Oudejaarskater met dokter Jansma

Zowaar werd ik op Oudejaarsdag gebeld door dokter Jansma. Het ging hem naar eigen zeggen redelijk wel. Alleen had hij wat vragen over zijn huiskater.

Zijn huiskater Kees (genoemd naar de case study) leverde hem prettig gezelschap, dat wel. Maar hij begaf zich niet altijd binnen de lijntjes van het huiselijk verkeer. Zo had hij gewaterd op de stoel waar Hajé in was gaan zitten. En Hajé wilde weten of daar wat aan te toen viel.

Ik had in zekere zin slecht nieuws voor Hajé. Wij weten het ook niet. Huiskater Ringo piest ook regelmatig naast de pot. Het ging een half jaar goed, maar nu heeft hij opeens de stoel van Tineke besproeid. We hebben al enkele stoelen met de ophaaldienst mee gegeven.

Trouwens: we hebben een kennis die haar fiets heeft verkocht omdat haar kater regelmatig de fiets besproeide. Ze stonk op de fiets een uur in de wind. Zelfs bij tegenwind. En als je dan het eerste uur bij een bezoek stinkt word je niet echt populair.

Ik suggereerde nog dat huiskaters worden gesponsord door de meubelindustrie. Als besproeide stoelen buiten worden gezet levert dat gaten in het huismeubilair op. Als die weer gevuld worden levert dat inkomsten op voor de meubelindustrie en de woonboulevards. Maar dokter Jansma wilde niet mee gaan in complottheoriëen. Dat soort gedachten wees volgens hem naar een geprangd gemoed en een in psychisch opzicht benevelde geest.

Toch kwam het denken van Hajé wel op gang. Hij wilde weten of huiskater Ringo een operatie had ondergaan aan een zeker onderdeel. Ja, dat was het geval.

Daar zocht dokter Jansma ook een verklaring in. Als je gestoord wordt in het bezig zijn met de ene behoefte komt die behoefte op een ander moment weer tevoorschijn. Dat is het model van de fluitketel onder hoge druk. Geen indruk kunnen maken op de vrouwtjes wordt verplaatst naar het indruk maken op het baasje. Een verschuiving, aldus voorvader Freud. En het maakt dan niet uit of het een goede of een slechte indruk is, het gaat om de geldingsdrang.

In hun diepste wezen zijn katten narcisten, aldus dokter Jansma. Zij zijn het centrum van de wereld en alles draait om hen. En het imago van dat centrum een deuk heeft opgelopen moet dat narcisme op een ander punt weer als een welig bloeiende neurose tot uiting worden gebracht.

‘Maar wat zeg ik nu?!?! zegt dokter Jansma. Dit is een ernstige woordverspreking. Narcisme en neurose verdragen zich niet met elkaar, ze zijn elkaars tegenpolen. Immers: de narcist slaat de hand die hem streelt en de neuroot kust de hand die hem slaat. Vergeet deze opmerking, vakbroeder, het is een vergissing mijnentwegen.

Dat had ik niet eerder gehoord, dat ik vakbroeder was. Ik dacht dat ik in de ogen van Hajé slechts een zielknijper light was zonder veel kennis van zaken.

Maar Hajé was al verder gegaan met zijn betoog. Hij zei: “Laten we ons eens voorstellen dat we onder zeil zijn gebracht door een lieftallige zuster op naaldhakken en we worden na een paar uur wakker en we willen even de toiletgang beoefenen en ziedaar, we missen opeens een belangrijk onderdeel dat de helft van onze identiteit uitmaakt, wat zouden zijn dan doen? Want die lieftallige zuster waar wij tijdens de narcose van droomden is opeens in fysiek opzicht voor ons onbereikbaar geworden. Zouden wij dan niet op een bepaalde wijze in het verzet gaan treden?”

Daar zat wat in? Alleen waren wij het niet die de wilsonbekwame Ringo naar de plaats des onheils hebben vervoerd. Maar volgens Hajé kan de ervaring met één persoon leiden tot een emotionele botsing met vergelijkbare personen. Net zoals de ervaring van een zoon tot zijn moeder kan leiden tot een allergie jegens andere vrouwspersonen.

Volgens mij had Hajé het nu over zichzelf. Ik wilde een bruggetje slaan en wilde weten hoe het met hem ging. 'Dat is een ander verhaal' aldus Hajé en hij wenste mij en de mijnen een goede jaarwisseling. Einde gesprek. 

Hond laat vrouw uit

Wij wonen aan een grasveld. Er is weinig groen in de buurt. Daardoor wordt dat  veld wordt vooral gebruikt door bazen die hun hond uitlaten.

Onlangs verscheen er een nieuw stel met een nieuwe hond op het veld. Ja, er verandert nog wel eens iets in Delft! Het aantal uitgelaten honden neemt trouwens ook toe nu er weer nieuwe woningen zijn gebouwd. De woefdichtheid is groter geworden.

De man was de baas over de hond. De vrouw was nog in opleiding. De hond was ook in opleiding: hij zat nog in de fase van de speelse jeugdigheid.

De eerste testcase was trouwens het oprapen van een hondendrol. Dat vond de vrouw zichtbaar vies. Er werd eerst een rondje extra gelopen voordat de vrouw het aandurfde om deze weke massa in een zakje op te bergen. Naar het schijnt voelt een warme weke massa nog viezer aan dat een wat afgekoelde massa.

De tweede dag moest de hond leren om naar de vrouw te luisteren. Dat deed hij niet. Elke keer weer moest de man er aan te pas komen om weer orde op zaken te stellen. De derde dag ging het precies zo. Het was precies zo als bij een peuter: twee kapiteins tegelijk op het schip roepen verwarring op: wie heeft de regie?

De vierde dag ging de vrouw alleen op pad. Dat was een moedige daad. De hond wist de weg naar het grasveld. Daar ging hij eerst zitten poepen. Het drollen vangen door de mevrouw verliep al goed. Ondertussen ging de hond lekker liggen. Tegelijkertijd werden de hemelsluizen geopend en ging het hard regenen. Daar stond de vrouw kletsnat te worden. De hond ook, maar die vond dat kennelijk niet erg.

De vrouw probeerde met rukken en trekken de hond in beweging te krijgen. Hoe meer ze trok, des te meer zette de hond zich schrap. Zijn poten kregen greep op de aarde. Hij trok een potenspoor door het gras. Na twee meter was de vrouw buiten adem en lag de hond weer lekker te liggen in de regen.

De vijfde dag had de vrouw een speeltje meegenomen. De hond ging weer uitgebreid in het gras liggen liggen. De vrouw gooide het speeltje weg. De hond keek het speeltje na en bleef lekker liggen. Ze wees uitgebreid naar het speeltje. Maar de hond had geen idee wat een wijzende vinger betekende. Hij had nog geen joint attention ontwikkeld.

Gelukkig was de vrouw zo verstandig om de hond aangelijnd te houden. Zonder lijn zou hij er als een hazewind vandoor zijn gegaan. En dat terwijl het helemaal geen hazewind was. En zie maar eens een hazewindhond die geen hazewindhond is terug te vinden.

Vandaag is het een week geleden dat deze hond op het grasveld zijn kunsten vertoont. De hond ligt gezellig op grasspriethoogte de wereld te bekijken. De vrouw is zoveel mogelijk op ooghoogte met hem in gesprek. Ze nodigt hem vriendelijk uit om verder te wandelen. Aan de lucht te zien nadert er een fikse bui.  

Dokter Jansma heeft een kater

Maandenlang had ik niets van dokter Jansma gehoord. Ik had een paar keer geprobeerd om hem te bellen. Geen gehoor. En ook geen antwoordapparaat.  Ik vermoed trouwens dat hij nog een oude telefoon heeft met draaischijf. Daar zit dan waarschijnlijk ook geen antwoordapparaat bij.

Ik denk trouwens dat dokter Jansma geen flauw benul zou hebben van de werking van een antwoordapparaat. Zijn robuuste roodharige secretaresse regelde alles voor hem. En thuis wilde hij natuurlijk ook geen antwoord-apparaat. Je wilt als niet dat het hele bandje volgesproken worden met claimende vragen van je moeder (‘ben je niet thuis, ik hoor maar niks van je, bel je lieve moeder eens terug!’). En je wilt als emeritus-zielenknijper al helemaal niet gebeld worden door hysterische ex-patiënten met verlatingsangst.

En toen opeens belde dokter Jansma. ‘Met Hajé, kerel, hoe gaat het er mee?’ Welja, twee halfom en één tartaar, moeder staat de koffie klaar? Ik dacht dat ik die vraag moest beantwoorden, maar zoals gebruikelijk in onze gesprekken stak Hajé direct verbaal van wal zonder ook maar mijn antwoord af te wachten. Hij had een verrassing. “Je raadt nooit wat het is!” Ik zei: “Je hebt corona!” “Nee,” zei Hajé, “het is iets wat in het bijzonder in jouw kraam van pas komt. Je raadt het nooit!”

Op zo’n moment tolt er van alles door mijn hoofd, maar ik bezit niet de verbale assertiviteit om zo znel mijn gedachten in klankgeworden gedachten om te zetten. Ik dacht dat Hajé na zijn pensioen mogelijk een dating site had geraadpleegd volgens het recept van het daten in de derde levensfase.

Hajé gaf mij weinig tijd om te benoemen dat er een vrouw in zijn leven was gekomen. Hij zei: “Ik heb een kater!” Nu dacht ik bij overmatig drankgebruik dat sommige mensen aan verhoogde stemmingen doen, maar de kater is – voorzover ik kan beoordelen – altijd een minder prettige fase in de cyclus van het opbouw van het Syndroom van Korsakov.

Opnieuw kreeg ik weinig tijd om mijn gedachten verder bij elkaar te rapen. Hajé bleek zomaar opeens vanuit het niets een rode kater te hebben. Nooit had ik hem op enige dierenliefde kunnen betrappen. Ook niet op haat voor dieren. Hij was in mijn ogen dierneutraal. Dieren kwamen in zijn belevingswereld niet voor. Althans: hij had dit mij nooit geopenbaard.

Hajé vervolgde: “Het komt eigenlijk door jou. Ik zag foto’s van jou voor de televisie in gezelschap van een huiskater. En toen bedacht ik dat ik in corona-tijd ook wel wat gezelschap zou kunnen gebruiken. Een kat in het bakkie in plaats van een bakje met antidepressiva.” En zo was er een kater in zijn leven en in zijn huis gekomen.

Ik vroeg of Hajé misschien een foto van de kater kon toesturen, maar dat kon niet. Niet omdat Hajé dat niet wilde, maar omdat hij geen idee had hoe hij met zijn antieke telefoon een foto kon maken. Het snoer was te kort om in de buurt van de huiskater te komen.

Ik vroeg Hajé om nog wat verder te vertellen over de kater, hoe het zo was gekomen en hoe oud de kater was. “Bij geval was de overbuurvrouw in het verpleeghuis opgenomen en toen vernam ik dat de buurvrouw die kater elke keer eten moest brengen. Toen bedacht ik opeens: ‘als mijn waarde collega Henk genoeglijk gezelschap beleeft aan een huiskater, waarom zou ik dan niet een poging tot genoeglijk samenwonen doen?’ Nee, niet permanent, eerst maar eens kijken hoe de vork in de steel zit. Misschien gaat de overbuurvrouw zich te zijner tijd weer metterwoon aan de overzijde vestigen en dan moet hij weer terug. Nee, ik ga me nog niet binden…”

Het was weer duidelijk: Hajé kwam weer zijn bindingsangst tegen. Diezelfde bindingsangst had hem voorzover ik kon beoordelen mogelijk al een halve eeuw van de vrouw weggehouden. Maar nu was er dus toch een huisgenoot in huis. Voorlopig, niet permanent. “Teveel binding leidt tot ontbinding” was een gevleugelde uitspraak van dokter Jansma.

“Wat is de naam van de kater?” wilde ik weten. “Kees”, zei Hajé, “Geen Sigmund, ons aller vadertje Freud, maar kort en bondig Kees, naar het begrip case-study.” “Heette hij dan al zo?” wilde ik weten. “Nee, zo heette hij niet, hij heette Teun. Maar ik wil niet om de Teun geleid worden. Dus in deze woning heet hij Kees. Geen twijfel mogelijk.”

En toen opeens: "Kerel, ik spreek je wel weer bij gelegenheid als de etablissementen weer oudere gogen en jaters willen ontvangen. Het is nu te koud om nog een terrasje te plegen. Hou je haaks." Einde gesprek.  

Koning Ringo de Eerste

Het Nederlandse staatshoofd verschijnt op de muren van overheidsgebouwen, van munten en van postzegels.

Eindelijk is het zo ver. Huiskater Ringo is nu vereeuwigd op een postzegel. Hij is namelijk een koninklijke kater. Weliswaar afkomstig uit een gewoon poezengezin met vier broers. Maar in het kader van de democratisering hoef je niet van adel te zijn om toch het predikaat koninklijk te mogen dragen.

Hier is dus de postzegel met Koning Ringo de Eerste. Er is ook nog een postzegel voor post naar het buitenland beschikbaar. Daar staat het cijfer 2 op. Aangezien Ringo in zijn eentje is vind ik de postzegel met het cijfer 1 het meest van toepassing.

Ringo is zelfklevend, je hoeft hem niet te likken. Hij vindt het wel prettig als je hem liket.

De vraag is natuurlijk: als dit koning Ringo de Eerste is, komt er dan nog een koning Ringo de Tweede? Nee, die komt er niet. Al op jonge leeftijd heeft Ringo het onderdeel dat daarvoor nodig was gedwongen aan de wilgen moeten hangen.

Hij is dus Koning Ringo de Eerste en daar blijft het bij. Latere generaties zullen zich hem slechts nog herinneren vanwege zijn statieportret op een Nederlandse postzegel uit 2020 ter waarde van 1 Euro. 

Supervisie met kater

Ik zou in Amsterdam bij een supervisie-bijeenkomst zijn. Maar vanwege corona-gerelateerde stress werd de fysieke bijeenkomst op het laatste moment met tromgeroffel afgeblazen. Er moest 'gezoomd' worden. 

Dus zat ik aan de lokale tafel met mijn plaatselijke laptop fimpjes te bekijken van behandelingen bij de tandarts. In de stoel zaten patiënten met autisme, een verstandelijke beperking en/of dementie. Of soms wilden ze niet in de stoel.

Supervisie met kater

De meest bijzondere gast was vandaag Ringo, onze huiskater in ruste. Hij is met pensioen en hij vindt dat zijn baas zich ook wat rustiger moet gedragen.

Om het gesprek enigszins in goede banen te leiden verscheen hij steeds in beeld. Aanvankelijk passeerde er steeds een staart voor het scherm, maar later zorgde Ringo er voor dat zijn baas niet meer naar het beeld kon kijken. Hij ging er gewoon tussen zitten.

Later op de dag ontdekte ik een andere oorzaak voor dit gedrag. Het was niet zozeer dat Ringo wilde dat ik stopte met werken. De brokjes waren op. Dus de werkzaamheden moesten alleen even onderbroken worden. Sorry Ringo!

Iets lekkers op de tafel

Soms denkt onze huiskater Ringo (15) dat er iets lekkers op tafel ligt. 

Maar Ringo is goed opgevoed. Hij weet dat hij niet op de tafel mag komen. Daarom maakt hij zich dan extra groot. Hij rekt zich maximaal uit en probeert met zijn poot dat lekkers te bemachtigen. Hij kan het niet zien, dus moet hij voelen met zijn voorpoot.

Niet dat er in dit geval iets lekkers lag, maar Ringo had kennelijk iets gehoord of geroken.

Uiteindelijk ging onze huiskater onverrichterzake terug naar zijn slaapplek op de bank.

De vraag die nog rest is: is de tafel te hoog of is Ringo te klein? 

Naar de dierentuin

Mijn eerste herinnering aan de dierentuin dateert uit 1956. Toen gingen we naar de dierentuin van Bandung (op Java). Daar stond o.a. een Friese stamboekkoe als exotisch dier in de tropische hitte opgesteld. 

In 1959 gingen we naar Ouwehands Dierenpark in Rhenen. Mijn zusje van twee jaar had geen enkele interesse in de olifanten, maar de eendjes vond ze prachtig.

In 1963 bezochten we Blijdorp in Rotterdam. Ik vond de treinreis er naar toe heel bijzonder. De dierentuin herinner ik me als een sjokkend gebeuren met voortdurende vertraging vanwege de drukte. Ik hield meer van de ruimte.

Eend onder water

En nu ben ik weer een keer in Blijdorp geweest. De kleinkinderen hebben een abonnement op die dierentuin en ze namen opa en oma mee als introducé. Ik was bang dat het er druk zou zijn, maar dat viel erg mee. Corona heeft ook zijn voordelen, zoals het voordeel van een tijdslot, waardoor de drukte gespreid wordt. Er waren vooral veel opa’s en oma’s met kleinkinderen.

De familie bekijkt de vissen

Vooraf had ik aan de kleinkinderen gevraagd welke dieren ze wilden zien. Het leek me overzichtelijk: iedereen zijn eigen lievelingsdier. Zo’n dierentuin is toch te groot om alles goed te bekijken. Ik had me opgegeven voor het bekijken van de treinen (er lopen twee spoorlijnen via viaducten over Blijdorp). Maar daarvoor kwam je volgens de kleinkinderen niet in de dierentuin. Dus zette ik de stokstaartjes op mijn lijst.

Prairiehond eet paprika

Al in het begin van de route weken we af van ons oorspronkelijke plan. Het was drukkend warm. Dus gingen we naar het Oceanium. Dat is helemaal overdekt en lekker koel. En er bleek zóveel te zien dat je er ook wel een hele dag kon verblijven. Ik vond het boeiend om eenden onder water te zien voortbewegen: die poten lijken wel schepraderen van een raderboot.

De leeuwen en de tijgers hadden het voornamelijk erg warm. Net zoals familielid en huiskater Ringo lagen ze languit zich vooral niet teveel op te winden.

De stokstaartjes hebben we niet gezien. Maar familieleden van de stokstaartjes, hebben we van nabij kunnen bewonderen. Het waren de prairiehonden. Ze houden de boel goed in de gaten en houden erg van paprika. Ze lijken wel wat op Tineke.

De treinen naar Amsterdam (over de HSL) en een treinen naar Gouda reden netjes volgens dienstregeling boven de dierentuin. De ooievaar die jaarlijks zijn nest bouwt in een portaal hield de zaak goed in de gaten.

Ooievaarsnest op een portaal van de bovenleiding

Na twee uur dieren kijken wilden de kinderen graag naar een topattractie van Blijdorp: de speeltuin. Helaas mocht ik niet op de schommel. Vanwege corona was de speeltuin alleen bestemd voor kinderen tot maximaal 12 jaar.

Ik vond de dierentuin veel prettiger dan ik in mijn geheugen had opgeslagen. Blijdorp is een groene oase in de grote stad. Hoe de dieren een dierentuin ervaren: dat weet ik niet. In ieder geval hebben de dieren meer ruimte dan ik had verwacht.

Na afloop van het bezoek namen we weer bus 40 naar Delft. Boven de 12 jaar waren mondkapjes verplicht. Kleinzoon J had braaf zijn mondkapje op, de kleindochters mochten nog zonder...

De Stier van Visser

In mijn jeugd stond Us Mem symbool voor logeerpartijen bij mijn grootouders, Pake en Beppe. Als je vanaf het station van Leeuwarden naar hun huis aan het Huizumerlaan liep stond op de rotonde een standbeeld van een koe. De moeder aller Friezen: Us Mem.

Een aantal jaren geleden ontdekte ik dat Us Mem verdwenen was. Dat was niet het gevolg van een actie van boze boeren. Inmiddels heb ik gezien dat ze op een andere rotonde staat. Bij het vroegere huis van een oom van mij die als een dokter Jansma zetelde in een pand aan de Spanjaardslaan. In onze families waren een dominee, een dokter, een tandarts en een psychiater beschikbaar, dus we waren van alle gemakken voorzien.

Stier van Visser in Zoeterwoude Dorp

In Zoeterwoude kwam ik gisteren ook een koe tegen. Nader onderzoek aan de onderzijde leerde mij dat het een stier is. Hij is 2½ meter hoog en 2,70 lang. Het is een indrukwekkende verschijning. De Stier van Visser (genoemd naar Patrick Visser, de ontwerper) weegt maar liefst 3000 kilo.

In het Mauritshuis in Den Haag hangt een stier. Hij heet de Stier van Potter. Er is ook een Pier van Stotter, maar dat is een ander verhaal.

Ik heb meteen Tineke maar opgebeld. Zij heeft een grote liefde voor alles wat koe is. Ze stapte deze donderdag op haar Batavus Dinsdag en fietste geheel op eigen kracht met gezwinde spoed vanuit Delft naar Zoeterwoude. Daar raakte ze diep onder de indruk van deze levensechte ijzeren stier. De foto’s zijn gemaakt met mijn telefoon (minder goede kwaliteit), ik was mijn fototoestel vergeten.

Oude materialen in hergebruik als kunstwerk

Kunstenaar Patrick Visser maakt van o.a. oude tangen, plaatijzer, betonijzer, steeksleutels, nijptangen, scharen, oude kettingen, remschijven en tandwielen een nieuw kunstwerkt. En dat is precies wat Tineke ook zo graag doet: oude spullen een nieuw leven geven.

Tenslotte nog een kamplied uit mijn jeugd:

Bij ons in de Beemster daar is het zo goed

Daar geven de koeien tien liter als ’t moet

En geven ze niet, nou dat hindert geen zier

Dan is het geen koe maar dan is het een stier.

Gast aan huis

Opeens liep er een zwarte kat met witte poten en een witte bef door ons vakantiehuis. Waar hij vandaan kwam: geen idee.

Er liepen wel meer katten rond het huis, en vooral veel koeien, maar deze kat was het enige opvallende dier dat binnen kwam.

Hij liep wat rondjes door de kamer en snuffelde wat aan onze handen en schoenen. Daarna vertrok hij naar boven om te kijken of er daar nog wat te beleven viel. Vervolgens ging hij op de trap zitten. Als je wat hoger zit heb je meer overzicht en dus meer controle. Na een uurtje vertrok hij weer.

De volgende ochtend om 8 uur zat er een kat voor de deur. Hij zat klagelijk te miauwen. “Ik mocht er toch in? Begrijpen jullie dat niet?” Nee, dat hadden we niet zo begrepen. Natuurlijk mag jij er in. Als je je maar een beetje gedraagt! Nu is slecht gedrag ook een vorm van gedragen, dus duidelijk was de instructie niet.

De kat moest natuurlijk wel een naam hebben. Ik noemde hem Tippie. Als ik “Tippie!” riep kwam hij meteen. Maar waarschijnlijk zou hij ook zijn gekomen als ik “Kastor”, “Zoef” of  “Gretha” had geroepen. Maar laat ik hem toch maar Tippie blijven noemen.

We hoorden trouwens ook van iemand die zijn kat “Kommaar!” had genoemd. Prima naam voor een kat.

Tippie begon zich al meer thuis te voelen. Hij kwam bij het koffie drinken naast me op de bank liggen. Hij wilde vooral graag geaaid worden, maar kennelijk was dat een te indringende ervaring. Hij rollebolde alle kanten uit, sloeg zijn nagels uit en probeerde mijn hand te pakken.

Na een uurtje vertrok Tippie weer, maar een paar uur later liep hij weer naar binnen en ging meteen maar op de bank liggen. Daar lag hij te ‘fietsen’ (de poten heen en weer bewegen zoals jonge katjes bij hun moeder doen). En als we in de buurt kwamen miauwde hij. “Aai me dan!” In de hedendaagse terminologie zou je kunnen spreken van ‘huidhonger’.

Gaandeweg werd het ook duidelijk dat Tippie een kater was. Niet dat hij ging sproeien, maar hij maakte geen geheim van zijn geslacht. Van enige schaamte was geen sprake.

Tippie was waarschijnlijk een jonge kater. Hij  was erg speels. Als er maar iets bewoog moest dat gevangen worden. Ook een bewegen van een teen kon aanleiding zijn tot een plotselinge aanval. Maar het meest hilarisch waren nog de aanvallen op de eigen staart. Dat is het voordeel van het hebben van een staart: je hebt altijd je eigen speeltje bij je.

Tippie had – en zo hoort het ook – zijn eigen voorkeuren. De één zit liever in een stoel, de ander ligt liever in een hangmat. Tippie lag graag op een schoen. Of op een voet. Als katten een vorig leven zouden hebben zou hij  een voeten-festisjist geweest.

Er was nog een ding in huis waar Tippie extra veel belangstelling voor had. Dat was de koelkast. Als de koelkastdeur open ging rende hij al miauwend naar de deur. De deur representeerde dus iets eetbaars. Zo kregen we ook een beeld van zijn communicatie-niveau.

Het afgelopen weekend was Tippie kind aan huis (of kater aan huis). Hij had zich de bank toegeëigend. Hij was nu een stuk rustiger en lag lang te slapen. Het liefst tegen mij aan, met een poot tegen mijn been aan: een vorm van fysieke verbinding. Tippie vond het heerlijk om geaaid te worden. Maar hij werd er niet meer wild van.

Tippie tegen de plint van het aanrechtkastje

Omdat Tippie rustiger werd, werd het ook gemakkelijker om een foto van hem te maken zonder ‘bewegingsruis’. Al blijft het fotograferen van een zware kat toch een bijzondere opgave. Wat opviel waren de bijzondere houdingen die hij aan nam. Zo lag hij met één poot omhoog op de bank en ook had hij een plekje gevonden op de vloer onder de aanrechtkastjes.

Vandaag hebben we afscheid van Tippie moeten nemen. Waarschijnlijk staat hij nu weer te miauwen voor de deur. Maar er is niemand die (hem) open doet.

Nu we thuis zijn valt op dat we zelf nogal bezaaid zijn met jeuk-plekken. Is Tippie in de Achterhoek gebleven en hebben wij zijn vlooien mee naar huis genomen?