Klaas in de rolstoel (1)

Er waren maandelijks intake-gesprekken op de instelling waar ik werkte. De ouders doorliepen een heel scala aan gesprekken, van maatschappelijk werk via de pedagogische en medische dienst en de administratie tot en met de directeur. Achteraf denk ik: 'hoe hebben we het kunnen bedenken?'

Een deel van de cliënten die was aangemeld haalde deze eindstreep niet, ze waren niet eens in staat om vijf minuten ergens te verblijven zonder dat er dingen stuk gingen. Ik ging dan ook veel liever thuis, in de eigen omgeving, kijken.

Zo werd Klaas in een rolstoel binnen gereden. Hij was 23 jaar en had downsyndroom (‘een mongool’ zeiden we toen nog).

Het eerste was me opviel was dat zijn moeder veel aandacht vroeg. Ze wilde niet op een gewone stoel zitten, want ze had allerlei lichamelijke klachten. Toen ze eenmaal zuchtend op een luxe stoel – met een extra aangerukt kussen – zat begon ze een heel relaas over alle fysieke ellende waar ze dagelijks mee te maken had.

Ik dacht dat ze een lijst met aandachtspunten van Klaas in haar hand had, maar het was een lijst met haar eigen ongemakken. Daarbij had ze ook nog eens een gehandicapt kind en een man die haar niet begreep. Klaas zat wat afwezig te kijken en haar man haalde min of meer zijn schouders op. Dat verhaal had hij kennelijk al veel vaker gehoord.

 

De gesprekstijd was al voor de helft verstreken, dus we moesten nu toch ook nog een beetje over Klaas te weten zien te komen. Wie was hij en wat had hij nodig? Wat zou een goede woonplek voor hem kunnen zijn?

Het kostte heel wat moeite om moeder over deze streep te krijgen. Want wat een ellende dat ze allemaal niet met Klaas mee had gemaakt! Het was hard werken, want niemand begreep wat Klaas nodig had. Haar man ook niet. Ze moest alles alleen doen. Zij was de enige die Klaas begreep. Moeder en zoon hadden een hele hechte band. Daar kon niemand tussen komen.

Ik wilde weten hoe de ontwikkeling van Klaas was verlopen. Alleen al over het verhaal van de zwangerschap en de bevalling zou een boek geschreven kunnen worden. Al in de derde maand wist moeder zeker ‘dat er iets niet goed was’, maar de huisarts en haar man hadden gezegd dat ze zich voor niks zorgen maakte.

Vanaf de zesde maand moest moeder helemaal plat liggen. Maar dat kon helemaal niet. Er liepen nog twee kinderen rond. En aan de buren en je familie heb je op zo’n moment ook helemaal niks.

Daarna de bevalling. Die had 38 uur geduurd. “U weet niet wat dat is” zei mevrouw tegen mij, “maar het is hard werken. Dat zijn mannen niet gewend. Zo hard hebt u in uw leven nog nooit hoeven te werken.” Haar echtgenoot gaf mij ondertussen een bemoedigende knipoog. We waren lotgenoten in het niet hard werken.

En daar was eindelijk Klaas. “Ik zag het meteen, meneer, maar mijn man wilde het niet geloven. Het kind was niet goed!”  Klaas knipperde ondertussen met zijn ogen, maar zei helemaal niets.

Moeder zag meteen dat er nog veel meer niet in orde was. Klaas had een heel andere kleur dan zijn broer en zijn zus. Ze vermoedde dat er iets met zijn hartje was, maar de dokter wilde haar niet geloven. Hij zei dat dat van later zorg was en dat ze eerst moest uitrusten van de zware bevalling. “Maar hoe kun je nu uitrusten als je kind in levensgevaar verkeert, meneer?”

Advertenties

Auteur: henk50

Ik ben GZ-psycholoog. Sinds 1975 werk ik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Schrijven is een hobby en een ontspanning voor mij, vandaar dat ik het niet kan laten om dagelijks iets te schrijven, meestal ook op mijn weblog.

One thought on “Klaas in de rolstoel (1)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s