Op de fiets

De mensen vragen mij wel eens: "Henk, stap jij al wel weer eens op de fiets?" Dat zal ik jullie zeggen: omdat het gisteren dinsdag was heb ik het zadel van de Batavus Dinsdag bestegen. 

Om half drie vond ik dat ik hard genoeg gestudeerd had voor een cursus die ik volgende week moet geven. Ik had geen enkel plan en ook geen kaart bij me. Zelfs mijn fiets had ik niet bij me. Die stond op station Rotterdam Centraal waar ik maandag na een familiebezoek aan mijn broer druipenderwijs was aangekomen.

Namiddag en avondrit van Rotterdam Centraal naar Tilburg

Op het kaartje zie je waar ik uiteindelijk belandde: in Tilburg. Het laatste stuk buiten de bebouwde kom was in het donker en ingewikkeld. Zonder kaart door bossen en struikgewas navigeren leidt nog wel eens tot onverwachtse gebeurtenissen.

De laatste 10 kilometer waren niet zo mooi. De gemeente Tilburg heeft namelijk een kolossaal bedrijvenpark aan laten leggen met kilometers lang platte dozen aan saaie bedrijvigheid. De volgende keer maar een andere route kiezen..

Charles Bonnet Syndroom

Laten we het eens over het CBS hebben. Deze keer heeft het blog niets met statistiek te maken, maar wél met een oogafwijking. 

Blinde man ziet andere mensen

In een bespreking ging het over een man die steeds een ander persoon in de kamer ‘zag’. De man heeft een visuele beperking en heeft als gevolg van zijn ouder worden in fysiek opzicht beperkte mogelijkheden. Wat was er met deze man aan de hand?

Ik dacht terug aan een andere situatie. Een tijdje geleden was ik op bezoek bij een meneer van rond de 90 jaar oud die vertelde dat hij steeds mensen zag lopen.

In principe kan dat natuurlijk, maar deze meneer was geleidelijk helemaal blind geworden. De enige manier waarop hij mij herkende was mijn stem. En toch meende hij steeds mensen te zien.

Ik heb geprobeerd aan hem uit te leggen wat er aan de hand was. Dat was ook nog niet altijd zo eenvoudig. Hij herkende mij wel aan mijn stem, maar zijn gehoor is toch ook behoorlijk achteruit gegaan.

Ik vertelde hem dat hij in zijn werk (hij was kapitein van een zeesleper geweest) altijd ontzettend goed moest kijken. Alle spieren van zijn ogen stonden bij wijze van spreken altijd op scherp. Vermoedelijk was hij al visueel ingesteld. maar deze situatie heeft gemaakt dat hij nóg meer visueel is gaan waarnemen.

En dan word je blind. Wat gebeurt er dan? We weten dat mensen hun ondergevoelige zintuigen proberen te stimuleren (bij blinden worden dat wel blindismen genoemd, bijvoorbeeld: het hard wrijven in de ogen). Omdat deze meneer zijn (voor hem belangrijkste) zintuig ‘kwijt was geraakt’ vertaalde zich dat ik (toch) weer het zien van mensen.

Overleden moeder naast het bed

Ik moest ook denken aan een verstandelijk gehandicapte en inmiddels slechtziende man die iedere avond zijn moeder naast zijn bed zag staan. De begeleiding dacht bij hem aan dementie. Maar verder vertoonde hij geen enkel kenmerk van dementie. Daarop baseerde ik mijn veronderstelling dat deze meneer mogelijk visuele prikkelingen ervoer als compensatie voor het missen van het zien van zijn moeder.

Als ik 24 uur in een donkere en geluiddichte kamer word opgesloten ga ik dingen zien en horen die er niet zijn. Dat komt omdat mijn zintuigen geactiveerd willen worden. Er is een voortdurende prikkeling nodig om goed te blijven functioneren.

In dat verband kun je dit verschijnsel ook verklaren. Want het zien van dingen die er niet zijn komt voor bij mensen die slechter zijn gaan zien. Ze zien minder, maar hun hersenen prikkelen de ogen om tóch dingen te gaan zien. Opmerkelijk is wel dat de beelden zich o.a. voordoen als ouderen TV-kijken. Wat in het beeld zichtbaar is treedt dus naar buiten. Ook geen onbekend verschijnsel bij o.a. kinderen in ontwikkeling, al heeft het daar een andere verklaring.

Verstoringen in het netvlies

Wat ouderen zien zijn overigens ook vaak verstorende beelden over het netvlies, bijvoorbeeld een streep door het beeld van de kamer. Het verschijnsel wordt het Charles-Bonnetsyndroom genoemd. In verpleeghuizen is mogelijk 30% van de bewoners slechtziend (lang niet altijd opgemerkt). Men verwacht dat het zien van dingen die er niet zijn vaker voorkomt dan totnutoe gedacht werd.

Om onderscheid te maken tussen dementie en deze waarneming moet je weten in hoeverre iemand er besef van heeft dat zijn waarneming niet klopt. Een dementerende oudere kan heel boos worden als je zegt dat er geen postbode over het dak van de buren loopt. Voor iemand met visuele hallucinaties op basis van onderprikkeling is het juist heel duidelijk dat het niet kan. Ze zijn vaak opgelucht als je verklaart waarom iemand iets ziet wat er niet is.

Deze verschijnselen staan beschreven in het boek ‘Neuroplasticiteit’ (door Dr. J. VanderMeulen, dr. M. Derix en Prof. dr. C. Lafosse; Boom, 2008, Euro 31,50).

Geheugen

Niets is zo verraderlijk als het geheugen. Dat wordt nog eens benadrukt door het volgende experiment. Tien maanden na de Bijlmerramp in 1992 vroegen Nederlandse psychologen aan studenten en juristen of ze ‘de film’ hadden gezien die was gemaakt op het moment dat het vliegtuig neerstortte op de flat in de Bijlmer. Meer dan de helft van hen meende dat ze deze niet-bestaande film inderdaad hadden gezien. Ze beantwoordden zelfs detailvragen over de inhoud ervan.

De Nederlandse psychologen Harald Merckelbach en Marko Jelicic zeggen dat geheugenverlies altijd aan dergelijke pseudoherinneringen voorafgaat. Halverwege de jaren tachtig liet een Amerikaanse onderzoeker proefpersonen over langere tijd dagboeken bijhouden. Jaren later kregen ze een groot aantal uitgetypte notities voorgeschoteld; sommige waren echt, andere waren door de onderzoeker vervalst. Met het verstrijken van de tijd bleken mensen slechter in staat hun eigen dagboeknotities te herkennen. En naarmate dit vergeten omvangrijker was, bleken ze ook eerder bereid om de vervalste dagboeknotities als eigen werk te beschouwen.

Ook als geheugenverlies ingebeeld is, maken pseudoherinneringen een kans. In slimme experimenten waarin mensen aan het twijfelen worden gebracht over de betrouwbaarheid van hun geheugen, blijkt telkens weer dat ze dan zeer bevattelijk worden voor de suggestieve wenken van anderen. Wat gebeurt hier? Waarschijnlijk dit: naarmate mensen meer herinneringen hebben aan een voorval maken onjuiste fantasieën, speculaties of suggesties minder kans om wortel te schieten in het autobiografisch geheugen. Bij mensen die geen enkele herinnering meer hebben, maken die fantasieën juist meer kans.

Het bekendste voorbeeld van een valse herinnering is misschien wel het déjà vu: het gevoel dat je iets al eens eerder hebt meegemaakt of gezien, terwijl je eigenlijk weet dat dit niet zo is. Naar schatting 60 procent van alle gezonde volwassenen is bekend met het fenomeen. Een voor de hand liggende verklaring zou kunnen zijn dat mensen veel herinneringen hebben opgeslagen die niet allemaal teruggaan op eigen ervaringen. Ook informatie uit films, boeken en foto’s slaan we op. Als we iets ervaren wat veel overeenkomsten vertoont met een van deze opgeslagen herinneringen, kan het zijn dat dit een déjà vu-gevoel oproept.

Patiënten met temporaalkwabepilepsie (TLE) rapporteren met enige regelmaat déjà vu’s. Bij hen is het neuronale substraat onderzocht. Het idee is dat de amygdala, hippocampus en temporaalkwab, die samen een dicht neuraal netwerk vormen, gelijktijdig actief zijn. De temporaalkwab verwerkt een ervaring, en geeft die door aan de hippocampus. De binnenkomende informatie krijgt daardoor een zekere vertrouwdheid, als ware het een herinnering. Activatie van de amygdala geeft emotionele kleuring aan de ‘herinnering’, bijvoorbeeld een gevoel van angst.

Dat stemt overigens mooi overeen met déjà vu’s onder niet-pathologische omstandigheden: ook die voelen namelijk vaak niet alleen als een herinnering, maar roepen soms ook vage angstgevoelens wakker.

Geheugen en slaap

Presteer je beter op een examen als je goed geslapen hebt? Kun je beter je boek onder je kussen leggen dan de hele nacht doorblokken?

Een eeuw geleden werd een positief effect van de slaap aangetoond in Amerikaans onderzoek. Als proefpersonen die een examen moesten doen na het leren even gingen slapen en vervolgens examen deden presteerden ze beter dan degenen die wakker waren gebleven maar op dezelfde tijd gestopt waren met studeren.

De onderzoekers verklaarden dat uit het feit dat je – als je slaapt – geen invloeden meer van buitenaf hebt. De slaap zou dus goed zijn om informatie te consolideren.

Uiteraard is dat onderzoek later vele malen herhaald. De uitkomsten zijn niet unaniem. Kennelijk is er meer aan de hand. Maar het is wél zo dat de meerderheid van de onderzoeken laten zien dat met slaap een positief effect bereikt kan worden. s men de proefpersonen tussen het leren en de toetsing van het geleerde laat slapen. Honderden studies in alle soorten en maten volgden. Soms bevestigden ze het effect niet, maar vaker wel.

Men denkt dat slapen leidt tot een ‘replay’: het nogmaals afdraaien van de lesstof, zodat de kennis dieper in de hersenen wordt opgeslagen. Dat werkt natuurlijk alleen als je overdag ook stevig hebt gestudeerd. Ik kan me overigens weinig momenten herinneren waarbij ik ’s nachts met de lesstof bezig was. Er zijn leukere zaken om van te dromen.

Meer waarschijnlijk is nog dat de verschillende fasen van de slaap verschillende geheugenfuncties activeren. De diepe slaap zou belangrijk zijn voor het declaratief geheugen (kennis die je bewust opslaat). De lichte slaap zou dan belangrijker zijn voor het emotionele geheugen: de verwerking van dingen. 

Een lui geheugen?

Tegenwoordig lees je veel over het actief houden van het geheugen. Je moet als oudere voortdurend hersengymnastiek zoen, anders vertroebelen de neurologische wateren in je bovenkamer. Maar klopt dat wel? 

Ondanks alle aansporingen voor het doen van hersengymnastiek zijn we in geestelijk opzicht luier geworden. We liggen ’s nachts niet wakker van de vraag hoe die politicus ook alweer heette. We doen het anders. We stoppen ons denken al snel en vragen Google om een antwoord.

Niet bepaald slim, vindt de Duitse geheugenonderzoeker Manfred Spitzer. Hij waarschuwt voor de gevolgen van deze geestelijke luiheid. Veel van ons denkwerk wordt overgenomen door internet en daardoor gaat ons geheugen achteruit. Hij noemt dit digitale dementie.

Spitzer: ‘Onze hersenen functioneren als een spier: als ze gebruikt worden, dan groeien ze. Worden ze niet gebruikt, dan verschrompelen ze.’ Spitzer verwijst daarbij naar een al eerder op dit blog geciteerd onderzoek over Londense taxichauffeurs. Degenen die de tomtom gebruikten hadden minder goed ontwikkelde ‘kaartverbindingen’ in de hersenen dan de chauffeurs die er een eer in stelden om zélf de weg te vinden. Wat dat betreft is er voor mij nog hoop: ik weiger de kaart en de fietsrouteplanner te raadplegen.

Onderzoekers aan de andere kant van de oceaan zijn minder somber. En met die andere kant bedoel ik de Atlantische Oceaan. Amerikanen houden van gemak en zijn ook minder somber over de toepassing van gemak. Volgens hen past het geheugen zich juist aan: studenten onthouden eerder hoe ze het antwoord op een vraag kunnen vinden, dan dat ze het antwoord zelf onthouden. ‘Transactief geheugen’ noemen ze dat: er ontstaat een soort collectief geheugen, zodat ieder individu minder hoeft te onthouden.

Sterker nog, de informatierijke omgeving die internet creëert, zou ons brein juist stimuleren en bijdragen aan het Flynn-effect. Ook daar heb ik al eerder over geschreven. Onze gemiddelde intelligentie stijgt: elke volgende generatie scoort weer hoger op de intelligentietest. Vergeleken bij mijn kleindochters ben ik maar een domme opa.

Gebaseerd op een artikel door Henk Maassen en Nicolien van der Have in Medisch Contact, 18 december 2013. 

Soms zit het mee, soms zit het tegen

Woensdag had ik de fietsbanden opgepompt, donderdag stond de band leeg en vrijdag zou ik de band plakken. Helaas: het gat zat tegen het ventiel en viel niet te plakken.

Dat was ontregeling nummer één. Ik heb de dag verder in gepaste stilte doorgebracht door wat zaken voor te bereiden, een column te schrijven en een bezoek te brengen.

’s Avonds wilde ik een pakje ophalen bij een Post-NL punt. Ik moest me legitimeren. Dat lukte niet, want ik was mijn ID-kaart kwijt. In arren moede ben ik weer door de regen naar huis gefietst.

Daar ben ik een grootschalige zoektocht begonnen. Broekzakken, jaszakken, borstzaken, laatjes en geheime laatjes. Geen ID-kaart.

Vervolgens ben ik een zoektocht begonnen naar een passend actieplan. Op identiteitsfraude zit ook niemand te wachten. Ik moest bij mijn woon-of verblijfplaats zijn om kond te doen van het verlies. De benodigde actie was moeilijk te vinden, wel als je je rijbewijs kwijt was, maar niet voor een vermiste ID-kaart. Uiteindelijk toch gevonden.

Daarna wilde ik de post uit de brievenbus halen. Ik pakte de sleutelbos van het rek en liep naar beneden. Helaas: verkeerde sleutelbos in de hand. Dat moest natuurlijk een keer gebeuren. Geen horloge en geen telefoon bij me en niemand thuis. Ik liep op sokken en in T-shirt en buiten stroomde de regen neer. Geen idee hoe laat Tineke thuis zou zijn. Die was met dochter Nynke op stap, die een reservesleutel heeft.

Bij de buurvrouw was het donker. Zij heeft ook een reservesleutel. Ik ben op de trap mijn zonden gaan overdenken en hoe dit allemaal had kunnen gebeuren. Door de ontregeling van de vermiste ID was ik waarschijnlijk op het kritieke moment mijn concentratie kwijt. Dus ook nog eens de verkeerde sleutelbos. Op die plek hangt normaal ook de goede sleutelbos, maar die was met Tineke meegereisd.

Opeens zag ik licht bij de buuf. Ik belde aan en ze deed de deur open. Ze had onze sleutel keurig opgeborgen. Gisteren was haar hetzelfde overkomen, toen hadden wij de sleutel.

Toen Tineke thuis kwam begon er een nieuwe zoektocht. Ze wist nog wanneer de ID-kaart was gebruikt. Die dag was er ook een foto genomen. Wat had ik toen aan? Zit de ID-kaart dan tóch niet in één van die zakken? Nee dus. En ook niet in de trommel van de wasautomaat (af en toe worden mijn kleren gewassen, niet zo nodig, maar Tineke vindt dat dat zo hoort).

Uiteindelijk vond Tineke mijn ID-kaart terug. Hij zat in haar tasje. Ze had hem even geleend om een (ander) postpakket op te kunnen halen....

Nieuwkoop

Met de plaats Nieuwkoop heb ik een bijzondere band. Vroeger was een bekende reclame in Amsterdam: "Maar Henk Nieuwkoop zal je nooit belazeren." Die man had dus dezelfde voornaam als ik. Dus heb ik een bijzondere band met Nieuwkoop.

Nieuwkoop ligt temidden van de Nieuwkoopse Plassen. Onlangs fietsten wij daar weer eens. Ze werden o.a. beschilderd door schilders van de Haagse School (zoals Weissenbruch) die ontdekten dat de plassen beloopbaar waren vanuit Den Haag, als je maar de tijd nam.

De Nieuwkoopse Plassen

De Nieuwkoopse Plassen zijn een onderdeel van een uitgebreid plassengebied in het noorden van het Groene Hart, niet zo ver van de grens met Noord-Holland. Ze zijn vrij ondiep. Daarom varen er hier geen mammoettankers.

Nieuwkoop is een lintdorp temidden van dit verveende gebied. Het oorspronkelijke dorp werd bewoond door o.a. turfstekers en melkveehouders, maar zoals dat gaat in de Randstad: veel huizen werden opgekocht door rijke stadsmensen en een aantal originele huizen werd afgebroken teneinde plaats te maken voor protservilla’s, soms compleet met hekwerken. Zie ook dorpen zoals Loosdrecht en Vinkeveen, waar ook de plassen grotendeels aan het oog zijn onttrokken als gevolg van intrekkend grootkapitaal.

In het natuurgebied van de Nieuwkoopse Plassen werd zelfs een nieuwbouwwijk gebouwd. Daar heb je behoorlijk de ruimte en je woont ook nog eens aan het water. Kijk maar naar de omschrijving van een gemiddelde woning in die wijk: “Deze vrijstaande woning dateert uit bouwjaar 2018 en heeft een tuin van zo’n 738 vierkante meter. Dit huis heeft een totale perceelgrootte van 837 vierkante meter en heeft een woonoppervlak van 218 vierkante meter”.

Rechthuys en toren in Nieuwkoop

Het oude dorp Nieuwkoop is gelukkig nog af en toe een beetje authentiek gebleven, al heeft de nieuwbouw er ook danig huis gehouden. In het centrum vind je het voormalige Rechthuis en de hoge toren van een voormalig landhuis. Ooit had Nieuwkoop ook een station aan de spoorlijn van Uithoorn naar Alphen aan den Rijn, maar die spoorlijn was een buitengewoon kort leven beschoren: slechts 21 jaar. In 1936 reed hier de laatste trein.

Tijdens ons kortstondige verblijf werd Nieuwkoop geteisterd door een groot aantal laag over vliegende vliegtuigen: de aanvliegroute naar Schiphol. Op het land waar het leven goed is is het toch niet altijd prettig toeven. 

Introvert of extravert? (3)

Psycholoog Jonathan Cheek kwam op een andere manier tot een indeling van mensen die zichzelf introvert vinden. Hij kwam tot vier typen introverte mensen. Niet dat je persé in één van de vakken zou moeten passen: misschien ben je wel een mix van alle vier.

De sociale introvert

Dit zijn mensen die graag anderen ontmoeten, maar liever één op één dan in een grote groep. Of een paar mensen, dat mag ook. Liever een betere band met weinig contacten dan oppervlakkige relaties met heel veel vrienden. Dit type kenmerkt zich ook door graag af en toe alleen te willen zijn. Op de fiets bijvoorbeeld.

De denkende introvert

Introverte mensen zijn niet alleen graag alleen, maar zijn ook regelmatig in zichzelf gekeerd. Niet omdat ze helemaal niet van contact houden, maar omdat ze genoeg hebben aan hun eigen innerlijke omgeving. De denkende introvert denkt veel na; niet alleen over dingen in de wereld, maar vooral ook over zichzelf. Een hoge mate van zelfreflectie is dan ook kenmerkend voor dit type. Verder omschrijven ze zichzelf als mensen met een rijke fantasie, die van dagdromen houden.

De angstige introvert

Mensen die introvert zijn ervaren het voortdurend samen met anderen moeten zijn als een belasting. Maar de sociale introvert geniet wel van de contacten met anderen, in tegenstelling tot de angstige introvert. Deze persoon voelt zich slecht op zijn gemak tussen andere mensen. En als ze eenmaal thuis zijn voelen ze zich nog steeds niet opgelucht, want wat is er allemaal niet mis gegaan tijdens de ontmoeting met anderen?

De terughoudende introvert

Terughoudende introverten voelen zich gemakkelijk overvallen door anderen. Ze willen graag eerst nadenken en dan pas iets doen. Ze doen het graag rustig aan. Ze reageren vaak secondair. Je hoort hen weinig in een groep. Dat wil niet zeggen dat ze niet meedoen, maar anderen zijn gewoon sneller en ze hoeven niet zozeer op te vallen.

Jonathan M. Cheek vertelde over zijn onderzoek tijdens een conferentie over persoonlijkheidsvariabelen in San Antonio, 2011. Ik was er niet bij, want ik houd niet van al die mensen op conferenties. 

Introvert/extravert (2)

De Zwitserse psychoanalyticus Carl Jung (1875 tot 1961) had het idee dat de persoonlijkheidstrekken extraversie en introversie te maken hadden met psychische energie.

Alle mensen hebben een bepaalde mate van psychische energie. meende dat het niveau van de dimensie extraversie-introversie afhankelijk was van de focus van de psychische energie van een individu. 

Enerzijds/anderzijds

Opmerkelijk was dat Jung zichzelf al snel omschreef als ‘enerzijds’/ ‘anderzijds’. Hij omschrijft zichzelf als kind als vrij eenzaam en introvert. Maar hij was er ook van overtuigd dat hij twee persoonlijkheden bezat. Enerzijds was dat de moderne Zwitserse, op de buitenwereld gerichte persoonlijkheid nr. 1, zoals hij het uitdrukte, en anderzijds persoonlijkheid nr. 2, die meer in zichzelf gekeerd was.

Jeugdherinneringen

Ik heb al vaker geschreven dat vroege jeugdervaringen de kleur van de psycholoog (deels) bepalen. Dat was voor Jung naar mijn mening duidelijk het geval. Zo had hij een excentrieke moeder die zich echter vaak in perioden van melancholie op haar slaapkamer terugtrok. Ze was perioden wél en perioden niet beschikbaar voor haar zoon. Soms moest hij tijdelijk het huis uit omdat zijn moeder de zorg niet aan kon. Zijn moeder had dus ook twee kanten.

Anderzijds was zijn vader (een predikant) rationeel ingesteld. Vader en moeder vormden dus elkaars tegenpolen en Jung moest – voor zijn gevoel – met die twee achtergronden zien te dealen omdat hij ze (genetisch) in één persoon had verenigd.

Uit een zeer simpele bron – Wikipedia – put ik nog het volgende fragment: “Op 12-jarige leeftijd werd Jung door een andere jongen zo hardhandig geduwd dat hij op de grond viel en even het bewustzijn verloor. Het was toen dat hem de gedachte overviel “Nu hoef je niet meer naar school!”[ Sindsdien verloor hij elke keer het bewustzijn als hij naar school ging of aan huiswerk moest beginnen. De volgende zes maanden bleef hij thuis, tot hij hoorde hoe zijn vader zich tegenover een bezoeker bezorgd uitliet over de toekomst van zijn zoon en vermoedde dat de jongen aan epilepsie leed. Met een schok realiseerde Carl zich dat hij zich vanwege de zwakke financiële situatie van het gezin op een succesvolle academische carrière moest richten. Hij ging onmiddellijk naar het bureau van zijn vader en stortte zich op de studie van Latijnse grammatica. Hij verloor nog drie keer het bewustzijn, maar geleidelijk overwon hij deze drang en viel niet meer flauw. “Hieruit heb ik geleerd wat een neurose is”, schreef Jung later”.

Een vat vol energie

Jung geloofde dat de mens een vat met energie was, maar dat deze energie bij extraverte mensen naar buiten gericht was, naar andere mensen. Introverte mensen hebben ook veel energie, maar dat merk je minder, omdat het naar binnen toe gericht is. Dat maakt dat ze aan activiteiten deelnemen die minder sociaal zijn. Ze kiezen ook voor beroepen die minder sociale eisen aan hen stellen.

Enkele lezers van dit blog hebben er veel meer verstand van dan ik: beroepskeuze. Maar ik kan me voorstellen dat er een duidelijk verband bestaat tussen de dimensies introversie/extraversie en de beroepskeuze. En dat je - als je beroepskeuze niet past bij dit aspect van je temperament- ook veel eerder vastloopt in je vak.

Eysenck geloofde niet in dat aspect van de psychische energie, dat kon immers niet wetenschappelijk worden vastgesteld. Hij meende dat extraversie te maken had met de niveaus van de hersenactiviteit of van de corticale opwinding. 

Daarbij trok hij een conclusie die ook in het ADHD-onderzoek genoemd wordt: de drukkere mensen hebben niet een hoger, maar een lager niveau van corticale opwinding. Dit zorgt ervoor dat ze op zoek gaan naar opwinding uit externe prikkels.

De hogere activatie bij introverte mensen zorgt ervoor dat zij prikkels vermijden die tot een grote opwinding kunnen leiden. Hun emmer zit immers al behoorlijk vol. Daar kan niet zoveel meer bij. Geef mij maar een Stiltecoupé...

Geen treinen

Dinsdagavond moest ik terugreizen vanuit Harlingen naar Delft. Maar er zouden geen treinen rijden. Ik heb een reis georganiseerd... Zo dus...

16.28 uur Bus 71 vanuit Harlingen naar Kop Afsluitdijk

16.43 uur Q Liner 350 naar Den Oever

17.16 uur Connexxion 135 naar Hoorn

18.00 uur EBS 314 naar Amsterdam Centraal

18.55 uur Metro 52 naar Amsterdam Zuid

19.11 uur Connexxion R-Net 341 naar Schiphol

20.00 uur Flixbus naar München via Den Haag Centraal

21.25 uur HTM tramlijn 1 naar Delft

21.50 aankomst Delft

De Flixbus (voor 4,99!) scheelde één uur op de totale reistijd. Inmiddels kan ik dat kaartje in de prullenbak gooien; de staking gaat niet door...