Persoonlijkheidsstoornis: to do or not to do (1)

Cluster A: het vreemde cluster

Cluster A in de DSM (het spoorboekje van de psychiater) betreft het vreemde en excentrieke cluster. Daar onder vallen de schizoïde persoonlijkheid (vooral sociale angst), de paranoïde persoonlijkheid (vooral wantrouwen) en de schizotypische persoonlijkheid (opvallend door bijvoorbeeld het voortdurend spreken over magische krachten of over een zesde zintuig).

Wat moet je niet doen?

  • Diepgaande gesprekken over emoties voeren. Het brengt mensen met deze kenmerken vaak op nog meer nieuwe ‘piekers’ (zoals een cliënt dat tegen mij zei).
  • Meegaan in irreële gedachten. Je kunt die gedachten wel benoemen (‘u denkt dat de buurman verliefd op u is’), maar als je deze gedachten gaat voeden wordt de chaos in het hoofd alleen nog maar erger.
  • Doorbreken van rituelen. Die rituelen geven namelijk houvast (‘hoe meer chaos in het hoofd, des te mer hebben we rituelen nodig’). Je kunt wel helpen met het bedenken en aanleren van alternatieven, maar doorbreken van rituelen leidt vaak tot nog meer angst.
  • Onverschillig gedrag proberen tegen te gaan. Veel mensen uit Cluster A zijn ‘bezoekers’ tijdens de behandeling. Ze zien het nut er niet van in. Waarom moet ik mijn tanden poetsen, er zijn zoveel andere véél belangrijker zaken in het leven. Begint de tandarts over tanden poetsen terwijl we ondertussen massaal worden ingestraald door een vreemde macht. Er zijn wel manieren om bij te sturen, maar die zijn bij voorkeur niet-normatief (‘preken helpt niet’).
  • Motiveren voor sociale activiteiten. Contacten met andere mensen kosten mensen uit cluster A veel psychische energie. Ieder mensen heeft contacten nodig. Maar als deze mensen ze perse sociaal moeten zijn raken ze juist uit balans.

Wat kun je wél doen?

  • Zakelijke houding over praktische zaken. “U hebt een aanmaning gekregen. Wat gebeurt er als u die op de stapel laat liggen? Hoeft u dan niet te betalen? Hoe kunnen we dat oplossen?
  • Voorzichtig bijstellen van irreële gedachten. Zie het voorbeeld onder wat niet te doen. “De buurman is vriendelijk voor u. Het is een aardige man. Groet de buurman ook andere mensen, denkt u?” Het helpt daarbij als je als achtergrond weet dat deze gedachten een functie hebben. Irreële gedachten vergroten vaak uit wat iemand eigenlijk graag zou willen. Bijvoorbeeld: gezien worden, liefde ervaren.
  • Rituelen stimuleren: ze bieden houvast. De deur nog een keer controleren of hij écht op slot is is niet hetzelfde als dwang. Als je niet controleert blijf je misschien wel de hele dag bezig met de vraag of je de deur écht wel op slot hebt gedaan.
  • Depressieve uitingen accepteren. De zon mag dan wel uitbundig schijnen, maar dat helpt niet echt als je het gevoel hebt dat de wereld tegen je is.
  • Motiveren tot individuele activiteiten. Stil zitten leidt tot meer piekers, met je lichaam bezig zijn tot minder piekers. Maar in een groep hebben mensen uit Cluster A altijd grote moeite om zich staande te houden: de energie gaat zitten in het in de groep moeten functioneren. Een rondje met anderen achter elkaar lopend door het stadspark kan over de drempel helpen, maar het samen sociaal moeten doen kost veel energie.

 

Advertenties

Auteur: henk50

Ik ben GZ-psycholoog. Sinds 1975 werk ik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Schrijven is een hobby en een ontspanning voor mij, vandaar dat ik het niet kan laten om dagelijks iets te schrijven, meestal ook op mijn weblog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s