Angst: aangeboren of aangeleerd?

Is het waar dat als een moeder bang is voor spinnen, dat de kinderen dan ook ‘automatisch’ bang worden voor spinnen?

Dat is wel redelijk aannemelijk. Vooral peuters lezen aan de ogen van de moeder af of iets vertrouwd is, of niet. Ze kijken naar het vreemde object, kijken dan naar hun moeder en ‘vertalen’ vervolgens of ze ergens bang voor moeten zijn of dat het veilig is.

Een moeder die schrikt van een spin maakt daarmee in indirect (en onbedoeld) ook haar kind angstig.

Moeder is bang voor de tandarts

Bij de eerste observatie die ik deed tijdens de behandeling bij een tandarts zette de tandarts alles op alles om het kind gerust te stellen. Maar ik zag dat dit meisje steeds naar haar moeder keek. Moeder zette grote ogen op als de tandarts haar dochter behandelde. Moeder was duidelijk bang. De tandarts had dit niet gezien. Tegen deze angst van de moeder hielp de weloverwogen aanpak van de tandarts niet. Ik zei dan ook tegen hem dat ‘het op deze manier niet zou gaan lukken’.

Wat was het alternatief? Er was een puberende zus die niet bang (meer?) leek te zijn voor de tandarts. Deze zus werd ingeschakeld. Stapsgewijs lukte de behandeling. Die was wel urgent, want het meisje (6 jaar oud) had een ernstig verwaarloosd gebit. Moeder was – vanwege haar eigen angst – nog nooit met haar dochter naar de tandarts geweest. Bovendien kreeg ze nog iedere avond een flesje limonade mee naar bed ‘omdat ze anders niet kon slapen’.

Qua aanleg meer angstgevoelig

Toch is angst niet alleen aangeleerd. Het ene kind is qua aanleg meer angstgevoelig dan het andere kind. Daar is o.a. onderzoek naar gedaan door Alexander Thomas en Stella Chess (in verband met het temperament), door H.J. Eysenck (persoonlijkheidsdimensies) en door R.B. Catell (o.a. over de mogelijkheid tot controle over angsten).

Erfelijkheid

Maar hoe weet je nu of angsten ook erfelijk worden overgedragen? In hoeverre liggen specifieke angsten verankerd in de genen. Heeft de één meer een angstgen dan de ander? Om daar achter te komen heb je identieke tweelingen nodig. En vooral in de USA hebben ze hele blikken op voorraad van identieke tweelingen.

Uit die onderzoeken komt naar voren dat fobieën ‘matig erfelijk’ zijn. Zo zou de angst voor bloed, voor letsel, voor injecties (‘naaldangst’) voor 33% bepaald worden door erfelijke factoren. De kans dat je als kind angstiger bent voor een prik is ook op basis van erfelijke factoren groter als je een vader of een moeder hebt die erg bang is voor prikken.

Wat de zogenaamde ‘universele angsten’ betreft blijkt de angst voor dieren de meest erfelijke component te hebben. Volgens onderzoek zou 45% van de angst voor dieren te maken hebben met erfelijke factoren. Dus: ben je bang voor spinnen, dan is de kans aanzienlijk dat je moeder dat ook was. Of je vader natuurlijk. Want die angst is deels erfelijk.

Meerdere factoren tegelijk

Maar hoe je het ook wendt of keert: bij deze angsten spelen altijd meerdere factoren een rol. Generische factoren, individuele omstandigheden, wat je hebt meegemaakt (trauma’s bijvoorbeeld) en de omgeving waar je in bent opgegroeid.

Advertenties

Auteur: henk50

Ik ben GZ-psycholoog. Sinds 1975 werk ik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Schrijven is een hobby en een ontspanning voor mij, vandaar dat ik het niet kan laten om dagelijks iets te schrijven, meestal ook op mijn weblog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s