Verstoorde hechting: 7 vormen

In de DSM IV wordt één type hechtingsstoornis beschreven: de reactieve hechtingsstoornis. Om van deze stoornis te kunnen spreken moet er op jonge leeftijd aantoonbaar sprake zijn geweest van een tekort. Daarbij kan gedacht worden aan het ontbreken van een vast hechtingsfiguur in de eerste levensjaren (bijvoorbeeld: kinderen die in een kindertehuis met veel wisselende begeleiders zijn opgegroeid).

Dit lijkt in de praktijk van zorg en opvoeding een te beperkte classificatie te zijn (aldus Rien Verdult). Als één op de drie kinderen onveilig is gehecht moet er (naast de beschreven reactieve hechtingsstoornis) veel vaker sprake zijn van problemen in de hechting. Die problemen hebben op hun beurt een grote impact op het gedrag van kinderen (gedragsstoornissen) en volwassenen (persoonlijkheidsstoornissen).

In dat verband is het onderzoek van Karl Heinz Brisch (Universiteit van München, boek: Treating Attachment Disorders, 2012) interessant. Brisch heeft zich vooral ingespannen om de hechting van jonge kinderen in complexe situaties beter op gang te helpen (bijvoorbeeld baby’s die maandenlang in de couveuse moeten verblijven, jonge kinderen die opgroeien in traumatiserende omstandigheden). Brisch maakt een bredere differentiatie bij zijn omschrijving van hechtingsstoornissen.

Zeven verschillende vormen

Brisch maakt onderscheid tussen verschillende typen hechtingsstoornissen. Qua gedrag beschrijft hij 7 verschillende verschijningsvormen:

 a). de volledige onthechting (ook wel bodemloosheid genoemd): het kind vertoont geen enkel teken dat wijst op enige mate van hechting aan personen. Het gedrag is zeer wisselend, fragmentarisch.

b). de ongedifferentieerde binding (allemansvriend): het kind doet tegenover iedereen even vriendelijk, maar lijkt daardoor geen onderscheid tussen personen te maken. Het loopt daardoor met iedereen ook even gemakkelijk mee. Het kind zoekt nabijheid en past zich aan aan de sfeer in de omgeving. Het lijkt soms op een kameleon.

c). de grenzenloze binding (symbiose): het kind staat geen afstand tot de hechtingsfiguur toe. Er ontstaat totale paniek als de betrokken persoon uit zicht verdwijnt (dit wordt in een ander verband ook wel de separatieangststoornis genoemd). Alleen in de nabijheid van (één exclusieve) hechtingspersoon zijn ze gerustgesteld. Bij deze kinderen overheersen angst en paniek.

d). de geremde binding (einzelgänger): het kind houdt van iedereen afstand, zoekt geen fysieke toenadering, bekijkt iedereen van een afstand. Het kind past zich gemakkelijk aan, lijkt weinig weerstand te vertonen, mits het maar ‘met rust gelaten wordt’. “Laat mij mijn eigen gang maar gaan” lijkt het kind te zeggen.

e). de agressieve binding: door het gevaar op te zoeken, door verbale of fysieke agressie probeert het kind (juist) nabijheid te bewerkstelligen. Net als bij groep c) overheerst de angst, maar de kleur is anders: niet ‘klampen’, maar ‘bijten’.

f). binding met rolomkering: het kind probeert voor de hechtingspersoon te zorgen. Door die zorg probeert het kind de persoon voorspelbaar te maken en rust te bewerkstelligen. Dit gedrag zien we nogal eens bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze kinderen lijken vroeg volwassen, maar ze zijn emotioneel kwetsbaar. Deze kwetsbaarheid blijkt vaak pas later, op volwassen leeftijd.

g). psychosomatische klachten: er zijn kinderen aan wie je de problemen in de hechting niet zozeer in het gedrag ziet, maar meer in de lichamelijke klachten. Deze klachten lijken een functie te hebben om daarmee de nabijheid van de hechtingsfiguur te bewerkstellingen. Een bekende klacht is bijvoorbeeld buikpijn, maar ook de angst om naar school te moeten, eetproblemen, onzindelijk blijven en slaapproblemen kunnen hier symptomen van zijn.

Het is uiteraard niet zo dat (als een kind dit gedrag laat zien) er per definitie sprake is van een hechtingsstoornis. Het is wel zo dat dit gedrag een aanwijzing kan zijn van een mogelijk verstoorde hechting.

Advertenties

Auteur: henk50

Ik ben GZ-psycholoog. Sinds 1975 werk ik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Schrijven is een hobby en een ontspanning voor mij, vandaar dat ik het niet kan laten om dagelijks iets te schrijven, meestal ook op mijn weblog.

3 thoughts on “Verstoorde hechting: 7 vormen”

  1. Dank je voor dit overzicht, in combinatie met je andere blogs over dit onderwerp. In dit artikel gaat het over kinderen. Is het mogelijk dat een volwassene, die als kind door (ernstige) onveilige hechting ontwricht en getraumatiseerd is, d.m.v. een hoge intelligentie een uiterst subtiel camouflage- en survivalsysteem heeft ´ontworpen´, een soort sociaal schijn functioneren dat jarenlang de omgeving op het verkeerde been heeft gezet,
    waardoor nooit behandeling heeft plaatsgevonden? De strategie is op het ´juiste´ moment aantrekken en afstoten, waardoor het lijkt alsof de ander schuld heeft aan het conflict of de breuk. Borderline trekje?

    Is door samenloop van omstandigheden door de mand gevallen. Ik zie kenmerken van a, d, e, f en in toenemende mate g. Vooral de hevige angsten overheersen en het kost uitputtend veel energie om die onder controle te houden, misschien wel zoveel, haast obsessief, dat er nauwelijks ruimte is voor iets anders. Wat zich somatisch lijkt te vertalen in toenemende depressie, geheugenverlies en gewichtsverlies ( conclusie van een leek).
    Specialistische behandeling lijkt niet aan te slaan, zelfs ´stabiliseren´ niet, mede doordat de therapeutische relatie met behandelaars niet lijkt te worden aangegaan en behandelaars kennelijk geen confronterende methodes willen gebruiken vanwege het risico op verergering van de klachten en verdere uitval ( ik zeg het voorzichtig omdat ik eenzijdig word geïnformeerd ).

    Is er perspectief voor dit soort mensen, zijn er behandelmethodes bekend die verbetering, hoe miniem dan ook, brengen? Is het niet bijna een mission impossible om iemand die zo beschadigd is, er nog toe brengen om anders om te gaan met zichzelf, anderen en het leven?

    1. @ Kitty: ik ga nu alleen in op je eerste vraag: ja, dat kan zeker. Kinderen die een hechtingsstoornis ontwikkelen gebruiken allerlei andere overlevingsmechanismen om het vol te houden. Ook binnen het autistisch spectrum zitten kinderen bij wie het gedrag eigenlijk beter verklaard zou kunnen worden vanuit verstoorde hechting dan vanuit het autisme. Hetzelfde geldt voor ADHD. Alleen moet je het niet omdraaien: autisme en ADHD zijn geen hechtingsstoornissen.
      Deze afweer zit vaak in de hoek van wat Freud afweermechanismen noemt. Die gebruiken we allemaal, maar deze kinderen doen dat nog meer en het wordt op volwassen leeftijd onderdeel van de persoonlijkheid. Ik heb het dan over ‘overleven’ in plaats van ‘leven’. Op een gegeven ogenblik raakt de energie op. Dat gebeurt nogal eens tijdens de breuklijnen van het leven (overgang naar een nieuwe levensfase).
      Voor de rest van je vraag is het antwoord te complex om het zomaar even te kunnen beantwoorden, als er al een antwoord is. Ik heb wel gezien bij kinderen dat er zich alsnog een stukje stabiliteit kan ontwikkelen. Maar bij volwassenen is dit veel meer complex, omdat de persoonlijkheid volgroeid is.
      Binnenkort moet ik weer een cursus geven over hechtingsstoornissen, dan moet ik me er weer even in verdiepen en neem ik ook jouw vraag misschien wel even mee.

      1. Ja, dat klopt, het is duidelijk overleven. De houding ´mij pak je niet meer´, letterlijk noch figuurlijk.
        Wat me opvalt in de communicatie is het vrijwel ontbreken van emotie. Elke beweging, elk woord lijkt ´berekend´ en gericht op zelfhandhaving, alsof er weer volledig in het verleden geleefd wordt en het nu niet lijkt te bestaan. Dat het geheel complex is, ben ik met je eens.

        En nu je het woord breuklijn noemt, wordt me iets duidelijk. Er is sprake van diverse breuklijnen/overgangsfases, waarin als het ware de ´middelen´ ( o.a. kinderen, ouder, baan ) om te overleven wegvallen of minder bereikbaar zijn. En o.a. daardoor werkt de jarenlang toegepaste overlevingsstrategie niet meer?

        Het cirkeltje dat ik nu globaal gezegd zie: Er is niemand meer direct aanwezig om te claimen, weg te duwen, te beheersen/beschermen en ook het gevoel van zelf ´beschermd én belangrijk gevonden worden´ valt weg.
        Er komt geen nieuwe strategie ( aanpassingsproblematiek, reflectie- en geheugenproblemen ), de oude strategie wordt gericht op nieuwe personen ( zoals de therapeute ), maar die reageren anders, accepteren het niet of ´doorzien´ de tactiek, het wordt ruzie en ze verdwijnen uit beeld of persoon zelf gaat uit het contact. Dus ontstaat er een ´geen bodem gevoel´, leegte ( depressie / gestolde woede ) en van daaruit weer agressie om aandacht te krijgen, wat tot nog meer verliezen leidt.

        Dat volledig op zichzelf teruggeworpen worden ( gevoel en het verwijt naar anderen verlaten te worden) en geen ´grip meer hebben op anderen´ is dan eigenlijk de zich herhalende oude situatie, dat er niemand was om op terug te vallen in de kind periode?
        Dit is de trigger, die leidt tot hevige angst, paniek en wantrouwen die zich naar steeds meer terreinen uitbreidt.

        En dat alles moet, naast het verbergen voor de buitenwereld, zoveel energie kosten dat het een uitputtende strijd is die niet volgehouden kan worden. Lichaam/psyche kunnen dan niet anders dan qua energie in de ´spaarstand´ gaan; steeds zieker worden is de ´oplossing´ van het lichaam om ervoor te zorgen dat alle overbodige activiteiten gestaakt worden om genoeg energie te hebben voor de functies tot biologisch overleven.

        Kan het cirkeltje zo ongeveer werken?

        Er schoot me nog iets te binnen rond PTSS. Kom ik nog op terug.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s