Persoonlijkheidsstoornissen (8) : fantasie en werkelijkheid

Bij mensen met stoornissen die vallen onder cluster B  hoor je vaak verhalen die aandacht vragen. Zijn ze waar of niet waar? En als het niet waar is, is het dan liegen of fantaseren?

De onderstaande voorbeelden komen allemaal uit TV-uitzendingen (met een stip er voor zelfs in de afgelopen week):

* Een broer en zus weten zeker dat hun vader tien kinderen seksueel heeft misbruikt en vermoord. Hun baan hebben ze opgezegd. Ze hebben er een dagtaak aan het opsporen van de daden van hun (overleden) vader.

* In de kelder van een school zouden tientallen kinderen seksueel zijn misbruikt. Luchtfoto’s en degelijk graafwerk leveren geen enkele aanwijzing voor de aanwezigheid van een kelder. Toch bleef de plaatselijke bevolking er heilig van overtuigd dat er een kelder was onder de school en dat daar veel kinderen uit het dorp misbruikt waren.

  • * Een moeder weet zeker dat haar man én de buurman én haar zwager én de kinderarts haar dochter (een kleuter) hebben misbruikt. Ze noemt tijdens het politieverhoor allerlei feiten dat haar verhaal ondersteunen. Ze haalt ook God er bij als haar getuige. De aanklacht wordt serieus genomen en de betrokkenen worden allemaal opgepakt en verhoord. Dan blijkt dat geen van de verhalen die de moeder heeft verteld feitelijk juist kan zijn. Daarop breidt de vrouw haar verhaal uit: ook de politieagenten die haar dochter hebben verhoord hebben haar dochter misbruikt. Als zwijggeld hebben ze de andere daders vrij gelaten.

* Een Tweede Kamerlid beweert dat ze een terminale vorm van kanker heeft. Ze komt in een rolstoel de Tweede Kamer binnen. Achteraf blijkt dat ze helemaal niet ziek was, maar ze was in haar eigen ziekte gaan geloven.

* Een bekend Nederlander is in tranen omdat zijn zoontje op sterven ligt. Hij schrijft er zelfs een boek over. Iedere dag bezoekt hij zijn zoontje. Achteraf blijkt dat hij helemaal geen zoontje had en dus zeker geen ziek zoontje.

  • * Een moeder weet zeker dat haar zoontje ernstig ziek is. Bij geen van de behandelend artsen vindt ze gehoor. Het zoontje moet allerlei zware onderzoeken ondergaan, maar er wordt niets gevonden. Toch weet de moeder zeker dat haar zoontje terminaal ziek is. Ze klaagt de artsen aan dat die hun werk niet goed doen (vermoedelijk een voorbeeld van het Syndroom van Münchhausen by Proxy) 

* Een man vertelt dat hij gezagvoerder bij de KLM is. Hij nodigt op zijn verjaardag allerlei collega’s uit. Hij kan alles vertellen over de kunst van het vliegen. Hij woont in een luxe huis met zwembad, want hij heeft ook nog één miljoen euro geërfd van een oom. De man was geen piloot en hij had geen erfenis gekregen.

Toch -zelfs als de berichten feitelijk onwaar zijn- blijven ze voor de persoon in kwestie feiten, terwijl de omgeving er vanuit gaat dat het niet waar kan zijn.

Meer chaos, meer stelligheid

Zoals ik al een paar weken geleden schreef zijn het juist de mensen die moeite hebben met het onderscheid maken tussen fantasie en werkelijkheid die met de meeste stelligheid beweren iets zeker te weten. Omdat het een chaos is in het hoofd hebben ze het kennelijk extra nodig om zeker te weten dat iets feitelijk waar is. Ze gaan daarbij helemaal voorbij aan de waarheid van anderen. Dat kan gewoon niet waar zijn, alleen zíj hebben het bij het rechte eind. Hetzelfde kan ook nogal eens gezien worden bij de eerste twee fasen van een dementiëel proces.

Fantasie en werkelijkheid door elkaar

Deze manier van denken is passend bij kleine kinderen, die in hun eigen fantasie kunnen geloven. Maar als volwassenen op deze manier functioneren klopt er iets niet. Bekend is de pathologische leugenaar die maar niet kan stoppen met het de omgeving naar zijn hand te zetten. Dat beeld komt nogal eens voor in samenhang met de narcistische persoonlijkheid. Maar ook bij borderline zien we nogal eens dat onjuistheden worden omgebogen tot stellige zekerheden.

Verklaringen

Verklaringen voor deze verschuiving van werkelijkheid naar mythe zijn:

1.de persoon die deze verhalen vertelt voelt zich in zeer ernstige mate miskend door belangrijke personen in zijn of haar leven (bijv.: ouders, onderwijzer, predikant). Het gevoel niet erkend te worden valt echter moeilijk ‘feitelijk te vertalen’. Het gevolg is dat iemand de feiten zelf in gaat vullen (confabuleren).  Natuurlijk kunnen de verhalen waar zijn, maar er blijkt vaak toch ook minstens een deel feitelijk niet te kloppen.

 2.de persoon die deze verhalen vertelt identificeert zich sterk met de vermeende dader. De  zoon in het eerst genoemde verhaal lijkt op hun vader, maar hij wil juist absoluut niet om hem lijken (negatieve identiteit). Door de vader allerlei misdragingen toe te kennen wordt de emotionele afstand sterk uitvergroot: ik lijk tóch niet op hem.

3. De verhalen over mooie banen duiken steeds weer op. Het gaat vaak om mensen met een uitgesproken narcistische persoonlijkheidsstructuur. Ze willen koste wat het kost in het centrum van de belangstelling staan.

4. Verhalen over vermeende ziektes hebben vaak eenzelfde wortel, maar vinden hun oorsprong nogal eens in het niet aan kunnen van verantwoordelijkheden. Als ik ziek ben krijg ik nog steeds veel belangstelling, maar ik hoef me niet meer zo waar te maken…

Advertenties

Auteur: henk50

Ik ben GZ-psycholoog. Sinds 1975 werk ik in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Schrijven is een hobby en een ontspanning voor mij, vandaar dat ik het niet kan laten om dagelijks iets te schrijven, meestal ook op mijn weblog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s