in Friesland is fors uitgekleed. Dat is ten koste gegaan van een stukje leefbaarheid op het Friese platteland. 

Teveel of te weinig ego (3)

Het gevoel van meerderwaardigheid (in de volksmond: een te groot ego) en van minderwaardigheid (een te klein ego) is in wezen hetzelfde, schrijft Keller in: Bevrijd van jezelf, Van Wijnen). Het gaat in beide gevallen om een ego dat is gevuld met leegte. Dat doet pijn.

    Het voorgaande betekent dus dat het ego van Madonna (zie vorig blog) nooit tevreden kan zijn. Het is nooit goed genoeg, want dat is de middelmaat. Ze vindt nooit voldoening omdat haar ego onverzadigbaar is. En dat betekent in feite dat het niet gevuld is. Het is leeg, het trekt alle aandacht, het is kwetsbaar en het doet altijd pijn.

     In 1 Corinthe 4 (vers 3) schrijft de apostel Paulus dat het hem niet uitmaakt hoe de Corinthiërs over hem denken (letterlijk: uitspraak doen). “Hoe u of een menselijke instelling over mij oordeelt interesseert me niet en hoe ik over mezelf oordeel telt evenmin.”

    Gelovigen worden vaak weggezet als mensen die negatief denken over zichzelf en die gemakkelijk oordelen over de ander. Paulus zegt dus heel iets anders. Zijn identiteit is niet afhankelijk van wat mensen van hem denken. Hij hoeft zich niet te vergelijken met anderen. Maar hij gaat nog een stap verder: het maakt ook niet uit wat hij van zichzelf denkt.

   De hedendaagse psychologie gaat er – aldus Keller – vanuit dat je vooral jezelf moet bewijzen door te geloven in jezelf. Maar dat is, aldus de uitleg van Keller, opnieuw een valkuil. Want dan probeer je te voldoen aan je eigen verwachtingen. Paulus slaat zichzelf niet op de borst, hij ziet zichzelf niet als dé belangrijke verkondiger van het Evangelie. Hij weet dat hij fouten kan maken. Je zou kunnen zeggen: hij stelt zich nederig op. Maar dat woord past ook weer niet.

Tim Keller haalt C.S. Lewis aan: “Als je iemand tegenkomt die steeds van zichzelf zegt dat hij zich kwetsbaar en nederig opstelt weet je dat die persoon dat juist niet is. Iemand die steeds zegt dat hij niets voorstelt is in feite juist vol van zichzelf (in: Onversneden Christendom, Kok, Kampen, 2004). Een echt nederig persoon valt niet op door zijn nederigheid. Een nederig persoon valt op als degene die zo onbevangen naar ons toe is.” Keller: “Het wezen van Bijbelse nederigheid is niet dat we hoger of lager ván onszelf denken, maar dat we minder áán onszelf denken.”  

Nederigheid betekent niet dat we lager van onszelf denken, maar dat we minder aan onszelf denken

      Dat geeft, aldus Keller, veel psychologische ruimte om ons open te stellen naar anderen. Je wordt niet als een wesp gestoken door een kritische opmerking, maar je duikt ook niet in elkaar als je een compliment krijgt. Je hoeft niet zoals Narcissus voortdurend in de spiegel te kijken om jezelf te bewonderen, je hoeft ook niet de spiegel te vermijden omdat je elke keer weer van je eigen beeld schrikt.

Je hoeft jezelf niet te verwijten dat je minder presteert dan je collega, maar je bent blij voor hem dat hij zo’n waardevolle plek heeft binnen de organisatie. Je hoeft niet de ander te helpen omdat je jezelf anders zo leeg voelt. Je kunt net zo genieten van de blijdschap van de buurman met wie je het af en toe moeilijk hebt als van een mooie zonsopkomst. Dan kan allemaal als je minder aan jezelf denkt en stopt met het voortdurend vergelijken van jezelf met de ander.

     Wie een indrukwekkende film wil zien met als thema’s oordeel en kunnen loslaten zou eens naar The Shack kunnen kijken. Eigenlijk moet je de film meerdere malen zien, omdat er zoveel verschillende lagen in zitten. Gebaseerd op het boek van William Paul Young: De Uitnodiging (Uitgeverij Kok).

Kerkdiensten

Bijna drie maanden zijn we niet naar de kerk geweest. Nu twee keer achter elkaar. Een trouwdienst op vrijdag en een zondagse kerkdienst.

Eén keer hebben we in de kerkzaal een film-avond gehouden voor de oudste groep catechisanten. Dat kon gemakkelijk: een kleine groep in een grote zaal. Als je meer mensen uit wilt nodigen wordt het spannend. Hoe hanteer je de ‘corona-regels’? Het had heel wat voeten in de aarde om de kerkdienst ‘corona-proof’ te maken.

Het bruidspaar kwam in zijn Eendje

Dat begint al bij de binnenkomst, compleet met vragen, desinfectiezuil en het voorkomen van file-vorming.

Er is een heel systeem bedacht om mensen uit te nodigen én om de anderhalve-meter richtlijn te kunnen hanteren. Familieleden (‘één huishouden’) kunnen bij elkaar zitten, maar tussen de verschillende huishoudens moet de 1,5 meter in acht worden genomen. Dus moet je ook van tevoren weten wie er allemaal komen.

Daarnaast geldt een maximum van dertig kerkgangers. Omdat onze kerk elke zondag een aantal gasten van buiten had moesten die ook weer uitgenodigd kunnen worden. Maar dat is inmiddels allemaal zo goed mogelijk georganiseerd.

Trouwdienst met dertig kerkgangers

Op de foto lijkt de kerk nog best goed gevuld, maar dat is schijn: er blijven hele rijen en plaatsen tussen de rijen vrij. Normaal zit het kerkgebouw elke zondag helemaal vol. En voor de bruiloft zou het méér dan vol hebben gezeten.

Omdat voor ons het zingen erg belangrijk is is dat nog wél wat we missen. Er is een band die prachtige muziek speelt (met tal van instrumenten), er zijn ook twee zangers, maar wij – ‘als gewone gemeenteleden’- mogen niet meezingen. Dat zal nog wel even zo blijven, als ik de onderzoeken van de afgelopen week goed beluister. Gelukkig mag neuriën wel…

Kerkse kater

Na afloop van de kerkdienst was er altijd veel ruimte voor sociale contacten. Maar ook dat is er nu even niet bij. Even bijpraten buiten en dan weer naar huis. Of op bezoek bij iemand uit de kerk. Dat kan – binnen bepaalde grenzen – gelukkig wel weer.

Volgende week kunnen we de kerkdienst weer via de live-stream bekijken. Op de bank met huiskater Ringo op schoot. Het is mooi dat die mogelijkheden er tegenwoordig ook zijn.

En hopelijk blijft het zó goed gaan dat we aan het eind van het jaar weer met zijn allen de 'gewone' kerkdiensten in ons eigen kerkgebouw bij kunnen wonen. 

Teveel of te weinig ego (2)

    Ds Tim Keller (predikant van de Presbyterian Redeemer Church in New York) citeert in het boekje ‘Bevrijd van jezelf’ (uitgeverij Van Wijnen, Franeker) zangeres Madonna. 

In talentenjachten zie je mensen die dolgraag Madonna zouden willen zijn. Zolang ze dat niet kunnen bereiken hebben ze het gevoel dat ze falen. Je zou denken: Madonna heeft alles bereikt, dus zij moet toch wel tevreden met zichzelf zijn. Maar ze zegt: “Angst voor de middelmaat vormt de drive voor mijn leven. Hoeveel ik ook bereik, ik behoor nog steeds tot die middelmaat. Behalve als ik iets heel anders doe. Want zelfs nu ik iemand ben moet ik nog steeds elke dag bewijzen dat ik iets voorstel. Mijn worsteling blijft maar door gaan en het houdt nooit op.”

    Intermezzo: Professor R.E. Abraham schreef een boek over het ontwikkelingsprofiel. Bij volwassenen zie je – met name bij stress- veel gedrag terug dat past in de kinderleeftijd. Een voorbeeld is de rivaliteit. Dat begint al op jonge leeftijd in het gezin: de strijd tussen broers en zussen. Jacob probeerde als tweede de eerstgeborene Ezau van de troon te stoten. Een extreme gevoeligheid voor de vergelijking met anderen en daarmee ook jaloezie en rivaliteit zie je ook bij narcisme en bij de borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarom kunnen deze mensen – als door een wesp gestoken – reageren op een klein beetje (vermeende) kritiek en accepteren ze ook de inbreng van anderen niet.

    Keller: Omdat het ego zo opgeblazen is, omdat het zoveel aandacht trekt heeft het het ook steeds erg druk. Het is namelijk steeds bezig met vergelijken. De manier waarop het ego probeert om de leegte op te vullen en het gevoel van onbehagen kwijt te raken is door zichzelf te vergelijken met de ander. Keller noemt in dat verband C.S. Lewis die schrijft dat veel mensen voortdurend leven in een vergelijking tot anderen. Daar zijn ze druk mee: heb ik meer of minder dan de ander, presteer ik meer of minder dan de ander?

    Het gevoel van meerderwaardigheid (in de volksmond: een te groot ego) en van minderwaardigheid (een te klein ego) is in wezen hetzelfde, schrijft Keller. Het gaat in beide gevallen om een ego dat is gevuld met leegte.Daarom reageert dat ego ook zo heftig op (vermeende) kritiek. 

Teveel of te weinig ego?

In de traditionele culturen (en dat geldt nog steeds voor de meeste culturen in de wereld) gaat men er vanuit dat een te hoge dunk van jezelf (trots) de diepste oorzaak van al het kwaad in de wereld is. 

Waardoor doen mensen slechte dingen? Het traditionele antwoord was hybris, het Griekse woord voor trots, voor een hoge eigendunk.

Er is één cultuur die daar anders over is gaan denken, en dat is de moderne westerse cultuur. In die cultuur wordt gezegd dat mensen zich juist misdragen door een gebrek aan eigenwaarde. Dus mensen gaan de fout in omdat ze te negatief over zichzelf denken.

Al bijna 20 jaar geleden schreef psychologe Lauren Slater in een artikel (‘The problem of Self-Esteem’) dat er voor die westerse stellingname geen wetenschappelijk bewijs bestaat. Op de één of andere manier hebben we in het westen deze stellingname massaal omarmd, maar er is nooit goed onderzoek naar gedaan.

Slater: “Mensen met een te hoge dunk van zichzelf vormen een groter gevaar voor de samenleving dan mensen met een slecht gevoel over zichzelf.” Maar ze gaat er ook vanuit dat de westerse samenleving het concept van het geringe gevoel van eigenwaarde als oorzaak van de maatschappelijke ellende niet gemakkelijk zal opgeven.

Ben je aan alcohol of drugs verslaafd? Dat komt door een negatief beeld van jezelf. Kun je niet met kritiek omgaan? Dat is het gevolg van een negatieve kijk op jezelf. Onderwijs, justitie, psychologie: ze gaan er allemaal vanuit dat je – om problemen te verminderen – het ‘zelf’ van de mensen op moet vijzelen.

De theorie dat een gebrek aan eigenwaarde aan de wortel van alle intermenselijke kwaad ligt klinkt aantrekkelijk. “In de traditionele cukturen pakte je de problemen aan door mensen in de kraag te vatten en op te sluiten. Nu hoef je mensen alleen maar steun te bieden en op te bouwen. Je hoeft dus geen moreel oordeel meer te vellen om de problemen in de samenleving aan te pakken.”

Aldus ds. Tim Keller, predikant van de Redeemer Presbyterian Church in New York City. Keller citeert de apostel Paulus in 1 Corinthe 4 vers 6: “U mag uzelf niet belangrijker maken door de één te verheerlijken boven de ander.”

Een opgeblazen ego gaat pijn doen

In het Grieks staat in de tekst het woord physioo. Dat betekent letterlijk: opgeblazen, opgezwollen, te ver uitgerekt zijn. Het ego van de mens is te ver opgerekt. En daarmee wordt het pijnlijk en ontstoken. Hoe meer we onszelf groter willen maken dan we zijn, hoe meer we onszelf willen opblazen (‘keeping up appearances’) des te meer krijgen we ook last van onszelf. We rekken ons ego dusdanig op dat we er last mee krijgen. Het gaat pijn doen. Wordt vervolgd…

Tim Keller: Bevrijd van jezelf. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker. 

De narcistische voorganger en de megakerk (9, slot)

In de jaren '30 was er een gevierd Gereformeerd predikant die overal waar hij kwam volle kerken trok. Er wordt tegenwoordig wel gesproken over kerkelijk comsumentisme, maar dat bestond dus ook al een eeuw geleden.

Over deze dominee is een verhaal opgetekend dat hij voor de dienst steeds via een luikje de kerkzaal in keek. Als de kerk nog niet vol was, was het nog geen tijd. Hij meende dat een kerk altijd vol moest zitten als hij er preekte. Dat was op zijn minst een kwestie van ijdelheid, en misschien was het ook wel een narcistische trek.

Vreemde adviezen

Terug naar het artikel van David R. Dunaetz, Hannah L. Jung, en Stephen S. Lambert. Het valt mij op dat ze met een aantal wonderlijke adviezen komen om de nadelige gevolgen van het optreden van narcistische voorgangers te in te dammen.

Zo doen ze de suggestie om door gemeenteleden op geanonimiseerde blogs te schrijven over het reilen en zeilen binnen de kerkelijke gemeente. Volgens de auteurs speuren narcisten regelmatig heel internet af om te kijken of ze ergens genoemd worden. Dat laatste is waarschijnlijk waar: hoe vaak word ik genoemd? Wat wordt er over mij geschreven. Maar de kant van de anonieme kritiek moeten we in de kerk echt niet op willen gaan.

De auteurs menen dat rechtstreekse kritiek op een narcistische voorganger bijna altijd leidt tot confrontaties. Een geanonimiseerd blog zou dan effectiever zijn. Als op zo’n geanonimiseerd blog af en toe wordt geschreven over hoe de voorganger met een bepaalde vorm van handelen de plank mis slaat zou dat corrigerend kunnen werken. Ik vraag me ten zeerste af of dat werkt. Maar die kant moeten we dus ook niet op (willen) gaan.

Er worden ook andere suggesties gedaan, zoals het nog meer benadrukken van de band tussen de voorganger en de gemeente in o.a. publicaties en op de website. “De gemeente van dominee MacGrey.” De voorganger zou dan meer op zijn tellen passen dat er geen gekke dingen gaan gebeuren. Nee, doe dat alsjeblieft juist niet! Bovendien: een kerk is nooit van een dominee, een kerk volgt Jezus!

Ds. Chapman vertrekt

Dan nog ds. Chapman. Naarmate de kritische geluiden toenamen zag hij zich steeds meer als een boodschapper van Jezus. Hij was degene die zich baseerde zich op de Bijbel. Als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Dan waren ze toch niet zo gelovig als ze zich voor deden. Hij meende zelfs dat deze ambtsdragers uit hun ambt gezet zouden moeten worden.

Ik weet niet of ds Chapman narcistisch is, maar in zijn gedrag zie je wel kenmerken die passen bij narcisme. Zoals in dit geval: degenen die kritiek hebben moeten verdwijnen en vervangen worden door medestanders. Alleen werkt het niet zo in de Gereformeerde kerken. De dominee bepaalt de samenstelling van de kerkenraad niet. De pogingen van ds. Chapman om er op aan te sturen dat er leden van de kerkenraad moesten worden vervangen liepen op niets uit.

Opvallend was tijdens deze gang van zaken dat Chapman zich steeds minder flexibel toonde. Hij hield steeds meer vast aan zijn eigen visie, alle inbreng vanuit de gemeente werd door hem afgewezen.

Je zou kunnen zeggen: het werd steeds meer theologie en steeds minder relatie. Het klonk allemaal zeer gedegen en onderbouwd. Maar wat is een preek als deze niet wordt gedragen door verbondenheid met de gemeente?

Ook het kinderwerk tijdens de kerkdienst werd door hem over genomen omdat hij er ontevreden over was. Het wonderlijke was dat zijn preken steeds meer vuur kregen. Maar het was de vraag of het alleen heilig vuur was.

De gemeente wilde een voorganger die lijnen uit kon zetten. Dat kon deze predikant heel goed. Waarschijnlijk had hij dat als manager in het bedrijfsleven ook al voortdurend gedaan. Maar een kerk is wat anders het het bedrijfsleven waar je mensen op non-actief kunt zetten. Wat Chapman niet bleek te kunnen was: samenwerken met anderen.

Binnen twee jaar liep de samenwerking met ds. Chapman vast. Ook een externe commissie bleek hier geen verandering in aan te kunnen brengen. Chapman wilde op alle punten zijn gelijk halen. Daarop werd er een proces van losmaking ingezet. Ook bij de kerkelijke procedure legde Chapman zich niet neer: hij stapte naar de rechter en eiste een enorme financiële schadevergoeding, een soort van gouden handdruk. Dat was vanwege smaad, gederfde levensvreugde en gemiste inkomsten voor de komende tien jaar. Die vergoeding kreeg hij niet toegewezen.

Na het vertrek van ds. Chapman kwam er weer rust in de kerk. Het was een situatie met alleen maar verliezers geweest. Maar gelukkig groeit de kerk weer. Een kerkelijke gemeente is voor geestelijke groei niet alleen van de predikant afhankelijk.

De narcistische voorganger en de megakerk (8)

Voor iemand met narcistische trekken kan het ambt van predikant aantrekkelijk zijn. Dat geldt zeker ook voor vroegere tijden, toen dit beroep in hoog aanzien stond. Letterlijk (de hoge preekstoel) en figuurlijk stond de predikant in hoog aanzien.

Bovendien: vanuit de kerk word je niet tegengesproken. Tegenspraak is lastig voor narcistische mensen. Welnu: tijdens de preek kun je gewoon je gang gaan. Je wordt nooit geïnterrumpeerd.

Je zou kunnen zeggen: als er geen gezonde tegenkrachten zijn vormt de preekstoel een prima plek om sluimerend narcisme zich verder te laten ontwikkelen.

Nog steeds krijgt de voorganger tijdens de preek geen (of zelden) weerwoord. Maar in het kerkelijke werk is dat tegenwoordig toch anders geworden. Veel gemeenteleden hebben een eigen mening over de inhoud van de preek, over de muziek, over de standpunten van de kerkenraad. Een keerzijde is dat gemeenteleden in toenemende mate gaan ‘shoppen’.

Een reactie van voorgangers (maar ook van een synode) kan zijn dat ze het belang van het ambt gaan onderstrepen. Die discussie is niet verkeerd, maar het is wel van belang om te kijken in welke omstandigheden dat gebeurt. Wat is de achterliggende gedachte om je eigen beroep ‘groter’ te maken?

Mensen in de kerk zijn net gewone mensen. Als ze de Bijbel kennen weten ze dat ook. Ze zijn geen haar beter dan andere mensen. Eén van de kenmerken van narcisme is dat je je eigen fouten niet toe kunt geven. En als je ze wel toegeeft doe je dat om verdere reputatieschade te voorkomen. Er is wel zicht op de fouten van de ander, maar weinig zicht op de eigen gebrokenheid. Het berouw zit dus aan de buitenkant, maar niet van binnen. Hoe dat precies zit kunnen buitenstaanders moeilijk beoordelen, dat is vooral aan de persoon zelf. Maar als het berouw inderdaad alleen aan de buitenkant zit maakt dat de kans op herhaling ook groot.

Nog een keer: het verhaal van theoloog Chapman

Hoe is het ondertussen met Joshua Chapman gegaan (derde en zesde blog)? Het contact tussen Chapman en de eerste kerkelijke gemeente (geen mega-kerk, maar een wijkgemeente in een grote stad) die contact met hem zocht was vastgelopen. Kerkenraad en gemeenteleden lieten zich niet meteen door hem op sleeptouw nemen.

Maar er was een andere kerk die wel mogelijkheden zag om met de (bijna) predikant in zee te gaan. Het was een kerkelijke gemeente met veel doeners. Een streek met harde werkers, vooral tuinders. De kerk was een verlengstuk van het werk: niet kletsen maar doen. Men hield van aanpakken. De kerkenraad vond dat Chapman precies in het profiel paste: stevig aanpakken en niet moeilijk doen. Dat hij al tijdens de kennismaking tal van taken naar zich toe had getrokken zag men eerder als een pré dan als een nadeel. Drie maanden later werd hij als predikant bevestigd in zijn eerste gemeente. De pastorie was door de hardwerkende gemeenteleden in korte tijd helemaal verbouwd. Het gezin kon er zó in.

Ruzie met de organist

Binnen enkele maanden ontstonden de eerste scheuren in het contact. Chapman had een bepaalde visie op de manier waarop sommige liederen gezongen moesten worden. Hij meende dat hij meer verstand had van de muziek dan de organist en dat hij dus kon bepalen hoe bepaalde liederen begeleid moesten worden. Dat was de organist niet van plan. Het werd al snel een fors conflict. De organist zei uiteindelijk: “Dominee, als u het zo goed weet gaat u zélf op de orgelbank zitten, ik speel op mijn manier.” Beiden gaven niet toe. De organist trok zich terug en kwam niet meer in de kerk. Voor Chapman was deze gang van zaken niet zo ongewoon. Hij had op zijn werk meerdere reorganisaties meegemaakt. Daar waren ook altijd mensen bij vertrokken. Hij zag het vertrek van de organist ook als een soort reorganisatie. Nu er een dwarsligger verdwenen was kon het er alleen maar beter op worden in de kerk.

Botsing met de kerkenraad

Maar ook binnen de kerkenraad ontstond al snel een verschil van mening. Maandelijks werden standaard de preken besproken. Enkele leden van de kerkenraad stelden kritische vragen bij sommige uitspraken die de dominee had gedaan. Ze vroegen zich af waar hij zich op baseerde en of de dominee wel voldoende rekening hield met het levensverhaal van sommige gemeenteleden. Was het wel pastoraal om vanaf de preekstoel een hard oordeel te vellen zonder dat je weet welk verdriet er speelt? Van die opmerkingen was dominee Chapman niet gediend. Hij baseerde zich op de Bijbel en als er leden van de kerkenraad waren die daar anders over dachten waren ze niet voldoende onderlegd. Misschien waren ze dan misschien toch niet zo gelovig als ze zich voor deden.

De afgelopen decennia is er meer aandacht gekomen voor pastorale psychologie in de opleiding van voorgangers. Ook wordt het steeds belangrijker geacht dat aanstaande predikanten supervisie volgen. Voordat je de gemeente in gaat moet je jezelf goed kennen. Als Chapman dat traject had gevolgd had je kunnen verwachten dat hij zich niet meteen zo zou hebben opgesteld. Wat was er aan de hand?